← België

Arrest 160525 - - 26/06/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.525 Vervangt nummer: ECLI:BE:RSCE:2006:ARR.20060626.16 ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.20060626.16 Rolnummer: A. 130991/IX-3644 Zaak: Arrest 160525 - - 26/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2013-04-10 Raadplegingen: 87 - laatst gezien 2026-06-30 22:42 Fiche Arrest nr 160.525 van 26 juni 2006 - Beslissing : Vernietiging Kantmelding Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 160.525 van 26 juni 2006 in de zaak A. 130.991/IX-

  1. In zake : Etienne DE VRIENDT, die woonplaats kiest bij advocaat Ph. VANDE WEGHE, kantoor houdende te OUDENAARDE, Einestraat 22 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaat P. PEETERS, kanroor houdende te BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 17 bus
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Etienne DE VRIENDT op 24 december 2002 heeft ingediend om een administratief cassatieberoep in te stellen tegen de beslissing van de eerste kamer van de Commissie voor hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden van 24 oktober 2002, waarbij zijn verzoek tot schadevergoeding van 30 augustus 2000 ontvankelijk, doch ongegrond werd verklaard; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op de beschikking van 22 september 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memorie van de verwerende partij; IX-3644-1/9 Gelet op de beschikking van 29 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 juni 2006; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. BAUTERS, die loco advocaat Ph. VANDE WEGHE verschijnt voor verzoeker, en van advocaat J. MOSSELMANS, die loco advocaat P. PEETERS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1.. Overwegende dat, volgens de verklaringen van de verzoekende partij, de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. Op 11 december 1999 neemt de verzoekende partij samen met zijn echtgenote Elza DAENINCK, deel aan een wandeltocht in Gent. Uit tegenovergestelde richting komen drie meisjes van 15 tot 20 jaar oud, van vreemde origine aangewandeld. De drie meisjes kruisen de verzoekende partij en schoonzoon en wandelen vervolgens verder richting echtgenote en dochter van de verzoekende partij. Bij het kruisen van die laatsten lopen twee van de meisjes tegen beide dames aan, de echtgenote van de verzoekende partij beweert een slag in de borststreek te hebben gekregen en haar dochter een slag ter hoogte van de linkerslaap. De geschrokken dames roepen en de verzoekende partij en schoonzoon proberen de gevluchte meisjes in te halen, wat uiteindelijk in de Baaisteeg lukt. De verzoekende partij beweert daar te zijn aangevallen door één van de meisjes, waardoor hij achterover viel en zijn pols brak. Derden komen toegesneld maar de daders kunnen ontkomen en worden nooit gevonden. 1.
  4. De verzoekende partij legt een klacht neer tegen onbekenden en stelt zich later burgerlijke partij bij de onderzoeksrechter te Gent. IX-3644-2/9 1.
  5. Op 6 september 2000 dient zij bij de Commissie voor hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden een aanvraag tot toekenning van een hulp van 11.918,27 euro in. 1.
  6. Op 3 september 2001 oordeelt de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent dat er geen aanleiding is tot vervolging aangezien de feiten niet aan één of meer bepaalde personen kunnen worden toegeschreven. 1.
  7. De aanvraag van de verzoekende partij wordt door de eerste kamer van de Commissie behandeld op 5 september
  8. 1.
