id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.589 Rolnummer: A. 166878/X-12532 Zaak: Arrest 160589 - - 27/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-07-12 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-06-30 22:54 Fiche Arrest nr 160.589 van 27 juni 2006 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 160.589 van 27 juni 2006 in de zaak A. 166.878/X-12.532. In zake : Andrew VANCOILLIE, die woonplaats kiest bij Advocaat M. RYELANDT, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Filips de Goedelaan 11 tegen : de Bestendige Deputatie van de provincieraad van WEST- VLAANDEREN. tussenkomende partij : de bvba LAVAPIC, die woonplaats kiest bij Advocaat S. RONSE, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, President Kennedypark 8b. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Andrew VANCOILLIE op 14 oktober 2005 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 4 augustus 2005 van de Bestendige Deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen waarbij aan de bvba LAVAPIC de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het bouwen van een varkensbedrijf gelegen te Izegem, Ondankstraat, op een perceel kadastraal bekend sectie C, nr. 320a; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur T. DE WAELE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 22 december 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 januari 2006; X-12.532-1/13 Gehoord het verslag van Staatsraad G. DEBERSAQUES; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. RYELANDT die verschijnt voor de verzoekende partij, van Adjunct-adviseur P. DEWULF die verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat S. RONSE die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur T. DE WAELE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de bvba LAVAPIC met een verzoekschrift van 10 november 2005 heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen; Overwegende dat de tussenkomende partij de ontvankelijkheid van het beroep betwist; dat uit hetgeen hierna volgt zal blijken dat in elk geval niet voldaan is aan de grondvoorwaarden voor het inwilligen van de vordering tot schorsing; dat het in die omstandigheden niet nodig is om de opgeworpen exceptie te onderzoeken; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende, wat de voorwaarde betreffende het aanvoeren van ernstige middelen betreft, dat de verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 43, § 2, eerste lid, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 en van artikel 19, laatste lid, van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen; dat hij verder doet gelden wat volgt : X-12.532-2/13 "Zowel in het kader van de milieuvergunningsprocedure als in het kader van de stedenbouwkundige procedure, werd door AROHM onderbouwd negatief geadviseerd, telkens verwijzende naar het homogeen landbouwgebied en behoud van de open ruimte. Door de redenering aan te voeren dat de voorziene werken zone-eigen zijn en dat de beoordeling van de ruimtelijke omgeving er echter niet mag toe leiden dat elke stedenbouwkundige vergunningsaanvraag tot herlocalisatie wordt afgestoten met de reden dat het een open landschap betreft, miskende de Bestendige Deputatie de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening en de toetsing aan de ruimtelijke draagkracht van de omgeving. Ook AROHM heeft reeds een beoordeling gemaakt van de goede ruimtelijke ordening, dit aan de hand van twee elementen, nl de voorziene werken en anderzijds de omgeving. Evenwel is het zo dat de omgeving door de Bestendige Deputatie op een andere wijze beoordeeld wordt, nl. stelt zij dat het niet kan beschouwd worden als een open onaangetaste omgeving. Bij het afwegen van de ruimtelijke draagkracht werd door de Bestendige Deputatie op onvoldoende wijze rekening gehouden met alle elementen die verband houden met de ruimtelijke draagkracht van de omgeving. De Bestendige Deputatie spreekt zichzelf in de bestreden beslissing trouwens tegen. Zij stelt immers 'het is nu eenmaal eigen aan landbouwgebied dat dit doorgaans een open gebied betreft', wat impliceert dat de Bestendige Deputatie in feite toegeeft dat het betrokken gebied en omgeving een open gebied betreft. De aanwezigheid van een beperkte serre, een kantoorgebouw en verspreide woningen, alsook hier (
