← België

Arrest 160447 - - 22/06/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.447 Rolnummer: A. 170265/IX-5220 Zaak: Arrest 160447 - - 22/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-29 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 22:35 Fiche Arrest nr 160.447 van 22 juni 2006 - Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 160.447 van 22 juni 2006 in de zaak A. 170.265/IX-5220. In zake : Anne-Marie EMMERECHTS, die woonplaats kiest bij advocaat I. VAN DRIESSCHE, kantoor houdende te OPWIJK, Nanovestraat 26 tegen : de NV BELGACOM, die woonplaats kiest bij advocaten L. DE SCHRIJVER en D. CORNELIS, kantoor houdende te DRONGEN, Baarledorpstraat 93. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Anne-Marie EMMERECHTS op 16 februari 2006 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerleg- ging van “het besluit van 16 december 2005 van de benoemende overheid van de NV BELGACOM waarbij verzoekster in structurele disponibiliteit wordt geplaatst met ingang van 1 januari 2006"; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur D. MAREEN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 29 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 juni 2006; IX-5220-1/16 Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. VAN BAELEN, die loco advocaat I. VAN DRIESSCHE verschijnt voor verzoekster, en van advocaten L. DE SCHRIJVER, D. CORNELIS en C. VAN OLMEN die verschijnen voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. MAREEN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Gelet op het bij artikel 90, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste advies van de auditeur-generaal; 1. De gegevens van de zaak 1.1. Verzoekster is bij ministerieel besluit van 18 maart 1991 op proef benoemd tot de graad van adjunct correspondent en bij besluit van de raad van bestuur van Belgacom van 16 november 1992 benoemd tot de graad van correspon- dent. 1.2. Van 9 december 1996 tot aan de herstructurering van Belgacom is zij expert secretaresse. 1.3. Bij beslissing van de raad van bestuur van 5 januari 2000 wordt zij in vast verband benoemd tot de graad van sectiechef met ingang van 1 januari 2000. Zij wordt in reconversie geplaatst op 8 maart 2004, tijdens haar loopbaanonderbre- king. 1.4. Bij de beëindiging van haar loopbaanonderbreking op 20 april 2004 wordt zij in de “pool” opgenomen en voert vervolgens de hierna vermelde poolopdrachten uit: - van 20 april 2004 tot 31 oktober 2004: management assistant - van 1 november 2004 tot 30 juni 2005: loketbediende - van 1 juli 2005 tot 25 september 2005: management assistant - van 26 september 2005 tot 25 december 2005: senior secretaresse. IX-5220-2/16 Met ingang van 1 januari 2006 wordt zij in structurele disponibili- teit gesteld. 1.5. Intussen is op 29 april 1997 in het Paritair Comité tussen de verwerende partij en de representatieve vakorganisaties een plan People Team and Skillsplan 98 (hierna: PTS) aangenomen onder vorm van een collectieve overeen- komst betreffende het reconversieprogramma voor de personeelsleden van Belgacom. De bedoeling van dat plan is de verwerende partij in staat te stellen het hoofd te bieden aan de sterke concurrentie die het gevolg zal zijn van de totale liberalisering van de telecommunicatiemarkt op 1 januari 1998 en om van Belgacom een sterk presterende onderneming te maken. Volgens de algemene bepalingen van dit reconversieprogramma voorziet dit in geen enkel ontslag. Het is opgebouwd uit drie onderdelen: het eerste onderdeel bestaat in een procedure voor de toekenning van een nieuwe betrekking aan de medewerkers van wie de betrekking gaat verdwijnen, het tweede onderdeel van het project bestaat in een mogelijkheid voor vervroegd vertrek die op een vrijwillige basis wordt aangeboden aan de medewerkers van de onderneming die beantwoorden aan specifieke criteria op het vlak van leeftijd en anciënniteit en het derde onderdeel heeft betrekking op de specifieke initiatieven die hoofdzakelijk bestemd zijn om een zo groot mogelijk aantal reaffectatiemogelijkheden aan te bieden aan de personeelsleden voor wie met de eerste twee onderdelen van het programma geen oplossing kon worden gevonden. 