id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.435 Rolnummer: A. 168335/VII-35035 Zaak: Arrest 160435 - - 22/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-30 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-30 22:31 Fiche Arrest nr 160.435 van 22 juni 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 160.435 van 22 juni 2006 in de zaak A. 168.335/VII-35.035 In zake : Viviane CHAPEL, die woonplaats kiest bij advocaat D. SOCQUET, kantoor houdende te TERVUREN, Merenstraat 28 tegen : Kind & Gezin, dat woonplaats kiest bij advocaat St. VERBOUWE, kantoor houdende te BRUSSEL, Tervurenlaan 270. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Viviane CHAPEL op 3 december 2005 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van: 1/ “de beslissing van ‘24 oktober 2005 of 31 oktober 2005' van het Provinciaal Comité Afdeling Vlaams-Brabant en Brussel van Kind & Gezin (...) waarbij het bezwaar van verzoekster tegen de beslissing van 3 augustus 2005 van het waarnemend provinciaal afdelingshoofd waarbij het attest van toezicht wordt ingetrokken als ongegrond wordt beoordeeld en de beslissing d.d. 3 augustus 2005 tot intrekking van het attest van toezicht wordt bevestigd”, en 2/ “de beslissing van 3 augustus 2005 houdende intrekking van het attest van toezicht”; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; VII-35.035-1/37 Gelet op de beschikking van 20 februari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 maart 2006; Gehoord het verslag van Staatsraad R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. SOCQUET, die verschijnt voor de verzoekster, en van advocaat M. PELLEGRINI die, loco advocaat St. VERBOUWE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Feiten Overwegende dat de feiten als volgt kunnen worden weergegeven : 1.1. De verzoekster is zelfstandig onthaalouder en beschikt over een attest van toezicht geldig voor de periode van 26 november 2003 tot uiterlijk 25 november 2006. Dit attest bevat de volgende specifieke bepalingen : "- De onthaalouder voorziet een verzorgingsmogelijkheid waardoor toezicht op de andere kinderen tijdens de verzorging mogelijk wordt. - De onthaalouder laat het toezicht over de kinderen enkel over aan derden indien dit strikt noodzakelijk is. Wie de onthaalouder kan vervangen wordt opgenomen in de overeenkomst met de ouders. Een kopie van de overeenkomst met de ouders wordt overgemaakt aan Kind en Gezin ten laatste op 15 januari 2004. - De aanwezigheid van de hond bij de kinderen is enkel mogelijk onder strikt toezicht van de onthaalouder. Op tijdstippen dat strikt toezicht niet kan gegarandeerd worden, wordt de hond volledig buiten bereik van de kinderen gehouden. - De bezetting wordt op geen enkel moment overschreden De inlichtingsfiches met de gegevens van de ouders van de opgevangen kinderen zijn ten allen tijde aanwezig in de opvang en worden aan de inspectieambtenaar voorgelegd. - De onthaalouder verbindt zich ertoe om aan de ouders van de opgevangen kinderen het fiscaal attest uit te reiken. - Alle briefwisseling van Kind en Gezin wordt door de onthaalouder gelezen en geïntegreerd in het handelen". VII-35.035-2/37 Deze specifieke bepalingen werden opgelegd naar aanleiding van een aantal incidenten in het verleden (in het bijzonder, doch niet uitsluitend, het feit dat 2 kinderen die, terwijl zij aan de zorgen van de verzoekster waren toevertrouwd, werden aangetroffen op een kruispunt op 150 à 200 meter van de opvangvoorziening) en hadden reeds eerder geleid tot een beslissing houdende de intrekking van het attest van toezicht met ingang van 25 november 2003, waarin melding werd gemaakt van een onvoldoende toezicht op de kinderen en het feit dat de gegevens over de kinderen niet ter beschikking waren. Deze intrekking werd evenwel, na bezwaar van de verzoekster, op 15 december 2003 herzien door het provinciaal comité, afdeling Vlaams-Brabant en Brussel, en dit om procedurele redenen en omdat een aantal tegenstrijdigheden in het dossier niet konden worden uitgeklaard, doch niet zonder dat het provinciaal comité had vastgesteld “dat de feiten zeer ernstig zijn, en zich hebben kunnen voordoen omwille van gebrekkig toezicht van de onthaalmoeder”. 1.2. Op 1 september 2004 vindt een "opvolgingsbezoek" plaats. In het inspectieverslag worden de volgende opmerkingen geformuleerd : "(...) 6 VEILIGHEID VAN DE ACCOMMODATIE EN TOEZICHT OP DE KINDEREN Geïnspecteerde ruimten living, keuken, veranda, slaapkamers, badkamer, buitenspeelruimte 6.1 Veiligheid van de leefruimte Niet in orde : - vaststellingen : - tijdens bezoek werd vastgesteld dat er in de keuken een hond aanwezig was. OM verklaart dat de hond binnen was, omdat de kinderen buiten aan het spelen waren. Wanneer de kinderen binnen zijn, wordt de hond buiten gezet - in de veranda staat een loopwagentje. OM werd gewezen op het gevaar hiervan en op het feit dat loopwagentjes nadelig zijn voor de motorische ontwikkeling van kinderen, OM is bereid het loopwagentje niet meer te gebruiken - afspraken : - huisdieren worden buiten het bereik van de kinderen gehouden, tenzij er aangepaste begeleiding en strikt toezicht is - het loopwagentje wordt niet meer gebruikt 6.2 Veiligheid van de rustruimte Niet in orde: - vaststellingen : OM gebruikt enkel reisbedjes met een dun matrasje. OM werd gewezen op het feit dat dergelijke matrasjes, vooral voor kinderen jonger dan 1 jaar, een risico inhouden voor wiegendood - afspraken : voor kinderen tot de leeftijd van 1 jaar worden stevige matrasjes gebruikt VII-35.035-3/37 6.3 Veiligheid van de verzorgingsaccommodatie Niet in orde: - vaststellingen : de kinderen worden verzorgd in de badkamer. Van hier uit is er geen toezicht mogelijk op de kinderen die in de living of de veranda spelen. OM verklaart dat wanneer zij een kindje verzorgt in de badkamer, de kleintjes haar volgen. De grootsten die binnen spelen, worden zonder toezicht gelaten, omdat zij hen niet wil storen in hun spel. Dit zou ook op vraag van de ouders zijn. OM verklaart ook dat zij soms een verzorgingskussen in de living of de keuken legt. Aan OM werd gevraagd om de verzorging, om hygiënische redenen, niet in de keuken te doen - afspraken : tijdens de verzorgingsmomenten dient er steeds voldoende toezicht te zijn op alle kinderen 6.4 Veiligheid van de buitenruimte Niet in orde : - vaststellingen : in de buitenspeelruimte werden volgende vaststellingen gedaan - het grasperk gaat hellend naar beneden. OM verklaart dat dit voor de kinderen geen probleem is; de kinderen worden sedert het voorval van 19/08/2003, nooit meer alleen gelaten in de tuin - de haag bestaat uit buxusplanten. OM verklaart dat deze haag eigendom is van de buren en is bereid om mettertijd houten panelen voor de haag te plaatsen - in een gedeelte van de tuin staan vuilnisbakken, een fiets en een bus met vermoedelijk motorolie, binnen het bereik van de kinderen. OM verklaart dat de kinderen hier niet komen en heeft de intentie om dit stukje van de tuin af te zetten met een houten paneel - afspraken : - er dient steeds permanent toezicht te zijn wanneer de kinderen buiten spelen - gevaarlijke planten, voorwerpen en producten, worden buiten het bereik van de kinderen geplaatst 6.5. Permanent toezicht op de kinderen In orde : bron : vaststelling en bevraging OM verklaart dat er regelmatig visueel toezicht is op kinderen die slapen Conclusie in verband met de veiligheid van de accommodatie en het toezicht op de kinderen Conclusies: de veiligheid van de accommodatie en het toezicht op de kinderen is niet volledig conform de regelgeving Afspraken: - huisdieren worden buiten het bereik van de kinderen gehouden, tenzij er aangepaste begeleiding en strikt toezicht is - het loopwagentje wordt niet meer gebruikt - voor kinderen tot 1 jaar worden stevige matrasjes gebruikt - tijdens de verzorgingsmomenten dient er steeds voldoende toezicht te zijn op alle kinderen - er dient steeds permanent toezicht te zijn wanneer de kinderen buiten spelen - gevaarlijke planten, voorwerpen en producten, worden buiten het bereik van de kinderen geplaatst VII-35.035-4/37 7 HYGIENE IN DE ACCOMMODATIE EN GEZONDHEIDSMAATREGE- LEN 7.1 Hygiëne in de accommodatie Niet in orde : - vaststellingen : - in de keuken lagen hondenharen op de vloer en in de tuin lagen op twee plaatsen uitwerpselen van de hond. OM verklaart dat de woning regelmatig wordt onderhouden en dat de tuin wordt proper gemaakt wanneer de kinderen buiten spelen - afspraken : de nodige maatregelen inzake hygiëne ten aanzien van huisdieren worden genomen 7.2 Gezondheidsmaatregelen In orde : bron : bevraging Conclusie in verband met hygiëne en gezondheidsmaatregelen Conclusies: hygiëne van de accommodatie is niet volledig conform de regelge- ving Afspraken: de nodige maatregelen inzake hygiëne ten aanzien van huisdieren worden genomen 9. PEDAGOGISCHE ASPECTEN 9.1 Speelgoed In orde: bron vaststelling en bevraging 9.2 Aandacht voor de wijze waarop de kinderen met elkaar omgaan In orde: bron : vaststelling 9.3 Interactie met de kinderen Niet in orde: - vaststellingen : OM wordt bevraagd naar haar reactie wanneer kinderen bijten. Hierop verklaart zij dat zij op aanra- den van haar kinderarts, het kind dat gebeten heeft verplicht om te bijten in een stuk zeep. Dit zou niet onmiddellijk effect hebben, maar wel na meerdere keren. Ook zouden de kinderen de eerste 15 minuten geen drinken krijgen om de slechte smaak van de zeep in hun mond te houden. OM zegt dat zij dit met de ouders bespreekt en dat de ouders hiermee ak- koord gaan. Deze visie werd met de medisch kwaliteitscoördina- tor besproken. Zij kan niet akkoord gaan met deze handelwijze, enerzijds omdat zeep irritaties kan veroorzaken en anderzijds omdat deze wijze pedago- gisch niet verantwoord is. Op 08/10/2004 namen wij telefonisch contact op met OM om haar deze visie mee te delen. OM verklaart zich akkoord om deze handelwijze niet meer toe te passen. Zij vroeg wel hoe zij het bijtgedrag bij kinde- ren dan wel kan afleren. We hebben met haar afge- sproken om haar hierover meer informatie op te sturen. - afspraken : het bijtgedrag bij kinderen wordt op een pedagogisch verantwoorde manier aangepakt en niet meer door kinderen in een stuk zeep te laten bijten 9.4 Structuur aanbieden aan de kinderen Niet nagegaan. VII-35.035-5/37 9.5 Zelfstandigheid van de kinderen bevorderen In orde : bron : bevraging 9.6 Bewegingsvrijheid voor de kinderen In orde : bron : vaststelling 9.7 Respect voor het eigen ritme en de behoeften van de kinderen In orde: bron: bevraging Conclusie in verband met de pedagogische aspecten Conclusie: de pedagogische aspecten zijn niet volledig conform de regelge- ving Afspraken: het bijtgedrag bij kinderen wordt op een pedagogisch verant- woorde manier aangepakt en niet meer door kinderen in een stuk zeep te laten bijten 10. OUDERPARTICIPATIE 10.1 Schriftelijke overeenkomst met de ouders Niet in orde: - vaststellingen : In de schriftelijke overeenkomst met de ouders ontbreken volgende elementen: - de bereidheid om ouders vrije toegang te verlenen tot de opvangruimten - de vermelding van de klachtendienst van K&G - afspraken : de schriftelijke overeenkomst met de ouders wordt aangevuld met de ontbrekende elementen 10.2 Informatie-uitwisseling met de ouders In orde : bron: bevraging 10.3 Vrije toegang voor de ouders In orde : bron : vaststelling en bevraging 10.4 Omgaan met klachten of opmerkingen van ouders Niet nagegaan. 10.5 Ouders kunnen kennis nemen van het attest van toezicht, voorwaarden of wijzigingen Niet nagegaan. Conclusie in verband met ouderparticipatie Conclusie: - de besproken aspecten ivm de ouderparticipatie zijn conform de regelgeving - de schriftelijke overeenkomst met de ouders is niet conform de regelgeving Afspraken: de schriftelijke overeenkomst met de ouders wordt aangevuld met de ontbrekende elementen Dit inspectieverslag wordt aan de verzoekster ter kennis gebracht. Op 19 oktober 2004 wordt aan de verzoekster een tekst bezorgd aangaande de aanpak van het bijtgedrag van kleine kinderen enerzijds en wordt haar opnieuw gewezen op het feit dat “nog steeds geen visueel toezicht mogelijk is op de opgevangen kinderen” vanuit de verzorgingsaccommodatie anderzijds. Er wordt VII-35.035-6/37 gevraagd ten laatste op 29 oktober 2004 de verwerende partij in kennis te stellen van de wijze waarop zij daaraan zal voldoen. 1.3. Naar aanleiding van een klacht volgt op 13 juli 2005 een nieuw bezoek. Het inspectieverslag luidt als volgt : "(...) 