id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.438 Rolnummer: A. 94062/VII-22329 Zaak: Arrest 160438 - - 22/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-28 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-30 22:32 Fiche Arrest nr 160.438 van 22 juni 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 160.438 van 22 juni 2006 in de zaak A. 94.062/VII-22.
- In zake : Hogla PAVONE, die woonplaats kiest bij advocaat J. VANDE MOORTEL, kantoor houdende te GENT, Groot Brittanniëlaan 12 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Sociale Zaken enVolksgezondheid, die woonplaats kiest bij advocaten L. DEPRÉ en P. SLEGERS, kantoor houdende te BRUSSEL, Terhulpsesteenweg
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Hogla PAVONE op 28 juli 2000 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Nederlandstalige Geneeskundige Commissie van Brabant van 25 april 2000 waarbij haar aanvraag tot het verkrijgen van verworven rechten overeenkomstig artikel 54bis van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 ongegrond wordt verklaard; Gelet op het arrest nr. 92.427 van 18 november 2001 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door de verzoekster; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; VII-22.329-1/4 Gelet op de beschikking van 5 december 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 8 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 juni 2006; Gehoord het verslag van staatsraad R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. DE WULF die, loco advocaat J. VANDE MOORTEL verschijnt voor de verzoekster, en van advocaat F. VAN ACKER die, loco advocaat L. DEPRÉ verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verwerende partij bij wege van exceptie opwerpt dat de vordering laattijdig is ingesteld; Overwegende dat de verzoekster zich in haar memorie van wederantwoord beroept op een brief van 23 juni 2000 die zij aan de Raad van State heeft gericht binnen de beroepstermijn, waarvan het voorliggende verzoekschrift "tot regularisatie" zou strekken; dat zij in haar laatste memorie bovendien nog verwijst naar artikel 19, tweede lid, van de Raad van State-wet en doet gelden dat de kennisgeving van de bestreden beslissing niet vermeldt dat het beroep dat er bij de Raad van State tegen kan worden ingesteld bij aangetekende brief moet worden ingediend; Overwegende dat het voorliggende beroep werd ingesteld buiten de termijn van zestig dagen na de kennisgeving van de bestreden beslissing; dat de verzoekster zich niet met goed gevolg kan beroepen op een schrijven van 23 juni 2000, dat niet was ondertekend en evenmin gezegeld, waardoor het door de griffie terecht niet op de rol werd geplaatst; VII-22.329-2/4 Overwegende dat de kennisgeving van de bestreden beslissing duidelijk verwijst naar artikel 19 van de Raad van State-wet en meldt dat de verzoekster "beroep kan indienen bij de Raad van State binnen de zestig dagen vanaf de kennisgeving van deze brief"; dat aldus het bestaan van de beroepsmogelijkheid zoals voorgeschreven door artikel 19, tweede lid, van genoemde wet, is vermeld; dat het enkele feit dat niet expliciet werd aangegeven dat het annulatieberoep ter post aangetekend moet worden ingediend in casu niet volstaat om te stellen dat de beroepstermijn nog geen aanvang heeft genomen; dat de verzoekster zich immers middels haar voormeld schrijven van 23 juni 2000, binnen de beroepstermijn, tot de Raad van State heeft gewend bij wege van een ter post aangetekend schrijven; dat de verzoekster dus na het lezen van de kennisgevingsbrief klaarblijkelijk wist dat zij de Raad van State door middel van een aangetekend schrijven diende te vatten; dat de kennisgeving haar ter zake dus voldoende heeft voorgelicht; dat de exceptie gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het annulatieberoep, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verzoekster. VII-22.329-3/4 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig juni tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-22.329-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.438 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2001:ARR.92.427 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.