1.6. Op 16 mei 2002 wordt tussen de verwerende partij en de representatieve vakorganisaties een collectieve overeenkomst gesloten die betrekking heeft op de regels voor het beheer van het personeel van de verwerende partij met het oog op de implementering van het Belgacom E Business Strategic Transformation-plan (hierna: BeST-Plan). Ook dit plan beoogt een vermindering van het globale werkgele- genheidsvolume door middel van een aanbod van vrijwillige actieve disponibiliteit met mogelijkheid tot wedertewerkstelling. IX-5220-3/16 Personeelsleden die dit regime aanvragen, genieten ambtshalve van een rustpensioen vanaf de eerste dag van de maand die volgt op hun zestigste verjaardag. 1.7. Er wordt een reglement aangenomen “betreffende het beheer van de functies en van de human resources in het kader van het BeST-Plan”, waarin wordt voorzien dat onder meer statutaire personeelsleden in reconversie worden gesteld zodra zij in overtal zijn in hun entiteit. 1.8. Op 18 december 2003 wordt een collectieve overeenkomst gesloten voor de jaren 2002-2005; het BeST-Plan wordt verlengd tot 31 december 2004. 1.9. In het paritair comité van 16 november 2005 wordt een akkoord gesloten tussen de verwerende partij en twee van de drie syndicale organisaties aangaande een collectieve overeenkomst met betrekking tot de eerste fase van de topconferentie over de organisatie van het werk. Het voorziet erin dat de bestaande reglementering terzake de afwezigheden en artikel 137 van het administratief statuut worden aangepast onder meer met het oog op het creëren van de structurele disponibiliteit en de disponibiliteit voor verminderde prestaties wegens erkende medische ongeschiktheid. 1.10. Op 8 december 2005 wordt een collectieve overeenkomst gesloten tussen de verwerende partij en twee van de drie vakorganisaties van het personeel met betrekking tot de regels van het beheer van het personeel van Belgacom met het oog op de uitvoering van de eerste fase van de Topconferentie over de organisatie van het werk. Deze overeenkomst bepaalt onder meer dat onder bepaalde voorwaarden statutaire personeelsleden die vóór 1 juli 2004 in reconversie waren en voor wie de reconversie niet gelukt is met ingang van 1 januari 2006 in structurele disponibiliteit worden gesteld. In gelijkaardige voorwaarden worden sommige contractuele personeelsleden ontslagen met ingang van 1 januari 2006. Tijdens de periode van structurele disponibiliteit wordt aan het personeelslid wachtgeld toegekend dat degressief is volgens het aantal jaren waarin het personeelslid in structurele disponibiliteit is. Het recht op wachtgeld loopt tot en met de maand waarin het personeelslid 60 jaar wordt. IX-5220-4/16 Tijdens de duur van de structurele disponibiliteit blijft het personeelslid onderworpen aan de reglementering van toepassing bij de verwerende partij. Het is aan het personeelslid dat zich in structurele disponibiliteit bevindt, toegelaten om een beroepsactiviteit uit te oefenen als ambtenaar, mandataris, werknemer, waarnemer van een post of zelfstandige voor zover deze beroepsactivi- teit geen jaarlijks beroepsinkomen oplevert dat hoger ligt dan 11.000,00 euro. Die mogelijkheid is evenwel afhankelijk van de toestemming van de verwerende partij. 1.11. De collectieve akkoorden van 16 november 2005 en 8 december 2005 gesloten in het Paritair Comité, worden door de raad van bestuur van de verwerende partij van 15 december 2005 goedgekeurd. 1.12. In dezelfde vergadering duidt de raad van bestuur een lid van het directiecomité en een statutair personeelslid aan als “Gemachtigde” in toepassing van art. 1, 2/, van het administratief statuut en vier statutaire personeelsleden als “Benoemende overheid” in toepassing van artikel 29, § 1, 1/, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbe- drijven. De benoemende overheid heeft ook de delegatie tot ondertekening van de individuele besluiten betreffende de “structurele disponibiliteit” en de “disponibiliteit wegens erkende medische ongeschiktheid”. 