id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.439 Rolnummer: A. 90265/VII-20708 Zaak: Arrest 160439 - - 22/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-30 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 22:32 Fiche Arrest nr 160.439 van 22 juni 2006 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 160.439 van 22 juni 2006 in de zaak A. 90.265/VII-20.
- In zake :
- de n.v. FINEGO,
- Paul APERS, die woonplaats kiezen bij Advocaat P. DE WILDE, kantoor houdende te GENT, Koning Albertlaan 128 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaten G. MARTYN, P. DEJONCKHEERE, J. COLPAERT en I. DE TANDT, kantoor houdende te AVELGEM, Doorniksesteenweg
- tussenkomende partij : Roos DE BRABANDERE-DEMEULEMEESTER, die woonplaats kiest bij Advocaat A. LUST, kantoor houdende te BRUGGE, Burggraaf de Nieulantlaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. FINEGO en Paul APERS op 16 maart 2000 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van leefmilieu en landbouw van 20 december 1999 waarbij de beroepen aangetekend tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 24 juni 1999 houdende het verlenen van de vergunning aan Roos DE BRABANDERE-DEMEULEMEESTER om een rundveefokkerij, gelegen te Bavikhove (Harelbeke), Vierkeerstraat 123, verder te exploiteren, ongegrond worden verklaard; Gelet op het arrest nr. 90.197 van 12 oktober 2000 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; VII-20.708-1/19 Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door de verzoekende partijen; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 20 februari 2001; Gelet op de beschikking van 26 februari 2001 die de tussenkomst van Roos DE BRABANDERE-DEMEULEMEESTER toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de beschikking van 17 oktober 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 28 april 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 1 juni 2006; Gehoord het verslag van kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. VAN ASSCHE die, loco advocaat P. DE WILDE verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat I. DE TANDT die, loco advocaat G. MARTYN verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; VII-20.708-2/19
- De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De tussenkomende partij exploiteert sinds 1999 in opvolging van haar vader Joseph DE BRABANDERE een gemengd veeteeltbedrijf (runderen en varkens) gelegen te Bavikhove (Harelbeke). De inrichting is volgens het gewestplan Kortrijk gelegen in natuurgebied. Voor de inrichting werden inzake het soort en aantal dieren en inzake mestopslag de volgende vergunningen verleend : - een exploitatievergunning van 14 oktober 1987 voor het houden van 50 zeugen en 70 stuks rundvee gedurende een termijn tot 14 oktober 2002; - een vergunning bij wijze van aktename van 20 november 1990 voor 535 m³ mestopslag voor een termijn tot 14 oktober
- 1.
- Op 10 februari 1999 wordt aan de tussenkomende partij akte gegeven van haar overname van de inrichting bij besluit van het college van burgemeester en schepenen van Harelbeke. 1.
- Op 25 februari 1999 vraagt de tussenkomende partij een milieuvergunning klasse 1 voor het hernieuwen van de bestaande vergunning alsook het wijzigen ervan door enerzijds uitbreiding met 46 runderen en anderzijds vermindering met 50 varkens. Bij besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 24 juni 1999 wordt de gevraagde vergunning verleend voor een termijn verstrijkende op 24 juni
- 1.
- Tegen deze beslissing dient onder meer de tweede verzoekende partij op 28 juli 1999 beroep in. In dit beroep wordt onder meer aangevoerd dat de bestaande vergunning wat betreft het houden van varkens vervallen is aangezien er reeds jaren geen varkens meer gehouden zouden worden. Naar aanleiding van dit beroep worden de volgende adviezen gegeven : - De Vlaamse Milieumaatschappij verleent op 14 september 1999 een gunstig advies. - De afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen verleent op 15 september 1999 een gunstig advies voor de gevraagde vergunning, in essentie omdat de aanvraag niet gepaard gaat met uitbreiding van gebouwen en inname van bijkomende VII-20.708-3/19 grond en omdat de aanvraag het verder exploiteren van een reeds lang bestaand bedrijf betreft die aanvaardbaar is binnen de plaatselijke context. - De Vlaamse Landmaatschappij verleent op 21 september 1999 een gunstig advies voor de gevraagde vergunning. In dit advies blijkt uit de rubriek mestbankaangifte het volgende : voor de aanslagjaren 1993, 1994, 1995 worden geen varkens vermeld; voor het aanslagjaar 1996 worden 35 "andere varkens" vermeld; voor de aanslagjaren 1997, 1998 en 1999 wordt telkens voor "zeugen en beren, exclusief biggen" het aantal "1" opgegeven en voor "zeugen, inclusief biggen", respectievelijk 35
(1997), 30
(1998)en 10
(1999); wat de vergunde mestproductie betreft komt de Vlaamse Landmaatschappij tot de conclusie dat de bestaande toestand (70 runderen en 50 varkens) 2.311 kg P2 O5 als resultaat geeft, en dat de gevraagde verandering 2.308 kg P2 O5 als resultaat geeft en bijgevolg aanvaardbaar is. - De afdeling Milieuvergunningen verleent op 7 oktober 1999 een gunstig advies voor de gevraagde vergunning. - De Gewestelijke Milieuvergunningscommissie verleent op 11 oktober 1999 een gunstig advies voor de gevraagde vergunning. 1.
- Op 20 oktober1999 beslist de Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu de beroepen ongegrond te verklaren en de beslissing van de bestendige deputatie te bevestigen. Dit is de bestreden beslissing. Inzake de vraag of de bestaande vergunning al dan niet (gedeelte- lijk) vervallen is, wordt in de motivering het volgende overwogen : "Overwegende dat rekening houdend met de Mestbankaangifte van onderhavige inrichting en rekening houdend met de gekende vergunningsbeslis- singen, kan gesteld worden dat deze gekende vergunningen nog volledig geldig zijn; dat deze inrichting derhalve een vergunning heeft voor het exploiteren van 50 varkens ouder dan 10 weken en 70 runderen";
- De ontvankelijkheid van het beroep 2.
