← België

Arrest 160434 - - 22/06/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.434 Rolnummer: A. 89668/VII-20521 Zaak: Arrest 160434 - - 22/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-30 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 22:30 Fiche Arrest nr 160.434 van 22 juni 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 160.434 van 22 juni 2006 in de zaak A. 89.668/VII-20.

  1. In zake : de v.z.w. ONZE-LIEVE-VROUWZIEKENHUIS, die woonplaats kiest bij advocaat P. COOREMAN, kantoor houdende te ZELE, Kouterstraat 76 tegen : de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, die woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Gerard Davidstraat 46, bus
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de v.z.w. ONZE-LIEVE-VROUW- ZIEKENHUIS op 18 februari 2000 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van "de beslissing van 21 december 1999 van de Vlaamse Minister van Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen waarbij een planningsvergunning wordt verleend voor een samenwerkingsverband op voorwaarde dat alle activiteiten van het zorgprogram- ma 'reproductieve geneeskunde' B binnen het jaar gelokaliseerd worden binnen één en dezelfde ziekenhuiscampus", beperkt "tot het opleggen van de voorwaarde dat alle activiteiten van het zorgprogramma 'reproductieve geneeskunde' B binnen het jaar gelokaliseerd worden binnen één en dezelfde ziekenhuiscampus"; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 25 oktober 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; VII-20.521-1/13 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 27 februari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 maart 2006; Gehoord het verslag van Staatsraad R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. COOREMAN, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat N. DE CLERCQ die, loco advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Feitelijk en juridisch kader Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  4. Artikel 9quater van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, zoals het met ingang van 1 januari 1999 werd hernummerd bij artikel 192 van de wet van 25 januari 1999 houdende sociale bepalingen, luidt als volgt : "Art. 9quater. §
  5. De Koning stelt, na advies van de Nationale Raad voor ziekenhuisvoorzieningen, Afdeling Programmatie en Erkenning, de lijst vast van zorgprogramma's, zoals die door Hem nader worden omschreven, en die moeten erkend worden door de Overheid bevoegd voor het gezondheidsbeleid op grond van de artikelen 128, 130 of 135 van de Grondwet. §
  6. De Koning kan, voor ieder der in § 1 bedoelde zorgprogramma's, karakteristieken definiëren om te kunnen erkend worden zoals : 1/ de doelgroep; 2/ de aard en de inhoud van de zorg; 3/ het minimaal activiteitsniveau; 4/ de vereiste infrastructuur; 5/ de vereiste medische en niet-medische personeelsomkadering en deskundig- heid; 6/ kwaliteitsnormen en normen inzake kwaliteitsopvolging; 7/ bedrijfseconomische criteria; VII-20.521-2/13 8/ geografische toegankelijkheidscriteria. §
  7. De Koning kan, na de Nationale Raad voor ziekenhuisvoorzieningen, Afdeling Programmatie en Erkenning, gehoord te hebben, de toepassing van de bepalingen van deze wet geheel of gedeeltelijk, en met de nodige aanpassingen, uitbreiden tot de in § 1 bedoelde zorgprogramma's". Ter uitvoering van dit artikel werd het koninklijk besluit van 15 februari 1999 tot vaststelling van de lijst van zorgprogramma's zoals bedoeld in artikel 9ter van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987 en tot aanduiding van de artikelen van de wet op de ziekenhuizen die op hen van toepassing zijn, genomen. Dit besluit bepaalt de reproductieve geneeskunde als zorgprogramma, en stelt in artikel 2, § 1, de inhoud van dit zorgprogramma als volgt vast : "§