1.13. Op 16 december 2005 beslist “de benoemende overheid bij delegatie” over verzoekster wat volgt : “De Raad van Bestuur, (...) Gelet op de Collectieve Overeenkomst mbt. de regels van het beheer van het personeel van Belgacom met het oog op de uitvoering van de eerste fase van de Topconferentie over de organisatie van het werk, goedgekeurd in het Nationaal Paritair Comité van 8 december 2005, inzonderheid genomen in uitvoering van artikel 34 § 2 en artikel 35 van de wet van 21 maart 1991 houdende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven; Gelet op de besluiten van de Raad van Bestuur van de naamloze vennoot- schap van publiek recht Belgacom van 15 december 2005 inzonderheid ter uitvoering van artikel 35 § 2 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven; Gelet op het personeelsstatuut (...), inzonderheid Hoofdstuk XII; Gelet op de BeST-reconversieregels goedgekeurd in het Nationaal Paritair Comité van 16 mei 2002; IX-5220-5/16 Gelet op het feit dat Mevrouw EMMERECHTS Anne-Marie (...) reeds vóór 1 juli 2004 in reconversie was en derhalve valt onder toepassing van de bepalingen van titel 2 van de collectieve overeenkomst mbt. de regels van het beheer van het personeel van Belgacom met het oog op de uitvoering van de eerste fase van de Topconferentie over de organisatie van het werk; Gelet op de individuele reconversiehistoriek van Mevrouw EMMERECHTS Anne-Marie (...) en met name de kandidatuurstellingen voor volgende functie: April 2004: supervisor klantenadministratie: geweigerd; Gelet op het feit dat de reconversie van Mevrouw EMMERECHTS Anne- Marie (...) niet gelukt is, aangezien betrokkene voor geen enkele functie waarvoor zij zich kandidaat heeft gesteld werd weerhouden; Gelet op het feit dat Mevrouw EMMERECHTS Anne-Marie (...) evenmin in aanmerking komt voor de regeling voorzien in artikel 6, 1/ par. 2 van de voormelde collectieve overeenkomst; Besluit : Mevrouw EMMERECHTS Anne-Marie (...) wordt met ingang van 1 januari 2006 in structurele disponibiliteit gesteld.” Dit is de bestreden beslissing. Ze wordt aan verzoekster bij aangetekende brief van 16 december 2005 medegedeeld. 1.14. In het Paritair Comité van 19 januari 2006 wordt tussen de verwerende partij en twee van de representatieve syndicale organisaties een “collectieve overeenkomst (gesloten) tot wijziging van de collectieve overeenkomst met betrekking tot de regels van het beheer van het personeel van Belgacom met het oog op de uitvoering van de eerste fase van de Topconferentie over de organisatie van het werk”. Op dezelfde dag wordt een reglement goedgekeurd tot wijziging van het administratief statuut van Belgacom. Daarin wordt in het met paragraaf 3 aangevulde artikel 137, gesteld dat het personeelslid dat in structurele disponibiliteit of in disponibiliteit wegens erkende medische ongeschiktheid wordt gesteld, vanaf de datum waarop hij in disponibiliteit gaat volledig, definitief en onherroepelijk elke beroepsactiviteit bij “Belgacom, NV van Publiek Recht” beëindigt. In het met een lid aangevulde artikel 141 wordt ook gesteld dat de personeelsleden, die in structurele disponibiliteit of in disponibiliteit wegens erkende medische ongeschiktheid zijn, “ambtshalve” gepensioneerd worden, hetzij op de eerste van de maand die volgt op hun 60e verjaardag, hetzij onmiddellijk indien zij de leeftijd van 60 jaar reeds zouden hebben bereikt. IX-5220-6/16 Die wijzigingen hebben uitwerking met ingang van 16 november 2005. Op 23 februari 2006 keurt de raad van bestuur de genoemde collectieve overeenkomst en het genoemd reglement goed; 2. De rechtspleging. Overwegende dat de verwerende partij ter zitting een pleitnota en bijkomende stukken wenst neer te leggen; dat de procedureregeling in schorsingsza- ken niet voorziet in de neerlegging van een pleitnota; dat de Raad van State de nota van de verzoekende partij dan ook niet als een processtuk in zijn beoordeling moet betrekken; dat evenwel, gezien als de neerslag van de mondelinge uiteenzetting op de terechtzitting, dergelijk stuk zou kunnen bijdragen tot het begrijpen van de uiteenzetting en dat het de behandeling van de zaak ter terechtzitting zou kunnen bespoedigen; dat, vanuit dat oogpunt en met die beperkte waarde, de pleitnota bij de zaak betrokken wordt; dat wat de bij de pleitnota gevoegde stukken betreft verzoekster zich verzet tegen de neerlegging van de stukken; dat, daargelaten de vraag of de principes van het contradictoir debat niet uitsluiten dat de partijen ter terechtzitting bijkomende stukken overleggen, de verwerende partij niet aantoont dat zij niet reeds van bij de aanvang van het geding over die stukken beschikte of kon beschikken; dat die stukken uit de debatten worden geweerd; 3. De ontvankelijkheid van de vordering. Overwegende dat