3 INHOUD VAN DE KLACHT Op 16 juni ontving de Klachtendienst een telefoon van een mama. Ze is ontevreden over Viviane Chapel, Groebbe 1, 1970 Wezembeek-Oppem Inhoud van de klacht Communicatie met de ouders/ouderparticipatie Volgens de mama, gaat de onthaalouder tijdens de opvanguren boodschappen doen. De mama weet niet wie er ondertussen voor de kinderen zorgt. Ze vertelde dat ze eens de onthaalmoeder opbelde om haar te zeggen dat ze haar kind vroeger ging ophalen, volgens de mama kreeg ze als antwoord dat ze er nu niet om moest komen aangezien ze niet thuis was. Ze vertelde ook dat ze de onthaalmoeder eens in de Delhaize was tegengekomen, tijdens het moment dat onder andere haar kind in de opvang was. Volgens de mama verloopt de communicatie met de onthaalmoeder niet vlot. Volgens de mama heeft de onthaalmoeder de persoonlijke spullen van haar kind niet willen teruggeven, de mama zegt dat het gaat over 2 teddyberen van haar kind en een voorraad luiers. Pedagogische omgang Volgens de mama worden de kinderen dikwijls vastgelegd in een relax of stoel. Volgens de mama worden de kinderen niet genoeg gestimuleerd waardoor ze, volgens de mama, een ontwikkelingsachterstand kunnen opdoen. Toezicht op de kinderen De mama vertelde dat haar dochter eens een grote buil had opgelopen in de opvang. Ze specifieerde dat haar dochter de buil had opgedaan op een woensdag en dat die de zondag nog steeds goed zichtbaar was. Volgens de mama heeft ze de onthaalmoeder aangesproken over de buil. De mama zei dat de onthaalmoe- der haar gezegd heeft dat er niets gebeurd was in de opvang. De mama zegt dat haar kind zonder buil werd afgezet, en dat ze zich in de opvang bezeerd heeft. 4 BESPREKING VAN DE KLACHT Doel van het bezoek : - nakijken in hoever vaststellingen kunnen worden gedaan die de elementen uit de klacht bevestigen - bespreken van de elementen uit de klacht met verantwoordelijke - nagaan in hoever gevolg gegeven werd aan afspraken gemaakt tijdens een voorgaand inspectiebezoek Methodiek : - onaangekondigd bezoek waarbij vaststellingen kunnen worden gedaan aangaande de elementen uit de klacht en waarbij kan nagegaan worden of er een gevolg werd gegeven aan de afspraken die gemaakt werden tijdens een voorgaand inspectiebezoek - bespreking van de elementen uit de klacht met verantwoordelijke, bevraging van een aantal elementen. Verloop van het bezoek : Bij aanvang van het inspectiebezoek is onthaalouder, mevrouw Viviane Chapel niet aanwezig. Haar echtgenoot, meneer Marc Crollen komt mij reeds tegemoet terwijl ik nog op de stoep sta. Als ik mezelf voorstel vraagt hij of het mogelijk is te wachten omdat zijn vrouw even weg is. Op de vraag of ik binnen VII-35.035-7/37 kan wachten, antwoordt meneer eerst dat hij liever heeft dat ik terugkom wanneer zijn vrouw er is omdat het opvangen van kinderen haar 'business' is. Ik stel voor dat ik dan voor de deur in de wagen zal wachten tot onthaalouder terugkomt. Meneer stelt voor dat hij haar telefonisch tracht te contacteren maar is niet zeker of zij haar mobiel toestel mee heeft genomen. Op dat ogenblik stelt meneer voor dat ik binnen wacht. Hij kan zijn echtgenote telefonisch bereiken. Na het telefonisch contact met zijn vrouw zegt meneer dat ze niet lang meer weg zal zijn. Hij zegt dat ze naar een naburig grootwarenhuis is gegaan en reeds aan de kassa staat. In de tijd dat we op de onthaalouder wachten vertelt meneer dat zijn vrouw een kind mee heeft genomen en dat de andere kinderen aan het slapen zijn. Hij zegt dat hij toezicht houdt op de kinderen wanneer zijn vrouw er niet is. Op de vraag hoeveel kinderen er aan het slapen waren, kon meneer geen antwoord geven. Hij zegt dat hij niet thuis was op het ogenblik dat de ouders de kinderen hebben gebracht en bijgevolg weet hij niet hoeveel kinderen er zijn. Hij vertelt eveneens dat hij net voor mijn aankomst het gras had afgemaaid en de bloemen aan het begieten was. Na een kwartier wachten is mevrouw Chapel toegekomen. Meteen bij haar aankomst vertel ik de reden van het inspectiebezoek. Mevrouw zegt dat deze klacht niet onverwacht komt en kan meteen ook aangeven wie de klaagster is. Ze zegt een conflict te hebben met klaagster. Ze vertelt dat ze alle briefwisse- ling omtrent dit conflict reeds opstuurde naar Kind & Gezin (Hallepoortlaan 27 te Brussel) ter attentie van de klachtendienst. Mevrouw Chapel is verbaasd dat ik niet over deze briefwisseling beschik. Er wordt meteen met de klachtbespreking gestart. Zowel meneer als mevrouw nemen actief deel aan de bespreking van de klacht. Naar het einde van het inspectiebezoek toe komt een moeder haar kind ophalen. (moeder x : in verslag). Onthaalouder vertelt meteen over mijn aanwezigheid en de reden ervan. Moeder x reageert hierop (zie later in verslag bij andere vaststellingen). Op mijn vraag wordt het inspectiebezoek verder gezet in afwezigheid van moeder x. Onthaalouder vraagt of zij de verslaggeving van dit bezoek in het Frans mag ontvangen. Ze vraagt ook het verslag spoedig te mogen ontvangen. Aan mevrouw wordt uitgelegd dat gezien zij in een faciliteitengemeente woont ik de mogelijkheden betreffende haar vraag zal nagaan en haar hierover zal contacte- ren. Na overleg met haar man besluit mevrouw om dit verslag toch in het Nederlands te willen ontvangen. Bespreking en bevraging aangaande de elementen uit de klacht gekoppeld aan vaststellingen tijdens het bezoek : 1. Communicatie met de ouders/ouderparticipatie 'Volgens de mama, gaat de onthaalouder tijdens de opvanguren bood- schappen doen. De mama weet niet wie er ondertussen voor de kinderen zorgt. Ze vertelde dat ze eens de onthaalmoeder opbelde om haar te zeggen dat ze haar kind vroeger ging ophalen, volgens de mama kreeg ze als antwoord dat ze er nu niet om moest komen aangezien ze niet thuis was. Ze vertelde ook dat ze de onthaalmoeder eens in de Delhaize was tegengekomen, tijdens het moment dat onder andere haar kind in de opvang was'. Vaststellingen : Bij aanvang van huidig inspectiebezoek is onthaalouder niet thuis. Meneer Crollen verklaart dat zijn vrouw een boodschap gaan doen is maar heeft er geen zicht op of ze nog lang zal wegblijven. Hij vermoedt dat ze naar een VII-35.035-8/37 nabij grootwarenhuis is gegaan. Dit wordt bevestigd eens hij telefonisch contact opneemt met zijn echtgenote. Bespreking : - Mevrouw Chapel verklaart dat zij een boodschap was gaan doen omdat een mama vergeten was om het vieruurtje van een kind mee te brengen ‘s morgens. Ze vertelt dat ze aan de moeder had gezegd dat dit geen probleem was en dat ze samen met het kind naar de winkel zou gaan om een potje fruitpap te kopen. Het betreft een kind van 2 jaar. Mevrouw zegt dat dit een onverwachtse situatie was. - Onthaalouder bevestigt dat ze klaagster is tegengekomen in een grootwa- ren(huis) op het moment dat er kinderen werden opgevangen. Zowel meneer als mevrouw vinden dat klaagster geen reden heeft om hierover klacht in te dienen. Ze zeggen dat de afwezigheden van onthaalouder worden meegedeeld in de schriftelijke overeenkomst met de ouders. Onthaalouder toont mij de overeenkomst, door klaagster getekend en onderschreven als 'gelezen en goedgekeurd' . Hierin staat vermeld dat onthaalouder tijdens de opvanguren tijdelijk afwezig kan zijn maar dat dan steeds één van volgende personen op de kinderen past: haar echtgenoot, één van haar eigen kinderen of de poetsvrouw. Uit bespreking blijkt dat de kinderen van onthaalouder niet meer bij haar inwonen en bijgevolg ook niet meer op de kinderen passen als mevrouw niet aanwezig is. Uit bespreking blijkt ook dat meneer niet steeds aanwezig (is). Meneer verklaart immers dat hij nu reeds enkele maanden (sinds maart ‘05) thuis is tengevolge van een arbeidsongeval. Uit bespreking blijkt dat de poetsvrouw soms alleen blijft met de kinderen. Onthaalouder verklaart de poetsvrouw al 10 jaar te kennen en alle vertrouwen in haar te stellen. Wanneer naar de identiteitsgegevens van deze mevrouw gevraagd wordt, vertelt onthaalouder dat ze haar familienaam niet kent, enkel haar voornaam (Dorothee) wordt vermeld. Wanneer hierop de verplichte documenten worden besproken (zie later in verslag bij vaststellingen over de werking) stellen ze geen problemen te willen en uit de overeenkomst te zullen schrappen dat deze mevrouw op de kinderen past. Zij zeggen niet dat de betreffende poetsvrouw niet meer op de kinderen zal passen ! Ondanks het gegeven dat tijdens de bespreking wordt aangehaald dat er in de schriftelijke overeenkomst foutieve informatie aan de ouders wordt meegedeeld vinden onthaalouder en haar man allebei dat klaagster onterecht klacht indient over dit element gezien zij op de hoogte werd gebracht van de afwezigheden via de schriftelijke overeenkomst en zij tekende voor goedkeu- ring. - Tijdens de bespreking wordt verwezen naar het feit dat niet de eerste keer wordt vastgesteld dat onthaalouder niet aanwezig (
- is)tijdens de uren van opvang. Er wordt verwezen naar een voorgaand inspectiebezoek (dd. 4/9/2003) waarbij zij er aanvankelijk ook niet was en naar het attest van Toezicht (dd. 26/11/2003) waarin als voorwaarde werd opgenomen dat het toezicht op de kinderen enkel aan derden wordt toevertrouwd enkel indien dit strikt noodzakelijk is. Onthaalouder verklaart dat het inspectiebezoek waarnaar gerefereerd wordt, helemaal niet op een objectieve manier is verlopen en dat haar raadsman destijds de puntjes op de i zette. Mevrouw zegt dat dit hoofdstuk is afgerond en dat ze daar niet meer op wenst terug te komen. Onthaalouder verklaart ook dat haar afwezigheden strikt noodzakelijk waren. Ze vertelt dat als ze heden niet naar de winkel was geweest er een kind geen vieruurtje zou hebben gehad. Onthaalouder verklaart dat de dag dat klaagster haar in het grootwarenhuis had aangetroffen, eveneens noodzakelijk was. Ze vertelt dat er onverwacht een 7-jarig meisje werd opgevangen. Onthaalouder VII-35.035-9/37 verklaart dat gezien een kind van die leeftijd geen fruitpap meer eet, ze beloofd had om pannenkoeken te eten als vieruurtje. Mevrouw vertelt dat ze bijgevolg gauw pannenkoeken is gaan kopen gezien ze haar belofte wilde nakomen. Op de vraag waarom de avond voordien deze boodschap niet kon gebeuren, verklaart mevrouw dat zij vooraf niet wist dat het meisje die dag zou komen. Ze zegt dat de moeder van het kind bericht kreeg om zich aan te bieden op een sollicitatiegesprek en ze de dag zelf langs kwam om te zien of haar dochter bij onthaalouder kon blijven. Op de stelling dat een kind van 7 jaar geen fruitpap meer eet maar wel een stuk fruit kan eten, wordt niet ingegaan. Onthaalouder verklaart een schriftelijke bevestiging te willen vragen aan de moeder van het 7-jarig meisje. Hier wordt niet op ingegaan. Mevrouw en meneer halen allebei uit dat er toch steeds iemand was om op de kinderen te passen en ze bijgevolg nooit alleen werden gelaten. 'Volgens de mama verloopt de communicatie met de onthaalmoeder niet vlot. Volgens de mama heeft de onthaalmoeder de persoonlijke spullen van haar kind niet willen teruggeven, de mama zegt dat het gaat over 2 teddyberen van haar kind en een voorraad luiers'. Bespreking : - Onthaalouder bevestigt dat ze de 2 knuffels van het kind niet heeft terugbezorgd. Onthaalouder ontkent dat ze een voorraad luiers niet heeft willen teruggeven. - Onthaalouder verklaart een conflict te hebben met de klaagster en toont briefwisseling hieromtrent. Ze verklaart dat klaagster niet akkoord ging met een clausule die in de schriftelijke overeenkomst is opgenomen met betrekking tot de verlofregeling. Onthaalouder toont de, volgens haar, betreffende clausule. Hierin staat vermeld dat onthaalouder 4 weken verlof neemt en dat er aan de ouders van de kinderen toch een bijdrage (gelijk aan 3 weken opvang) zal aangerekend worden. Er wordt in een schriftelijke overeenkomst ook een termijn van betaling van het betreffende bedrag bepaald. De clausule verwijst hierbij naar een vorm van 'betaald verlof'. Onthaalouder vertelt dat de klaagster het moeilijk had met het feit dat ze geld diende te betalen en dit terwijl haar kind dan niet zou worden opgevangen. Hierrond ontstond, volgens onthaalouder, een conflict en dreigde klaagster er mee haar kind niet meer naar de opvang te brengen. Mevrouw Chapel verklaart dat klaagster haar kind zonder verdere uitleg niet meer naar de opvang bracht sedert 30/5/05. Onthaalouder verklaart dat er hierover diverse briefwisseling gebeurde en geeft hiervan tijdens het inspectiebezoek een kopij ter inzage. Deze werd tijdens het inspectiebezoek ingekeken. Onthaalouder verklaart van al deze briefwisseling reeds een kopij te hebben verstuurd aan de klachtendienst van Kind en Gezin. Onthaalouder is van mening dat de klacht van klaagster enkel gesteund is op financiële redenen. - Onthaalouder verklaart dat klaagster de knuffels van het kind niet heeft meegekregen. Ze vertelt dat de klaagster deze is komen vragen en dat haar echtgenoot toen aanwezig was. Ze vertelt dat er een meningsverschil ontstond en dat klaagster is beginnen roepen. Haar echtgenoot bevestigt deze feiten. Onthaalouder stelt dat de knuffels niet worden teruggegeven alvorens klaagster haar openstaande rekening betaalt. Meneer Crollen reageert hierop dat de knuffels bij lange niet eens het openstaande bedrag waard zijn. Op de vraag of zij hiermee niet vooral het kind treffen reageert meneer als eerst dat dat zeker niet het geval is. Hij zegt dat klaagster altijd alles in het dubbel kocht. Hij voegt er aan toe dat zijn vrouw ook aan iedereen vraagt om knuffels in het dubbel te kopen zodat er bij verlies of bij het vergeten mee te nemen geen verdriet zou zijn. Meneer en mevrouw zeggen dat bijgevolg het kind hier helemaal geen slachtoffer van is. VII-35.035-10/37 Onthaalouder blijft bij haar stelling dat de knuffels niet worden terug gegeven zolang het volgens haar openstaande saldo niet betaald wordt. Onthaalouder verklaart ook dat ze klaagster geen fiscaal attest zal afleveren zolang alle openstaande rekeningen niet zijn afgelost. Ze zegt dat dit eveneens in de schriftelijke overeenkomst is opgenomen en toont een clausule waarin vermeld wordt dat fiscale attesten enkel worden afgeleverd als de rekeningen betaald zijn. - Onthaalouder verklaart dat er geen luiers meer aanwezig waren. Meneer Crollen reageert hierop door te vragen hoeveel luiers dat klaagster opeist. Hij zegt dat hij bereid is me er meteen een aantal mee te geven. 