- en)daar een hoogspanningsmast, sluit niet uit dat een gebied kan beschouwd worden als een open onaangetaste omgeving en een homogeen landbouwgebied. Verzoeker legt foto's voor van de wijde omgeving, waaruit duidelijk blijkt dat het zeker niet gaat om een aangetast landschap. De serre (
- is)beperkt in omvang en heeft slechts een beperkte hoogte en valt door de weerspiegeling van het glas niet op in het landschap, terwijl het kantoorgebouw van ELIA verscholen zit achter een groenscherm en andere kleine landschapselementen. Een loods van 15 m breed en 25 m lengte, kroonlijsthoogte 5 m en nokhoogte 7,06 m, in industriële materialen, nl grijze silexbetonpanelen, alsook een varkensstal van 39 m breed en 57,45 m lang, kroonlijsthoogte 2,80 m en nokhoogte 5,03 m, gevels eveneens in industriële materialen, nl. grijze silexbetonpanelen, kan moeilijk beschouwd worden als kleinschalig en weinig storend naar de omgeving. Nergens in de omgeving bevinden zich dergelijke gebouwen van deze omvang en materialen. De inpasbaarheid naar de omgeving, dient eveneens bepaald te worden door de keuze van de bouwmaterialen en de vorm van de bouwwerken, in casu betreft het industriële materialen, met een redelijke hoogte, massief, dewelke het open karakter van het omgevende landbouwgebied met kleine landschapselementen aantasten. De omgeving van de toekomstige inrichting heeft een schoonheidswaarde, dewelke het gebied (kan) doen beschouwen als landschappelijk waardevol, alhoewel alsdusdanig volgens het gewestplan enkel als agrarisch gebied ingekleurd.Volgens de biologische waarderingskaart, wordt de omgeving van de toekomstige inrichting als 'waardevol' ingekleurd. Ook het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Izegem stelde in haar advies van 18 april 2005 het volgende; 'Dat daarbij bezwaarlijk kan voorgehouden worden dat de eventuele bouw van een varkensstal van 57,45 m x 39 m, een loods van 25 m x 15 m, een waterput van 11,57 m x 11,57 m, en de suggestie voor de bouw van een bedrijfswoning (alles voor een totale oppervlakte van ca 19.729 m²) geen enkele X-12.532-3/13 invloed zou hebben, zowel op de kwaliteit van de ruimtelijke omgeving als op de bereikbaarheid (...) en de mobiliteit binnen het gebied. Dat het bedoelde homogeen landbouwgebied ontegensprekelijk ernstig zal belast worden door een niet onmiddellijk grondgebonden industriële varkenskwekerij.' In casu zullen de materialen waaruit de loods en de stal zullen worden geconstrueerd een industrieel karakter hebben, dus storend voor de omgeving. Dit zal zelfs door een groenscherm niet kunnen opgevangen worden. Bij het beoordelen van de goede ruimtelijke ordening, dient er ook rekening te worden gehouden met de eventuele verwevenheid en combineerbaarheid van functies. Hiermee werd door de Bestendige Deputatie in de bestreden beslissing hoegenaamd geen rekening gehouden. In casu zullen de gebouwen aangewend worden voor de uitbating van een niet grondgebonden industriële varkensteelt, daar waar de omliggende gronden aangewend worden voor akkerbouw en weiden. Bovendien bevinden zich in de omgeving, waaronder de woning van verzoeker, een aantal woningen. De uitbating van een industriële varkensstal zal geurhinder, lawaaihinder met zich mee brengen voor verzoeker en de andere woningen in de omgeving. De uitbating van een industriële varkensstal zal evenmin verenigbaar zijn met het serrebedrijf, dat zich toespitst op de kweek van groenten en waarbij slechts in beperkte mate gebruik mag worden gemaakt van pesticiden. De aan- en afvoer van varkens, alsook de afvoer van mest zal vliegen en andere insecten naar de inrichting aantrekken en zal ook de omgeving belasten, waaronder het serrebedrijf, wat wijst op een onverenigbaarheid van functies. De Bestendige Deputatie heeft in haar bestreden beslissing op onvoldoende minstens op niet afdoende wijze een afweging gemaakt van de goede ruimtelijke ordening, zodat het ingeroepen middel als ernstig dient te worden beschouwd"; Overwegende dat er voor het gebied waarin de ontworpen constructie is gelegen, geen goedgekeurd bijzonder plan van aanleg bestaat en dat dit gebied evenmin gelegen is binnen een vergunde verkaveling; dat het in dat geval de taak is