- Overwegende dat de tussenkomende partij in haar memorie opwerpt dat verzoekende partijen geen belang hebben bij hun annulatieberoep - omdat zij niet in concreto aantonen dat de omschakeling van een gemengde inrichting varkens/runderen naar een inrichting runderen, hun enig nadeel zal berokkenen. Dit nadeel is niet zeker en totaal hypothetisch; VII-20.708-4/19 - omdat de meerbezetting van runderen vooralsnog niet kan gerealiseerd worden vanwege de ingevoerde standstill, zodat het mogelijke nadeel totaal hypothetisch is; - omdat de beoordeling van het belang in milieuzaken zeer nauw samenhangt met het moeilijk te herstellen ernstig nadeel in schorsingszaken, en in casu eerste verzoekende partij, als patrimoniumvennootschap, en tweede verzoekende partij, als bewoner, niet in concreto aannemelijk maken dat zij ingevolge de omschake- ling een zekere en voelbare vermeerdering van de bestaande nadelen zullen ondergaan; - omdat de verzoekende partijen in strijd met de verkavelingsverordening gebouwd hebben op 1,8 meter van de perceelsgrens, terwijl die verordening een afstand van 8 meter voorschrijft; in de mate dat de verzoekende partijen hun nadeel toeschrijven aan de zeer dichte nabijheid, is hun belang onwettig; 2.
- Overwegende dat in hun verzoekschrift de verzoekende partijen hun belang in essentie toelichten als volgt : de eerste verzoekende partij is eigenaar van een onroerend goed waar tevens haar maatschappelijke zetel is gevestigd en de tweede verzoekende partij is huurder en bewoner van hetzelfde onroerend goed dat gelegen is in de onmiddellijke omgeving van de vergunde inrichting; dat deze gegevens worden bevestigd door de stukken van het administratief dossier; dat dienvolgens beide verzoekende partijen het vereiste belang hebben bij hun annulatieberoep : tweede verzoeker om reden van de nadelen die hij door de exploitatie van de als hinderlijke inrichting zou kunnen ondergaan en de eerste verzoekende partij om reden van de negatieve financiële impact die deze exploitatie zou kunnen hebben op de waarde van het onroerend goed waarvan zij eigenaar is; dat het betoog van de tussenkomende partij dat de verzoekende partijen niet in concreto aantonen dat de omschakeling van een gemengde inrichting varkens/runderen naar een inrichting runderen, hen enig nadeel zal berokkenen daaraan geen afbreuk doet aangezien het hier niet alleen om een omvorming gaat, maar ook om een hernieuwing van de vergunning; dat het betoog van de tussenkomende partij dat de meerbezetting van de runderen vooralsnog niet kan worden gerealiseerd evenmin het belang van de verzoekende partijen ontneemt vermits het belang dient te worden beoordeeld in functie van de bestreden beslissing zelf; dat, voorts, de loutere bewering dat het onroerend goed van de eerste verzoekende partij op 1,8 meter van de perceelsgrens werd opgetrokken, terwijl de verkavelingsvoorschriften een afstand van 8 meter zou voorschrijven, niet relevant is nu een afstand van 6 meter verschil geen essentieel verschil vormt voor het soort aangevoerde mogelijke hinder, zoals geur-, insekten- en lawaaihinder; dat bovendien VII-20.708-5/19 de tussenkomende partij niet aantoont dat er voor de betrokken woning (met inbegrip van de inplanting) geen bouwvergunning zou zijn verleend; dat tenslotte, het in de laatste memorie door de verwerende partij neergelegd schrijven uitgaande van de milieudienst van de stad Harelbeke van 21 oktober 1999 en in het bijzonder de daarin vermelde uitlatingen van tweede verzoeker dat "hij toch niet van plan is om daar te blijven wonen" en hij "opnieuw (zal) verhuizen" als zijn dochters zijn afgestudeerd hem zijn actueel belang niet ontzeggen; dat de exceptie niet kan worden aangenomen;
- De gegrondheid van het beroep 3.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in het tweede middel de schending aanvoeren van artikel 28, §§ 1 en 2 van het milieuvergunningsdecreet en van artikel 46 van Vlarem I, van het zorgvuldigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, van artikel 17 van het milieuvergunningsdecreet en van de artikelen 2 en 3 van de formele motiveringswet, en van het beginsel van de materiële motiveringsverplichting; dat zij het middel in het verzoekschrift als volgt toelichten: "De bestreden ministeriële beslissing van 20.12.1999, houdende de bevestiging van de beslissing van de bestendige deputatie tot het verlenen van de vergunning tot exploiteren aan mevrouw Roos De Brabandere- Demeulemeester, houdt geen rekening met het feit dat de oorspronkelijke milieuvergunningsaanvraag dd.25.02.1999 gebaseerd is op onder meer valse verklaringen. A. Voorafgaandelijk recapitulatie van de feiten en retroacten. Medio jaren negentig heeft eerste verzoeker een stuk grond gekocht in de verkaveling gelegen in het woonuitbreidingsgebied. Op dat ogenblik was de activiteit in de hoeve aan de Vierkeerstraat 123 uitdovende. Aan eerste verzoeker en aan tweede verzoeker werd verzekerd dat gezien de exploitatie was uitgedoofd, de vergunningen van rechtswegen waren vervallen. Het onroerend goed van eerste verzoeker wordt verhuurd aan tweede verzoeker, die het bewoont. Verzoekers gingen er van uit dat geen nieuwe activiteit meer mocht opgestart worden in de hoeve van partij De Brabandere, vermits de hoeve aan de Vierkeerstraat 123, te Harelbeke/Bavikhove, gelegen was in een natuurgebied. Verzoekers hebben in de loop der jaren dan ook nooit een daadwerkelijke exploitatie gezien van varkens in de hoeve aan de Vierkeerstraat
- Verzoekers gingen er dan ook van uit dat conform art. 28 van het decreet en art. 46 van Vlarem I de exploitatievergunning van rechtswege was komen te vervallen doordat gedurende twee opeenvolgende jaren niet werd geëxploiteerd. Groot was dan ook de verbazing van verzoekers toen mevrouw De Brabandere op 25.02.1999 een milieuaanvraag indiende, zeker toen zij onder meer een omzetting vroeg voor haar exploitatievergunning voor het houden van 50 varkens, naar een exploitatievergunning voor het houden van 46 runderen. Verzoekers waren overtuigd dat minstens de vergunning voor varkens van rechtswege was vervallen. Er kon ook geen omzetting gevraagd worden, vermits de oorspronkelijke vergunning van rechtswege was vervallen. In deze optiek moest mevrouw De Brabandere-Demeulemeester een uitbreiding hebben gevraagd om het beoogde VII-20.708-6/19 doel te bereiken, wat, gezien het goed in een natuurgebied gelegen is en een inrichting klasse 1 betreft, niet mogelijk was geweest. Tweede verzoeker, de heer Apers heeft dan ook in zijn bezwaarschrift voor de instantie in eerste aanleg deze bemerking opgeworpen. (zie het administratief dossier het bezwaar van verzoeker dd. 19.04.1999) Het college van burgemeester en schepenen heeft het bezwaar van eerste verzoeker correct geanalyseerd. Zo staat in het proces verbaal van sluiting van openbaar onderzoek dd. 19.06.1998 : "Naast bezwaren tegen de procedure betreffen deze laatste twee bezwaarschriften onder meer een in vraagstelling van de huidige vergunde toestand'. Merkwaardig is wel dat de sluiting van het openbaar onderzoek tweemaal de datum 1998 vermeldt en niet
- In het administratief dossier wordt constant verwezen naar dit specifiek bezwaar van verzoekers, namelijk de kritiek dat partij De Brabandere op het ogenblik van hun milieuvergunningsaanvraag dd. 25.02.1999, geen vergunning meer had voor het exploiteren van varkens omdat deze van rechtswege is komen te vervallen. Zo wordt in het advies van het college van Burgemeester en Schepenen dd. 5 mei 1999 uitdrukkelijk verwezen naar de bemerking dat de vergunde toestand in vraag wordt gesteld door verzoekers en door de andere partij en die bezwaar hebben aangetekend. Ook in het verslag van de Afdeling Milieuvergunningen West Vlaanderen van het ministerie van de Vlaamse gemeenschap staat uitdrukkelijk op pagina 6 : 'dat uit het advies van de Vlaamse Landmaatschappij zal moeten blijken of het oorspronkelijk vergund aantal dieren nog steeds als vergund kan beschouwd worden'. Met andere woorden, het ministerie van de Vlaamse gemeenschap, afdeling Milieuvergunningen wenst dit punt onderzocht te zien. De gemeente Harelbeke heeft een informatievergadering belegd en heeft alle belanghebbenden hiertoe uitgenodigd per brief dd. 10.05.
