← België

Arrest 160441 - - 22/06/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.441 Rolnummer: A. 104043/VII-23661 Zaak: Arrest 160441 - - 22/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-30 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-06-30 22:33 Fiche Arrest nr 160.441 van 22 juni 2006 - Beslissing : heropening debatten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 160.441 van 22 juni 2006 in de zaak A. 104.043/VII-23.

  1. In zake : de v.z.w. SINT-JORIS, die woonplaats kiest bij advocaat K. GOEMAN, kantoor houdende te DENDERMONDE, Franz Courtensstraat 29 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. NYS, kantoor houdende te DENDERMONDE, Noordlaan 82 -
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de v.z.w. SINT-JORIS op 24 april 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 23 februari 2001 waarbij het beroep tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen houdende het definitief verlenen van de milieuvergunning na een proefperiode van 18 maanden aan de verzoekende partij om een schietstand voor vuurwapens te exploiteren aan de Termurenlaan 24 in Erembodegem, gedeeltelijk gegrond wordt verklaard; Gelet op het arrest nr. 150.852 van 27 oktober 2005 waarbij de debatten worden heropend en een aanvullend onderzoek van de zaak wordt bevolen; Gezien het aanvullend verslag opgemaakt door Auditeur P. PROVOOST; Gelet op de beschikking van 9 januari 2006 die de neerlegging ter griffie van dat verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; VII-23.661-1/4 Gelet op de beschikking van 28 april 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 1 juni 2006; Gehoord het verslag van kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. VAN DOOLAEGHE die, loco advocaat K. GOEMAN verschijnt voor verzoekende partij, en van advocaat J. DE CONINCK die, loco advocaat J. NIJS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. De feiten Overwegende dat de feiten in extenso werden uiteengezet in het tussenarrest nr. 150.852 van 27 oktober 2005;
  4. De gegrondheid van het beroep 2.
  5. Overwegende dat de verzoekende partij in de uiteenzetting bij het eerste middel nog aanklaagt dat "De Minister 'ultra petita' oordeelt gezien de stad Aalst die beroep aantekende tegen de beslissing van de Bestendige Deputatie een termijn van 10 jaar voorstond"; dat zij daaraan toevoegt dat dit oordeel afwijkt van het advies dat "haar Ministerie" in deze procedure gaf op 19 mei 2000 waar deze adviseerde om de vergunning voor een periode van twintig jaar toe te staan; 2.
  6. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord betwist dat ultra petita zou zijn beslist, gelet op de devolutieve werking van het beroep, en gelet op het gegeven dat het administratief beroep niet beperkt was tot de termijn van de vergunning en dat er voldoende werd gemotiveerd waarom het door de verzoekende partij ingeroepen advies, dat overigens een in eerste aanleg gegeven advies betrof, niet werd gevolgd; VII-23.661-2/4 2.
  7. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord desbetreffend geen repliek geeft; 2.
  8. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie doet gelden dat de milieuvergunningstermijn een modaliteit vormt van de vergunning zelf, dat het duidelijk is dat wanneer de beroepsinstantie zich dient uit te spreken over het al dan niet verlenen van de vergunning, deze bevoegd is om de modaliteiten van deze vergunning evenzeer vast te stellen, dat het college van burgemeester en schepenen van de stad Aalst in haar beroepschrift duidelijk te kennen heeft gegeven dat de termijn van de vergunning diende beperkt te worden zodat zij in het kader van de devolutieve werking van het beroep bevoegd was om over de opportuniteit van de milieuvergunningstermijn te oordelen; 2.5.
  9. Overwegende dat benevens de vraag tot het aanbrengen van een aantal kleine technische correcties, de stad Aalst in haar beroepschrift heeft gevraagd om "conform het voorwaardelijk gunstig advies van het College van Burgemeester en Schepenen aan de v.z.w. Sint-Joris een milieuvergunning te verlenen voor een termijn van 10 jaar rekening houdend met de in dit beroepschrift aangehaalde opmerkingen" in plaats van voor een termijn van twintig jaar zoals door de bestendige deputatie was verleend; 2.5.
  10. Overwegende dat een milieuvergunningstermijn onbetwistbaar een onlosmakelijk en dus niet afsplitsbaar deel uitmaakt van de milieuvergunning; dat dit tot gevolg heeft dat de devolutieve werking van een administratief beroep tegen een in eerste aanleg verleende milieuvergunning impliceert dat de beroepsinstantie bij het verlenen van de milieuvergunning niet gebonden is door de vergunningstermijn die door een beroepindiener wordt vooropgesteld, en dat zij aldus gerechtigd is de milieuvergunning te verlenen voor een kortere termijn; dat dienvolgens de verweren- de partij niet "ultra petita" heeft gehandeld door de bestreden milieuvergunning te verlenen voor een periode van vijf jaar in plaats van tien jaar, zoals door de beroepindiener voorgesteld; dat, tenslotte, de minister niet gebonden is door uitgebrachte adviezen, laat staan door adviezen die hangende de procedure in eerste aanleg werden uitgebracht; 2.5.
  11. Overwegende dat uit hetgeen voorafgaat volgt dat het middel in geen van zijn onderdelen gegrond is; dat evenwel in het verzoekschrift nog twee andere middelen worden aangevoerd die door de auditeur niet werden onderzocht; VII-23.661-3/4 dat het derhalve gepast voorkomt een aanvullend onderzoek van die twee andere middelen te bevelen, BESLUIT: Artikel
  12. De debatten worden heropend. Artikel
  13. Het door de auditeur-generaal aangeduide lid van het auditoraat wordt belast met het aanvullend onderzoek van de zaak. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig juni tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-23.661-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.441 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.852 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.357 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.