2. Pedagogische omgang 'Volgens de mama worden de kinderen dikwijls vastgelegd in een relax of stoel. Volgens de mama worden de kinderen niet genoeg gestimuleerd waardoor ze, volgens de mama, een ontwikkelingsachterstand kunnen opdoen'. Vaststelling Bij aanvang van het inspectiebezoek werd vastgesteld dat de 4 aanwezige kinderen allen aan het slapen waren. Ze verbleven in de rustruimte tot ongeveer 11u45. In de tijd dat we aan het wachten waren tot onthaalouder thuiskwam van de boodschappen was er een kind beginnen wenen. Meneer Crollen is naar de rustruimte gegaan en verklaart dat het kind zijn fopspeen kwijt was. Het kind blijft wenen tot bij de thuiskomst van onthaalouder. Alvorens met de klachtbespreking aan te vangen stel ik zelf voor of onthaalouder niet eerst naar het huilende kind wil gaan kijken. Hierop gaat onthaalouder naar het kind en haalt het uit zijn bed. Het kind wordt in de maxi-cosi gelegd en een poosje later krijgt het kind aërosol toebediend vanuit de maxi-cosi. Nadat dit kind gegeten heeft wordt het meteen terug naar zijn bed gebracht. Dit was bij de afronding van het inspectiebezoek. Tijdens het inspectiebezoek werd vastgesteld dat er op kindniveau gepraat werd tegen de kinderen en dat de kinderen ook werden vastgepakt en complimentjes kregen. Bespreking Onthaalouder ontkent alle elementen die klaagster aanhaalt met betrekking tot de pedagogische omgang. Ook meneer reageert hier hevig op. Hij vertelt dat hijzelf ook goed met kinderen kan omgaan. Tijdens het inspectiebezoek wordt vastgesteld dat meneer een kind op de arm neemt en een flesje geeft en kinderen eten geeft terwijl zijn vrouw de klacht verder bespreekt. Wanneer meneer één van deze taken opneemt verwijst hij hier steeds naar en benoemt hij zijn inbreng in het opvanggebeuren. Hij verklaart dat hij en zijn vrouw als 'onthaalgezin' werken en dus samen de zorg voor de kinderen opnemen. Onthaalouder vertelt dat het kind van klaagster zelf een achterstand vertoonde wanneer het in het begin werd opgevangen bij haar. Mevrouw verklaart dat het kind dat toen 6 maanden oud was steeds het hoofd en de schouders liet hangen. Ze zegt dat klaagster hiervoor zelfs een osteopaat raadpleegde evenals een pediater. Ze verklaart dat de betreffende pediater zou gezegd hebben dat de klaagster zelf een groot aandeel hadden in de ontwikkelingsmoeilijkheden van hun kind waarop klaagster niet meer naar deze pediater wenste te gaan. Onthaalouder vertelt dat het kind van klaagster op de 4 maanden tijd dat het bij haar werd opgevangen reeds kon kruipen. Meneer Crollen reageert hierop dat hij persoonlijk het kind van klaagster heeft gevolgd in de ontwikkeling. Hij zegt dat wanneer het kind niet wilde eten hij het persoonlijk steeds een flesje in de plaats gaf. Hij zegt dat het VII-35.035-11/37 betreffende kind hierdoor zelfs een bijzondere aandacht kreeg. Onthaalouder vertelt niet te begrijpen dat deze mama klacht durfde indienen over pedagogi- sche elementen terwijl zijzelf niet correct handelde. Onthaalouder verklaart dat klaagster het kind steeds kwam halen en dat haar echtgenoot, de papa, het kind 's morgens steeds bracht. Meneer Crollen vertelt en doet voor dat het kind in de maxi-cosi aan de deur van de living werd afgezet en dat de vader steeds vertrok zonder ook maar enige informatie te geven over het kind. Onthaalouder vertelt ook dat het kind eens toekwam met grote lucifers in de hand en dat het kind aan de zijde met zwavel aan het sabbelen was. Wanneer de moeder het kind 's avonds kwam halen zou de moeder ontkend hebben dat de lucifers van bij hen kwamen, vertelt onthaalouder. Onthaalouder verklaart dat er die ochtend nochtans andere ouders aanwezig waren die hiervan kunnen getuigen. Meneer vertelt dat de leeftijd van de klaagster en haar partner maken dat ze het moeilijk hebben met de opvoeding van hun kind. Hij vertelt dat deze mensen op latere leeftijd ouder werden en niet dezelfde pedagogische visie delen dan jonge ouders. Hij vertelt dat klaagster emotioneel veel te veel betrokken is op haar kind. Onthaalouder verklaart steeds pedagogisch verantwoord te werken. Hij stelt dat zijn vrouw al meer dan 25 jaar kinderen opvangt en in al die tijd nog maar 3 klachten werden ingediend. Hij vertelt dat hij vindt dat zijn vrouw hiervoor een decoratie verdient. Hij verwijst ook naar een nabij kleuter- schooltje en stelt dat we daar maar eens contact mee moeten opnemen om te vernemen wat zij vinden van de kinderen die door zijn vrouw werden opgevangen en die doorstromen naar het schooltje. Hij vertelt dat zijn vrouw jarenlange ervaring heeft en er bijgevolg niemand meer moet komen vertellen hoe zij kinderen moet opvoeden. Bij beëindiging van het inspectiebezoek zeg ik dag tegen een kind waarop meneer mij terechtwijst en zegt dat ik 'aurevoir' had moeten zeggen in plaats van 'dada'. Meneer zegt hierbij dat zij onder meer veel aandacht besteden aan de taalontwikkeling van een kind. 3. Toezicht op de kinderen 'De mama vertelde dat haar dochter eens een grote buil had opgelopen in de opvang. Ze specifieerde dat haar dochter de buil had opgedaan op een woensdag en dat die de zondag nog steeds goed zichtbaar was. Volgens de mama heeft ze de onthaalmoeder aangesproken over de buil. De mama zei dat de onthaalmoeder haar gezegd heeft dat er niets gebeurd was in de opvang. De mama zegt dat haar kind zonder buil werd afgezet, en dat ze zich in de opvang bezeerd heeft'. Vaststelling : Bij aanvang van het inspectiebezoek verklaart meneer Crollen dat hij op de aanwezige kinderen let terwijl zijn vrouw met een ander kind naar de winkel is. Hij vertelde eveneens dat hij vlak voor mijn aankomst het gras had afgereden en de bloemen aan het begieten was. Meneer kan niet zeggen hoeveel kinderen er in huis aanwezig zijn. Bespreking : - Over de feiten die klaagster aanhaalt, vertelt onthaalouder dat deze onjuist zijn. Onthaalouder verklaart dat klaagster op een maandag vertelde dat haar kind de woensdag voordien een buil had opgelopen tijdens de opvang. Onthaalouder zegt hierop te hebben gereageerd dat dit niet mogelijk is want dat de buil dan nog zichtbaar had moeten zijn, wat volgens onthaalouder niet het geval was. - Meneer Crollen reageert op de gedane vaststelling tijdens het huidig inspectiebezoek dat hij onmogelijk kon weten hoeveel kinderen er aanwezig VII-35.035-12/37 waren omdat hij buitenshuis was op het ogenblik dat de ouders de kinderen brachten. 5 VASTSTELLING OVER DE WERKING VAN DE VOORZIENING Verder werden volgende aspecten over de werking vastgesteld en/of besproken : 1. Met betrekking tot de verplichte documenten - Bewijs van goed gedrag en zeden én verklaring van de arts Gezien onthaalouder aanhaalt dat haar man, haar kinderen en de poetsvrouw op de kinderen passen tijdens haar afwezigheden wordt er gevraagd of er voor al deze personen een bewijs van goed gedrag en zeden aanwezig is. Onthaalouder vertelt dat haar nog nooit eerder werd meegedeeld dat zij in het bezit dient te zijn van dit document. Hetzelfde verklaart betreffende de medische verklaringen (sic). Onthaalouder zegt dat haar kinderen zelf niet meer op de kinderen passen omdat ze niet meer inwonen. Onthaalouder zegt bereid te zijn de nodige attesten over de gezinsleden op te vragen. Onthaalouder zegt dat ze haar poetsvrouw al 10 jaar kent en haar volledig vertrouwt. Onthaalouder kan de naam van de poetsvrouw niet zeggen, wel enkel de voornaam (Dorothee). Ze zegt dat het een mevrouw van andere origine is en dat ze geen problemen wil creëren. Hierop reageert meneer dan door te zeggen dat ze uit de overeenkomst zullen schrappen dat de poets- vrouw op de kinderen past zodanig dat problemen voor iedereen uitgesloten worden. - Inlichtingenfiches Voor elk kind is een inlichtingenfiche aanwezig. Op de inlichtingenfiche is geen plaats voorzien waar ouders bijzonderheden over het kind noodzakelijk voor een goede opvang kunnen noteren. Onthaalouder verklaart dat ouders dit steeds kunnen noteren op de schriftelijke overeenkomst, maar bij inzage hiervan wordt vastgesteld dat hier ook geen specifieke ruimte voor voorzien wordt. - Aanwezigheidsregister Mevrouw Chapel verklaart geen aanwezigheidsregister te hebben. Ze zegt dat haar nooit eerder werd meegedeeld dat dit geëist wordt. Aan onthaalouder wordt het belang van een aanwezigheidsregister besproken. Mevrouw reageert hierop door te zeggen dat ze de aanwezigheden wel in een agenda noteert in functie van de betalingen. Het agenda wordt ter inzage voorgelegd. Hier kan worden vastgesteld dat elke dag de namen van de kinderen staan vermeld die die dag werden opgevangen evenals het verschuldigde bedrag voor de opvang die dag. 2. met betrekking tot de bezetting Tijdens het inspectiebezoek werd aan de hand van de agenda waarin onthaalouder de aanwezigheden noteert per steekproef vastgesteld dat de bezetting conform de regelgeving is. Momenteel zijn er 6 kinderen ingeschreven. 3. met betrekking tot de functionaliteit van de verzorgingsaccommodatie In het geldende Attest van Toezicht werd als voorwaarde opgenomen dat het toezicht op de andere kinderen steeds mogelijk moet zijn tijdens de verzorging. Tijdens huidig inspectiebezoek wordt vastgesteld dat de verzorgingsaccommodatie zich in de badkamer bevindt. Vanuit de badkamer is er geen toezicht op de andere kinderen mogelijk. Onthaalouder verklaart dat als een kind verzorgd wordt, steeds alle andere kinderen meegaan naar de badkamer. Meneer verwijst hier naar een kind van 2 jaar dat aanwezig is tijdens het inspectiebezoek en dat spontaan zijn vrouw volgde wanneer zij een kind ging verluieren in de badkamer. Mevrouw zegt VII-35.035-13/37 dat wanneer er veel jongere kinderen aanwezig zijn, zij een verzorgingskussen op de tafel in de living legt en de nodige toebehoren dan verhuist. Ze zegt dat het van dag tot dag afhangt en van de aanwezige kinderen welke verzorgingsaccommodatie gebruikt wordt. Het verzorgingskussen lag de dag van het inspectiebezoek niet in de living. Meneer verklaart dat door zijn aanwezigheid dit niet noodzakelijk is gezien hij op de kinderen kan passen terwijl zijn vrouw in de badkamer een kind verzorgt. 4. met betrekking tot de veiligheid - gebruik van loopwagentje Tijdens een inspectiebezoek dd. 1/9/2004 werd de afspraak gemaakt met onthaalouder dat een looprekje wordt verwijderd. Onthaalouder verklaart dat ze dit heeft verwijderd maar dat er nu eentje aanwezig is op specifieke vraag van een ouder die eist dat haar kind voor zijn goede ontwikkeling in een loopwagentje loopt. Mevrouw Chapel toont een schriftelijke verklaring van moeder x waarin dit is opgenomen. Aan onthaalouder wordt uitgelegd dat loopwagentjes niet geadviseerd worden. Meer uitleg wordt ter informatie toegevoegd : (...) - de rustruimte Tijdens het inspectiebezoek dd. 1/9/2004 werd de afspraak gemaakt met onthaalouder dat voor de kinderen tot 1 jaar stevige matrassen worden voorzien. Onthaalouder zegt dat alle bedden nu voorzien zijn van een nieuwe matras. Bij rondgang wordt vastgesteld dat er in 4 bedjes een matras in schuimrubber ligt van ongeveer 7 cm dikte. Tijdens rondgang in de rustruimte wordt vastgesteld dat in de verschillende bedjes knuffeltjes liggen. Onthaalouder verklaart dat deze knuffels door de ouders worden meegegeven. Het gebruik van knuffels wordt met onthaalouder besproken en dit in het kader van de veiligheid en ter preventie van wiegendood. Meer uitleg wordt ter informatie toegevoegd: (...) - huisdieren In het geldende Attest van Toezicht werd als voorwaarde opgenomen dat huisdieren steeds buiten het bereik van kinderen moeten zijn en dat indien zij toch in aanraking komen met de kinderen dit steeds onder gepaste begeleiding moet en onder strikt toezicht. Tijdens het huidig inspectiebezoek werd vastgesteld dat er een hond aanwezig was. Wanneer deze hond in de living kwam dan werd hij meteen naar de keuken terug gestuurd. Tijdens huidig inspectiebezoek kon niet worden vastgesteld in welke mate deze voorwaarde al dan niet wordt opgevolgd. De voorwaarde werd niet verder besproken met onthaalouder. - omheining Meneer vraagt uitdrukkelijk om naar de aanpassingen inzake de omheining te gaan kijken. Hij vertelt welke veranderingen er werden uitgevoerd aan de omheining en dit naar aanleiding van een inspectiebezoek waarbij de onveilige elementen van deze omheining aan bod waren gekomen. 