- (stuk 2) Trouwens verzoekers merken op dat naar aanleiding van de informatievergadering die het stadsbestuur van de gemeente Harelbeke hebben gehouden i.v.m. de milieuvergunningsaanvraag, partij De Brabandere, in het bijzijn van alle betrokkenen heeft verklaard dat er de afgelopen jaren effectief nooit varkens aanwezig waren op zijn bedrijf. Tweede verzoeker werd daardoor gesterkt in zijn mening dat de exploitatievergunning voor het houden van de 50 varkens van rechtswege was komen te vervallen en dat er dus geen omzetting kon gevraagd worden van een reeds van rechtswege vervallen vergunning. Tweede verzoeker heeft in die zin ook een fax verstuurd naar de voorzitter van de milieuvergunningscommissie, de heer Mares (stuk 3) waarin uitdrukkelijk werd gesteld : ' Dit laatste gevoel wordt versterkt vermits er geen enkele wettelijke basis is voor goedkeuring van deze aanvraag vermits deze handelt over een omzetting van een iet (lees: niet) meer bestaande vergunning, naar een nieuwe. In de desbetreffende hoeve werden er ongeveer 10 jaar geen varkens meer geteeld. In de laatste infovergadering bevestigt de aanvrager dit, maar beweert hij dat dit niet ter zaken doet, vermits hij niettemin zijn verplichtingen t.o.v. van de mestbank hiervoor voldaan heeft in deze periode. Dit lijkt ons onwaarschijnlijk vermits hij de desbetreffende hoeve pas sinds 1 a 2 jaar overgenomen heeft'. Dit stuk maakt ook deel uit van het administratief dossier en steekt bij de briefwisseling. De Provinciale milieuvergunningscommissie heeft de bezwaren van verzoekers correct genoteerd, maar heeft dit niet onderzocht. Nergens in haar advies dd. 28.05.1999 gaat de milieuvergunningscommissie in op de opmerking dat de vergunning van partij De Brabandere van rechtswege zou vervallen zijn. VII-20.708-7/19 In de plaats van in te gaan op de opmerking van verzoekers neemt men genoegen met het verwijzen naar een aangifte bij de mestbank, waaruit blijkt dat het aantal geproduceerde mest overeenstemt met de vergunde dieren. Met de opmerking van verzoekers dat dit duidelijk niet strookt met de realiteit, houdt niemand rekening. De vergunning werd dan ook toegestaan door de bestendige deputatie van de provincie West Vlaanderen bij beslissing van 24.06.
- Gezien verzoekers van oordeel waren en zijn dat niemand met het argument van de van rechtswege vervallen vergunning rekening gehouden heeft, herhaalt tweede verzoeker zijn argumenten in zijn gemotiveerd beroepsschrijven aan het Vlaams Ministerie dd. 28.07.1999 (zie administratief dossier). Eerste en tweede verzoeker zijn van oordeel dat zij talrijke gegevens bezitten om te besluiten dat partij De Brabandere valse aangifte heeft gedaan bij de Mestbank en bovendien ook nog in de milieuaanvraag zelf valse gegevens heeft verstrekt en deze valse gegevens verder blijft aanhalen in een poging om zo toch een feitelijke uitbreiding te bekomen van zijn exploitatievergunning. Eerste verzoeker legt dan ook klacht neer bij het parket te Kortrijk op datum van 28.07.
- De formele klacht werd meegedeeld. (stuk 4) Later wordt deze klacht bevestigd in het Proces Verbaal dd. 16.11.1999 (stuk 5). Om de instantie in beroep, zijnde verwerende partij rekening te laten houden met alle elementen van het dossier, maakt eerste verzoeker zijn klacht over, ter titel van inlichting aan de beroepsinstantie, zijnde verwerende partij. In het beroepschrift dd. 28 juli 1999 meldt tweede verzoeker ook formeel dat gezien het hierboven aangehaalde hij formeel klacht heeft neergelegd bij het parket van de Procureur des Konings te Kortrijk. Tweede verzoeker schrijft letterlijk : 'Tegelijk met dit bezwaarschrift werd klacht ingediend bij het parket te Kortrijk omwille van frappante schriftvervalsing en leugenachtige verklaringen. Eveneens werd de vrederechter aangeschreven om betrokken op te roepen zich in regel te stellen met de geldende reglementeringen'. Hoewel het een wezenlijk, fundamenteel onderdeel is van het beroepsschrift gaat verwerende partij hier niet op in. Eerste verzoeker meent dat dit op zijn minst een schending inhoudt van twee substantiële principes, die hieronder zullen toegelicht worden en als afgeleide, tevens een schending van art. 46 Vlarem. Eerste onderdeel : Dit houdt in dat het Vlaams ministerie in zijn beslissingsproces zorgvuldig moet te werk gaan, zowel wat de feiten betreft als wat de argumenten betreft a. Wat de feiten betreft.