van de vergunningverlenende overheid om geval per geval te onderzoeken of de bouwaanvraag beantwoordt aan de eisen van een goede plaatselijke ordening, overeenkomstig een beginsel dat kan worden afgeleid uit artikel 43, § 2, eerste lid, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996; dat het eveneens in het middel ingeroepen artikel 19, laatste lid, van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen een bevestiging inhoudt van het bedoelde beginsel; Overwegende, wat de in de door de verzoeker aangehaalde bepalingen vervatte schending van het begrip goede plaatselijke ordening betreft, dat de Raad van State in de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht niet vermag zijn beoordeling van de goede ruimtelijke ordening in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid; dat hij wel bevoegd is om na te gaan X-12.532-4/13 of de administratieve overheid de haar ter zake toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, met name of zij is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij deze correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is gekomen; Overwegende dat het bestreden besluit inzake de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening is gemotiveerd als volgt : "b. Beoordeling van de goede ruimtelijke ordening Gelet op de zone-eigen ligging van het ontwerp speelt de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening hier een belangrijke rol. De grondkleur van het gewestplan is namelijk geel, dus agrarisch gebied. De voorziene werken zijn bijgevolg zone-eigen. Dit betekent echter nog niet automatisch dat elke herlocalisatie van een landbouwbedrijf stedenbouwkundig kan aanvaard worden. De beoordeling van de ruimtelijke omgeving mag er echter ook niet toe leiden dat elke stedenbouwkundige vergunningsaanvraag tot herlocalisatie wordt afgestoten met de reden dat het een open landschap betreft. Het is nu eenmaal eigen aan landbouwgebied dat dit doorgaans een open gebied betreft. Bovendien kunnen landbouwbedrijven niet ingeplant worden in een woonkorrel, gelet op de afstandsregels zoals bepaald in de milieuwetgeving. Wat niet belet dat er alsnog steeds een beoordeling van de ruimtelijke ligging moet gebeuren. De beoordeling van de goede ruimtelijke ordening kan gebeuren aan de hand van twee elementen, enerzijds de voorziene werken en anderzijds de omgeving. De voorziene werken beperken zich tot de volgende: " de varkensstal: 39m breed en 57,45m lang, kroonlijsthoogte 2,80m en nokhoogte 5,03m (dubbele nok), gevels in grijze silexbetonpanelen, ramen en deuren in witte pvc en dakbedekking in zwarte gegolfde vezelcementplaten. Aan de linkergevel worden 6 voedersilo's voorzien en aan de rechtergevel 5 voedersilo's. Deze voedersilo's hebben een hoogte van 6m. Onder de varkensstal wordt ook nog een mestkelder voorzien in gewapend beton met een diepte van 2m. Rechts voor de varkensstal worden 2 citernes van elk 200001 voorzien voor regenwateropvang " de loods : 15m breed en 25m lang, kroonlijsthoogte 5m en nokhoogte 7,06m, berging van landbouwmateriaal, grijze silexbetonpanelen (de linkerzijgevel (kant van de straat) wordt weliswaar voorzien in metselwerk met rode baksteen), dakbedekking met zwarte gegolfde vezelcementplaten, in de voorgevel is ook nog een poort voorzien met een breedte van 4,90m en een hoogte van 4,80m, " achter de loods (weg van de straat) wordt ook nog een waterput voorzien met een volume van 343m³. Deze put heeft een vierkante vorm waarvan iedere zijde 11,57m bedraagt. De put is 4m diep en heeft schuine putwanden zodat iedere zijde op de bodem nog slechts 6,95m bedraagt. Uit het bovenstaande blijkt duidelijk dat de voorziene werken beperkt blijven tot 1 varkensstal (met dubbele nok), 1 loods en 1 waterput. Hoewel het een nieuwe vestiging betreft blijven de werken alsnog kleinschalig. Op het inplantingplan is ook reeds aangeduid waar de latere bedrijfswoning zal ingeplant worden, meer bepaald tussen de loods en de straat. Op zich blijft de impact naar de omgeving toe dan ook relatief beperkt. Een tweede element dat een rol speelt bij de beoordeling is de omgeving. In het bezwaarschrift wordt gesproken over een open ruimte. Nochtans moet hier opgemerkt worden dat er zich aan de overkant van de straat op