de verwerende partij als exceptie aanvoert dat volgens het verzoekschrift de enige bestreden beslissing het besluit is van de benoemende overheid van de NV BELGACOM van 16 december 2005 waarbij verzoekster in structurele disponibiliteit wordt geplaatst met ingang van 1 januari 2006 en dit individuele besluit slechts een bevestigende handeling is die niet voor schorsing of annulatie in aanmerking komt; dat volgens haar een bevestigende beslissing enkel de beslissing die daarvoor genomen is herhaalt en dat het de beslissing is van de raad van bestuur van Belgacom van 15 december 2005 die de verzoekster in disponibiliteit plaatst en die het akkoord van 16 november 2005 aangaande een collectieve overeenkomst met betrekking tot de eerste fase van de topconferentie over de organisatie van het werk, de collectieve overeenkomst van 16 november 2005 met alle bijlagen evenals de collectieve overeenkomst die betrekking IX-5220-7/16 heeft op de regels van het beheer van het personeel van Belgacom met het oog op de uitvoering van de eerste fase van de Topconferentie over de organisatie van het werk, goedgekeurd in het Nationaal Paritair Comité van 8 december 2005, bekrachtigt; dat noch de beslissing van de raad van bestuur van 15 december 2005, noch de collectieve overeenkomst met het oog op de uitvoering van de eerste fase van de Topconferentie over de organisatie van het werk het voorwerp uitmaken van het verzoekschrift zodat volgens de verwerende partij het beroep niet ontvankelijk is; Overwegende dat verzoekster alleen het besluit van 16 december 2005 “van de benoemende overheid van de N.V. BELGACOM” waarbij zij in structurele disponibiliteit wordt geplaatst met ingang van 1 januari 2006, aanvecht; dat dit besluit haar rechtspositie wijzigt en derhalve voor annulatie en bijgevolg ook voor schorsing vatbaar is; dat in wezen daarmee ook de “algemene” beslissing van de raad van bestuur wordt bestreden; dat immers, alhoewel luidens artikel 35, § 2, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, elke regeling vastgesteld door het Paritair Comité met tweederde meerderheid van de uitgebrachte stemmen bindend is voor de raad van bestuur, zij dat alleen is voor de raad van bestuur en niet voor het personeel; dat de raad van bestuur hierbij de opdracht heeft de voor hem bindende regeling vooreerst vast te stellen en vervolgens uit te voeren en te laten individualiseren; dat dit laatste geschiedde met de bestreden beslissing; dat verzoekster bijgevolg moet worden geacht ook de beslissing van de raad van bestuur te bestrijden; dat ten slotte vastgesteld wordt dat voordien geen andere beslissing over verzoekster is genomen; dat de bijlagen van het akkoord van 16 november 2005 weliswaar, onder meer, de naam van verzoekster vermelden, doch enkel in een lijst “van de personeelsleden betrokken bij de Topconferentie en in reconversie (1 juli 2004)”; dat hieruit evenmin een beslissing over haar persoon kan worden afgeleid; dat de exceptie wordt verworpen; 4. De gegrondheid van de vordering. Overwegende dat luidens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte of het reglement een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel kan berokkenen; IX-5220-8/16 4.1.1. Overwegende dat verzoekster, met betrekking tot de eerste voorwaarde, in een zevende middel bevoegdheidsoverschrijding alsmede de schending van het evenredigheidsbeginsel aanvoert; dat zij hierbij uiteenzet dat de genomen maatregel niet in evenredigheid staat met het door de verwerende partij beoogde resultaat; dat de verwerende partij nog steeds ruime winsten maakt en over voldoende financiële middelen beschikt om voor haar pool-medewerkers een vormingsplan uit te werken en aan te bieden; dat de verwerende partij steeds individuele analyses van de getroffen medewerkers heeft geweigerd en dus niet heeft geëvalueerd of de getroffen medewerkers werkelijk alle kansen genoten hebben om een nieuwe tewerkstelling te vinden; dat de oprichting van het “temporary team” of de tijdelijke pool samenging met het schriftelijk engagement van de verwerende partij, waarin is gesteld dat een personeelslid dat in reaffectatie is nieuwe domeinen kan ontdekken en dat tegemoet gekomen wordt aan de talrijke behoeften aan tijdelijk personeel van de divisies; dat de verwerende partij dit engagement schriftelijk