← België

Arrest 160523 - - 26/06/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.523 Vervangt nummer: ECLI:BE:RSCE:2006:ARR.20060626.17 ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.20060626.17 Rolnummer: A. 155222/IX-4644 Zaak: Arrest 160523 - - 26/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2018-10-10 Raadplegingen: 98 - laatst gezien 2026-06-30 22:41 Fiche Arrest nr 160.523 van 26 juni 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 160.523 van 26 juni 2006 in de zaak A. 155.222/IX-

  1. In zake : Josette HERMANS, die woonplaats kiest bij advocaat A. BORGERS, kantoor houdende te LUMMEN, Ringlaan 15 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaat I. DE VROE, kantoor houdende te GENT, Begijnhoflaan
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Josette HERMANS op 31 augustus 2004 heeft ingediend om een administratief cassatieberoep in te stellen tegen de beslissing van de vijfde kamer van de Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden van 9 juli 2004, waarbij haar verzoek tot het bekomen van een hoofdhulp onontvankelijk werd verklaard; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op de beschikking van 7 november 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gezien het verzoek tot voortzetting ingediend door verzoekster op 7 december 2005; IX-4644-1/6 Gezien de laatste memorie ingediend door de verwerende partij op 6 februari 2006; Gelet op de beschikking van 29 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 juni 2006; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat G. VANREPPELEN, die loco advocaat A. BORGERS verschijnt voor verzoekster, en van advocaat I. DE VROE die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  4. Josette HERMANS wordt op 8 augustus 1998 in haar woning te Diepenbeek meermaals met een breekijzer geslagen door haar echtgenoot, Alexander VAN DOMMELEN. Deze laatste kan overmeesterd worden door twee rijkswachters die toevallig in de buurt zijn. Het slachtoffer wordt overgebracht naar het Virga Jesseziekenhuis te Hasselt, waar het tot en met 18 augustus 1998 voor verzorging verblijft. 1.
  5. Bij beschikking van 24 november 1998 van de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt wordt Alexander VAN DOMMELEN wegens poging tot moord geïnterneerd. Verzoekster stelt zich voor de raadkamer geen burgerlijke partij tegen haar echtgenoot. 1.
  6. Op 5 oktober 1999 vraagt verzoekster de Commissie voor hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden (thans : de Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden) om toekenning van een hoofdhulp wegens de feiten van 8 augustus
  7. IX-4644-2/6 1.
  8. Sinds 3 mei 2003 is verzoekster uit de echt gescheiden. 1.
  9. Haar aanvraag wordt op 23 juni 2004 door de vijfde kamer van de Commissie behandeld. 1.
  10. Op 9 juli 2004 neemt deze kamer de thans bestreden beslissing, waarbij de aanvraag van verzoekster onontvankelijk wordt verklaard. 1.
  11. Deze beslissing rust op volgende redengeving : “De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op ‘schadeloosstel- ling’, maar wel op het eventueel bekomen van een ‘hulp’, gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de ‘volledige vergoeding’ van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 32 en 33 van de wet van 1 augustus 1985 nageleefd te worden. De heer Alexander Van Dommelen werd geïnterneerd bij beschikking van de Raadkamer d.d. 24 november
  12. Deze internering werd uitgevoerd tot 26 november 1999, zijnde de datum waarop betrokkene werd ontslagen uit de psychiatrie. Tot 2005 is hij vrij op proef. Luidens artikel 31bis, 3/, van de wet van 1 augustus 1985 kan een financiële hulp worden toegekend onder de volgende voorwaarde : ‘Er is een definitieve rechterlijke beslissing over de strafvordering genomen en de verzoeker heeft schadevergoeding nagestreefd door middel van een burgerlijke partijstelling, een rechtstreekse dagvaarding of een vordering voor een burgerlijke rechtbank’. In het onderhavig dossier ontbreekt een burgerlijke partijstelling. Volgens verzoekster zou een burgerlijke partijstelling lastens haar echtgenoot voor de Raadkamer nadelig (kunnen) geweest zijn voor de hangende echtscheidingspro- cedure (op grond van feiten). Bij de behandeling van de zaak voor de Raadka- mer bleek dat de heer Van Dommelen voor internering in aanmerking kwam. In het kader van de echtscheidingsprocedure hield verzoekster evenwel voor dat haar echtgenoot zich wel degelijk bewust was van de door hem begane fouten. Mocht verzoekster zich burgerlijke partij gesteld hebben lastens haar echtgenoot, zou dit erop neerkomen dat zij akkoord ging met diens internering. Aldus zou ook de echtscheidingsprocedure op grond van feiten niet verder kunnen behandeld worden (geen schuldbewijs). Kortom, verzoekster roept overmacht in voor het zich niet stellen van burgerlijke partij. In de onderhavige zaak is de Commissie van oordeel dat overmacht niet kan aangenomen worden, aangezien verzoekster in het kader van haar echtscheiding de strategische keuze heeft genomen om zich geen burgerlijke partij te stellen. In deze omstandigheden kan het ontbreken van een burgerlijke partijstelling niet als overmacht worden beschouwd. Het afwijzen van het hulpverzoek betekent echter geenszins dat de Commis- sie blind blijft voor het onnoemelijke leed dat verzoekster ongetwijfeld heeft ondergaan naar aanleiding van de op haar gepleegde gewelddaden, wel integendeel”. IX-4644-3/6
  13. Overwegende dat verzoekster een enig middel aanvoert dat als volgt luidt : “Overeenkomstig artikel 31, § 1, 3/ is vereist dat het slachtoffer zich burgerlijke partij moet gesteld hebben uit hoofde van de bestanddelen van het strafbare feit van de opzettelijke gewelddaad, of een rechtstreekse dagvaarding hebben uitgebracht, of een procedure hebben ingeleid bij de burgerlijke rechtbank; Aangezien verzoekster zich geen burgerlijke partij heeft gesteld om de reden hierboven aangehaald, nl. dat de internering zou gevorderd worden op de zitting van de Raadkamer dd. 9 juli 2004 (lees : 22 november 1998); Bovendien dient niet uit het oog te worden verloren dat verzoekster nog steeds kan overgaan tot rechtstreekse dagvaarding of de voor de Rechtbank van Eerste Aanleg ingeleide procedure verderzetten; Aangezien de nietigverklaring dient uitgesproken te worden van de beslissing van de Commissie voor hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden dd. 9 juli 2004, en dit op basis van artikel 31, § 1, 3/ van de wet van 1 augustus 1985.”; 2.