ongeveer 60m een kantoorgebouw van ELIA (netbeheerder hoogspanning) bevindt. X-12.532-5/13 Daarnaast bevindt er zich op ongeveer l00m een aanzienlijk serrecomplex. Op circa 250m is de elektriciteitscentrale van ELIA gelegen. Bovendien worden de foto's bij het dossier gekenmerkt door hoogspanningskabels en zijn er ook een aantal, weliswaar zonevreemde, woningen te zien. Van een open onaangetaste omgeving kan hier dan ook geen sprake zijn. Gelet op het feit dat het zone-eigen werken betreft, dat het ontwerp enkel de bouw van een ammoniakemissiearme varkensstal met dubbele nok en een loods voorziet en dat de omgeving niet kan beschouwd worden als een open onaangetaste omgeving, blijft de impact van het ontwerp aanvaardbaar. De ruimtelijke draagkracht van het gebied wordt niet overschreden. (...) Overwegende dat huidig ontwerp vanuit juridisch oogpunt beantwoordt aan de stedenbouwkundige voorschriften van het gewestplan; dat het ontwerp namelijk zone-eigen werken voorziet, meer bepaald het oprichten van een landbouwbedrijf in agrarisch gebied tengevolge van een herlocalisatie; dat het ontwerp bovendien voldoet aan de watertoets; dat het op te richten gebouwencomplex beperkt blijft en dichtbij de straat wordt voorzien (op 23m); dat de omgeving wordt gekenmerkt door een kantoorgebouwen een elektriciteitscentrale van ELIA, door een aanzienlijk serrecomplex, door een aantal zonevreemde woningen en door heel wat hoogspanningskabels; dat bijgevolg de ruimtelijke draagkracht door huidig ontwerp niet wordt overschreden; dat voorliggende aanvraagA dan ook beantwoordt aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening."; Overwegende dat uit de hiervoor aangehaalde motivering op het eerste gezicht blijkt dat de vergunningverlenende overheid in het bestreden besluit uitvoerig ingaat op de problematiek van de "goede ruimtelijke ordening"; dat hij hierbij vertrekt van het - terechte - standpunt dat de ligging van een "zone-eigen" gebouw "nog niet automatisch (betekent) dat elke herlocalisatie van een landbouwbedrijf kan aanvaard worden"; dat gelet op het marginale toezicht ter zake van de Raad, de vergunningverlenende overheid met het argument dat de "beoordeling van een landbouwbedrijf (...) er ook niet (mag) toe leiden dat elke stedenbouwkundige vergunningsaanvraag tot herlocalisatie wordt afgestoten met de reden dat het een open landschap betreft", op het eerste gezicht niet de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening miskent; dat wat de kritiek van de verzoeker betreft dat de vergunningverlenende overheid onvoldoende rekening heeft gehouden "met alle elementen die verband houden met de ruimtelijke draagkracht van de omgeving", het bestreden besluit met de erin aangehaalde redenen duidelijk maakt waarom de vergunningverlenende overheid van oordeel is dat de ontworpen constructies beantwoorden aan de goede ruimtelijke ordening; dat de gegevens inzake de omgeving waarop de vergunningverlenende overheid heeft gesteund en die uit de hiervoor aangehaalde motivering blijken, steun vinden in het dossier; dat de kritiek die de verzoeker terzake uit weliswaar blijk geeft van een andere feitelijke beoordeling van de gegevens van de zaak dan de vergunningverlenende overheid, maar dat de verzoeker voorshands niet aannemelijk maakt dat de X-12.532-6/13 vergunningverlenende overheid in verband met de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening tot een conclusie is gekomen die steunt op gegevens die in feite onjuist zijn, noch dat zij de grenzen van de redelijkheid te buiten is gegaan; dat het eerste middel niet ernstig is; Overwegende dat de verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van artikel 4 "van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996" - de verzoeker bedoelt allicht artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening - en van de bepalingen van het ruimtelijk structuurplan Izegem en het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen; dat hij uiteenzet dat de vergunningverlenende overheid ook de toekomstige aanleg van het gebied zal dienen te vrijwaren, dat bij de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening de verwerende partij in haar besluit "op geen enkele wijze rekening (heeft) gehouden met de toekomstige