herhaalde aan iedere nieuwe medewerker die op de poollijst werd geplaatst; dat luidens de artikelen 34 en 35 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven de collectieve arbeids- overeenkomst uitdrukkelijk moet bepalen welke grondregel van het personeelsstatuut van toepassing is om een wijziging aan te brengen; dat de disponibiliteit wordt voorzien door artikel 34, § 2, A, 4/, terwijl in dit artikel hoegenaamd geen sprake is van een nieuwe vorm van disponibiliteit met name de “structurele disponibiliteit”; dat de verwerende partij ook helemaal ten onrechte beweert dat de structurele disponibiliteit onder toepassing valt van artikel 35, terwijl in dergelijke vorm van disponibiliteit helemaal niet wordt voorzien; dat de autoriteiten hun discretionaire bevoegdheid slechts op een wijze mogen gebruiken die niet onredelijk is; dat het door de feiten wordt aangetoond dat de situatie van de verwerende partij uitstekend is en dat zij desondanks “in een niet te rechtvaardigen overhaasting” een regime heeft op punt gesteld met zware gevolgen voor de ambtenaar “daar waar de ambtenaar reeds gedurende verschillende jaren in reconversie is”; dat de verwerende partij geenszins de principes van de evenredigheid, de voorzichtigheid en uiterste nauwkeurigheid respecteert; 4.1.2. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat uit een overzicht zoals opgenomen in het administratief dossier, blijkt dat het aantal reconversies die een positieve afloop kenden sinds 1997 8.987 bedraagt; dat daaruit onbetwistbaar volgt dat het aantal gevallen van structurele disponibiliteit, als gevolg van het niet slagen van de reconversie, slechts een kleine fractie is in vergelijking met IX-5220-9/16 het aantal gevallen van geslaagde reconversie; dat reeds het PTS plan er in voorzag dat in geval van onmogelijkheid van reconversie, andere oriëntaties of werkaanbie- dingen zouden worden voorgesteld, dat de opleiding of de stage zouden worden aangepast of dat in voorkomend geval de bepalingen van het administratief statuut zouden worden aangepast; dat het precies dit is dat de verwerende partij heeft gedaan; dat bovendien het aantal personen dat geviseerd wordt door de structurele disponibiliteit 222 bedraagt, zijnde 2,48 % van het aantal geslaagde reconversies tot december 2005; dat, steeds volgens de verwerende partij, van enige onevenredigheid of disproportionaliteit, zeker gelet op de inspanningen en de resultaten hiervan die verwerende partij heeft gedaan, dan ook geen sprake kan zijn; dat voorts de stelling dat de verwerende partij nog steeds ruime winsten maakt, gerelativeerd moet worden; dat zij hiervoor verwijst naar een krantencommentaar waaruit zou blijken dat zijn “2,7 procent tot 25,59 euro verloor” en negatieve commentaren vanwege een kredietbeoordelaar verkreeg; dat zij ook verwijst naar een antwoord op een parlementaire vraag van de vice-eerste minister en minister van Budget en van Overheidsbedrijven, van 13 oktober 2005 over “het nieuw restructureringsplan van Belgacom” waaruit zou kunnen blijken dat de minister bij de vakorganisaties aangedrongen heeft om “maatregelen (

  1. te)nemen op statutair of op contractueel niveau”; 4.1.3. Overwegende dat de verwerende partij geen antwoord verstrekt op het argument van verzoekster dat de verwerende partij “steeds individuele analyses van de getroffen medewerkers heeft geweigerd en dus niet (heeft) geëvalueerd of de getroffen medewerkers werkelijk alle kansen genoten hebben om een nieuwe tewerkstelling te vinden”; dat in deze, behoudens de algemene motivering dat de reconversie niet is gelukt, op het eerste gezicht niet blijkt waarom precies bepaalde personeelsleden in structurele disponibiliteit dienen te worden geplaatst en bepaalde anderen niet; dat het systeem van in reconversie plaatsen reeds bestaat sedert de collectieve overeenkomst van 29 april 1997, zodat de structurele disponibiliteit in principe kan worden toegepast zowel op personeelsleden die sinds bijna 9 jaar in reconversie zijn als op personeelsleden die het sinds anderhalf jaar zijn; dat indien het motief erin bestaat dat de personeelsleden niet konden gereaffecteerd worden binnen de onderneming gedurende een bepaalde periode, in redelijkheid er geen reden voorhanden blijkt te zijn waarom dezelfde behandeling zich heeft opgedrongen ten aanzien