- Dat de Vlaamse Gemeenschap de plicht heeft om de feiten, waarop zij zich stoelt, te garen op een zorgvuldige wijze.
- Dat bovendien de feiten moeten volledig zijn.
- Dat de feiten ook juist moeten worden beoordeeld. b. Wat de argumenten betreft.
- Dat de argumenten juist moeten zijn.
- Dat de argumenten bovendien volledig moeten zijn.
- Dat ook de argumenten juist moeten worden beoordeeld. De Vlaamse gemeenschap is hier niet uitgegaan van zorgvuldig verzamelde gegevens. Eerste onderdeel a.
- De verwerende partij heeft niet op een zorgvuldige wijze de feiten waarop zij zich stoelt vergaard. Door niet in te gaan op de vraag van verzoekers tot verder onderzoek naar het tijdstip van stopzetting van activiteiten en zelfs niet te motiveren waarom hier niet op ingegaan wordt, schenden de bestreden beslissing het zorgvuldigheidsbeginsel. VII-20.708-8/19 'De overheid die over de beoordelingsvrijheid beschikt om een besluit te nemen moet er in de eerste plaats voor zorgen dat haar alle mogelijke nuttige gegevens worden bezorgd opdat zij zou geïnformeerd zijn ... De Bevoegde overheid, wil zij op regelmatige wijze een beslissing nemen, moet volledig ingelicht zijn over de belangrijke gegevens welke die beslissing kunnen beïnvloeden' (OPDEBEEK, I Algemene beginselen van behoorlijk bestuur, Kluwer, 1993,34 e.v.) Men kan hier ontegensprekelijk stellen dat de verwerende partij niet zorgvuldig de informatie heeft vergaard. Er werd diverse malen voorgesteld en zelfs formeel gevraagd dat men ter plaatse zich zou vergewissen van de actuele toestand. Dit is nooit gebeurd. Nochtans wordt onder meer in het advies van het schepencollege dd. 5 mei 1999 uitdrukkelijk gesteld dat een onderzoek zal moeten worden gevoerd naar de actuele vergunde toestand. Dit houdt uiteraard ook in dat rekening moet gehouden worden met het eventuele van rechtswege verval van de exploitatievergunning. Eerste onderdeel A.
- De feiten zijn dan ook uiteraard niet volledig. De verwerende partij heeft duidelijk zelfs geen rekening gehouden met de strafklacht die toch, gezien de inhoud gewichtig genoeg is om zijn effect te hebben op de milieuvergunningsaanvraag. Eerste onderdeel A.
- De feiten zijn ook niet juist beoordeeld. Indien rekening gehouden wordt met het gegeven, aangebracht door verzoekers dat partij De Brabandere gebruik heeft gemaakt van valse gegevens om te verhinderen dat de bestaande vergunning zou komen te vervallen, moet men daaruit een juist oordeel trekken. Als het bezwaar van verzoeker zou onderzocht zijn en zou gegrond gebleken zijn, komt men voor de situatie te staan dat de milieuvergunningsaanvraag, zoals ze werd ingediend op 25.02.1999, zonder voorwerp is. Men kan immers geen omzetting vragen van iets wat niet meer bestaat. Mocht de verwerende partij dit feit correct hebben geïnterpreteerd zou men voor een totaal andere situatie gestaan hebben. Het is duidelijk dat naar de feiten toe, verwerende partij het zorgvuldigheidsprincipe heeft geschonden. Eerste onderdeel B.l. Ook de argumenten aangehaald door verwerende partij zijn niet juist, noch volledig, noch juist beoordeeld; De verwerende partij haalt geen argument aan waarom niet wordt ingegaan op het bezwaar van verzoekende partij. Ook dit schendt het principe van behoorlijk bestuur. Eerste onderdeel C. Door de gebrekkige motivatie wordt niet aangetoond dat de bestreden beslissing naar redelijkheid verantwoord is. Tweede onderdeel De Wet inzake de Uitdrukkelijke Motivering van Bestuurshandelingen schrijft voor dat de juridische en feitelijke motivering waarop men een beslissing steunt 'afdoende' dient te zijn. Hieronder dient te worden verstaan dat de aangegeven reden in evenredigheid dient te staan met de genomen beslissing. Doordat de verwerende partij niet ingaat op het formele en grondig gemotiveerde argument van verzoekers betreffende het feit dat partij De Brabandere valsheid in geschrifte zou hebben gepleegd in zijn milieuaanvraag en tevens in zijn voorafgaande aangiften bij de mestbank (sic), is zij minstens niet volledig in haar motivering. 2.1 Verwerende partij moet ten eerste uitgaan van correcte gegevens. Gezien wat hierboven onder het eerste middel werd aangehaald kan men sterk twijfelen dat verwerende partij uitgegaan is van correcte gegevens. VII-20.708-9/19 De premisse waarop de verwerende partij zich steunt om de milieuaanvraag toe te kennen en dus het beroep van verzoeker te verwerpen, is niet juist, minstens kan men stellen dat dit niet werd onderzocht. De verwerende partij heeft nergens stappen ondernomen om op de hoogte te blijven van het strafonderzoek dat nochtans een wezenlijk element is in dit dossier. Want mocht blijken dat de strafklacht van verzoekers geheel, of zelfs gedeeltelijk gegrond is, dan komt men voor een situatie dat partij De Brabandere nooit een omzetting kan vragen van haar exploitatievergunning voor het houden van varkens. Door niet in te gaan op een dergelijk wezenlijk argument toont verwerende partij dat haar motivering niet voldoende is. 2.
- Indien verwerende partij zonder fout wil beslissen over de door verzoekers ingestelde beroepen, hadden zij niet alleen aandacht moeten besteden aan de strafklacht, maar minstens zelf een onderzoek moeten instellen naar de gegrondheid van de in de strafklacht, waarvan zij in kennis waren gesteld, aangehaalde feiten. Verwerende partij beperkt er zich toe om te kijken naar de aangiften bij de mestbank, terwijl de verzoekers aangehaald hebben dat deze aangiften van valsheid worden beschuldigd. Ook verwijzend naar het advies van de Vlaamse Landmaatschappij, dd. 23.09.1999, kan men impliciet afleiden dat zelfs zonder rekening te houden met de valse aangiften voor de jaren 97, 98 en 99 er in de jaren 93 tot 95 geen varkens geëxploiteerd werden op het bedrijf van partij De Brabandere, of minstens hebben die geen mest geproduceerd. 2.
- De argumenten zijn dan ook niet juist beoordeeld. 2.