ruimtelijke ordening, noch met de bepalingen van het ruimtelijk structuurplan van Izegem"; dat hij stelt dat "nochtans (...) AROHM in haar negatief advies uitvoerig (heeft) verwezen naar de toekomstige ruimtelijke ordening door te stellen dat het vanuit ruimtelijk en landschappelijk oogpunt aangewezen is de vestiging van nieuwe landbouwbedrijven aldaar te weren teneinde het maximaal behoud van de resterende open ruimte en de ontwikkeling van de nog herkenbare agrarische structuur niet in het gedrang te brengen"; dat hij erop wijst dat AROHM in haar advies eveneens heeft gewezen naar de visie opgenomen in het ruimtelijk structuurplan; dat hij besluit dat "de bestendige deputatie (...) zich in de bestreden beslissing (heeft) beperkt tot een toetsing aan de stedenbouwkundige voorschriften van agrarisch gebied sensu stricto, zonder rekening te houden met de toekomstige ruimtelijke structuur, noch met de principes van duurzaam gebruik vervat in artikel 4 van het coördinatiedecreet van 22 oktober 1996"; Overwegende, daargelaten de vraag in hoeverre artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna : DRO) een bepaling bevat die niet enkel bij het opmaken van plannen van aanleg, maar ook bij het onderzoek van vergunningaanvragen in acht genomen moet worden, dat het middel afgeleid uit de schending van deze decretale beginselverklaring op het eerste gezicht is beperkt tot de blote beweringen die onvoldoende concrete uitwerking hebben en de Raad niet overtuigen; dat in zoverre aangevoerd wordt dat geen rekening werd gehouden met het ruimtelijk structuurplan van de stad Izegem en met de visie opgenomen in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, het middel X-12.532-7/13 voorbijgaat aan het bepaalde in artikel 19, § 6, DRO; dat luidens deze bepaling "de ruimtelijke structuurplannen (...) geen beoordelingsgrond (vormen) voor de werken en handelingen, bedoeld in artikelen 99 en 101 (DRO)(...)"; dat deze bepaling er zich derhalve uitdrukkelijk tegen verzet dat "rekening werd gehouden" met de door de verzoeker aangevoerde ruimtelijke structuurplannen; dat het tweede middel niet ernstig is; Overwegende dat de verzoeker een derde middel afleidt uit de "motiveringsplicht, vervat in artikel 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991"; dat hij ter zake uiteenzet wat volgt : "De juridische en feitelijke overwegingen, die aan de beslissing ten grondslag liggen, moeten afdoende zijn. Het gebrek aan draagkracht van de motivering kan ook voortvloeien uit een gebrekkige binding tussen de beslissing en de feiten die als grondslag dienen voor de beslissing. De relevante feiten, waarop de overheid haar beslissing baseert, moeten vanzelfsprekend bestaan en juist zijn. De Bestendige Deputatie heeft in het bestreden besluit haar motivatie beperkt tot volgende argumentatie; 'Gelet op het feit dat het zone-eigen werken betreft, dat het ontwerp enkel de bouw van een ammoniakemissiearme varkensstal met dubbele nok en een loods voorziet en dat de omgeving niet kan beschouwd worden als een open onaangetaste omgeving, blijkt de impact van het ontwerp aanvaardbaar. De ruimtelijke draagkracht van het gebied wordt niet overschreden. .... Overwegende dat huidig ontwerp vanuit juridisch oogpunt beantwoordt aan de stedenbouwkundige voorschriften van het gewestplan; dat het ontwerp namelijk zone-eigen werken voorziet, meer bepaald het oprichten van een landbouwbedrijf in agrarisch gebied tengevolge van een herlocalisatie; dat het ontwerp bovendien voldoet aan de watertoets; dat het op te richten gebouwencomplex beperkt blijft en dichtbij de straat wordt voorzien (op 23 m);dat de omgeving wordt gekenmerkt door een kantoorgebouw en een elektriciteitscentrale van ELIA, door een aanzienlijk serrecomplex, door een aantal zonevreemde woningen en door heel wat hoogspanningskabels; dat bijgevolg de ruimtelijke draagkracht door huidig ontwerp niet wordt overschreden; dat voorliggende aanvraag dan ook beantwoordt aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening'. De motivatie is feitelijk onjuist wanneer gesteld wordt door de Bestendige Deputatie dat er sprake is van; - een aanzienlijk serrecomplex; zonder hierbij de afmetingen op te geven tegenover de afmetingen van de toekomstige inrichting, bestaande