  8. Het zorgprogramma 1/ hetzij de diagnose en behandeling van onvruchtbaarheid, zonder gebruikmaking van een laboratorium voor medisch begeleide voortplanting, hierna genoemd het zorgprogramma A; 2/ hetzij de diagnose en behandeling van onvruchtbaarheid met inbegrip van de mogelijkheid om gebruik te maken van een laboratorium voor medisch begeleide voortplanting, hierna genoemd het zorgprogramma B". Het voorliggend geding betreft een ?planningsvergunning” voor het zorgprogramma reproductieve geneeskunde B. De planningsvergunning wordt verleend door de Vlaamse gemeenschap, volgens een procedure die is vastgelegd in een besluit van de Vlaamse regering van 18 februari 1997 tot vaststelling van de procedure voor het verkrijgen van een planningsvergunning en een exploitatievergunning voor intramurale en transmurale voorzieningen in de gezondheidszorg. Om zulke planningsvergunning te verkrijgen moet worden voldaan aan erkenningsnormen en programmatiecriteria. De erkenningsnormen zijn vastgelegd in het koninklijk besluit van 15 februari 1999 houdende vaststelling van de normen waaraan de zorgprogramma's "reproductieve geneeskunde" moeten voldoen om erkend te worden (hierna : erkenningsbesluit). Hoofdstuk III van het erkenningsbesluit heeft betrekking op het zorgprogramma reproductieve geneeskunde B. Afdeling 1 slaat op de aard en de inhoud van de zorg. Artikel 15, 3/, dat deel uitmaakt van deze afdeling, bepaalt wat volgt : VII-20.521-3/13 "Het zorgprogramma 'reproductieve geneeskunde' B omvat, benevens de activiteiten van het zorgprogramma ‘reproductieve geneeskunde’ A, minstens de hiernavermelde activiteiten : (...) 3/ de gameten en embryo's invriezen en bewaren". Afdeling 3 van hoofstuk III van het erkenningsbesluit heeft betrekking op de vereiste medische en niet-medische personeelsomkadering en deskundigheid. De daarop betrekking hebbende bepalingen, waarbij MBV staat voor ?medisch begeleide voortplanting”, luiden als volgt: "Art.
  9. Het geheel van het zorgprogramma ‘reproductieve geneeskunde’ B st aat onder leiding van een geneesheer-specialist in de gynaecologie-verloskunde, exclusief aan het ziekenhuis verbonden en met bewezen en onderhouden bekwaming inzake fertiliteitsproblematiek en de aanwending van de klinische en biologische technieken inzake MBV. De leiding van dit zorgprogramma is zijn hoofdopdracht. Hij is verantwoordelijk voor het geheel van de klinische dienstverlening alsook voor de opvolging van de protocols, de continuïteit van de dienstverlening, de uitrusting, de registratie en de kwaliteitsopvolging van het hele zorgprogramma. Hij is verantwoordelijk voor de permanente vorming van geneesheren en personeelsleden. Art.
  10. De in artikel 18 bedoelde geneesheer wordt bijgestaan door ten minste één geneesheer-specialist in de gynaecologie-verloskunde met dezelfde bewezen en onderhouden bekwaming en eveneens exclusief aan het ziekenhuis verbonden. Art.
  11. Van de in artikel 18 en 19 bedoelde geneesheren moet er ten minste één voltijds aan het zorgprogramma verbonden zijn. Art.
  12. Het MBV-laboratorium staat onder de specifieke leiding en de verantwoordelijkheid van een geneesheer of universitair geschoolde, exclusief aan het ziekenhuis verbonden en met bewezen en onderhouden bekwaming op het vlak van de biologische aspecten van MBV. Hij werkt nauw samen met de geneesheer-specialist die de leiding heeft van het hele zorgprogramma. Hij is verantwoordelijk voor de permanente vorming van geneesheren en andere personeelsleden van het MBV-laboratorium. Art.
  13. De in artikel 21 bedoelde geneesheer of universitair geschoolde wordt bijgestaan door minstens één geneesheer of universitair geschoolde, met dezelfde bewezen en onderhouden bekwaming en eveneens exclusief aan het ziekenhuis verbonden. Art.
  14. De in artikel 21 en 22 bedoelde geneesheren of universitair geschoolden waarborgen samen minstens de activiteit van één voltijds equivalent in het MBV-laboratorium. Art.