- Minstens kan men stellen dat de motivering niet in redelijkheid is gebeurd. Men kan stellen dat een formele strafklacht van beschuldiging van valsheid in geschrifte ernstig genoeg is om daar aandacht aan te besteden. 2.
- Besluit Het niet of niet voldoende motiveren, evenals het niet correct motiveren, levert zonder meer de illegaliteit van de bestreden bestuurshandeling op wegens schending van een substantiële vormvereiste. Het volstaat voor de vernietiging van de rechtshandeling (zie hieromtrent Gedr. St. Senaat, B.Z., 1988, nr. 215-3, verslag van de Commissie, 16, Parl. Hand. Senaat, 24 april 1991, 2007 en art. 14 RvSt.-Wet). Derde onderdeel: Schending van art. 46 Vlarem. De motivatie inzake het al dan niet verval van de vergunning in de bestreden beslissing is gebrekkig en niet afdoende en laat niet toe te beoordelen of er geen schending is van art. 46 Vlarem I, hetwelk een verval van vergunning voorziet voor de inrichting die gedurende 2 opeenvolgende jaren niet heeft geëxploiteerd. Alle gegevens uit het dossier wijzen erop dat de activiteiten reeds lang waren stopgezet en dat hoogstens de aangifte bij de mestbank niet met de werkelijkheid overeenkomt"; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord als volgt repliceert : "Verzoekers verwijten de verwerende partij dat zij niet zorgvuldig genoeg onderzocht heeft of de verklaring van de vergunningaanvraagster, dat er steeds varkens gehouden zijn op de boerderij, wel met de werkelijkheid strookt. De verwerende partij kon, als voorzichtige overheid, wel degelijk besluiten tot continue uitbating, onder meer op grond van de volgende elementen: VII-20.708-10/19 ! Geconfronteerd met het bezwaar én het beroep van (onder meer) de huidige verzoekers, heeft de vergunningaanvraagster zowel in administratieve eerste als tweede aanleg uitdrukkelijk verklaard dat er WEL steeds varkens gehouden zijn. ! Op dat punt werd de tussenkomende partij ook uitdrukkelijk ondervraagd door de Provinciale Milieuvergunningscommissie. ! De stilzwijgende bevestiging van de vergunning door de aktename van 23.06.1993 schept ook het vermoeden dat er wel degelijk exploitatie van 50 varkens was. ! De mestbankaangifte maakt tevens, minstens voor de laatste vier jaren, deze bewering aannemelijk. De verzoekers hebben neergelegd tegen de vergunningaanvraagster, maar deze strafklacht is nog in onderzoek. Voor het overige beschikken de verzoekers over geen enkel bewijs van hun stelling : - (blz.24 verzoekschrift) 'Medio jaren negentig ... was de activiteit in de hoeve ... uitdovende'. 'Uitdovend' is geen synoniem voor 'effectief stopgezet'! Vader DE BRABANDERE was inderdaad een dagje ouder aan het worden, pakte de zaken iets rustiger aan en deed geen nieuwe investeringen, maar dit zegt allemaal niets over vergunde en effectieve dierenaantallen. Dat verzoekers de indruk hadden dat er geen varkens (meer) waren, komt overigens ook heel eenvoudig door het feit dat runderen nu eenmaal buiten lopen, maar varkens niet. - eod.) 'Aan eerste verzoeker en aan tweede verzoeker werd verzekerd dat ... de vergunningen van rechtswege waren vervallen'. Wie is 'men'? Hebben verzoekers navraag gedaan bij de officiële gemeentelijke, provinciale of gewestelijke instanties? Leggen zij daar enig bewijs van voor? Neen! - (eod.) 'Verzoekers gingen er van uit dat geen nieuwe activiteit meer mocht opgestart worden...' Het kan wel zijn 'dat ze er van uitgingen', maar de vraag is of ze zich voldoende geïnformeerd hebben en of ze dus wel met recht en rede daarvan mochten uitgaan? - (blz.25) Verzoekers beweren dat de vergunningaanvraagster tijdens de informatievergadering zou verklaard hebben dat er de laatste jaren nooit varkens aanwezig waren op het bedrijf. Verzoekers bewijzen dienaangaande echter niets. Zolang de 'leugens' niet bewezen zijn ingevolge een strafrechtelijke veroordeling, KAN NOCH MAG de overheid ervan uitgaan dat de aanvrager liegt. Integendeel, moet de goede trouw van de aanvrager steeds verondersteld worden (en hij wordt overigens gestaafd door de mestbankaangiften). Er dient dus geconcludeerd te worden dat de overheid, op basis van de voorliggende gegevens en verklaringen, in alle redelijkheid er is kunnen van uitgaan dat er effectief geen verval van de vergunning m.b.t. de varkens was. De stelling van de heer Auditeur in zijn verslag van 27.06.2000 (schorsingsprocedure), dat 'een motivering die in die omstandigheden enkel verwijst naar de Mestbankaangiftes, waarvan de waarachtigheid wordt betwist, is in die omstandigheden prima facie te oppervlakkig en faciel' dient verworpen te worden. Immers, wat kan een eventueel onderzoek ter plaatse leren over het verleden? Het onderzoek kan enkel en alleen iets zeggen over de huidige toestand en die is, zoals de tussenkomende partij uitdrukkelijk erkent, dat er enkele varkens voor huishoudelijk gebruik gehouden worden. Nu de Vlaamse overheid niet over de bevoegdheid beschikt om, ten einde feiten uit het verleden te achterhalen, huiszoekingen te doen of grootscheeps enquêtes te voeren, moet zij zich een oordeel vellen op basis van de beschikbare gegevens : - de aktenames en vergunningen - de mestbankaangiftes VII-20.708-11/19 - de uitdrukkelijke verklaring van de exploitant. Het is in casu woord tegen woord: het woord van de exploitant tegen het woord van één buurtbewoner. Het woord van de exploitant wordt bevestigd door de administratieve stukken. Het woord van de buurtbewoner wordt door niets bevestigd. Als in deze situatie de buurtbewoner het haalt op de exploitant, dan zet men de deur open voor volksgerechten of charivari tegen de exploitanten. Wie dan ook kan dan immers op basis van één onbewezen verklaring en tegen alle schriftelijke stukken in een exploitant zijn vergunning laten afnemen. Pas in het verzoekschrift tot tussenkomst tijdens de schorsingsprocedure verneemt verwerende partij dat er de laatste jaren slechts een paar varkens werden gehouden voor huishoudelijk gebruik. Dit werd aan verwerende partij nooit eerder meegedeeld en dit strookt niet met het antwoord dat tijdens de hoorzittingen van de Provinciale en de Gewestelijke Milieuvergunningscommis- sie werd gegeven door de exploitant, dat er continu uitbating van varkens is geweest. Het bestreden besluit moet beoordeeld worden op de wettigheid en de motivering op basis van de op het ogenblik van de beslissing ter beschikking zijnde argumenten en bewijzen. Met het inmiddels bewezen feit dat het slechts ging om twee varkens voor huishoudelijk gebruik kan dus geen rekening gehouden worden bij de beoordeling van de wettigheid van het bestreden besluit. De Vlaamse overheid is op basis van de - op het ogenblik van de beslissing voor handen zijnde gegevens - voldoende zorgvuldig geweest. Het komt immers niet aan de Vlaamse administratie toe om een strafrechtelijk onderzoek naar mogelijke schriftvervalsing of leugens te voeren. Eerste onderdeel A.