uit loods, stal en waterput en eventueel woning. - een elektriciteitscentrale van ELIA; zonder hierbij te vermelden dat dit beperkt kantoorgebouw zo goed als niet zichtbaar is in het landschap, gezien omgeven door groenscherm -heel wat hoogspanningskabels; zonder hierbij te vermelden hoeveel, waar deze zich bevinden, op welke afstand Daar waar uit de voorliggende foto’s uit de stukken blijkt, dat het wel degelijk om een ongeschonden open landschap gaat. De argumenten en motieven door de Bestendige Deputatie aangehaald om het negatief advies van AROHM zich baserende op een open homogeen landschap X-12.532-8/13 terzijde te schuiven, zijn derhalve vaag, algemeen en niet afdoende en trouwens niet in overeenstemming met de werkelijkheid. Het uitvoerig gemotiveerd negatief advies van AROHM wordt trouwens door de Bestendige Deputatie niet weerlegd daar waar gewezen wordt op duurzaam ruimtegebruik en de toepassing van art. 4 van het coordinatiedecreet van 22 oktober 1996 en daar waar verwezen wordt naar het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan en het ruimtelijk beleid van de hogere overheden, waaronder provinciaal ruimtelijk structuurplan. De motivering van het bestreden besluit is bovendien tegenstrijdig, daar waar enerzijds gesteld wordt dat 'de beoordeling van de ruimtelijke ordening er echter niet toe mag leiden dat elke stedenbouwkundige vergunningsaanvraag tot herlocalisatie wordt afgestoten met de reden dat het een open landschap betreft' en 'dat het nu eenmaal eigen is aan landbouwgebied dat dit doorgaans een open gebied betreft' en anderzijds daar waar het bestreden besluit stelt 'dat de omgeving niet kan beschouwd worden als een open onaangetaste omgeving.' De motivering van de bestreden beslissing is derhalve niet voldoende, noch afdoende en is bovendien tegenstrijdig en het middel is derhalve ernstig. "; Overwegende dat de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, bepalen dat eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking die uitgaan van een bestuur en die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moeten vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat deze afdoende moeten zijn; dat artikel 6 van dezelfde wet bepaalt dat deze "slechts van toepassing is op de bijzondere regelingen waarbij de uitdrukkelijke motivering van bepaalde bestuurs- handelingen is voorgeschreven, in zoverre deze regelingen minder strenge verplichtingen opleggen"; dat uit een en ander volgt dat op het stuk van de motiveringsverplichting de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen een wet van suppletoire aard is; Overwegende dat artikel 53, § 3, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, aan de bestendige deputatie, wanneer zij in beroep uitspraak doet over stedenbouwkundige en verkavelingaanvragen, een motiveringsverplichting oplegt die niet minder streng is dan deze voorgeschreven door de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat deze beslissingen derhalve niet onder de toepassing vallen van laatstgenoemde wet; Overwegende dat uit wat voorafgaat volgt dat de ingeroepen schending van de motiveringsverplichting geacht moet worden te zijn afgeleid uit de schending van artikel 53, § 3, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996; X-12.532-9/13 Overwegende, toegespitst op de beoordeling van de verenigbaarheid van een aanvraag met de goede plaatselijke ordening, dat uit de laatstgenoemde decreetsbepaling volgt dat de stedenbouwkundige vergunning duidelijk de met de plaatselijke aanleg of de ruimtelijke ordening verband houdende redenen moet opgeven waarop de vergunningverlenende overheid haar beslissing steunt, derwijze dat het de aanvrager of belanghebbende derden mogelijk is met kennis van zaken tegen de bestreden beslissing op te komen en dat de Raad van State de hem opgedragen wettigheidscontrole kan uitoefenen; Overwegende, waar de verzoeker in het middel betoogt dat het negatief advies van de gemachtigde ambtenaar niet door het bestreden besluit is weerlegd, dat de verwerende partij ingevolge de devolutieve werking van het georganiseerde administratief beroep over dat beroep uitspraak doet op grond van een eigen beoordeling van de aanvraag en daarbij niet gebonden lijkt door de argumenten die werden