5. met betrekking tot de hygiëne en de voeding Tijdens het inspectiebezoek wordt vastgesteld dat de hond in de keuken verblijft en er ook een kussen heeft om op te slapen. In de keuken worden de maaltijden bereid voor de opvangkinderen. In de keuken krijgen de kinderen ook hun maaltijd aangeboden. Met onthaalouder wordt besproken dat er geen huisdieren in de keuken mogen zijn en dit volgens het KB van de voedingsmiddelenhygiëne. Onthaalouder vraagt een kopij van de tekst waarin dit bepaald wordt. Met VII-35.035-14/37 onthaalouder wordt besproken dat in het verslag zal verwezen worden naar het betreffende KB. Ze zegt bereid te zijn om voor de hond een ander locatie te zoeken in de woning. 6. met betrekking tot de ouderparticipatie - schriftelijke overeenkomst Tijdens het inspectiebezoek werd vastgesteld dat volgend element niet is opgenomen in de schriftelijke overeenkomst 'de bereidheid om aan ouders de vrije toegang te verlenen tot de opvangruimten'. Hierrond werd nochtans een afspraak gemaakt met onthaalouder tijdens het inspectiebezoek dd. 1/9/2004. De verwijzing naar de klachtendienst van K&G werd wel opgenomen in de schriftelijke overeenkomst. - Vrije toegang tot de opvangruimten Tijdens het inspectiebezoek werd vastgesteld dat een moeder vrije toegang kreeg tot de opvangruimten wanneer zij haar kind kwam afhalen. - Omgaan met klachten of opmerkingen Tijdens huidig inspectiebezoek zeggen onthaalouder en haar echtgenoot niet geërgerd te zijn omwille van de klacht omdat ze weten van wie het komt. Wanneer een mama haar kind komt ophalen wordt deze door onthaalouder meteen ingelicht over mijn aanwezigheid en de reden van mijn bezoek. De betreffende mama (moeder x : in het verslag) reageert meteen heel heftig. Moeder x begint meteen te vertellen hoe onverantwoord klaagster wel niet omging met haar kind door het ondermeer steeds te vervoeren in de wagen zonder het in een kinderstoel vast te klikken. Meteen wordt er een negatieve sfeer gecreëerd aangaande klaagster. Moeder x gaat meteen tegen de beweringen van klaagster in en stelt dat zijzelf heel erg tevreden is over de opvang die onthaalouder biedt. Ze zegt het enorm te appreciëren dat onthaalouder steeds voor haar klaar staat en dat ze eender wanneer mag contact opnemen wanneer ze een probleem heeft of vragen heeft. Ze zegt dat het bij onthaalouder een tweede gezin is voor haar kind. Moeder x stelt voor om haar tevredenheid op papier te zetten. Onthaalouder zelf stelt voor om hier mee te wachten tot het verslag van huidig bezoek in hun bezit is. Ze belooft aan moeder x dat het verslag aan alle ouders zal bezorgd worden of vertaald worden zodat ouders kunnen reageren desgewenst. Onthaalouder werd niet op de hoogte gebracht van het advies dat de dienst inspectie geeft naar aanleiding van huidig inspectiebezoek. De reden hiertoe is dat onthaalouder verklaart in verlof te zijn vanaf 18/7/05 en zij bij gevolg niet meer tijdig kon ingelicht worden". 1.4. Op 19 juli 2005 verleent de inspectieambtenaar het volgende advies : "Gelet op de vaststellingen gedaan tijdens het inspectiebezoek dd. 13/7/05 en de bespreking hiervan gaat de dienst inspectie over tot een ongunstig advies inzake de verdere toekenning van het Attest van Toezicht en dit onder meer omwille van volgende redenen : 1. Tijdens huidig inspectiebezoek werd vastgesteld dat geen gunstig gevolg werd gegeven aan volgende voorwaarden gesteld in functie van de toekenning van het Attest van Toezicht dd. 26/11/03 : - De onthaalouder laat het toezicht over de kinderen enkel over aan derden indien dit strikt noodzakelijk is. Tijdens huidig inspectiebezoek wordt VII-35.035-15/37 vastgesteld dat onthaalouder niet aanwezig is bij de aanvang van het bezoek. Een gelijkaardige vaststelling werd eveneens gedaan tijdens een voorgaand inspectiebezoek op datum van 4/9/03. - Wie de onthaalouder kan vervangen wordt opgenomen in de overeenkomst met de ouders. Tijdens huidig inspectiebezoek wordt vastgesteld dat foutieve informatie aan de ouders wordt verstrekt inzake de personen die onthaalouder vervangen tijdens haar afwezigheid. In de overeenkomst wordt opgenomen dat onder andere onthaalouder haar kinderen toezicht houden, evenals de poetsvrouw. Onthaalouder verklaart dat de kinderen niet meer inwonen en bijgevolg het toezicht niet opnemen. Van de poetsvrouw kon onthaalouder geen identiteitsgegevens bezorgen. Enkel de voornaam was gekend. - De onthaalouder verbindt zich er toe aan de ouders van de opgevangen kinderen het fiscaal attest uit te reiken. Onthaalouder verklaart tijdens het inspectiebezoek dat klaagster geen fiscaal attest krijgt zolang een volgens haar nog openstaand saldo niet vereffend is. - De onthaalouder voorziet een verzorgingsmogelijkheid waardoor toezicht op de andere kinderen tijdens de verzorging mogelijk is. 2. Tijdens huidig inspectiebezoek werd vastgesteld dat er geen gunstig gevolg werd gegeven aan volgende gemaakte afspraak tijdens een inspectiebezoek dd. 1/9/04 : - De bereidheid om aan ouders vrije toegang te verlenen tot de opvangruimten wordt opgenomen in de schriftelijke overeenkomst met de ouders 3. Volgende negatieve vaststellingen werden gedaan tijdens huidig inspectiebezoek : - met betrekking tot de veiligheid en het permanent toezicht op de kinderen Bij aanvang van het inspectiebezoek is onthaalouder niet aanwezig. Haar echtgenoot verklaart toezicht uit te oefenen op de aanwezige kinderen, Meneer verklaart eveneens dat hij net gedaan heeft met zijn gras te maaien en de bloemen water te geven. Meneer kan niet vertellen hoeveel kinderen er aanwezig zijn in de woning terwijl mevrouw afwezig is. - met betrekking tot de verplichte documenten Er zijn geen attesten van Goed gedrag en zeden, noch medische verklaringen aanwezig van de personen die volgens onthaalouder toezicht houden op de kinderen tijdens haar afwezigheid; noch van onthaalouder zelf. - met betrekking tot voeding en hygiëne Er is een huisdier (hond) aanwezig in de keuken alwaar de maaltijden bereid en toegediend worden. Dit is tegenstrijdig het KB op de voedingsmiddelenhygiëne". 1.5. In zijn advies van 20 juli 2005 bevestigt het afdelingshoofd van de dienst Inspectie het advies van de inspectieambtenaar. Het bevestigend advies luidt als volgt : "Gelet op de algemene voorwaarden voor toezicht van Kind en Gezin voor de zelfstandige onthaalouders gelet op het verslag en het advies vanwege de inspectieambtenaar gezien de vaststellingen waaruit blijkt dat - de opgevangen kinderen op het moment van bezoek een tijdlang opgevangen werden door de echtgenoot van verantwoordelijke; dat dit op zich geen probleem is maar wel het feit dat hij niet weet wie en hoeveel kinderen aanwezig zijn in de opvangvoorziening, dat dit een veiligheidsrisico inhoudt VII-35.035-16/37 - het toezicht op de opgevangen kinderen in de afwezigheid van verantwoordelijke grotendeels onbestaande was gezien de bezigheden van de vervangende echtgenoot op het moment van bezoek - dat ouders niet correct geïnformeerd worden over de mogelijke vervangingen in het opvanggezin, onder meer omdat de identiteit van de poetsvrouw die ook voor de vervanging instaat niet gekend is - dat het onveilig is en niet conform de algemene voorwaarden voor toezicht en de bijhorende leidraad om een structurele vervanging te laten uitvoeren door iemand waarvoor de verplichte attesten niet beschikbaar zijn - dat hiermee bovendien niet is tegemoet gekomen aan een aantal voorwaarden opgelegd bij de vorige toekenning van het attest van toezicht, onder meer in het scheppen van klaarheid over de vervanging - dat de onthaalouder zich uitdrukkelijk verbindt, via de algemene voorwaarden voor toezicht, om fiscale attesten uit te reiken voor de betaalde opvangsommen maar tijdens het inspectiebezoek duidelijk verklaart dit niet te doen voor de klagende ouder, dat fiscale attesten niet kunnen gebruikt worden als drukkingsmiddel om betwiste opvangsommen in te vorderen, bevestig ik het advies uitgebracht door de inspectieambtenaar". 1.6. Op 3 augustus 2005 wordt de beslissing genomen tot intrekking van het attest van toezicht. Dit is de tweede bestreden beslissing. Luidens de bewoordingen ervan is de beslissing “gesteund op het verslag van het inspectiebezoek dd. 13 juli 2005, het advies van de inspectieambtenaar dd. 19 juli 2005 (
- en)het advies van het afdelingshoofd dienst Inspectie en Interne Audit dd. 20 juli 2005". Onder de hoofding “De motivering voor onderstaande beslissing” wordt melding gemaakt van de intrekking van het attest van toekenning en het opnieuw toekennen ervan onder voorwaarden, waarna de voorwaarden worden opgesomd. De beslissing gaat verder als volgt : “Op 1 september 2004 werd een inspectiebezoek gebracht aan mevrouw Chapel. Tijdens dit bezoek werden volgende vaststellingen gedaan : - Er was een hond aanwezig in de keuken. De onthaalmoeder verklaart dat de hond enkel binnen was daar de kinderen buiten spelen. Als de kinderen binnen zijn, wordt de hond buiten gezet. - De reisbedjes beschikken over een dun matrasje. Met de onthaalmoeder werd afgesproken dat voor de kinderen tot 1 jaar stevige matrasjes gebruikt dienen te worden. - Er is geen toezicht op de kinderen vanuit de verzorgingsruimte. De onthaalmoeder verklaart de kleinste kinderen mee te nemen als ze een kindje gaat verschonen, maar de grotere kinderen niet, daar ze hen niet wil storen in hun spel. - In de tuin staan gevaarlijke planten en producten binnen het bereik van de kinderen. Met de onthaalmoeder wordt afgesproken dat deze buiten het bereik van de kinderen moeten worden geplaatst. - In de keuken lagen hondenharen en uitwerpselen van de hond bevinden zich in de tuin. Met de onthaalmoeder wordt afgesproken dat er maatregelen met betrekking tot de hygiëne ten aanzien van huisdieren worden genomen. - De onthaalmoeder verklaart dat ze kinderen die bijten in een stuk zeep laat bijten om dit af te leren. Er wordt afgesproken dat deze aanpak niet meer kan gehanteerd worden. VII-35.035-17/37 Op 19 oktober 2004 wordt vanuit de administratie van Kind en Gezin een brief naar de onthaalmoeder gestuurd waarin wordt vermeld dat: - De aanpak van bijtgedrag door het kind op een stuk zeep te laten bijten niet meer mag worden toegepast. - Dat zoals de beslissing aangaande het bezwaar van het provinciaal comité reeds meldde, de verzorgingsaccommodatie dient te worden voorzien van waaruit toezicht mogelijk is op de andere kinderen. Er wordt aan de onthaalmoeder gevraagd om aan kind en gezin voor 29 oktober schriftelijk mee te delen hoe dit zal worden aangepakt. De onthaalmoeder heeft aan dit laatste geen gevolg gegeven. Tijdens het inspectiebezoek van 13 juli 2005 ter bespreking van een klacht, werden volgende vaststellingen gedaan : - Bij de aankomst van de inspectieambtenaar was mevrouw Chapel niet aanwezig in de opvang. Haar echtgenoot is aanwezig en staat in voor het toezicht van de kinderen. De echtgenoot van Mevrouw Chapel verklaart dat alle kinderen slapen en dat hij net klaar is met het gras te maaien en de bloemen water te geven. Bovendien weet hij niet hoeveel kinderen er op dat ogenblik aanwezig zijn in de opvang. Deze twee elementen geven aan dat er niet voldoende toezicht werd uitgeoefend op de slapende kinderen. - Bij de thuiskomst van mevrouw Chapel, verklaart zij naar de winkel te zijn gegaan daar een moeder vergeten was een vieruurtje mee te brengen. Ook in de klacht wordt melding gemaakt van het feit dat onthaalmoeder tijdens de opvanguren boodschappen zou gaan doen. Over deze klacht vertelt onthaalmoeder dat het klopt dat de ouder die klacht indiende haar in de supermarkt was tegengekomen. Onthaalmoeder verklaart dat zij die dag boodschappen aan het doen was, daar ze aan een zevenjarig opvangkind beloofd had om pannenkoeken te maken en zij deze niet in huis had. Uit deze vaststelling valt af te leiden dat de onthaalmoeder geen gevolg heeft gegeven aan de voorwaarden zoals gesteld in de beslissing van het provinciaal comité van 15 december 2003, waarin wordt gesteld dat de onthaalmoeder de opvang enkel verlaat indien dit strikt noodzakelijk is. Hoewel de onthaalmoeder tijdens het inspectiebezoek aanhaalt dat deze boodschappen strikt noodzakelijk waren, is Kind en Gezin van mening dat het halen van pannenkoeken of een vieruurtje voor een kind niet als noodzakelijk kan worden gezien. De onthaalmoeder had bijvoorbeeld aan haar echtgenoot kunnen vragen om de boodschappen te doen, de kinderen een ander aanbod kunnen doen of de boodschappen op voorhand plannen. Het is duidelijk dat de voorwaarde ‘noodzaak’ hier