  14. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat het enig middel onduidelijk en bijgevolg onontvankelijk is; dat zij daaraan toevoegt dat verzoekster toegeeft dat zij zich geen burgerlijke partij heeft gesteld en dat de bestreden beslissing op goede gronden overweegt dat het motief om zich geen burgerlijke partij te stellen voor de raadkamer met name de hangende echtscheidings- procedure op grond van bepaalde feiten, ingeleid tegen haar echtgenoot, en het aldaar gehanteerde schuldprincipe, geen geval van overmacht uitmaakt waarop verzoekster een beroep deed voor de Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden; 2.
  15. Overwegende dat verzoekster repliceert dat zij wel degelijk overmacht kan inroepen; 3.
  16. Overwegende dat verzoekster de schending aanvoert van artikel 31, § 1, 3/, van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, zijnde artikel 31bis, 3/, zoals gewijzigd door de wet van 26 maart 2003, op het tijdstip van de thans bestreden beslissing; Overwegende dat artikel 31bis, 3/, als volgt luidt: “De financiële hulp als bedoeld in artikel 31 wordt toegekend onder de volgende voorwaarden : (...); 3/ Er is een definitieve rechterlijke uitspraak over de strafvordering en de verzoeker (verzoekster) heeft schadevergoeding nagestreefd door middel van IX-4644-4/6 een burgerlijke partijstelling, een rechtstreekse dagvaarding of een vordering voor de burgerlijke rechtbank. (...).”; 3.
  17. Overwegende dat verzoekster betoogt dat zij zich geen burgerlijke partij kon stellen voor de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt, omdat dit zou meebrengen dat zij alsdan instemde met de internering van haar echtgenoot; dat zij daaraan toevoegt dat de echtscheidingsprocedure op grond van bepaalde feiten die zij had ingeleid tegen haar echtgenoot niet verder kon worden behandeld, omdat, gelet op de internering van haar echtgenoot, zij niet zou slagen in het bewijs van de gewelddaden en de grove beledigingen lastens haar echtgenoot, die het bewijs van schuld impliceren; dat de internering het schuldelement uitsluit; 3.
  18. Overwegende dat de argumentatie van verzoekster feitelijke grondslag mist, vermits uit de memorie van wederantwoord van 20 oktober 2003, die de advocaat van verzoekster op 21 oktober 2003 heeft ingediend bij de commissie, blijkt dat : “(...) In casu de echtscheidingsprocedure niet gevoerd is geworden op basis van de feiten van 8 augustus 1998, doch wél op basis van andere daaraan voorafgaande feiten welke als reden zijn ingeroepen geworden voor het bekomen van de echtscheiding en op welke basis trouwens ook de echtscheiding werd toegestaan.”; Overwegende dat verzoekster geen overmacht kan inroepen omdat niets haar belette om voornoemd artikel 31bis, 3/, van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen na te leven; dat verzoekster bovendien niet aantoont dat zij een rechtstreekse dagvaarding of een vordering voor de burgerlijke rechtbank heeft uitgebracht; dat dit evenmin werd aangetoond door de advocaat van verzoekster ter openbare terechtzitting van 19 juni 2006; Overwegende dat uit wat voorafgaat volgt dat het enig middel niet kan worden aangenomen, vermits het feitelijke grondslag mist, BESLUIT: Artikel
  19. Het beroep wordt verworpen. IX-4644-5/6 Artikel
  20. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoekster. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig juni 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-4644-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.523 Gerelateerde publicatie(s) Link JUSTEL: ECLI:BE:COHSAV:2004:DEC.20040709.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.