van personeelsleden voor wie de reconversieperiode zes maal korter is geweest dan voor anderen; dat in deze ook niet door de verwerende partij wordt hard gemaakt waarom het enkele feit van in een toestand van reconversie IX-5220-10/16 te zijn sedert 1 juli 2004 en het nog steeds te zijn op 16 november 2005, automatisch het bewijs moet bevatten dat het totaal onmogelijk is om het in structurele disponibiliteit gestelde personeelslid nog te reaffecteren en waarom dit dan ook een redelijke verantwoording zou zijn om aan dergelijk personeelslid die mogelijkheid tot reaffectatie te weigeren tot aan zijn vervroegd pensioen aan 60 jaar, met een wachtgeld duidelijk minder dan zijn activiteitswedde; dat voorts het aantal gevallen van structurele disponibiliteit als gevolg van het niet slagen van de reconversie slechts een kleine fractie is in vergelijking met het aantal gevallen van geslaagde reconversie evenwel geen aanduiding op zich is over de verantwoording van de individuele gevallen van structurele disponibiliteit en evenmin verantwoordt waarom het totaal onmogelijk is om het in structurele disponibiliteit gestelde personeelslid nog te reaffecteren; dat ook het ter terechtzitting aangevoerd gegeven dat verzoekster al veelvuldig loopbaanonderbreking heeft genoten niet ter zake dient; dat, immers, loopbaanonderbreking precies tot doel heeft personeelsleden in de mogelijkheid te stellen zich tijdelijk te wijden aan andere bezigheden, welke zij op dat moment prioritair achten, zonder daarom uit hun betrekking ontslag te moeten nemen en weer in het arbeidsproces ingeschakeld te kunnen worden wanneer aan die prioriteit een einde is gekomen; dat verzoekster aldus op het eerste gezicht terecht een schending van de in de zorgvuldigheidsplicht vervatte voorzichtigheids- en nauwkeurigheidsver- eisten aanvoert; dat in de bestreden beslissing immers niet is geconcretiseerd waarom de verwerende partij moest verwachten dat het onmogelijk was om verzoekster nog ooit te reaffecteren; dat de algemene verwijzing naar haar “individuele reconversiehis- toriek” en naar het feit dat haar reconversie niet gelukt is en waarbij weliswaar twee meer concrete feitelijke elementen worden aangehaald, met name het niet in aanmerking genomen zijn bij kandidatuurstellingen en het geweigerd zijn als supervisor klanten administratie, evenwel niet aantonen waarom een reconversie voor verzoekster niet mogelijk was; dat de bestreden beslissing bijgevolg niet in concreto aangeeft waarom de verwerende partij, gelet op haar motief van competiviteit en rentabiliteit, van de diensten van anderen wel en daarentegen van deze van verzoekster nooit meer gebruik kan of wil maken en waarom de maatregel zo ingrijpend op de beroepsloopbaan van verzoekster dient te wegen; dat het middel ernstig is; 4.2.1. Overwegende dat verzoekster met betrekking tot de voorwaarde van het moeilijk te herstellen nadeel aanvoert dat zij ingevolge het verlies van haar betrekking bij de verwerende partij, gezien de snelle evolutie van de technologische omgeving, zal vervreemden van de technologische ontwikkeling en dus niet meer in IX-5220-11/16 aanmerking zal komen voor een gelijkaardige tewerkstelling; dat die technologische ontwikkeling niet kan worden bijgeschoold buiten de omgeving van de verwerende partij en bij een bijscholing buiten de verwerende partij, indien zulks mogelijk zou zijn, uitzonderlijke uitgaven vereist; dat de bestreden beslissing voor haar onbetwist- baar een moreel en financieel ernstig en moeilijk te herstellen nadeel brengt; dat de definitieve weigering van elke reaffectatie en het onherroepelijk verbod om nooit meer binnen het bedrijf van de verwerende partij te werken, gelijk staat aan het verlies van haar werk dat zij als een stabiel werk bestempelt; dat het verlies van haar werk “des te meer als wreed ervaren” wordt omdat zij steeds bij de verwerende partij heeft gewerkt en steeds heeft beantwoord aan alle affectaties dewelke haar zijn voorgesteld, enkel in de hoop om tot op het einde zich nuttig te maken voor haar werkgever en te worden beschouwd als een goed element die een affectatie verdient; dat de schok “des te groter” is omdat in de fase van reconversie verzoekster minstens de zekerheid had dat in het slechtste geval zij ter beschikking zou worden gesteld bij gebrek aan