  9. Op 24 oktober 2002 verklaart deze kamer deze aanvraag ontvankelijk maar ongegrond. Dit is de thans bestreden beslissing die als volgt is gemotiveerd : “Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd. Aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden werd voldaan. De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op ‘schadeloosstelling’, maar wel op het eventueel bekomen van een ‘hulp’, gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de ‘volledige vergoeding’ van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 32 en 33 van de wet van 1 augustus 1985 nageleefd te worden. Rechtspraak en rechtsleer zijn het erover eens dat de benadeelde die door de buitenvervolgingstelling door de Raadkamer wordt afgewezen, zich met zijn vordering tot schadevergoeding kan wenden tot de burgerlijke rechtbank (zie Verstraeten, R., ‘Handboek Strafvordering’ (3e bijgewerkte druk), nr. 1039- 1040, Antwerpen, Maklu, 1999). De afwezigheid van een gezag van gewijsde na buitenvervolgingstelling vloeit voort uit het feit dat het onderzoeksgerecht slechts oordeelt over ‘bezwaren’ en niet over bewijzen. Het Hof van Cassatie (Cass., 7 oktober 1976, R.W., 1976-77, 1569) besliste dat, gelet op de aard van de uitspraak van de Raadkamer, de burgerlijke rechter moet overgaan tot een eigen beoordeling van de voorgelegde gegevens en zich niet gebonden mag achten door de uitspraak van de strafrechter. De Commissie dient dus zelf het al of niet aanwezig zijn van ‘een ernstig lichamelijk letsel of nadeel voor zijn gezondheid als rechtstreeks gevolg van een opzettelijke gewelddaad in België gepleegd’ te onderzoeken. Op basis van alle elementen geput uit het verzoekschrift van de heer DE VRIENDT, uit de kopie van het strafdossier dat de verzoeker heeft laten neerleggen en uit de mondelinge toelichting ter zitting verstrekt door zijn raadsman, komt de Commissie tot de conclusie dat er onvoldoende gegevens aanwezig zijn om aan te nemen dat de verzoeker het slachtoffer is geweest van een opzettelijke gewelddaad, zoals door artikel 31 van de wet vereist wordt. Om deze reden moet het verzoekschrift dan ook als ongegrond afgewezen worden”. IX-3644-3/9 Het is deze beslissing, waarvan thans de vernietiging wordt gevorderd. 2.
  10. Overwegende dat de verzoekende partij in het eerste middel aanvoert dat de bestreden beslissing artikel 31 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen schendt, doordat haar verzoek ongegrond wordt verklaard omdat het niet zou voldoen aan de voorwaarden van artikel 31 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, terwijl nochtans alle wettelijke voorwaarden duidelijk zijn vervuld : zij heeft alle inspanningen geleverd om haar schade te laten vergoeden door de daders, zij heeft sinds haar geboorte de Belgische nationaliteit en zij heeft zich burgerlijke partij gesteld; Overwegende dat de verzoekende partij doet gelden dat wanneer haar verzoek door de Commissie werd afgewezen, dit niet anders kan dan dat de Commissie, in strijd met artikel 31 van de wet van 1 augustus 1985, een bijkomende voorwaarde creëert; 2.1.
  11. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt : dat het voorhanden zijn van een opzettelijke gewelddaad die als rechtstreeks gevolg heeft dat een persoon lichamelijk letsel of een nadeel voor zijn gezondheid oploopt, na het termijnvereiste, de eerste voorwaarde is waaraan voldaan moet zijn; dat de Commissie in onderhavige zaak van oordeel is dat uit het verzoekschrift, het strafdossier en de mondelinge toelichting ter zitting niet kan worden afgeleid dat er effectief sprake is geweest van een opzettelijke gewelddaad; dat de Commissie de voorwaarden van artikel 31 op generlei wijze heeft uitgebreid maar heeft nagegaan in hoeverre was voldaan aan de vereisten opgesomd in artikel 31, met name onder meer de al dan niet aanwezigheid van een ‘opzettelijke gewelddaad’; dat, gezien haar appreciatiebevoegdheid, de Commissie in redelijkheid vermocht te oordelen dat in het verzoekschrift, het strafdossier en de mondelinge toelichting onvoldoende gegevens voorhanden zijn om aan te nemen dat de verzoekende partij het slachtoffer was van een opzettelijke gewelddaad; Overwegende dat de verzoekende partij in essentie repliceert dat het strafdossier wel degelijk verschillende elementen bevat die de opzettelijke gewelddaad bewijzen, en dat er wel degelijk een opzettelijke gewelddaad tegen IX-3644-4/9 personen werd gepleegd (materieel element) en dat de daders bovendien de bedoeling hadden om deze gewelddaden te plegen (moreel element); Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie betoogt dat “een beslissing van de Commissie een eigen redengeving dient te bevatten, die op zich alle elementen weergeeft die de overtuiging van de Commissie hebben bepaald, die een verantwoording vormen van het beschikkend gedeelte van de beslissing en die een wettigheidstoezicht van de Raad van State mogelijk maken; dat de redengeving daarenboven niet dubbelzinnig, tegenstrijdig, onduidelijk of volstrekt irrelevant mag zijn”; dat de verwerende partij besluit dat de beslissing van de Commissie aan deze vereisten voldoet; 2.1.