  15. Het zorgprogramma B moet zowel voor zijn klinisch luik als voor het MBV-laboratorium beschikken over voldoende technisch en/of universitair geschoold deskundig personeel om de kwaliteit en continuïteit te waarborgen". Afdeling 4 heeft betrekking op de kwaliteitsnormen en normen inzake kwaliteitsopvolging. Artikel 25, dat deel uitmaakt van die afdeling, werd vernietigd ingevolge 's Raads arrest nr. 140.123 van 3 februari
  16. VII-20.521-4/13 Artikel 28 van het erkenningsbesluit bepaalt ten slotte : "De ziekenhuizen die niet beantwoorden aan één of meer erkenningsnormen van de Hoofdstukken II of III, beschikken over een periode van zes maanden na de inwerkingtreding van dit besluit om een associatie aan te gaan met het oog op het beantwoorden aan alle erkenningsnormen en mits de desbetreffende ziekenhuizen op datum van de inwerkingtreding reeds een samenwerkingsak- koord gesloten hebben waarin de verbintenis om tot een associatie te komen, vermeld staat. Bedoeld samenwerkingsakkoord moet reeds van bij de inwerkingtreding van dit besluit voorzien in de verbintenis een begin te maken met de oprichting van één gemeenschappelijke medische equipe voor het zorgprogramma en, voor de zorgprogramma's B, van één gemeenschappelijke medische equipe voor het MBV-laboratorium". De programmatiecriteria zijn vastgesteld in het koninklijk besluit van 15 februari 1999 tot vaststelling van de programmatiecriteria die van toepassing zijn op het zorgprogramma "reproductieve geneeskunde" (hierna : het programmatie- besluit). Artikel 3 van dit besluit bepaalt wat volgt : "Inzake het zorgprogramma 'reproductieve geneeskunde' B, gelden als programmatiecriteria : 1/ De zorgprogramma's in de universitaire ziekenhuizen die voldoen aan de desbetreffende erkenningsnormen worden erkend, met een maximum van één programma per Faculteit van geneeskunde met volledig leerplan; 2/ Indien een Faculteit van geneeskunde met volledig leerplan geen zorgpro- gramma georganiseerd heeft zoals omschreven in 1/, maar het zorgprogramma georganiseerd heeft in samenwerking met een niet-universitair ziekenhuis, mag dat programma erkend worden in afwijking van de criteria voorzien in 3/, en mits het voldoet aan de desbetreffende erkenningsnormen; 3/ Per provincie mag er maximum één niet-universitair zorgprogramma, dat voldoet aan de desbetreffende erkenningsnormen, erkend worden. Het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest wordt met een provincie gelijkgesteld. Per gewest moet er zich minstens één zorgprogramma in een openbaar ziekenhuis bevinden; 4/ Indien in een provincie geen enkel niet-universitair zorgprogramma voldoet aan de desbetreffende erkenningsnormen, kan de betrokken Gemeenschap, in afwijking van de beperking tot één niet-universitair zorgprogramma per provincie, een niet-universitair zorgprogramma erkennen in een andere provincie, voor zover de programmatie niet overschreden wordt". 1.2 Op 11 mei 1999 maakt de verzoekende partij aan het ministerie van de Vlaamse gemeenschap een ingevulde vragenlijst over met het oog op de erkenning van een zorgprogramma reproductieve geneeskunde B. Als bijlage is hierbij een samenwerkingsovereenkomst gevoegd tussen de verzoekende partij en het Algemeen Ziekenhuis Jan Palfijn Gent. De samenwerkingsovereenkomst betreft een zorgpro- gramma reproductieve geneeskunde B. VII-20.521-5/13 Op 12 mei 1999 maakt het AZ Jan Palfijn eveneens een erken- ningsaanvraag over aan de administratie van de verwerende partij. De aanvraag voor het zorgprogramma B gebeurt onder de uitdrukkelijke wens "voor het Zorgprogram- ma B samen te werken met het O.L.-Vrouwziekenhuis, Aalst, Moorselbaan 164 dat Zorgprogramma A aanvraagt om later het Zorgprogramma B tussen beide instellingen verder in associatie uit te baten". De begeleidende brief vermeldt : "In bijlage XIII vindt u ontwerp van samenwerkingsovereenkomst dat reeds door het O.L.