reaffectatie, hetgeen in ieder geval niet de deur voor een verdere reaffectatie sloot terwijl zulks bij de betwiste terbeschikkingstelling onherroepelijk is; dat buiten de onmogelijkheid om haar werk verder te zetten bij de verwerende partij verzoekster zich verplicht ziet om de toestemming van de verwerende partij te vragen voor elke andere activiteit die zij zou wensen te ondernemen, hetgeen des te meer tergend en onnodig is aangezien de verwerende partij haar toch niet meer wenst in dienst te nemen; dat zij zich bovendien dient te onderwerpen aan jaarlijkse controles betreffende de belangrijkheid en de herkomst van haar professionele inkomsten tot op de leeftijd van 60 jaar; dat al die maatregelen “psychologisch zeer moeilijk te beleven zijn”; dat zij zich “geamputeerd (ziet) van een zeer belangrijk en essentieel referentiepunt in onze moderne sociale relaties”; dat, steeds volgens verzoekster, haar familie en kennissen zullen vaststellen “dat zij een loon ontvangt zonder hiervoor iets te doen en (...) daaruit (zullen) afleiden dat (zij) profiteert en lui is; dat het ook “minderwaardig is om thuis opgesloten te zijn, zelfs indien (zij) een deel van haar loon ontvangt, daar waar men tot op dat ogenblik altijd heeft gewerkt en dat oude werkcollega*s verder hun activiteit blijven uitoefenen”; dat zij zich ook tegenover hen minderwaardig voelt; dat voorts de morele weerslag nog zwaarder is aangezien de verwerende partij “verder een solide economische gezonde situatie blijft vertonen, in verscheidene publicitaire spots verwijst naar (haar) creativiteit en (haar) energie”; dat verzoekster als gevolg van de bestreden beslissing voortdurend afzijdig wordt gehouden van de arbeidsmarkt en zij zal aarzelen om zich in een andere professionele activiteit te storten uit vrees dat zij de door verwerende partij “opgelegde plafonds zou overstijgen"; dat zij ook aarzelt om toestemming te vragen IX-5220-12/16 voor het uitoefenen van een nieuwe activiteit omdat zij “weet dat deze toestemming zonder enige uitleg kan geweigerd worden” en er niet aan houdt “in (haar) huidige situatie opnieuw te worden vernederd door haar werkgever”; dat zij ook niet zo vlug een andere activiteit zal kunnen vinden aangezien de verwerende partij haar “maar enkele dagen opzeg heeft gegeven”; dat zij bijgevolg “beetje bij beetje” het gevoel met de arbeidsmarkt (zal) verliezen”, terwijl zij altijd actief is geweest tot op 31 december 2005; dat zelfs indien zij later een ander werk kan kiezen de tijd toch in haar nadeel zal spelen en de verlopen tijd “beetje bij beetje” de ervaring zal doen verliezen welke gevraagd wordt binnen het bedrijf van de verwerende partij; dat zij aldus gemarginaliseerd wordt; dat zij verder betoogt dat gelet op de goede economische toestand bij de verwerende partij de bestreden beslissing in haar omgeving zal geïnterpreteerd worden als een vorm van disciplinaire maatregel of straf of een maatregel welke wordt opgelegd door het feit dat zij niet naar behoren presteerde; dat die negatieve indruk nog versterkt wordt “door de ongelukkige verklaringen gedaan door minister VANDE LANOTTE door de agenten die het voorwerp uitmaken van de betwiste maatregelen ervan te beschuldigen personen te zijn die verder blijven weigeren, niettegenstaande het groot aantal aanbiedingen die hen zijn gedaan, om zich naar het bedrijf te begeven en het einde van de dag af te wachten vooraleer ze opnieuw naar huis gaan en die geen enkele job meer uitoefe- nen”; dat zij ook een niet te verwaarlozen financieel nadeel ondervindt aangezien zij door de bestreden maatregel 25 % van haar maandelijks loon vanaf 1 januari 2006 verliest; dat daarentegen de financiële situatie van de verwerende partij niet in gevaar wordt gebracht door een opschorting van de bestreden beslissing aangezien de verwerende partij “een solide gezonde financiële situatie vertoont”; dat ten slotte een vernietiging geen oplossing zal brengen: deze zal slechts binnen enkele jaren plaatshebben en ondertussen zal verzoekster toch de nadelige gevolgen en in ieder geval de sociale afstand die zij vreest ondergaan hebben; dat zij ook de ervaring op de arbeidsmarkt zal hebben verloren die zij niet meer zal kunnen inhalen en “onmiskenbaar gezichtsverlies lijdt tegenover haar collega*s-werknemers en vooral tegenover de contractuele personeelsleden” van de verwerende partij; 4.2.