- Er is door de bestreden beslissing wel degelijk ingegaan op verzoekers vraag tot onderzoek naar het tijdstip van eventuele stopzetting en er is wel degelijk gemotiveerd waarom op het bezwaar niet diende te worden ingegaan : * op blz. 3 van het besluit worden de verklaringen van de vergunningaanvraag- ster als antwoord op de bezwaren letterlijk geciteerd; * op blz. 8 wordt overwogen dat rekening houdend met de mestbankaangifte van onderhavige inrichting en rekening houdend met de gekende vergunningsbe- slissingen, kan gesteld worden dat deze gekende vergunningen nog volledig geldig zijn. * op blz. 11 worden de bezwaren van verzoekers nogmaals uitdrukkelijk weerlegd. Eerste onderdeel A.
- De strafklacht an sich bewijst niets. Zoals hiervoor gesteld, kan de kwade trouw van de vergunningaanvraagster niet vermoed worden én komt het niet toe aan de administratieve Vlaamse overheid om het werk van de nationale gerechtelijke instanties voor te doen. Eerste onderdeel A.
- Aangezien dit punt verder bouwt op het vorige, dient er niet meer op geantwoord te worden. Eerste onderdeel B.
- Onder Al hiervoor is al gesteld dat de Minister minstens op drie plaatsen in het bestreden besluit uitdrukkelijk argumenteert waarom met de bezwaren van verzoekers geen rekening kan worden gehouden. Eerste onderdeel C. Het feit dat er een (niet vervallen) vergunning is en dat de wijziging van 50 varkens naar 46 runderen MINDER milieuhinder zal veroorzaken, motiveert voldoende naar redelijkheid de bestreden beslissing. Tweede onderdeel Uit wat voorafgaat kan al voldoende afgeleid worden dat voldaan is aan de motiveringsplicht. VII-20.708-12/19 Het weze herhaald: zolang aan de strafklacht geen gevolg gegeven is, dat resulteert in een strafrechtelijke veroordeling, MAG de overheid geen rekening houden met de bewering dat bepaalde uitspraken van de aanvrager leugens zijn. Het kan zeker aan verweerster niet verweten worden geen 'stappen ondernomen' te hebben om op de hoogte te blijven van het strafonderzoek. Dit onderzoek door de diensten van het Parket is overigens geheim. Derde onderdeel : art. 46 Vlarem I Zoals hiervoor al herhaaldelijk gezegd, is op basis van de mestbankaangiften wel degelijk onderzocht of er geen verval van vergunning was"; 3.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord als volgt reageren : "Uit het verzoekschrift tot tussenkomst in de schorsingsprocedure van de tussenkomende partij, kan afgeleid worden dat hoewel er aangiftes waren aan de mestbank, er boekhoudkundig geen varkens aanwezig waren. Over de feitelijke toedracht blijft de tussenkomende partij wijselijk vaag. 'Er zijn quasi continu één tot twee dieren gekweekt'. De gegevens verstrekt door de tussenkomende partij bij haar vergunningsaan- vraag waren duidelijk foutief en misleidend. Verzoekende partijen hebben hierop constant gewezen, doorheen de volledige administratieve procedure. De administratie heeft geweigerd de bezwaren op een afdoende manier te onderzoeken. Verzoekende partijen volgen dan ook de auditeur in zijn stelling dat 'een motivering die in die omstandigheden enkel verwijst naar de mestbankaangiftes, waarvan de waarachtigheid wordt betwist, is in die omstandigheden prima facie te oppervlakkig en faciel'. De verwerende partij stelt in haar memorie op pagina 8 dat zij pas in het verzoekschrift tot tussenkomst tijdens de schorsingsprocedure op de hoogte werd gebracht dat er de laatste jaren slechts een paar varkens werden gehouden voor huishoudelijk gebruik. De verwerende partij stelt dat het voldoende was dat zij dit aan de exploitant had gevraagd. De verwerende partij stelt tevens dat men bij de beoordeling van de wettigheid van haar besluit moet rekening houden met de gegevens die op dat moment voorhanden waren. De verwerende partij vergeet dat op haar de verplichting rust dat zij de gegevens op een zorgvuldige manier moet verzamelen. De verwerende partij poneert dat het om een loutere opmerking ging van een buurtbewoner die door niets wordt bevestigd. Het feit dat strafklacht was neergelegd had de verwerende partij moeten nopen om dit gegeven grondig te bekijken. Het bestaan van een strafklacht moest de Vlaamse Overheid tot meer zorgvuldigheid hebben aangezet. Het middel in al zijn onderdelen wordt gehandhaafd"; 3.