  12. Overwegende dat één van de voorwaarden om voor hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden in aanmerking te komen is dat men “een ernstig lichamelijk letsel of nadeel voor zijn gezondheid heeft ondervonden als rechtstreeks gevolg van een opzettelijke gewelddaad”; dat de verzoekende partij dus het slachtoffer moet zijn geweest van een opzettelijke gewelddaad, wat volgens de aangevochten beslissing onvoldoende is aangetoond; dat de verwerping van de aanvraag van de verzoekende partij op die grond niet inhoudt dat de Commissie een bijkomende voorwaarde aan de wet heeft toegevoegd, doch enkel heeft nagegaan of aan één van de wettelijke toekenningsvoorwaarden is voldaan; 2.1.
  13. Overwegende dat het enkel aan de Commissie toekomt om ten gronde na te gaan of aan alle wettelijke voorwaarden is voldaan om te bepalen of de verzoekende partij al dan niet het slachtoffer was van een opzettelijke gewelddaad; dat de Raad van State, als administratieve cassatierechter enkel nagaat of de aangevochten beslissing overeenkomstig de wet is genomen en dat het de Raad bijgevolg niet toekomt om de grond van de zaak opnieuw te onderzoeken; dat het eerste middel ongegrond is; 2.
  14. Overwegende dat de verzoekende partij in het tweede middel aanvoert dat de aangevochten beslissing genomen is met schending van de formele en materiële motiveringsplicht zoals bepaald in de wet van 29 juli 1991 en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, doordat de bestreden beslissing kortweg overweegt dat er onvoldoende gegevens aanwezig zijn om aan te nemen dat de verzoekende partij het slachtoffer is geweest van een opzettelijke gewelddaad, zoals vereist door artikel 31 van de wet, terwijl elke beslissing de juridische en de feitelijke IX-3644-5/9 overwegingen moet vermelden die eraan en grondslag liggen en deze motivering bovendien afdoende en draagkrachtig moet zijn; Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de motivering van bestuurshandelingen niet van toepassing is op de beslissingen van de Commissie voor hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden daar dit een administratief rechtscollege is; dat dit evenzeer geldt voor het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur dat administratieve overheden verplicht om bestuurshandelingen formeel en materieel te motiveren; dat administratieve rechtscolleges wel onderworpen zijn aan een formele motiveringsplicht op grond van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet; dat vereist is dat een beslissing van de Commissie een eigen redengeving bevat die op zich alle elementen weergeeft die de overtuiging van de rechter hebben bepaald, die een verantwoording vormen voor het beschikkend gedeelte van de beslissing en die het wettigheidstoezicht van de Raad van State mogelijk maken; dat de redengeving ook niet dubbelzinnig, tegenstrijdig, onduidelijk of volstrekt irrelevant mag zijn; dat de beslissing van de Commissie aan die vereisten beantwoordt; dat de Commissie immers duidelijk stelt dat zij de mening is toegedaan dat uit de feitelijke gegevens zoals vermeld in het verzoekschrift, het strafdossier en de mondelinge toelichting ter zitting niet kan worden afgeleid dat er effectief sprake is geweest van een opzettelijke gewelddaad in de zin van artikel 31 van de wet; dat het feit dat de verzoekende partij het met deze motivering niet eens kan zijn, niet wegneemt dat de beslissing terdege werd gemotiveerd; Overwegende dat de verzoekende partij repliceert dat het haar niet duidelijk was op grond waarvan haar de tussenkomst van het Fonds voor slachtoffers van opzettelijke gewelddaden werd geweigerd; dat ze pas na kennisname van de memorie van antwoord inzicht heeft gekregen in de redengeving van de bestreden beslissing; dat de motivering van de bestreden beslissing niet meer is dan een verzameling van enkele standaardargumenten en basisbeginselen over de niet toekenning van de gevraagde steun; dat zij met andere woorden geen kennis had van de werkelijke grondslagen van de bestreden beslissing; 2.2.