-Vrouwziekenhuis werd ondertekend en dat op 18.05.99 op het Managementcomité van A.Z. Jan Palfijn Gent zal goedgekeurd worden". Het ontwerp van samenwerkingsovereenkomst betreft het zorgprogramma reproductieve geneeskunde B. In het kader van de programmatie brengt de administratie een "programmatie-advies" uit ("programmatie van zorgprogramma B reproductieve geneeskunde"). Voorgesteld wordt wat volgt : "Ongunstig advies voor opname in de programmatie van het zorgprogramma B van het samenwerkingsverband (met intentie tot associatie) tussen A.Z. Jan Palfijn Gent en A.Z. O.L.V. Aalst. Dit kan in een gunstig advies gewijzigd worden op voorwaarde dat binnen het samenwerkingsverband gekozen wordt voor 1 vestigingsplaats, die aan alle erkenningsnormen voldoet". Met een brief van 11 juni 1999 wordt aan de verzoekende partij een voornemen tot weigering van een vergunning tot opname in de programmatie van het zorgprogramma reproductieve geneeskunde B betekend. Daarin wordt aangestipt dat een planningsvergunning wel mogelijk is indien het zorgprogramma reproductieve geneeskunde B gelokaliseerd wordt binnen één en dezelfde ziekenhuiscampus. Voorts wordt aangegeven dat de verzoekende partij niet voldoet aan een aantal erkennings- normen, met name deze neergelegd in de artikelen 25, §1, 15, 3/ en 23 van het erkenningsbesluit. Wat betreft het AZ Jan Palfijn vermeldt de brief : "Het zorgprogramma voldoet aan de erkenningsnormen met betrekking tot het zorgprogramma 'reproductieve geneeskunde' B". Een gelijkaardig voornemen tot weigering wordt met een brief van 11 juni 1999 betekend aan het AZ Jan Palfijn. Zowel de verzoekende partij als het AZ Jan Palfijn tekenen bezwaar aan tegen het voornemen tot weigering van opname in de programmatie. VII-20.521-6/13 In haar bezwaarschrift stelt de verzoekende partij dat zij het door haar ingediende dossier onmiddellijk zal aanpassen zodat wel aan de erkenningsnor- men wordt voldaan. Het bezwaarschrift van het AZ Jan Palfijn vermeldt onder meer : "Omdat de erkenning van de associatie als zorgprogramma 'reproductieve geneeskunde' B op een localisatie met twee vestigingsplaatsen problematisch lijkt en aanleiding zal geven tot een procedure waarbij de toekenning van de erkenning later zal gebeuren dan voor andere centra, waardoor onderhandeling- en voor samenwerkingsverbanden laattijdig zullen kunnen beginnen en gezien het A.Z. Jan Palfijn Gent voldoet aan alle criteria m.b.t. het zorgprogramma, nemen wij hierbij de vrijheid een vergunning tot opname in de programmatie van het zorgprogramma ‘reproductieve geneeskunde’ B te vragen voor het A.Z. Jan Palfijn Gent. Mogen wij met ditzelfde schrijven tevens de erkenning van het zorgprogramma B aanvragen. Ondergeschikt aan onze vraag tot erkenning van het zorgprogramma B voor het A.Z. Jan Palfijn Gent kunnen wij u meedelen dat het de bedoeling is, na erkenning van het zorgprogramma B in het A.Z. Jan Palfijn Gent, om samen te werken met het centrum te Aalst, teneinde samen een kwalitatief sterk centrum uit te bouwen". Naar aanleiding van de bezwaren brengt de administratie een bijkomende nota en een advies uit. In fine vermeldt het advies m.b.t. de verzoekende partij : "Op basis van bovenvermelde beschouwingen is de administratie van mening dat uitbating van het zorgprogramma 'reproductieve geneeskunde' B door O.L.V. ziekenhuis te Aalst en A.Z. Jan Palfijn te Gent op 2 vestigingsplaatsen niet mogelijk is". Op 5 oktober 1999 buigt de Vlaamse Adviesraad voor de erkenning van verzorgingsvoorzieningen zich voor de eerste keer over de groepsge- wijze behandeling van de bezwaarschriften tegen het voornemen tot weigering van een vergunning tot opname in de programmatie van het zorgprogramma reproductie- ve geneeskunde B. Het AZ Jan Palfijn wordt gehoord. De verzoekende partij vraagt uitstel. Op 12 