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota daarop antwoordt dat een financieel nadeel steeds herstelbaar is; dat verzoekster zich beperkt tot zeer algemene formuleringen en niet aantoont waaruit haar moeilijk te herstellen nadeel in concreto zou kunnen bestaan, wanneer de bestreden beslissing in afwachting van de annulatieprocedure niet onmiddellijk zou worden geschorst; dat wat het door verzoekster ingeroepen moreel nadeel betreft, de Raad van State reeds IX-5220-13/16 meermaals heeft gesteld, dat in zoverre de verzoekende partij zich beroept op een moreel nadeel, dit nadeel hersteld kan worden door de morele voldoening die een annulatiearrest aan de verzoekende partij zou verschaffen en dat derhalve het nadeel, indien al ernstig, alleszins niet moeilijk te herstellen is; 4.2.3. Overwegende dat verzoekster in haar verzoekschrift heeft aangegeven dat zij geboren is op 23 februari 1967 en dat zij sedert 1991 bij de verwerende partij werkzaam is; dat de Raad van State hieruit kan afleiden dat zij op vierentwintigjarige leeftijd bij de verwerende partij is gaan werken en er reeds meer dan 15 jaar werkzaam was toen de bestreden beslissing genomen werd; dat die, ingegaan op 1 januari 2006, aan verzoekster is bekendgemaakt met een aangetekende brief van 16 december 2006; dat weliswaar het haar aangeboden wachtgeld voldoende lijkt om tot op haar pensioengerechtigde leeftijd een menswaardig bestaan te kunnen leiden; dat dit financieel nadeel waaromtrent verzoekster overigens geen details verstrekt bijgevolg niet van die aard is dat zij en gebeurlijk haar gezin in een precaire financiële situatie zouden terechtkomen; dat overigens de weddeverminde- ring als gevolg van de bestreden beslissing berekenbaar is en bij een gebeurlijke latere vernietiging probleemloos kan worden vastgesteld; dat het door verzoekster ingeroepen financieel nadeel bijgevolg niet is aangetoond; dat de bestreden beslissing weliswaar geen ambtshalve ontslag is, doch hiermee toch een zekere gelijkenis vertoont aangezien verzoekster, praktisch van de ene dag op de andere niet meer wordt toegelaten om haar werk bij de verwerende partij verder te zetten en het bijgevolg een feitelijk verbod betekent om terug in dienst te treden en dit tot de leeftijd van oppensioenstelling die op zestig jaar werd gebracht; dat dit verbod definitief is; dat zij de technische vaardigheden die vereist waren voor haar werk en die zij jarenlang heeft opgebouwd, niet zo maar verder zal kunnen uitoefenen omdat zij steeds de toelating zal moeten verkrijgen van de verwerende partij; dat zij terecht beducht is voor de vernedering die zij zou ondergaan in geval zij geen toelating zou krijgen; dat verzoekster dit verlies van jarenlange ervaring terecht aanziet als een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel; dat ten slotte het door verzoekster ingeroepen moreel nadeel dat zij niet meer in staat zal zijn om in de toekomst als statutair ambtenaar bij de verwerende partij te werken ontegensprekelijk bij verzoekster, en ook in haar omgeving, overkomt als een maatregel van verwijdering wegens niet voldoende goed presteren en derhalve een negatie van haar capaciteiten inhoudt; dat zij zich, gelet op haar leeftijd, terecht in de ogen van haar omgeving als “gemarginali- seerd” en verminderd kan beschouwen; dat in die bijzondere omstandigheden de IX-5220-14/16 Raad van State van oordeel is dat de genoegdoening van een gebeurlijke latere vernietiging niet zal volstaan om dat nadeel te herstellen; 4.3. Overwegende dat aldus aan de beide in artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State gestelde voorwaarden is voldaan, BESLUIT: Artikel 1. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van 16 december 2005 van de benoemende overheid van de NV BELGACOM waarbij Anne-Marie EMMERECHTS in structurele disponibiliteit wordt geplaatst met ingang van 1 januari 2006. Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. IX-5220-15/16 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig juni 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-5220-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.447 Gerelateerde publicatie(
  2. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.696 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.