- Overwegende dat in haar memorie de tussenkomende partij het volgende doet gelden : "Het middel steunt hierop dat de verwerende partij geen rekening zou hebben gehouden met het feit dat tussenkomende partij onjuiste verklaringen zou hebben afgelegd bij de aangiften voor de mestbank en dat een vergunning voor VII-20.708-13/19 herschikking van het bedrijf zou zijn verleend hoewel de vergunning vervallen zou geweest zijn. De hele discussie draait rond de vraag of verzoekster in tussenkomst al dan niet heeft voldaan aan de verplichting om de milieuvergunning ononderbroken uit te voeren, teneinde verval ervan te vermijden. In de mate dat het middel opwerpt dat de tussenkomende partij in de mestbankaangiften meer varkens zou hebben aangegeven dan zij in werkelijkheid kweekte, nl. continu één tot twee varkens voor eigen familiaal gebruik, vertoont het geen belang. Van belang is immers enkel maar de vraag of de vroegere vergunning al of niet vervallen was, wat de varkenskweek betreft. De in het schorsingsrapport dienaangaande ingenomen stelling kan in rechte niet worden aangenomen. Om tot dit besluit te komen is het zelfs niet eens nodig te onderzoeken of een vergunning, die enkel slaat op één rubriek, nl. rubriek 9, doch die meerdere diersoorten toelaat, desalniettemin een vergunning is die een inrichting toelaat die bestaat uit één of meer 'gedeelten' in de zin van art. 28, § 1, 3° MVD dd. 28 juni
- Evenmin is het nodig te onderzoeken of, zo het gaat om meerdere gedeelten, er dan al of niet moet worden gesproken van een bedrijfstechnische en/of milieutechnische eenheid. Immers uit de stukken 25 t.e.m. 30 blijkt dat er steeds een permanente, zij het geringe, kweek van varkens is geweest, waarvan niet is aangetoond dat er ooit een volledige onderbreking van volle twee jaar zou geweest zijn. Die vaststelling volstaat om rechtens tot het besluit te komen dat de vergunning, voor zover zij sloeg op varkenskweek, nooit vervallen is. Enkel het volledig niet-exploiteren leidt tot verval. Wat een dancingexploitatie betreft heeft Uw Raad zulks reeds beslist in het arrest nr. 60.156, Verheye, dd. 13 juni
- Na in feite te hebben vastgesteld dat uit het dossier bleek dat er na een bepaalde datum nog vier activiteiten in, de inrichting hadden plaats gehad (waaronder een 'voordracht en een 'familiefeest', wat men niet meteen in een dancing verwacht), overwoog Uw Raad : 'dat artikel 28, §1, 3/ van het milieuvergunningsdecreet bepaalt dat de vergunning van rechtswege vervalt wanneer de inrichting twee opeenvol- gende jaren niet werd geëxploiteerd, maar dat i. v.m. dit voorschrift noch het decreet noch VLAREM I bepalingen bevatten m.b.t. de frequentie en de aard van activiteiten die in een inrichting moeten worden uitgeoefend; dat mag worden aangenomen dat voor een dancing het volstaat dat er gedurende twee opeenvolgende jaren geen volledige ontstentenis van uitbating is geweest; dat, afgezet tegen vorenstaande verklaring van de wijkagent, voormelde stukken aantonen dat over de beschouwde periode, te weten september 1992 (aanvangsdatum bedoeld in het politie verslag) tot 13 maart 1995 (datum van het bestreden besluit) de inrichting nooit gedurende minstens twee jaar onuitgebaat is gebleven in de zin van voormelde decreetsbepaling; dat ook op dit stuk het middel gegrond is'. Er is dus in rechte maar verval wanneer er sprake is van 'volledige ontstente- nis van uitbating'. En wat varkenskweek betreft, is het voor het milieuvergunningsdecreet van 28 juni 1985 volkomen onverschillig met welk doel de varkens worden gekweekt, hetzij voor eigen gebruik, hetzij voor inbreng in het economisch circuit. Een onderwijsinstelling met internaat die varkens kweekt voor eigen gebruik, is even goed aan het milieuvergunningsdecreet van 28 juni 1985 onderworpen als de (kleine of grote) restaurateur die voor eigen behoeften zijn dieren kweekt. Evenzo het landbouwersgezin. Het auditoraatsrapport gaat eraan voorbij dat het MVD dd. 28 juni 1985, evenmin als het stedenbouwdecreet, geen decreet is tot regeling van het economisch verkeer van goederen en diensten, noch een decreet tot organisatie van, of toezicht op de landbouw/veekweek als ' economische bedrijvigheid' (vgl. R.v.St., nr. 26.400, 24 april 1986, Van Den Panhuyzen). Blijkens de art. 2 en 3 VII-20.708-14/19 is het MVD dd. 28 juni 1985 eveneens van toepassing op inrichtingen die niet voor het economisch circuit produceren. Het is daarentegen van toepassing op alle inrichtingen, van welke aard zij ook mogen zijn, en welke doeleinden zij ook mogen nastreven, maar die 'hinderlijk worden geacht voor de mens en het leefmilieu', en die daarom in klassen worden onverdeeld 'afhankelijk van de aard en de belangrijkheid van de daaraan verbonden milieueffecten'. Voor het kweken van een bepaald aantal varkens is een milieuvergunning vereist, onverschillig met welke doeleinden die varkens gekweekt worden. Slechts wanneer die kweek gedurende volle twee jaar geheel opgehouden heeft te bestaan, is de vergunning vervallen. De omstandigheid dat in de mestbankaangiften meer varkens werden vermeld dan er effectief werden gekweekt, vertoont mitsdien in rechte geen enkele pertinentie. Ook de aangevoerde motiveringskritiek is zonder belang. Gelet op de effectieve permanente exploitatie hoefde de overheid geenszins te onderzoe- ken of het ten tijde van de aanvraag gehouden aantal dieren overeenstemde met dit gedeclareerd in de aangiften"; 3.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in de laatste memorie een afschrift neerleggen van het vonnis van de correctionele rechtbank van Kortrijk van 19 juni 2002 waarbij de rechtbank volgende tenlasteleggingen in hoofde van de tussenkomende partij bewezen achtte : "... Om de misdaad of het wanbedrijf uitgevoerd te hebben of om aan de uitvoering ervan rechtstreeks medegewerkt te hebben, door enige daad, tot de uitvoering zodanige hulp verleend te hebben dat zonder zijn bijstand het misdrijf niet kon gepleegd worden, door giften, beloften, bedreigingen, misbruik van gezag of van macht, misdadige kuiperijen of arglistigheden, dit misdrijf rechtstreeks uitgelokt te hebben, als dader of mededader zoals voorzien door art. 66 van het strafwetboek A. te Harelbeke-Bavikhove, op niet nader te bepalen tijdstippen in de periode van 01.01.95 tot en met 24.06.1999; geen openbaar officier of ambtenaar zijnde met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, valsheid in authentieke of openbare geschriften, handels-, bank- of private geschriften te hebben gepleegd, hetzij door vals(e) handtekeningen, hetzij door namaking of vervalsing van geschriften of handtekeningen, hetzij door overeenkomsten, beschikkingen, verbintenissen of schuldbevrijdingen valselijk te hebben opgemaakt of door ze achteraf in de akten in te voegen, hetzij door toevoeging of vervalsing van bedingen, verklaringen of feiten die deze akten ten doel hadden op te nemen en vast te stellen namelijk door :
- in de aangifte bij de Vlaamse Landmaatschappij, afdeling Mestbank Brugge, een bedrijvigheid te hebben vermeld die fictief was, zijnde het houden van respectievelijk 35, 35, 30 en 10 varkens, voor de jaren 1995, 1996, 1997 en 1998, waar er dit in werkelijkheid slechts één of twee waren, en dit met de bedoeling het recht te behouden op het gebruik van 49 vergunde standplaatsen voor zeugen en aldus het recht veilig te stellen om in de toekomst toch nog varkens te mogen houden (cf. st. 99-100 en 117 e.v.)