oktober 1999 buigt de Vlaamse adviesraad zich voor de tweede keer over de groepsgewijze behandeling van de bezwaarschriften. Vertegen- woordigers van de verzoekende partij worden gehoord. Volgens het advies voldoet het AZ Jan Palfijn aan de erkenningsnormen, maar de verzoekende partij niet. Het advies luidt verder : VII-20.521-7/13 "De VAR adviseert om het voornemen tot weigering van een vergunning tot opname in de programmatie van het zorgprogramma 'reproductieve geneeskun- de' B in een samenwerkingsverband met lokalisatie op de twee vestigingsplaat- sen te behouden. De VAR adviseert het verlenen van een planningsvergunning aan de associatie A.Z. Jan Palfijn-Aalst, O.L.Vrouwziekenhuis waarbij het zorgprogramma 'reproductieve geneeskunde' B onmiddellijk gelokaliseerd wordt op de Campus De Bijloke te Gent. De samenwerkingsmodaliteiten en de integratie van de medische equipe dienen deel uit te maken van de associatieovereenkomst". Met brieven van 20 oktober 1999 wordt de adviestekst aan de verzoekende partij en aan het AZ Jan Palfijn betekend. Op 21 december 1999 deelt de Vlaamse minister voor Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen aan het AZ Jan Palfijn de beslissing mee dat geen programmatievergunning kan worden verleend voor een samenwerkingsverband met lokalisatie op twee verschillende vestigingsplaatsen. Er wordt wel een planningsver- gunning verleend op voorwaarde dat alle activiteiten van het zorgprogramma reproductieve geneeskunde B binnen het jaar gelokaliseerd worden binnen één en dezelfde ziekenhuiscampus. In afwijking van het advies van de VAR wordt een overgangstermijn verleend van één jaar, om de concentratie van activiteiten en integratie op één campus te verwezenlijken. Eveneens met een brief van 21 december 1999 wordt een gelijkaardige beslissing betekend aan de verzoekende partij. Dit is de bestreden beslissing. Zij luidt als volgt : "Betreft : GENT, A.Z. Jan Palfijn Campus GENT, De Bijloke (P.Pub.063) AALST, O.L.Vrouw Ziekenhuis (P. Priv. 154) Bezwaarschrift dd. 16.07.1999 tegen het voornemen tot weigering van een vergunning tot opname in de programmatie van het zorgprogramma 'reproduc- tieve geneeskunde' B voor het A.Z. Jan Palfijn te GENT en het O.L.Vrouwzie- kenhuis te AALST, met lokalisatie van het zorgprogramma op beide campussen. Advies van de Vlaamse Adviesraad voor de erkenning van de verzorgingsvoor- zieningen dd.
  17. 10.
  18. Vergunning tot opname in de programmatie van het zorgprogramma 'reproduc- tieve geneeskunde' B voor het A.Z. Jan Palfijn te GENT en het O.L.Vrouwzie- kenhuis te AALST, met lokalisatie van het zorgprogramma op één campus. Mijnheer de voorzitter, In aansluiting op het ministerieel schrijven van 11 juni 1999, in verband met de in rand vermelde aangelegenheid en in uitvoering van artikel 9 § 8 van het besluit van de Vlaamse regering van 18 februari 1997, deel ik u mede dat ik geen vergunning verleen onder de door u gestelde voorwaarden - namelijk in samenwerkingsverband met lokalisatie op 2 verschillende vestigingsplaatsen - voor de opname in de programmatie van het zorgprogramma 'reproductieve geneeskunde' B voor het A.Z. Jan Palfijn te GENT en het Onze-Lieve-Vrouw Ziekenhuis te AALST. Ik verleen wel een planningsvergunning voor genoemde oprichting op voorwaarde dat alle activiteiten van het zorgprogramma 'reproductieve VII-20.521-8/13 geneeskunde' B binnen het jaar gelokaliseerd worden binnen één en dezelfde ziekenhuiscampus. In afwijking op het advies van de Vlaamse Adviesraad voor de erkenning van de verzorgingsvoorzieningen wordt u een overgangstermijn verleend van 1 jaar, om de concentratie van activiteiten en integratie op één campus te verwezenlij- ken. Hiertoe dient tussen de betrokken ziekenhuizen een associatie afgesloten te worden die het zorgprogramma reproductieve geneeskunde B uitbaat. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de wettelijke vereisten zowel inzake de normen waaraan het zorgprogramma reproductieve geneeskunde B moet voldoen als inzake de associaties. In de associatieovereenkomst dient expliciet opgenomen te worden op welke wijze de activiteiten van beide vestigingsplaatsen zullen geconcentreerd worden op één campus binnen het jaar. De aanvragen tot oprichting van een zorgprogramma reproductieve geneeskunde werden beoordeeld aan de hand van volgende criteria. In uitvoering van het K.B. van 15 februari 1999 tot vaststelling van de programmatiecriteria die van toepassing zijn op het zorgprogramma 'reproduc- tieve geneeskunde' kunnen binnen Vlaanderen 9 zorgprogramma's reproductieve geneeskunde B worden opgericht m.n. - voor de universitaire ziekenhuizen, de zorgprogramma’s die voldoen aan de desbetreffende erkenningsnormen, met een maximum van één programma per faculteit van geneeskunde met volledig leerplan (art. 3, 1/) - indien de faculteit van geneeskunde het zorgprogramma heeft georganiseerd in samenwerking met een niet-universitair ziekenhuis, dan kan dit in afwijking van het volgende criterium en mits het voldoet aan de desbetreffende erkenningsnormen (art. 3, 2/) - per provincie maximum één niet-universitair zorgprogramma, dat voldoet aan de desbetreffende erkenningsnormen (art. 3, 3/) De voorwaarde om te kunnen opgenomen worden in de programmatie als zorgprogramma 'reproductieve geneeskunde' B is bijgevolg het voldoen aan de erkenningsnormen. Daarom werd nagegaan of de voorziening voldoet aan het K.B. van 15 februari 1999 houdende vaststelling van de normen waaraan de zorgprogram- ma's ' reproductieve geneeskunde' moeten voldoen om erkend te worden. Elke vestigingsplaats werd daarbij beschouwd als een eenheid voor de invulling van de programmatie. Wat de verschillende ziekenhuizen betreft zijn volgende elementen te vermelden. AALST, O.L.Vrouwziekenhuis Het O.L.Vrouwziekenhuis beantwoordt niet aan volgende erkenningsnor- men : - art. 25, §1 : Het ziekenhuis kan niet aantonen dat zij in hoofde van de leidende geneesheer-specialist over drie jaar ervaring beschikt noodzakelijk voor het bekomen van de erkenning van het zorgprogramma 'reproductieve geneeskunde' A. - art 15, 3/ : Het ziekenhuis staat zelf niet in voor de bewaring en invriezing van embryo’s. - art 23 : De geneesheer en universitair geschoolde waarborgen samen niet de activiteit van één voltijds equivalent in het MBV-laboratorium. GENT, A.Z. Jan Palfijn Het zorgprogramma voldoet aan de erkenningsnormen met betrekking tot het zorgprogramma 'reproductieve geneeskunde' B. Aangezien er binnen de programmatie voor de provincie Oost-Vlaanderen maar ruimte is voor één niet-universitair zorgprogramma 'reproductieve geneeskunde' B en bovendien slechts 1 van de 2 vestigingsplaatsen voldoet aan VII-20.521-9/13 de normen, wordt de vergunning aan de associatie toegewezen op voorwaarde dat binnen het jaar een concentratie van alle activiteiten op één vestigingsplaats wordt gerealiseerd. De vergunning tot opname in de programmatie productieve geneeskunde B wordt verleend in toepassing van artikel 3, 3/ van het K.B. van 15 februari 1999 tot vaststelling van de programmatiecriteria. Ik vestig er uw aandacht op dat de erkenning van de associatie die het zorgprogramma uitbaat, alsook de erkenning van het zorgprogramma afhankelijk zijn van de van kracht zijnde procedure voor de erkenning van ziekenhuisonderdelen en samenwerkingsverbanden. Deze aanvraag tot erkenning van de associatie dient ingediend te worden conform artikel 12 § 1 van het besluit van de Vlaamse regering van 18 februari
  19. Voor de erkenning van het zorgprogramma reproductieve geneeskunde B dient u geen nieuw dossier in te dienen. Het reeds ingestuurde dossier voor de toewijzing van het zorgprogramma zal tevens als basis dienen voor het erkenningsonderzoek";