niet als geldig element kan worden ingeroepen. - Er wordt vastgesteld dat er in de overeenkomst met de ouders werd opgenomen dat de onthaalmoeder zich kan laten vervangen door haar echtgenoot, haar kinderen of de poetsvrouw. De kinderen van de onthaalmoeder wonen echter niet meer in en volgens de verklaringen passen zij dus ook niet meer op de kinderen. De poetsvrouw geniet volgens de onthaalmoeder haar volle vertrouwen, hoewel ze enkel de voornaam van deze dame kent. - De onthaalmoeder beschikt voor niemand over een doktersattest en een bewijs van goed en zedelijk gedrag. De onthaalmoeder geeft aan dat ze niet wist dat dit noodzakelijk is en nog niemand dit haar heeft gemeld. De onthaalmoeder dient echter op de hoogte te zijn van de voorwaarden voor toezicht waarin dit staat vermeld. Deze voorwaarden werden op 16 december 2003, samen met de beslissing van het provinciaal comité nogmaals overgemaakt aan de onthaalmoeder. - Er werd vastgesteld dat de onthaalmoeder nog geen maatregelen heeft getroffen om de verzorgingsaccommodatie te voorzien waarbij zij toezicht VII-35.035-18/37 kan houden op de andere kinderen, zoals gesteld in de beslissing van het provinciaal comité van 15 december 2003 en zoals gevraagd in het schrijven van 19 oktober 2004. Er werd ook geen gevolg gegeven aan de vraag om Kind en Gezin op de hoogte te brengen van de getroffen maatregelen, aangaande deze verzorgingsaccommodatie. - Tijdens het bezoek verklaart de onthaalmoeder dat ze weigert om aan een ouder het fiscale attest af te geven zolang er nog openstaande rekeningen zijn. Dit is in tegenspraak met de gestelde voorwaarde op 15 december 2003 waarbij wordt gesteld dat de onthaalmoeder er zich toe verbindt om de fiscale attesten af te leveren. - Tijdens dit inspectiebezoek wordt vastgesteld dat de hond zich in de keuken bevindt. Dit is in tegenspraak met de verklaringen tijdens het vorige inspectiebezoek waarbij de onthaalmoeder aangaf dat de hond enkel in de keuken is als de kinderen buiten spelen en dat de hond anders wordt buitengehouden. (...)”. Deze beslissing wordt aan de verzoekster ter kennis gebracht met een brief van dezelfde datum. Het begeleidend schrijven maakt melding van een aantal bijlagen, waaronder de toepasselijke reglementering en, als bijlage 5, het inspectiebezoek met het advies van de inspectieambtenaar en het advies van het afdelingshoofd afdeling Inspectie en Interne Audit. 1.7. Gebruik makend van de bezwaarprocedure, zoals voorzien in hoofdstuk V van het ministerieel besluit van 26 februari 2003 houdende vaststelling van de procedure en de modaliteiten voor de toekenning en de intrekking van het attest van toezicht voor zelfstandige opvanginitiatieven, dient de verzoekster op 23 augustus 2005 bezwaar in tegen de voormelde beslissing. Zij laat weten, zonder verdere argumentatie, de visie van Kind en Gezin niet te delen en er zich ten stelligste tegen te verzetten. Zij vraagt tevens om te worden gehoord. 1.8. Op 30 september 2005 wordt een hoorzitting georganiseerd, waarop de vertegenwoordigers van de verwerende partij, de verzoekster, haar echtgenoot en haar raadsman aanwezig zijn. Het onder meer door de verzoekster en haar raadsman ondertekende verslag luidt als volgt: "VERSLAG BEZWAARDOSSIER : (...) Betrokkene werd van alle besluiten en de mogelijkheden tot aantekenen van beroep tegen de genomen beslissing, alsook van het verloop van een dergelijke procedure op de hoogte gebracht. De betrokkene kreeg voor de hoorzitting van heden de gelegenheid het dossier met de verslaggevingen van onze inspectieambtenaren en de daaruit volgende beslissingsbrieven in te kijken. We wensen te vertrekken vanuit een aantal algemene vraagstellingen : VII-35.035-19/37 - waarom geen gevolg is gegeven aan de voorwaarden geformuleerd bij het opnieuw toekennen van het attest van toezicht - waarom geen gevolg gegeven aan de brief van 19 oktober 2004 - waarom blijven volhouden om een aantal richtlijnen niet op te volgen; verzorgingsaccommodatie, aanwezigheid van de hond, fiscale attesten. Raadsman : Het dossier heeft inderdaad een voorgeschiedenis. Mevr. Chapel is reeds onthaalouder sinds 1981. Dit houdt in dat mevrouw bijna 25 jaar onthaalouder is. Zij zit hierbij tussen 2 werelden. Enerzijds de regelgeving van Kind en Gezin en anderzijds de praktijk van de onthaalouder. Vorige hoorzitting had betrekking op het incident waarbij 2 kinderen op straat zijn terecht gekomen. Daarbij zijn een aantal punten ter discutie (sic) gekomen die ook vandaag meespelen. Het gaat hier over onder andere de hond, de verzorgingsaccommodatie en dergelijke. De raadsman geeft aan dat al deze elementen reeds voorhanden waren tijdens de nieuwe beslissing, vorig jaar. Wat tijdens die beslissing werd meegegeven als aandachtspunten komt nu terug aan bod. De regels die door mevrouw niet worden nageleefd zijn zaken die mevrouw al 25 jaar op haar eigen manier toepast. Waarom dan nu het attest van toezicht opnieuw intrekken? In de praktijk doet mevrouw Chapel de opvang met ondersteuning van haar echtgenoot en op het moment van afwezigheid was er perfect toezicht op de kinderen. De raadsman geeft aan (dat) de spelregels er zijn voor een reden, De voorzitter stelt dat deze regels (...) niet (zijn) opgesteld voor mevrouw Chapel. De raadsman geeft aan dat er een groot verschil is tussen wat er juridisch is bepaald en de praktijk van iemand die al heel lang werkt. De raadsman geeft aan dat uit het verslag blijkt dat de toegankelijkheid voor de ouders zeer groot is en ouders zijn toch nog steeds de strengste rechters. Indien ouders niet gerust zijn over de opvang zouden zij de kinderen niet bij haar willen laten. Er wordt een bundel overhandigd waarin de ouders hun tevredenheid uiten over de opvang bij mevrouw Chapel. De raadsman geeft aan dat er nu slechts één ouder is die heeft geklaagd bij Kind en Gezin en dit was omwille van het betalen van het vakantiegeld. De raadsman geeft aan dat het jammer genoeg procedureel bepaald is dat mogelijks 4 maanden een schorsing is. Hij stelt zich de vraag of de feiten die ten laste worden gelegd, voldoende zwaar wegen om een dergelijke beslissing te nemen. De raadsman is van mening dat indien er een belangrijk besluit wordt genomen, de betrokkene op de hoogte zou moeten worden gesteld dat er een negatief advies werd gegeven. Dit bepaalde ook de reactie op het verslag. Een schepen van Wezembeek-Oppem heeft zich zeer positief uitgelaten over de opvang van mevrouw Chapel. Bij een tweede intrekking is het nog moeilijker voor de onthaalouder om haar goede reputatie terug op te bouwen. De voorzitter wenst aan te geven tegenover het voorgaande dat, als op een bepaald ogenblik, afspraken gemaakt worden, voorwaarden opgelegd worden, men dan weet dat deze voorwaarden getoetst zullen worden. Men weet dan ook dat als blijkt dat deze voorwaarden niet worden nagekomen, dit uiteraard leidt naar een sanctie. Men kan dus inschatten dat op dat ogenblik het attest van toezicht kan worden ingetrokken. Raadsman : Als ik als ambtenaar werk en ik maak een aantal kleine fouten, dan kan ik een kleine sanctie krijgen. Hij wenst te onderlijnen dat de kinderen nooit in gevaar zijn geweest bij mevrouw Chapel. VII-35.035-20/37 Er wordt aangegeven door de echtgenoot van Mevrouw Chapel dat er andere voorzieningen zijn waar zich dezelfde situaties voordoen zoals bij mevrouw Chapel, en hierover wordt door de inspectie niets gezegd. Mevrouw geeft aan dat zij de boodschappen gedaan heeft, omdat haar echtgenoot niet met de auto mocht rijden. Jessy Vandevelde zal nakijken of mevrouw Chapel de vraag heeft gesteld om het verslag van de inspectie in het Frans te ontvangen. De voorzitter geeft aan dat hij zich nog steeds de vraag stelt waarom mevrouw Chapel geen gevolg heeft gegeven aan de gestelde voorwaarden. Mevrouw Chapel geeft aan dat sinds 2003 de kinderen nooit meer in de nabijheid van de hond zijn geweest. Mevrouw Chapel geeft ook aan dat het altijd netjes is in huis. De voorzitter stelt dat de regels van Kind en Gezin voor alle voorzieningen op dezelfde manier worden nageleefd tot het tegendeel wordt aangetoond. Mevrouw Chapel stelt dat de kinderen worden verzorgd alsof het haar kinderen waren en er de volle verantwoordelijkheid voor opneemt. Mevrouw Chapel geeft aan dat ze de brief van 19 oktober 2004 niet ontvangen heeft. De echtgenoot geeft ook aan dat Mevr. Chapel bij een valpartij zich zwaar heeft bezeerd en dat ze samen de opvang hebben verder gezet. Mevrouw Chapel zegt dat mevr. Van Goitenhoven met Mr Letouche heeft gesproken en dat hij haar heeft gezegd dat hij zijn beslissing zou herzien omwille van de vele reacties van de ouders". 1.9. Op 31 oktober 2005 wordt het bezwaar van de verzoekster door het Provinciaal comité Vlaams-Brabant en Brussel van Kind & Gezin ongegrond bevonden en wordt de beslissing van 3 augustus 2005 bevestigd. Dit is de eerste bestreden beslissing. Ze wordt aan de verzoekster ter kennis gebracht met een brief van dezelfde datum. In de beslissing wordt op de eerste plaats verwezen naar de toepasselijke reglementering. Zij luidt verder als volgt : "De beslissing is gesteund op : • de beslissing van het provinciaal afdelingshoofd tot intrekking van het attest van toezicht dd. 3 augustus 2005 • het bezwaarschrift ingediend per aangetekend schrijven dd. 25 augustus 2005 • de hoorzitting met de voorzitter van het Provinciaal Comité dd. 30 september 2005 • de bespreking van het Provinciaal Comité inzake de gegrondheid van het bezwaar dd. 24 oktober 2005 De motivering voor de beslissing : Het provinciaal comité is van mening dat de beslissing tot intrekking van het attest van toezicht gerechtvaardigd werd genomen en dat de hoorzitting geen nieuwe elementen naar voor heeft gebracht die het niet opvolgen van de gestelde voorwaarden rechtvaardigt. De beslissing van het Provinciaal Comité : Artikel 1 : Na beraadslaging heeft het Provinciaal Comité het bezwaar als ongegrond beoordeeld en de beslissing dd. 3 augustus 2005 tot intrekking van het attest van toezicht bevestigd. Artikel 2 : VII-35.035-21/37 De beslissing wordt ter kennisgeving overgemaakt aan : het College van burgemeester en schepenen van de gemeente waar het opvanginitiatief is gevestigd; de ouders van de kinderen die als opvangkinderen bekend zijn"; 2. De ontvankelijkheid van de vordering 2.1. Overwegende dat de verwerende partij opwerpt dat de vordering tot schorsing niet ontvankelijk is in zoverre ze is gericht tegen de beslissing van het provinciaal afdelingshoofd van 3 augustus 2005, omdat hiertegen een georganiseerd administratief beroep openstond; 2.2. Overwegende dat de verzoekster tegen de voormelde beslissing van 3 augustus 2005 bezwaar heeft ingediend; dat dit bezwaar heeft geresulteerd in de sub 1.9 vermelde beslissing van 31 oktober 2005 van het Provinciaal comité Vlaams-Brabant en Brussel van Kind & Gezin, die aldus in de plaats is gekomen van de eerstvermelde beslissing; dat de vordering, in zoverre ze is gericht tegen de beslissing van 3 augustus 2005, niet ontvankelijk is; dat de exceptie kan worden aangenomen; 3. Ten gronde Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.1. Eerste middel 3.1.1. Standpunten van de partijen Overwegende dat de standpunten van de partijen als volgt kunnen worden samengevat : VII-35.035-22/37 3.1.1.1. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en uit de schending van het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur, en wordt toegelicht als volgt : “Aangezien met betrekking tot de verplichting tot formele motivering dient te worden vastgesteld dat in de beslissing de motieven dienen te worden weergegeven waarop het bestreden besluit is gestoeld. Dat wat het besluit van 31 oktober 2005 van het Provinciaal Comité betreft als motivering enkel wordt gesteld dat er op de hoorzitting geen nieuwe elementen werden naar voor gebracht 'die het niet opvolgen van de gestelde voorwaarden rechtvaardigt'. Er wordt nergens overwogen om welke reden het beroepsorgaan de mening zou zijn toegedaan dat verzoekster de door Kind en Gezin vooropgestelde voorwaarden tot het behouden van een attest van toezicht niet zou hebben nageleefd; er wordt in het bestreden besluit van 31 oktober 2005 nergens overwogen of het eventueel niet naleven door verzoekster van bepaalde voorwaarden de intrekking van het attest van toezicht al dan niet verantwoordt; er wordt in dit bestreden besluit geen enkel antwoord gegeven op de in het bezwaarschrift of de gedurende de hoorzitting aangebrachte argumenten. Het Provinciaal Comité doet in deze uitspraak alsof zij reeds voorheen een uitspraak heeft gedaan en de beroepsprocedure enkel zou kunnen leiden tot een eventuele 'herziening' van haar eerdere beslissing. Dit is echter geenszins het geval : het Provinciaal Comité handelt in deze als beroepsinstantie en beschikt dan ook over de volheid van bevoegdheid ingevolge de devolutieve werking van het administratief beroep. In het bestreden besluit van 31 oktober 2005 wordt zelfs de argumentatie die dan nog zou terug te vinden zijn in het intrekkingsbesluit van 3 augustus 2005 niet hernomen. Er is wat dit betreft zelfs geen poging ondernomen om een motivering te vormen door de overname, het zich eigen maken, van een eerdere motivering in een ander besluit of advies. Wel valt in de bestreden beslissing van het Provinciaal Comité te lezen dat de beslissing is gesteund op 'de bespreking van het Provinciaal Comité inzake de gegrondheid van het bezwaar dd. 24 oktober 2005'. Deze bespreking is verzoekster echter volkomen onbekend en maakt ook geen deel uit van het besluit van het Provinciaal Comité van 31 oktober 2005. In deze dient aldus te worden vastgesteld dat het besluit van 31 oktober 2005, buiten het vermelden van een stijlformule dat er geen nieuwe elementen werden bijgebracht, op geen enkele wijze formeel is gemotiveerd. Dit gebrek aan motivering is dermate dat het middel niet alleen ernstig is, doch als kennelijk gegrond dient te worden weerhouden daar het niet onwaarschijnlijk is dat het volkomen gebrek aan motivering zal leiden tot een latere nietigverklaring van dit besluit. Met betrekking tot het bestreden intrekkingsbesluit van 3 augustus 2005 dient vastgesteld dat het provinciaal afdelingshoofd zich ertoe beperkt heeft om de 'vaststellingen' weer te geven die zijn gebeurd ter gelegenheid van twee inspectiebezoeken doch dat er evenmin uitdrukkelijk wordt gemotiveerd om welke reden een onmiddellijke intrekking van het attest van toezicht zich opdringt; of deze intrekking van dit attest al in verhouding zou staan met de door de inspecteurs gedane vaststellingen; op welke wijze verzoekster al in de mogelijkheid zou zijn gesteld om deze vaststellingen te betwisten laat staan één en ander toe te lichten. VII-35.035-23/37 Het intrekkingsbesluit van 3 augustus 2005 werd aldus evenzeer genomen in strijd met de formele motiveringsverplichting zoals vereist in de in dit middel aangehaalde bepaling. Het middel is ernstig". 3.1.1.2. De verwerende partij repliceert in haar nota als volgt : "(...) Blijkens de uiteenzetting van het middel wordt inzake de beweerde illegaliteit ten aanzien van de motieven voornamelijk een schending van de formele motiveringsplicht geviseerd. KIND & GEZIN betwist geenszins dat haar beslissing onder de toepassing valt van de wet van 29 juli 1991. (...) Het doel van de formele motiveringsplicht bestaat erin dat de betrokkene weet waarom een voor hem ongunstige beslissing is genomen, derwijze dat hij zich met de ter beschikking staande rechtsmiddelen kan verweren tegen die beslissing door aan te tonen dat de erin tot uitdrukking gebrachte motieven niet gegrond zijn. Toegespitst op het administratief contentieux is de doelstelling van de formele motiveringsplicht om ten opzichte van degene ten aanzien van wie een beslissing wordt genomen, een zodanig inzicht te verschaffen in de motieven van die handeling, door vermelding van de juridische en feitelijke overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen, dat hij in staat is terdege te oordelen of het zin heeft zich tegen die handeling te verweren met de middelen die het recht hem verschaft. Een gevolg daarvan is dat degene die de motieven van een formeel te motiveren beslissing kent, al is die beslissing niet formeel gemotiveerd, zich niet op de schending van de formele motiveringsplicht kan beroepen, aangezien in dit geval het doel van de plicht, het hem doen kennen van de motieven van de beslissing, is bereikt. De formele motivering hoeft anderzijds niet meer te zijn dan de verwoording van het materieel motief, zodat, vanwege die band van ondergeschiktheid, de verzoekende partij geen belang heeft bij het middel gesteund op de schending van de formele motiveringsplicht wanneer het middel gesteund op de materiële motiveringsplicht wordt verworpen. (...) De bestreden beslissing van 31 oktober 2005 is weliswaar summier, doch formeel gemotiveerd. Door te stellen in het beslissingsdocument dat in bijlage aan de brief van 31 oktober 2005 werd gevoegd : 'Het provinciaal comité is van mening dat de beslissing tot intrekking van het attest van toezicht gerechtvaardigd werd genomen en dat de hoorzitting geen nieuwe elementen naar voor heeft gebracht die het niet opvolgen van de gestelde voorwaarden rechtvaardigt’ heeft het provinciaal comité aangegeven dat de motieven die aanleiding gaven tot de intrekking van het attest van toezicht na de hoorzitting (het bezwaarschrift bevatte geen argumentatie) overeind zijn gebleven, terwijl de door mevrouw CHAPEL op de hoorzitting verstrekte uitleg niet als een rechtvaardiging kon worden beschouwd voor de tekortkomingen beschreven in de aanvankelijke beslissing van 3 augustus 2005. (...) Mevrouw CHAPEL kent derhalve de motivering van de beslissing, hetgeen overigens blijkt uit het inhoudelijke verweer gevoerd in haar vordering tot schorsing. Het middel is niet ernstig"; VII-35.035-24/37 3.1.2. Beoordeling Overwegende dat het middel niet ernstig is om de volgende redenen : 3.1.2.1. De verzoekster geeft in het middel geen toelichting omtrent de beweerde schending van het redelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel, zodat het onderzoek van het middel moet worden beperkt tot de aangevoerde schending van de formele motiveringsplicht. 3.1.2.2. De formele motiveringsplicht, zoals die door de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen is voorgeschreven, heeft als belangrijkste bestaansreden de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven mede te delen op grond waarvan ze werd genomen, derwijze dat blijkt, of minstens kan worden nagegaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die correct heeft beoordeeld, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen, zodat de betrokkene met kennis van zaken kan oordelen of het zinvol is de beslissing met een annulatieberoep en eventueel een vordering tot schorsing te bestrijden. Wanneer in de motivering verwezen wordt naar andere documenten of feitelijke gegevens, dienen die documenten of gegevens bij de beslissing gevoegd te worden, tenzij kan worden aangenomen dat ze door de adressaat van de beslissing voldoende gekend zijn. 3.1.2.3. Uit de bewoordingen van de sub 1.9 geciteerde bestreden beslissing lijkt te kunnen worden afgeleid dat de verwerende partij de in eerste aanleg genomen beslissing bijtreedt alsook de redenen waarom ze werd genomen, met andere woorden dat zij de in de beslissing van 3 augustus 2005 opgenomen overwegingen tot de hare heeft gemaakt. Er wordt niet betwist dat de op 3 augustus 2005 genomen beslissing aan de verzoekster ter kennis werd gebracht, evenals de bevindingen van het inspectiebezoek met het advies van de inspectieambtenaar en het advies van het afdelingshoofd afdeling Inspectie en Interne Audit. Een eenvoudige lezing van de in eerste aanleg genomen beslissing maakt op het eerste gezicht duidelijk waarom het attest van toezicht wordt ingetrokken. VII-35.035-25/37 Door het feit dat de beslissing van 31 oktober 2005 die beslissing van 3 augustus 2005 rechtvaardigt en, zoals reeds gesteld, de erin vervatte overwegingen tot de hare maakt en verder overweegt dat de hoorzitting geen nieuwe elementen naar voor heeft gebracht enerzijds, en het gegeven dat het bezwaarschrift geen inhoudelijke argumenten bevatte anderzijds, lijkt de verzoekster niet ernstig te kunnen stellen dat de formele motiveringswet zou zijn geschonden; 3.2. Tweede middel 3.2.1. Standpunten van de partijen Overwegende dat de standpunten van de partijen als volgt kunnen worden weergegeven : 3.2.1.1. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en uit de schending van het vertrouwensbeginsel, het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur, en wordt toegelicht als volgt : “Gegeven het volledig ontbreken van enige motivering in het besluit van het Provinciaal Comité van 31 oktober 2005 is het de verzoekende partij ook niet mogelijk om inhoudelijke opmerkingen op dit besluit te formuleren. Met betrekking tot de beslissing van 3 augustus 2005 van het provinciaal afdelingshoofd tot intrekking van het attest van toezicht dient vastgesteld dat het klaarblijkelijk geen eigen motivering bevat, doch verwijst naar de vaststellingen die zijn gebeurd ter gelegenheid van eerdere plaatsbezoeken door Kind en Gezin. Dat echter de vermeende vaststellingen, zoals weergegeven in het besluit van 3 augustus 2005, geenszins de genomen intrekkingsbeslissing kunnen rechtvaardigen en er uit dit besluit ook niet blijkt om welke redenen deze vaststellingen dienen te leiden tot de intrekking van het attest van toezicht. Dat dit besluit aldus ook niet voldoet aan de formele motiveringsverplichting en voor zeker niet aan de materiële motiveringsplicht hetgeen inhoudt dat er op een correcte en deugdelijke wijze dient omschreven om welke reden de aan verzoekster toegekende erkenning onmiddellijk dient te worden ingetrokken. Feit is daarenboven dat de vaststellingen die zijn gebeurd gedurende de inspectiebezoeken geenszins van die aard zijn dat deze de intrekking van het attest van toezicht kunnen verrechtvaardigen. Eén en ander vereist enige toelichting. In het besluit van 3 augustus 2005 wordt vooreerst verwezen naar de feiten die zich hebben voorgedaan op datum van 19 augustus 2003; deze feiten maken echter geen deel uit van de 'tenlasteleggingen' die hebben geleid tot de thans bestreden beslissingen. Op 19 augustus 2003 zijn inderdaad twee kinderen van 17 maanden oud uit de tuin geraakt; deze feiten hebben geen relevantie voor het huidige dossier, VII-35.035-26/37 doch voor alle duidelijkheid dient gesteld dat dit voorval is kunnen gebeuren ingevolge het feit dat arbeiders die in het weekend aan de buitengevel van de woning waren komen werken de groene paal waarin de deur sloot, opzij hadden getrokken. Daar dit poortje eigenlijk niet werd gebruikt tenzij voor het op straat plaatsen van de vuilnisbakken, werd dit de daaropvolgende morgen niet gecontroleerd en was verzoekster in de vaste overtuiging dat het poortje, zoals altijd, behoorlijk was gesloten. Verzoekster was op dat ogenblik een kindje aan het verschonen in de woning. Na deze feiten heeft verzoekster een dubbele nieuwe omheining geplaatst rond de woning en aldus structurele maatregelen genomen zodanig dat het voor verzoekster beangstigende voorval niet meer kan gebeuren. Ter gelegenheid van dit voorval werd het attest van toezicht van verzoekster alsdan voor de eerste keer door het provinciaal afdelingshoofd van Kind en Gezin ingetrokken bij beslissing van 25 september 2003. Verzoekster werd verweten onvoldoende toezicht op de kinderen te hebben gehouden en de nodige gegevens over de kinderen waren volgens Kind en Gezin niet ter beschikking. Verzoekster heeft tegen dit intrekkingsbesluit destijds bezwaar ingediend en het Provinciaal Comité heeft dit bezwaar gegrond verklaard waardoor de beslissing tot intrekking van het attest van toezicht werd herzien. De 'strikte voorwaarden' die werden opgenomen in de beslissing tot intrekking van het intrekkingsbesluit zijn echter geen bijzondere voorwaarden opgelegd aan verzoekster doch de algemene toepasselijke voorwaarden zoals omschreven in de leidraad bij de algemene voorwaarden voor toezicht van Kind en Gezin. Kind en Gezin doet thans uitschijnen alsof verzoekster slechts onder bijzondere voorwaarden - eigen aan verzoekster - opnieuw een erkenning zou hebben gekregen van Kind en Gezin. Feit is dat het Provinciaal Comité alsdan duidelijk de mening was toegedaan dat de intrekking van het attest van toezicht in september 2005 ten onrechte was gebeurd en diende ongedaan te worden gemaakt. Aan de ouders werd weliswaar een andere versie meegedeeld (zie stuk 25); de motivatie alsdan was dat 'een aantal van de tegenstrijdigheden in het dossier niet kunnen worden uitgeklaard' en 'ook procedureel werd een lacune vastgesteld zeker daar waar de onthaalmoeder niet de gelegenheid heeft gehad om te reageren op het inspectieverslag'. In de beslissing van 16 december 2003 waarbij het intrekkingsbesluit werd opgeheven werden de bepalingen van voornoemde leidraad bij de algemene voorwaarden nogmaals herhaald. In het thans bestreden besluit van 5 (sic) augustus 2005 wordt aangehaald dat de voorwaarden zoals herhaald in het besluit van 16 december 2003 niet zouden zijn nageleefd. De motivering dient uiteraard deugdelijk en afdoende te zijn, hetgeen tevens inhoudt dat deze dient gestoeld op juiste gegevens, quod non in casu; zo wordt onder meer in het intrekkingsbesluit van 5 augustus 2005 gesteld dat werd vastgesteld dat de hond in de keuken aanwezig was; in het advies van de inspectieambtenaar d.d. 19.07.2005 wordt hieromtrent gesteld : 'er is een huisdier (hond) aanwezig in de keuken alwaar de maaltijden bereid en toegediend worden. Dit is tegenstrijdig het KB op de voedingsmiddelenhygiëne'. Hierdoor zou verzoekster de voorwaarden van het besluit