← België

Arrest 160529 - - 26/06/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.529 Rolnummer: A. 150337/X-11832 Zaak: Arrest 160529 - - 26/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-07-06 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 22:45 Fiche Arrest nr 160.529 van 26 juni 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE.nr. 160.529 van 26 juni 2006 in de zaak A. 150.337/X-11.

  1. In zake :
  2. de nv MOLENS 'T KINDT,
  3. Frans 'T KINDT, die woonplaats kiezen bij Advocaat S. BEELE, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, President Kennedypark 26 a tegen :
  4. de gemeente AVELGEM,
  5. het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaat Y. FRANÇOIS, kantoor houdende te 8790 WAREGEM, Eertbruggestraat
  6. ------------------------------------------------------------------------------------------ DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de nv MOLENS 'T KINDT en Frans 'T KINDT op 2 april 2004 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 20 januari 2004 van de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie houdende goedkeuring van het bijzonder plan van aanleg "Kaaistraat" van de gemeente Avelgem, bestaande uit een plan van de bestaande toestand en uit een bestemmingsplan met bijbehorende stedenbouwkundige voorschriften, "in de mate dat het bijzonder plan van aanleg de inkleuring van de zones 6 en 7 wijzigt en de voetweg nr. 21 verlegt, zodat twee woningen van tweede verzoeker dienen afgebroken te worden en in de mate dat de toegang tot zone 7 dient gewijzigd te worden en in de mate dat de voorschriften van het BPA bepalen dat deze wijzigingen moeten voorzien worden bij de eerstvolgende stedenbouwkundige aanvraag door eerste verzoekster"; Gelet op het arrest nr. 137.987 van 3 december 2004 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; X-11.832-1/4 Gelet op het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van 31 december 2004 ingediend door verzoekende partijen; Gelet op de kennisgeving van de memorie van antwoord van de tweede tegenpartij en van het verzuim van de eerste tegenpartij een memorie van antwoord in te dienen aan de verzoekende partijen op 23 februari 2005; Gelet op de kennisgeving aan de partijen, op grond van artikel 14bis, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State; Gelet op het schrijven van de verzoekende partijen van 6 juni 2005, waarbij zij vragen om te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 7 april 2006, houdende oproeping van de partijen om te verschijnen op 19 mei 2006 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat G. VERHAEGHE die loco Advocaat S. BEELE verschijnt voor de verzoekende partijen; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de griffie met brieven van 21 februari 2005 aan de verzoekende partijen kennis heeft gegeven van een afschrift van de memorie van antwoord van de tweede verwerende partij en van het verzuim van de eerste verwerende partij een memorie van antwoord in te dienen; dat deze brieven melding maken van artikel 21, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, en van artikel 14bis, § 1, van voornoemd besluit van de Regent; Overwegende dat de verzoekende partijen een memorie van wederantwoord hebben ingediend die niet bij ter post aangetekende brief werd verstuurd; X-11.832-2/4 Overwegende dat krachtens artikel 84 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State alle processtukken bij een ter post aangetekende brief aan de Raad van State toegezonden moeten worden; dat, zoals onder meer blijkt uit het verslag aan de Regent dat voorafgaat aan dit besluit, de bedoeling van dit voorschrift is vaste datum te geven aan de Raad van State toegezonden processtukken; dat uit de in artikel 84 gestelde regel bovendien blijkt dat het de wil van de stellers van de procedureregeling is geweest dat enkel door middel van de aantekening ervan ter post aan de verzending van een processtuk aan de Raad van State vaste datum kan worden gegeven; dat uit het vorenstaande eveneens volgt dat de vaste datum, in casu van de memorie van wederantwoord, in tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partijen voorhouden, niet kan blijken uit de vermelding door de griffie van een datum van ontvangst op het voorblad van het gerechtsdossier; Overwegende dat de verzoekende partijen niet betwisten dat de memorie van wederantwoord niet aangetekend werd verzonden, hoewel de griffie in brief van 1 augustus 1997 uitdrukkelijk de aandacht van verzoekende partij op dit voorschrift heeft gevestigd; Overwegende dat de vereiste van de ter post aangetekende zending niet op straffe van nietigheid is voorgeschreven; dat een procedurestuk ook vaste datum kan krijgen, door het ter post aangetekend schrijven van de griffie waarin deze melding maakt van bedoeld procedurestuk; dat in casu de door de verzoekende partijen ingediende memorie van wederantwoord door de griffie bij gewone brief aan de verwerende partijen werd meegedeeld om reden dat de kennisgeving van de memorie van wederantwoord geen termijnen opent; dat een kennisgeving bij gewone brief niet toelaat aan een niet ter post aangetekende zending alsnog vaste datum te verlenen; dat evenmin uit enig ander stuk blijkt dat de memorie van wederantwoord binnen de gestelde termijn van zestig dagen vaste datum heeft verkregen; Overwegende dat de memorie van wederantwoord geen vaste datum heeft verkregen binnen de termijn van zestig dagen, bepaald in artikel 7 van voornoemd besluit van de Regent; dat er geen rekening mee kan worden gehouden; dat krachtens het artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vastgesteld dient te worden dat het vereiste belang om de gevorderde vernietiging te verkrijgen ontbreekt; X-11.832-3/4 BESLUIT: Artikel
  7. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  8. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep, bepaald op 700 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig juni 2006, door : de H. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. J. CAMU, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, J. CAMU. J. BOVIN. X-11.832-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.529 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.987 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.