  20. Ontvankelijkheid van het beroep 2.1.
  21. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie de volgende exceptie opwerpt : "Na neerlegging van de memorie van antwoord en de memorie van wederantwoord, hebben er zich in dit dossier evoluties voorgedaan. Op 7 augustus 2000 werd een uitstel verleend tot volledige integratie van het zorgprogramma reproductieve geneeskunde B op één campus vanaf 1 april
  22. De uiteindelijke integratie op één campus vond plaats op 20 april
  23. Kortom, het eertijds verleende jaar is pragmatisch en rekening houdende met de mogelijkheden, iets aangepast. Vervolgens werden op 6 oktober 2003 besluiten getroffen houdende erkenning van de associatie en van het zorgprogramma IVFB. Deze besluiten van 6 oktober 2003 werden door verzoekster nooit bestreden. Ze zijn niet tijdig bestreden en ze zijn ook niet op een of andere wijze nog bestreden in het eerste procedurestuk dat sindsdien is neergelegd, namelijk het verzoek tot voortzetting, tevens laatste memorie. Er valt dan ook niet in te zien welk belang de verzoekende partij bij huidige vordering nog zou hebben". 2.1.
  24. Overwegende dat in dit verband het volgende dient te worden opgemerkt : Uit de stukken gevoegd bij de laatste memorie van de verwerende partij blijkt dat de Vlaamse Minister van Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen op 6 oktober 2003 o.m. het volgende besluit heeft genomen: "Artikel
  25. Aan Onze-Lieve-Vrouwziekenhuis V.Z.W., Moorselbaan 164, 9300 Aalst en Algemeen Ziekenhuis Jan Palfijn, V.Z.W., Henri Dunantlaan 5, 9000 Gent, wordt een erkenning verleend van de associatie tussen : VII-20.521-10/13 - Onze-Lieve-Vrouwziekenhuis, Moorselbaan 164, 9300 Aalst (E.126) en - Algemeen Ziekenhuis Jan Palfijn, Henri Dunantlaan 5, 9000 Gent (E.713) met betrekking tot de gezamenlijke exploitatie van het zorgprogramma reproductieve geneeskunde B. Het in artikel 1 vermelde zorgprogramma reproductieve geneeskunde is gelokaliseerd in het Onze-Lieve-Vrouwziekenhuis, Moorselbaan 164, 9300 Aalst en in het Algemeen Ziekenhuis Jan Palfijn, Campus Site Watersportbaan, Henri Dunantlaan 5, 9000 Gent. Art.
  26. De erkenning van de associatie wordt verleend vanaf 1 januari 2000 tot en met 31 maart
  27. Art.
  28. De overeenkomst d.d. 28 september 2000, afgesloten door de beheerders van de ziekenhuizen die deel uitmaken van de associatie, wordt in de zin van art. 16 van het K.B. van 25 april 1997 (B.S. 8 juni 1997) goedgekeurd. Art.
  29. Aan Onze-Lieve-Vrouwziekenhuis, V.Z.W., Moorselbaan 164, 9300 Aalst en Algemeen Ziekenhuis Jan Palfijn, V.Z.W., Henri Dunantlaan 5, 9000 Gent wordt een erkenning verleend voor het zorgprogramma reproductieve geneeskunde B gelokaliseerd in het Onze-Lieve-Vrouwziekenhuis, Moorselbaan 164, 9300 Aalst en in het Algemeen Ziekenhuis Jan Palfijn, Campus Site Watersportbaan, Henri Dunantlaan 5, 9000 Gent. Art.
  30. De erkenning wordt verleend vanaf 1 januari 2000 tot en met 31 maart 2001". Blijkens zijn aanhef steunt dit besluit o.m. op de volgende overwegingen : "Overwegende dat op 21 december 1999 een principieel akkoord werd verleend tot opname in de programmatie van het zorgprogramma reproductieve geneeskunde B via de associatie tussen het Onze-Lieve-Vrouwziekenhuis te Aalst en het Algemeen Ziekenhuis Jan Palfijn te Gent met exploitatie op twee campussen -op voorwaarde dat alle activiteiten van het zorgprogramma binnen het jaar gelokaliseerd worden binnen één en dezelfde campus; Overwegende dat bij ministerieel schrijven van 7 augustus 2000 uitstel werd verleend tot volledige integratie van het zorgprogramma reproductieve geneeskunde op één Campus vanaf 1 april 2001". Hieruit blijkt dat aan de associatie tussen de verzoekende partij en het AZ Jan Palfijn een erkenning werd verleend voor de exploitatie van een zorgprogramma reproductieve geneeskunde B, en dat vanaf 20 april 2001 de activiteiten voor het zorgprogramma reproductieve geneeskunde B niet meer in het ziekenhuis van Aalst mogen plaatsvinden. Het blijkt niet dat de besluiten van 6 oktober 2003 met een annulatieberoep werden bestreden; 2.