van 16 december 2003 niet hebben nageleefd; wat dit betreft dient opgemerkt dat het aan de ouders duidelijk wordt meegedeeld dat de hond aanwezig is; dat de hond nooit alleen wordt gelaten bij de kinderen en bovenal dat er in het besluit van 16 december 2003 uitdrukkelijk wordt vermeld : 'De aanwezigheid van de hond bij de kinderen is enkel mogelijk onder strikt toezicht van de onthaalmoeder. Op tijdstippen dat strikt toezicht niet kan gegarandeerd worden, wordt de hond VII-35.035-27/37 volledig buiten het bereik van de kinderen gehouden (leidraad bij de algemene voorwaarden pagina 10)'. Welnu, uit geen enkel verslag blijkt enige inbreuk op deze vooropgestelde voorwaarde; toch wordt 'de aanwezigheid van de hond' thans mede aangewend ter motivatie van het intrekkingsbesluit. Een tweede probleem betreft het toezicht op de aanwezige kinderen vanuit de verzorgingsruimte; hieromtrent stelt verzoekster dat zij de kleine kinderen steeds meeneemt en de grotere kinderen rustig laat verder spelen. Hierbij wordt geen rekening gehouden met het feit dat het hier een open huis betreft en de verzorgingsruimte zich onmiddellijk aanpalend aan de living-speelruimte van de kinderen bevindt, dit alles op de gelijkvloerse verdieping. Verzoekster heeft deze werkwijze steeds toegepast - gedurende reeds 25 jaar - uiteraard zonder enig probleem. Het zou ten andere hygiënisch gezien onverantwoord zijn om de kinderen te verversen in een keuken of op de tafel in de living, dat tevens tot het domein van de kinderen behoort. Met betrekking tot de inlichtingenfiches stelt zich klaarblijkelijk geen probleem : alle gegevens van de kinderen en ouders zijn steeds ter plaatse aanwezig. Voor wat betreft de fiscale attesten : die worden allen afgeleverd voor de periode dat de kinderen werden opgevangen en uiteraard enkel voor de periode dat er een effectieve betaling volgde; verzoekster kan moeilijk fiscale attesten afleveren voor een periode dat de ouders geen betalingen hebben verricht. Met betrekking tot de afwezigheid van verzoekster op het ogenblik van het bezoek van de inspecteur kan enkel worden vastgesteld dat verzoekster gedurende een zeer korte periode inderdaad voedingswaren was gaan aankopen voor de kinderen, doch dat de kinderen gedurende deze periode onder het toezicht stonden van de echtgenoot van verzoekster, de heer Crollen. Dat de echtgenoot van verzoekster alsdan niet precies wist hoeveel kinderen er juist lagen te slapen in het kamertje is juist maar houdt geenszins een gebrek aan toezicht in : als een baby wakker wordt, hoort de heer Crollen (echtgenoot van verzoekster) dit uiteraard door de babyfoon. De heer Crollen was uiteraard wél in de woning op het ogenblik dat verzoekster is vertrokken naar de winkel. De ouders weten perfect (cfr. overeenkomst) dat de echtgenoot van verzoekster op de kinderen past zo verzoekster even de woning dient te verlaten. Er stelt zich wat dit betreft geen enkel probleem van toezicht. Kind en Gezin heeft er ook nooit, gedurende 16 jaar erkenning, enig probleem van gemaakt of een opmerking geformuleerd omtrent het feit dat de echtgenoot van verzoekster, bij haar afwezigheid, zich om de kinderen bekommert. De echtgenoot is weliswaar niet erkend als onthaalouder, doch kan toch moeilijk worden aanzien als een 'derde' die enkel zou mogen tussenkomen in het uiterst zeldzame geval van een noodsituatie. Deze redenering van Kind en Gezin is dan ook strijdig met het redelijkheidsbeginsel. Dat verzoekster het toezicht zou overlaten aan de kuisvrouw is volkomen onjuist; dit is in de praktijk niet gebeurd; er konden hieromtrent door Kind en Gezin ook geen vaststellingen worden verricht. Dat verzoekster of haar echtgenoot (want dit zijn de enige twee mensen die toezicht houden op de kinderen) niet zouden beschikken over of een gezondheidsattest of een attest van goed gedrag en zeden, getuigt van weinig goede trouw in hoofde van Kind en Gezin : er worden sedert 1989, soms jaarlijks, soms driejaarlijks, attesten tot erkenning aan verzoekster afgeleverd door Kind en Gezin: dat is uiteraard het tijdstip waarop deze toezichthoudende instelling dient na te gaan of de ouder die wordt erkend wel degelijk voldoet aan de hiertoe vereiste voorwaarden. Uiteraard beschikken verzoekster en haar echtgenoot over een goede gezondheid en een blanco strafregister; feit is tevens dat Kind en Gezin hierover in de voorbije zestien jaar nooit enige opmerking of vraag heeft gesteld (ook VII-35.035-28/37 niet in december 2003): hoezo kan dit dan thans gelden als argument om over te gaan tot de intrekking van het attest van toezicht, temeer als verzoekster en diens echtgenoot aan deze voorwaarden voldoen. Op eenvoudig verzoek van Kind en Gezin kunnen deze gezondheidsattesten en bewijs van goed gedrag en zeden uiteraard worden bijgebracht. Dat de verwerende partij door aldus te handelen niet alleen het redelijkheidsbeginsel heeft geschonden doch tevens het vertrouwensbeginsel: verzoekster mocht er vanuit gaan - en dit reeds gedurende 16 jaar- dat er zich op dit vlak geen enkel probleem stelde; in voorkomend geval had verzoekster de desbetreffende gegevens kunnen bijbrengen op eenvoudig verzoek van Kind en Gezin. Daarenboven is er geen enkele evenredigheid tussen de intrekking van een attest van toezicht en het niet aanwezig zijn van de (nooit gevraagde) documenten. De redelijkheid vereist dat het aan verzoekster toegelaten zou zijn geweest om er voor te zorgen dat zij deze documenten zou bijbrengen dan wel zou bewijzen dat zij aan de gestelde voorwaarden voldeed. Tot slot dient opgemerkt dat uit de bestreden beslissingen nergens blijkt dat Kind en Gezin op enige manier rekening zou hebben gehouden met de vele aanbevelingsbrieven van de ouders gericht aan de verwerende partij (cfr. bijlagen); uit deze brieven blijkt namelijk dat de ouders op de hoogte waren van de onder meer de aanwezigheid van de hond, het verschonen van de kindjes in een aparte ruimte, ..., en dat zij daar ook volledig mee akkoord gingen. Het middel dient als ernstig te worden weerhouden". 3.2.1.2. De verwerende partij repliceert in haar nota als volgt : "(...) In zoverre het middel is gesteund op een beweerde schending van de formele motiveringsplicht, kan worden verwezen naar de uiteenzetting hiervoor. Uit de uiteenzetting van mevrouw CHAPEL moet worden besloten dat hier voornamelijk een schending van de materiële motiveringsplicht wordt geviseerd. (...) Inzake de materiële motiveringsplicht vereist een afdoende uitdrukkelijke motivering van een besluit dat er evenredigheid bestaat tussen het gewicht en de motivering van de beslissing. Die motivering moet uitvoeriger zijn, als een bestuur over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt, zoals in casu. Vooreerst moet worden opgemerkt dat de administratieve overheid, in tegenstelling tot een rechtscollege, in het kader van de motiveringsplicht, niet is gehouden om een antwoord te geven op de diverse feitelijke en juridische argumenten die de betrokkene naar voren brengt, wanneer de rechtens vereiste grondslag van de beslissing met voldoende klaarheid en zekerheid kan worden vastgesteld. Uit de rechtspraak van de Raad moet worden opgemaakt dat zulks geldt eveneens wanneer de bestreden beslissing werd genomen na een administratief beroep, zodat niet systematisch geantwoord moet worden op de verschillende argumenten aangevoerd in de beroepsakte, zij het dat wel impliciet moet blijken dat deze in de besluitvorming betrokken worden en moet hieruit minstens impliciet afgeleid kunnen worden waarom de argumenten in het algemeen niet werden weerhouden. In voorliggende zaak werd geen inhoudelijk gemotiveerd bezwaarschrift ingediend en de argumenten van mevrouw CHAPEL dienden dan ook te worden gedistilleerd uit de opmerkingen die zij maakte tijdens de hoorzitting van 30 september. VII-35.035-29/37 Een beslissing is afdoende gemotiveerd indien één ingeroepen (determinerend) motief de beslissing rechtvaardigt en het is verder vaste rechtspraak van de Raad van State dat de eventuele onwettigheid van een in rechte overtollig motief de wettigheid van de bestuurshandeling niet kan beïnvloeden. Een beslissing schendt de materiële motiveringsplicht wanneer de motieven waarop het steunt onjuist of onwettig zijn of de beslissing niet kunnen dragen. De Raad van State hoeft zich enkel uit te spreken over de wettigheid van een bestreden beslissing, niet over haar opportuniteit. Het komt daarbij aan de Raad van State niet toe om het feitenonderzoek over te doen en aldus, wat de appreciatie van de zaak betreft, zich in de plaats te stellen van de administratieve overheid. Wel hoort het tot de bevoegdheid van de Raad van State om na te gaan of de ingeroepen feiten werkelijk bestaan indien ze worden betwist. (...) De totstandkoming van de beslissing van 3 augustus 2005, die na bezwaar is uitgemond op een bevestigende beslissing, moet zoals mevrouw CHAPEL overigens aangeeft in haar vordering tot schorsing in het perspectief worden gesteld met de moeilijkheden die zich in het verleden hebben voorgedaan met betrekking tot de handhaving van het attest van toezicht. Naast bemerkingen die dienden te worden gemaakt aan mevrouw CHAPEL in een verder verleden, is er inderdaad een belangrijk incident geweest op 19 augustus 2003, waarbij 2 opgevangen kinderen op straat werden gevonden door een toevallige voorbijganger. Na een beslissing tot intrekking van het attest van toezicht op 25 september, heeft het provinciaal comité, na bezwaar, slechts besloten tot de handhaving van het attest van toezicht onder de navolgende strikte voorwaarden : • De onthaalmoeder voorziet een verzorgingsmogelijkheid waardoor toezicht op de andere kinderen tijdens de verzorging mogelijk wordt (leidraad bij de algemene voorwaarden p. 9) • De onthaalmoeder laat het toezicht over de kinderen enkel over aan derden indien dit strikt noodzakelijk is. Wie de onthaalmoeder kan vervangen wordt opgenomen in de overeenkomst met de ouders (leidraad p. 8). Een kopie van de overeenkomst met de ouders wordt overgemaakt aan KIND& GEZIN ten laatste op 15 januari 2004. • De aanwezigheid van de hond bij de kinderen is enkel mogelijk onder strikt toezicht van de onthaalmoeder. Op tijdstippen dat strikt toezicht niet kon gegarandeerd worden, wordt de hond volledig buiten het bereik van de kinderen gehouden (leidraad p. 10) • De bezetting wordt op geen enkel moment overschreden (leidraad p. 7) • De inlichtingenfiches met de gegevens van de ouders van de opgevangen kinderen zijn ten allen tijde aanwezig in de opvang en worden aan de inspectieambtenaar overgelegd (leidraad p. 7) • De onthaalmoeder verbindt er zich toe om aan de ouders van de opgevangen kinderen het fiscaal attest uit te reiken (MB 19 februari 2003, art. 2/19) • Alle briefwisseling van KIND & GEZIN wordt door de onthaalmoeder gelezen en geïntegreerd in het handelen. Mevrouw CHAPEL heeft geen enkele opmerking gemaakt bij deze voorwaarden. Tijdens (het) volgende jaarlijkse inspectiebezoek van 1 september 2004 kwam naast andere tekorten naar voren dat aan de problematiek van de verzorgingsruimte niet was verholpen en de aanwezige hond een risico bleef. Het verslag van het inspectiebezoek werd aan mevrouw CHAPEL bezorgd. Het provinciaal afdelingshoofd achtte het van belang om mevrouw CHAPEL bij brief van 19 oktober 2004 nogmaals te herinneren aan het feit dat de verzorgingsmogelijkheid nog steeds geen toezicht liet op de andere kinderen tijdens de verzorging. VII-35.035-30/37 Mevrouw CHAPEL werd uitdrukkelijk aangemaand om KIND & GEZIN uiterlijk op 29 oktober 2004 in kennis te stellen van de wijze waarop zij hieraan zou voldoen. Tenslotte werd uitdrukkelijk aangegeven : 'De opvolging van deze voorwaarde zal worden nagegaan tijdens het volgende inspectiebezoek. Wij wensen er u aan te herinneren dat bij het niet naleven van de voorwaarden gesteld op het attest van toezicht het verder behoud van uw attest van toezicht in het gedrang kan komen'. Deze brief is onbeantwoord gebleven. Bij het inspectiebezoek, uitgevoerd op 13 juli 2005 naar aanleiding van een klacht van een ouder, werd vastgesteld dat aan dit probleem niet was verholpen, waaruit moest blijken dat mevrouw CHAPEL, hoewel uit haar houding tot dusver enkel kon worden opgemaakt dat zij de noodzaak van de aanpassing niet tegensprak, vrijwillig de opgelegde voorwaarde naast zich neerlegde. Hetzelfde gold inzake de uithuizigheid tijdens de opvanguren en inzake de aanwezigheid van de hond. (...) Zoals hoger aangegeven, heeft de betrokken regelgeving essentieel tot doel om een kwaliteitsvolle opvang na te streven hetgeen onder meer betekent een maximale veiligheid voor de kinderen te verzekeren. Door het toezicht van KIND & GEZIN aan te vragen. onderschrijft de onthaalouder de minimale kwaliteitseisen vervat in het ministerieel besluit van 19 februari 2003. De erin vervatte regels gelden voor elke onthaalouder die het toezicht aanvraagt. KIND & GEZIN kan niet toelaten, noch ten aanzien van de ouders. noch ten aanzien van de andere onthaalouders dat opgelegde voorwaarden niet worden nageleefd. Na de inspectie van 13 juli 2005 heeft het provinciaal afdelingshoofd moeten vaststellen dat niet langer het nodige vertrouwen kon worden gesteld in de opvang door mevrouw CHAPEL. 