  15. Overwegende dat de Commissie voor hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden een administratief rechtscollege is; dat bijgevolg de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en IX-3644-6/9 de algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet van toepassing zijn op haar beslissingen; Overwegende dat de verplichting voor de Commissie voor hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden om haar beslissingen met redenen te omkleden echter vervat ligt in artikel 149 van de Grondwet, waarvan de inhoud voor de materie van de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden is herhaald in artikel 34ter (vroeger artikel 34, § 5) van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen en in artikel 32 van het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden; Overwegende dat rechtsprekende beslissingen alleen al bij het lezen van hun motieven moeten kunnen worden begrepen; dat deze motieven niet vaag, duister of onduidelijk mogen zijn; Overwegende dat, hoewel de Commissie in laatste aanleg oordeelt of aan de door de wet gestelde toekenningsvoorwaarden is voldaan (en derhalve ook of een opzettelijke gewelddaad voldoende is bewezen), het nochtans aan de Raad van State toekomt om na te gaan of haar beslissing naar behoren met redenen is omkleed, inzonderheid of de gronden waarop deze beslissing steunt genoegzaam zijn aangegeven; Overwegende dat de reden waarom de aanvraag van de verzoekende partij door de Commissie wordt afgewezen, in wezen is beperkt tot de considerans dat “er onvoldoende gegevens aanwezig zijn om aan te nemen dat de verzoekende partij het slachtoffer is geweest van een opzettelijke gewelddaad, zoals door artikel 31 van de wet vereist wordt”; Overwegende dat uit deze redengeving niet kan worden opgemaakt waarom de Commissie van oordeel is dat de aan haar voorgelegde elementen niet volstaan om aan te nemen dat de verzoekende partij het slachtoffer is geweest van een opzettelijke gewelddaad; dat het op basis van de aangevochten beslissing volstrekt onduidelijk is waarop dit oordeel van de Commissie is gesteund; 2.2.
  16. Overwegende dat de bestreden beslissing bijgevolg te summier is gemotiveerd om uit te maken waarop de oordeelsvorming van de Commissie precies IX-3644-7/9 is gebaseerd; dat dit des te meer klemt nu de verwerende partij voor de Commissie niet heeft betwist dat de verzoekende partij het slachtoffer was van een opzettelijke gewelddaad, en uitdrukkelijk heeft aangenomen dat betrokkene “op 11 december 1999 slachtoffer werd van opzettelijke slagen en verwondingen, en dat de “daders onbekend bleven”; dat het tweede middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
  17. Vernietigd wordt de beslissing van de eerste kamer van de Commissie voor hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden van 24 oktober 2002, waarbij haar verzoek tot schadevergoeding van 30 augustus 2000 ontvankelijk, doch ongegrond werd verklaard. Artikel
  18. Dit arrest zal in de registers van de commissie voor hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden worden overgeschreven en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van de vernietigde beslissing. Artikel
  19. De zaak wordt verwezen naar een uit andere leden samengestelde kamer van de commissie. Artikel
  20. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. IX-3644-8/9 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig juni 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-3644-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.525 Gerelateerde publicatie(s) Link JUSTEL: ECLI:BE:COHSAV:2007:DEC.20070327.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.