  31. Overwegende dat bovendien ambtshalve het volgende moet worden opgemerkt : Artikel 3, 3/ van het programmatiebesluit bepaalt wat volgt : "3/ Per provincie mag er maximum één niet-universitair zorgprogramma, dat voldoet aan de desbetreffende erkenningsnormen, erkend worden. Het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest wordt met een provincie gelijkgesteld. VII-20.521-11/13 Per gewest moet er zich minstens één zorgprogramma in een openbaar ziekenhuis bevinden". Deze bepaling strekt ertoe dat er slechts één niet-universitair zorgprogramma per provincie kan worden erkend. Dit betekent dat, als er reeds een zorgprogramma is "ingenomen" door een niet-universitair ziekenhuis, de programmatorische ruimte voor die provincie wat betreft niet-universitaire zorgprogramma's, "volzet" is. In casu is die programmatorische ruimte inderdaad volzet, om volgende redenen. Met een brief van 21 december 1999 werd aan het AZ Jan Palfijn, dit is een niet-universitair ziekenhuis, meegedeeld dat geen vergunning kon worden verleend voor een zorgprogramma reproductieve geneeskunde B als dit zou kaderen in een samenwerkingsverband met lokalisatie op twee verschillende vestigingsplaatsen. Er werd echter wel een planningsvergunning verleend op voorwaarde dat alle activiteiten van het zorgprogramma reproductieve geneeskunde B binnen het jaar gelokaliseerd zouden worden binnen eenzelfde ziekenhuiscampus. Uit hetzelfde schrijven blijkt dat het zorgprogramma van het AZ Jan Palfijn voldoet aan de erkenningsnormen m.b.t. het zorgprogramma reproductieve geneeskunde B. Uit dezelfde brief, en uit de bestreden beslissing, blijkt dat de vergunning tot opname in de programmatie van het zorgprogramma reproductieve geneeskunde B "wordt verleend in toepassing van artikel 3, 3/ van het K.B. van 15 februari 1999 tot vaststelling van de programmatiecriteria". Het AZ Jan Palfijn heeft deze beslissing, die aan het ziekenhuis zelf was gericht, niet aangevochten. Vermits het AZ Jan Palfijn voldeed aan de erkenningsnormen, kon het in het ziekenhuis het zorgprogramma B uitbouwen, ook al kon het dat in verdere associatie met het Onze-Lieve-Vrouwziekenhuis van Aalst. Er is geen reden om eraan te twijfelen dat het AZ Jan Palfijn het zorgprogramma reproductieve geneeskunde B in zijn ziekenhuis ook effectief heeft uitgebouwd. Het vroeg daartoe immers een planningsvergunning, en gaf in zijn brief van 16 juli 1999 nog in niet mis te verstane bewoordingen te kennen dat, aangezien het aan de erkenningsvoorwaarden voldeed, het een vergunning tot opname in de programmatie van het zorgprogramma reproductieve geneeskunde B voor zichzelf vroeg. Ondergeschikt aan de vraag tot erkenning van het AZ Jan Palfijn werd medegedeeld dat het na de erkenning de bedoeling was om samen te werken met het centrum te Aalst. Een en ander leidt tot de conclusie dat het AZ Jan Palfijn in zijn ziekenhuis te Gent een zorgprogramma reproductieve geneeskunde B mag uitbouwen VII-20.521-12/13 -al of niet in samenwerking met de verzoekende partij-, zodat de programmatorische ruimte volzet is. Dit betekent dat een vernietiging van de bestreden beslissing de verzoekende partij thans geen enkel voordeel kan opleveren, vermits het enige niet- universitair zorgprogramma in Oost-Vlaanderen reeds is ingenomen; 2.
  32. Overwegende dat het beroep derhalve onontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
  33. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  34. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig juni tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-20.521-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.434 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.