26. Tijdens de hoorzitting heeft mevrouw CHAPEL de problematiek van onder meer de verzorgingsaccommodatie, de hond, de uithuizigheid niet als zodanig tegengesproken enkel vergoelijkt door te stellen dat er een verschil is tussen de regels en de opvangpraktijk die zij reeds jaren toepast. De blijvende niet-naleving door mevrouw CHAPEL van opgelegde voorwaarden, door haar aanvaard, is in het licht van de finaliteit van de regelgeving een determinerend en afdoende motief dat de intrekking van het attest van toezicht rechtvaardigt. Mevrouw CHAPEL heeft zelfs niet aangeboden om de voorwaarden voortaan na te leven. De bestreden beslissing is afdoende gemotiveerd wanneer zij bevestigt dat na de hoorzitting werd vastgesteld dat zonder rechtvaardiging aan de gestelde voorwaarden blijvend niet wordt voldaan. Het middel is niet ernstig"; 3.2.2. Beoordeling Overwegende dat het middel niet ernstig is om de volgende redenen : VII-35.035-31/37 3.2.2.1. In essentie voert de verzoekster aan dat de vaststellingen die zijn gebeurd naar aanleiding van de inspectiebezoeken niet van aard zijn om een intrekking van het attest van toezicht te rechtvaardigen. De argumenten van de verzoekster lijken niet te kunnen worden bijgetreden. In tegenstelling tot wat de verzoekster beweert, is het incident dat zich heeft voorgedaan op 19 augustus 2003 wel degelijk relevant, omdat het, zoals de verzoekster zelf stelt, aanleiding heeft gegeven tot een eerste intrekkingsbeslissing die later teniet werd gedaan omwille van o.a. procedurele redenen, doch niet, zoals reeds eerder vermeld, zonder dat door de bevoegde overheid was vastgesteld“dat de feiten zeer ernstig zijn, en zich hebben kunnen voordoen omwille van gebrekkig toezicht van de onthaalmoeder”, zodat meteen ook de context werd geschetst binnen dewelke aan de verzoekster een nieuw attest van toezicht, met opsomming van een aantal voorwaarden -wat ook de aard daarvan weze- werd verleend. De verzoekster kon er dan ook redelijkerwijze van uit gaan dat een strikte naleving van deze voorwaarden van nabij zou worden opgevolgd door de verwerende partij. 3.2.2.2. Uit de verschillende omstandige verslagen en adviezen die het bestreden besluit zijn voorafgegaan en waarop het is gesteund, blijkt dat geruime tijd nadat aan de verzoekende partij een nieuw attest van toezicht met voorwaarden werd afgegeven, er nog steeds problemen blijken te zijn in verband met het toezicht op de kinderen, enerzijds voor wat betreft de veiligheid, de mogelijkheid tot permanent toezicht en de hygiëne van de omgeving waarin de kinderen worden opgevangen en anderzijds voor wat betreft personen, andere dan de onthaalouder, die gerechtigd zijn toezicht te houden en de omstandigheden waarin zij dat kunnen doen. Ten slotte lijken zich ook een aantal problemen te stellen met betrekking tot het afleveren van fiscale attesten zoals is voorzien in de voorwaarden. 3.2.2.3. Door een attest van toezicht van Kind&Gezin aan te vragen, sluit de onthaalouder zich aan bij de minimale kwaliteitsvereisten die aan een opvangvoorziening worden gesteld en die tot doel hebben de kinderen op te vangen in een omgeving die de nodige aandacht besteedt aan hun welzijn en veiligheid. Het is dan ook evident dat de verwerende partij de naleving van de voorwaarden opvolgt en dat zij tekortkomingen, mits deze behoorlijk zijn vastgesteld, sanctioneert. VII-35.035-32/37 3.2.2.4. Zonder uitgebreid in te gaan op de argumenten van de verzoekster ter weerlegging van de elementen die door de verwerende partij werden weerhouden ter ondersteuning van de beslissing tot intrekking van het attest van toezicht, blijkt op het eerste gezicht dat de verzoekster de gedane vaststellingen niet betwist, doch de relevantie ervan minimaliseert. Haar betoog lijkt er eerder op neer te komen dat zij de voorwaarden die zij als onthaalouder dient na te leven niet steeds compatibel acht met haar dagelijkse opvangpraktijk en er dus ook niet onvoorwaardelijk aan tegemoetkomt. 3.2.2.5. Gelet op haar taak als toezichthouder op de kwaliteit van de bij haar aangesloten opvanginitiatieven dient prima facie te worden vastgesteld dat de verwerende partij, geconfronteerd met de verschillende tekortkomingen, haar beslissing tot intrekking van het attest van toezicht behoorlijk heeft gemotiveerd en niet kennelijk onredelijk heeft gehandeld. 3.2.2.6. Uit het gegeven relaas van de verschillende gebeurtenissen kan bovendien worden afgeleid dat geen schending van het vertrouwensbeginsel voorhanden is. Het is niet omdat de verzoekster in het verleden steeds attesten van toezicht heeft gekregen dat zij naar de toekomst toe daaruit een recht op het verkrijgen van zulk een attest zou kunnen putten; VII-35.035-33/37 3.3. Derde middel 3.3.1. Standpunten van de partijen Overwegende dat de standpunten van de partijen als volgt kunnen worden weergegeven : 3.3.1.1. Het middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, uit de schending van het vertrouwensbeginsel, het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur en uit de schending van het recht van verdediging, inzonderheid het recht om zijn standpunt naar voor te brengen. De verzoekster licht het middel toe als volgt : “Bespreking Bij beslissing van 15 september 2003 werd, ten onrechte, het attest van toezicht van verzoekster destijds ingetrokken; drie maanden later, op 16 december 2003, geeft Kind en Gezin toe dat deze intrekking niet had mogen gebeuren en stelt zij wat dit betreft zelf dat 'een aantal van de tegenstrijdigheden in het dossier niet kunnen worden uitgeklaard’ en dat 'ook procedureel een lacune werd vastgesteld zeker daar waar de onthaalmoeder niet de gelegenheid heeft gehad om te reageren op het inspectieverslag'. Er werd alsdan aangehaald door verzoekster dat het niet te begrijpen was dat een zulk ingrijpend besluit door Kind en Gezin werd genomen zonder dat verzoekster in de mogelijkheid werd gesteld om aan het hiertoe bevoegde orgaan haar visie van de feiten en omstandigheden uiteen te zetten. In de huidige procedure wordt verzoekster bij schrijven van 20 juli 2005 op de hoogte gesteld van het inspectieverslag opgesteld door inspectieambtenaar Yelle Ergo. In dit verslag wordt in fine vermeld : 'onthaalouder werd niet op de hoogte gebracht van het advies dat de dienst inspectie geeft naar aanleiding van huidig inspectiebezoek. De reden hiertoe is dat onthaalouder verklaart in verlof te zijn vanaf 18/7/05 en zij bijgevolg niet meer tijdig kon ingelicht worden'. Nochtans wordt in het begeleidend schrijven van 20 juli 2005 (wetende dat verzoekster aldus met vakantie vertrok vanaf 18 juli 2005) uitdrukkelijk vermeld : '(...) Indien het inspectieverslag onduidelijkheden voor u bevat, kunt u voor uitleg bij mij terecht tijdens de dienstwaarneming (...). Met vragen of opmerking over het verloop van de inspectie, kunt u terecht bij de afdeling Inspectie. (...). Dit inspectieverslag wordt doorgegeven aan de administratie van Kind en Gezin en aan de Klachtendienst. Zij zullen u, indien nodig, informeren over het gevolg dat aan deze klacht wordt gegeven’. Zonder dat verzoekster ook maar verder enig bericht mocht ontvangen, laat staan werd uitgenodigd om haar standpunt terzake uiteen te zetten, blijkt dat het wnd. provinciaal afdelingshoofd al op 3 augustus 2005 de beslissing had genomen tot intrekking van het attest van toezicht, hetgeen aan verzoekster werd meegedeeld bij schrijven van 5 augustus 2005. VII-35.035-34/37 Voor alle duidelijkheid: het schrijven van de inspectieambtenaar, inhoudende het inspectieverslag én inhoudende het advies van deze inspectieambtenaar d.d. 19.07.2005 én inhoudende het advies van het afdelingshoofd d.d. 20.07.2005, werd aan verzoekster ter kennis gebracht bij brief van 20 juli 2005, ten vroegste ontvangen op 22 juli 2005 (21 juli nationale feestdag), waar op 3 augustus 2005 er reeds een besluit wordt genomen omtrent de intrekking van het attest van toezicht, dit is eigenlijk binnen de week na verzending van het inspectieverslag. Dat zulks manifest strijdig is met het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel dewelke vereisen dat de overheid bij het nemen van een zulk belangrijk besluit uiteraard aan de betrokkene een redelijke termijn dienen te laten om enig verweer te voeren, te meer daar in huidig dossier Kind en Gezin klaarblijkelijk zelf stelt dat verzoekster in deze periode met vakantie zou gaan. Feit is aldus dat verzoekster opnieuw niet in de mogelijkheid werd gesteld om haar verweer, met kennis van alle dossierstukken, op een behoorlijke wijze te voeren. De onzorgvuldigheid van de overheid is des te erger gelet op het feit dat de intrekkingsbeslissing onmiddellijk uitvoerbaar was - vanaf 3 augustus 2005 - zelfs voordat verzoekster deze beslissing mocht ontvangen - en dat het beroep hiertegen geen opschortende werking heeft. Verzoekster wordt aldus voor voldongen feiten geplaatst: zij krijgt niet de kans om haar te verweren, laat staan dat Kind en Gezin het al nodig heeft geacht om verzoekster zelf te horen omtrent de tenlasteleggingen, waarbij het attest van toezicht zonder meer wordt ingetrokken en verzoekster tegen deze intrekking geen verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan indienen bij uw Raad en wetende dat het georganiseerd administratief beroep geen schorsende werking heeft en waar er in graad van beroep slechts na drie maanden uitspraak wordt gedaan. Dat de verwerende partij door aldus te handelen de in dit middel aangehaalde beginselen en bepalingen heeft geschonden, inzonderheid het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel en deze handelswijze een manifeste schending inhoudt van de rechten van verdediging van verzoekster inzonderheid op het recht om haar standpunt naar voren te brengen en gehoord te worden. Het middel is ernstig in al zijn onderdelen". 3.3.1.2. De verwerende partij repliceert in haar nota als volgt : "(...) Mevrouw CHAPEL is van oordeel dat de wijze waarop de aanvankelijke beslissing van 3 augustus 2003 werd genomen, een schending van het redelijkheidsbeginsel en van het zorgvuldigheidsbeginsel (is). (...) De raad van state kan een overheidsbeslissing slechts wegens schending van het evenredigheidsbeginsel of redelijkheidsbeginsel vernietigen wanneer deze beslissing kennelijk onredelijk is, met andere woorden wanneer vaststaat dat geen enkele redelijke overheid in dezelfde omstandigheden een dergelijke beslissing zou nemen en wanneer er aldus een kennelijke wanverhouding bestaat tussen de ingeroepen motieven en de beslissing welke op grond van deze motieven is genomen. De raad van state zal dan de onwettigheid van de beslissing vaststellen op grond van deze kennelijke wanverhouding. De schending van het redelijkheidsbeginsel gaat uit van de premisse dat de ingeroepen motieven op zichzelf in rechte en in feite juist zijn, doch er een kennelijke wanverhouding bestaat tussen deze motieven en de inhoud van de beslissing. Blijkens de uiteenzetting van mevrouw CHAPEL doelt zij niet op dit beginsel. VII-35.035-35/37 Evenmin lijkt zij aan te geven dat er een gebrek is in de feitenvinding (zorgvuldigheidsbeginsel). 29. Verder kan men zich de vraag stellen welk belang mevrouw CHAPEL nog kan laten gelden bij dit derde middel, uitsluitend gericht tegen de aanvankelijke beslissing van 3 augustus 2005, meer bepaald ter zake van de totstandkoming ervan. Zij heeft in het kader van het bezwaar inderdaad haar verweer kunnen laten gelden, verwijt dat zij maakt ten aanzien van de beslissing van 3 augustus 2005. Het ingeroepen middel is niet ernstig"; 3.3.2. Beoordeling Overwegende dat het middel niet kan worden aangenomen om de volgende reden : De door de verzoekster aangevoerde schendingen lijken op het eerste gezicht betrekking te hebben op de beslissing van 3 augustus 2005. Zoals reeds sub 2 werd gesteld is de vordering in zoverre ze is gericht tegen deze beslissing niet ontvankelijk omdat de beslissing van 31 oktober 2005 in de plaats is gekomen, overigens nadat de verzoekster haar recht om bezwaar in te dienen had uitgeput en over haar bezwaren was gehoord door het bevoegde orgaan; 4. Overwegende dat niet is voldaan aan de eerste krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste voorwaarde, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig juni tweeduizend en zes, door : VII-35.035-36/37 de H. R. STEVENS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. R. STEVENS. VII-35.035-37/37 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.435 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.011 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div