- in de aangifte van de veestapel bij de Dienst landbouwtellingen van de stad Harelbeke, fictieve aantallen te hebben aangegeven, meer bepaald respectievelijk 30, 45 en 61 varkens, voor de jaren 1996, 1997 en 1998 waar er dit in werkelijkheid slechts een of twee waren, en dit met de VII-20.708-15/19 bedoeling het recht te behouden op het gebruik van 49 vergunde standplaatsen voor zeugen, en aldus het recht veilig te stellen om in de toekomst toch nog varkens te mogen houden (cf. st. 12-13, 29 en 117 e.v.) ten nadele van Paul APERS; B. te Harelbeke-Bavikhove en elders in het rijk, op niet nader te bepalen tijdstippen in de periode 01.01.1995 tot en met 22.02.2002 : met hetzelfde bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden gebruik gemaakt te hebben van de valse akte of van het vals stuk wetende dat het vervals(t) was, ten nadele van Paul APERS"; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie nog stelt dat zij op basis van gegevens en verklaringen in alle redelijkheid er kon van uitgaan dat er effectief geen verval was van de vergunning met betrekking tot de varkens; dat zij benadrukt dat er op de inrichting ononderbroken voldoende runderen werden gehouden en dat er toentertijd ook gebleken was dat er steeds permanente -zij het geringe- kweek van varkens is geweest "waarvan geenszins wordt aangetoond dat er ooit een volledige onderbreking van volle twee jaar zou zijn geweest"; 3.7.
- Overwegende dat de tweede verzoeker in zijn beroepschrift heeft gewezen op het feit dat er reeds sinds vijf jaar op de betrokken inrichting geen varkens meer werden gehouden en dat de vergunning wat betreft de varkens dus als vervallen moest worden beschouwd; dat hij bovendien gelijktijdig met zijn administra- tief beroep tegen de tussenkomende partij klacht heeft ingediend wegens schriftver- valsing en leugenachtige verklaringen en dat hij daarvan melding heeft gemaakt in zijn beroepschrift; dat wat deze bezwaren betreft in het bestreden besluit wordt gewezen op de verklaring van de tussenkomende partij op de hoorzitting van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie dat de inrichting steeds in exploitatie is gebleven, dat wordt overwogen dat "rekening houdend met de Mestbankaangifte van onderhavige inrichting en rekening houdend met de gekende vergunningsbeslissingen, kan gesteld worden dat deze gekende vergunningen nog volledig geldig zijn; dat deze inrichting derhalve een vergunning heeft voor het exploiteren van 50 varkens ouder dan 10 weken en 70 runderen" en "(dat) de lopende milieuvergunningen van de inrichting (...) openbaar ter inzage (zijn) bij de gemeente zodat de omwonenden wel degelijk geïnformeerd konden zijn over de vergunningssituatie"; 3.7.
- Overwegende dat luidens artikel 28, § 1, 3/, van het milieuvergun- ningsdecreet de vergunning die betrekking heeft op een inrichting die gedurende twee opeenvolgende jaren niet werd geëxploiteerd van rechtswege vervalt; dat artikel 28, § 2, van hetzelfde decreet bepaalt dat indien de in paragraaf 1 genoemde VII-20.708-16/19 gevallen slechts betrekking hebben op een gedeelte van de inrichting, de vergunning slechts vervalt voor dat gedeelte; 3.7.
- Overwegende dat in de mestbankaangiften voor de aanslagjaren 1993 tot en met 1995 geen varkens werden vermeld; dat daaruit moet worden afgeleid dat de tussenkomende partij gedurende drie jaren geen varkens op de inrichting heeft gehouden en dat gelet op de bepalingen van artikel 28, § 1, 3/ en §2, van het milieuvergunningsdecreet reeds in 1995 de vergunning voor het houden van varkens van rechtswege vervallen was; dat de verwerende partij in het bestreden besluit dan ook ten onrechte overweegt dat "rekening houdend met de mestbankaangifte van onderhavige inrichting en rekening houdend met de gekende vergunnings-beslissingen, kan gesteld worden dat deze gekende vergunningen nog volledig geldig zijn"; dat blijkbaar de verwerende partij daartoe rekening heeft gehouden met de mestbankaangiften die de tussenkomende partij -frauduleus zoals werd gewezen in het vonnis van de correctionele rechtbank van Kortrijk- heeft gedaan vanaf 1996, nadat zij de inrichting had overgenomen; dat het verval van een vergunning of van een gedeelte ervan evenwel niet kan worden ongedaan gemaakt door het de facto herexploiteren van die vervallen vergunning of van het vervallen gedeelte ervan; dat aldus, zelfs terzijde gelaten het naderhand tussengekomen vonnis inzake de valse mestbankaangiften, de verwerende partij niet tot de conclusie kon komen dat de vergunning voor het houden van varkens nog steeds geldig was; dat, voor zover de verwerende partij verwijst naar de verklaring van de tussenkomende partij op de hoorzitting door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie, dat "de inrichting steeds in exploitatie is gebleven", deze -onjuiste- verklaring voor wat betreft de varkens niet vermag op te wegen tegen mestbankaangiften die voor de overname van de inrichting door de tussenkomende partij in tempore non suspectu werden gedaan; dat het houden van één of twee varkens voor eigen gebruik, hetgeen overeenkomstig de indelingslijst bij Vlarem I niet vergunningsplichtig is, niet als een exploitatie van de vergunde inrichting in de zin van artikel 28, § 1, 3/ en § 2 kan worden aangemerkt; VII-20.708-17/19 3.7.
- Overwegende dat uit hetgeen voorafgaat volgt dat het tweede middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van de Vlaamse minister van leefmilieu en landbouw van 20 december 1999 waarbij de beroepen aangetekend tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 24 juni 1999 houdende het verlenen van de vergunning aan Roos DE BRABANDERE-DEMEULEMEESTER om een rundveefokkerij, gelegen te Bavikhove (Harelbeke), Vierkeerstraat 123, verder te exploiteren, ongegrond worden verklaard. Artikel
- Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
- De kosten van de schorsing, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. VII-20.708-18/19 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig juni tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-20.708-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.439 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2000:ARR.90.197 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div