aangewend en de adviezen die werden gegeven tijdens de eerste aanleg van de administratieve procedure; dat de door de verzoeker aangevoerde formele motiveringsplicht niet lijkt in te houden dat de bestendige deputatie als orgaan van het actief bestuur, het in eerste aanleg gegeven ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar dient te weerleggen in haar beslissing over het administratief beroep; dat bovendien de gemachtigde ambtenaar zich te dezen op het eerste gezicht bij het formuleren van zijn ongunstig advies mede blijkt gesteund te hebben op fragmenten uit ruimtelijke structuurplannen van diverse niveau’s, waaromtrent hiervoor bij de bespreking van het tweede middel reeds is aangegeven dat het juridisch onmogelijk is om deze plannen als toetsingsgrond te hanteren voor een stedenbouwkundige aanvraag; Overwegende, wat de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening betreft, dat de motivering van het bestreden besluit werd weergegeven bij de bespreking van het eerste middel; dat zoals reeds werd gesteld bij de bespreking van dit middel, op het eerste gezicht de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening in het bestreden besluit omstandig werd nagegaan, waarbij, enerzijds, de kenmerken van de aanvraag gedetailleerd werden beschreven en, anderzijds, de karakteristieken van de omgeving werden weergegeven en omschreven, waarna aan de hand van een afweging tussen beide de vergunningverlenende overheid besluit dat de aanvraag vergunbaar is; dat deze redengeving voldoende concreet en precies lijkt mede in het licht dat het negatief advies van de gemachtigde ambtenaar - zoals hiervoor reeds werd gesteld - gesteund is op argumenten die juridisch onmogelijk X-12.532-10/13 kunnen worden gehanteerd; dat waar de verzoeker doet gelden dat de motivering "feitelijk onjuist" is doordat een aantal afmetingen en andere data niet in de beslissing zijn vermeld, de verzoeker door dit te eisen, in wezen lijkt te stellen dat de vergunningverlenende overheid zijn motieven voor het bestreden besluit motiveert; dat de door de verzoeker aangevoerde formele motiveringsplicht niet lijkt in te houden dat de overheid in haar formele motivering de motieven van de opgegeven redenen moet vermelden; Overwegende, zoals reeds werd aangehaald bij de bespreking van het eerste middel, inzonderheid wat de "open aangetaste omgeving" betreft, dat de in het bestreden besluit aangehaalde gegevens steun vinden in het dossier; dat de kritiek van de verzoeker weliswaar blijk geeft van een andere feitelijke beoordeling of opvatting van de gegevens van de zaak dan de verwerende partij, maar dat de verzoeker voorshands niet aannemelijk maakt dat de verwerende partij in verband met de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening tot een conclusie is gekomen die de grenzen van de redelijkheid te buiten zou gaan; dat het derde middel niet ernstig is; Overwegende dat de verzoeker in een vierde middel de schending aanvoert van het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en "het beginsel van behoorlijk bestuur"; dat hij uiteenzet wat volgt : "Hoe groot de beoordelings- en beleidsvrijheid ook moge zijn, de beslissingen van administratieve overheden dienen de toets van de redelijkheid te doorstaan. Hoe de overheid de in het geding zijnde belangen afweegt, hoe de overheid het gewenste resultaat bereikt, steeds hangt het zwaard van de redelijkheid boven haar hoofd. De overheid moet in alle redelijkheid tot de belangenafweging zijn gekomen. De opvatting dat de onredelijkheid er zo dik op moet liggen, dat geen redelijk denkende overheid tot zodanig besluit zou kunnen komen, is verlaten. Wat men van het bestuur verwacht, is een objectieve afweging van alle betrokken belangen, met gevoel voor maat en verhouding, voor evenwichtigheid. Niet alleen moet blijken dat bij de belangenafweging geen van de betrokken belangen is veronachtzaamd. Met de redelijkheid is in strijd, als een bepaald belang is miskend, niet genoegzaam is gewogen, of niet genoeg aandacht heeft gekregen. Aan het volgende kan worden gedacht; " Onvoldoende of onjuiste belangenafweging " Ten onrechte niet van het beleid afwijken (...) De bestreden beslissing is kennelijk onredelijk, gezien de belangen onvoldoende werden afgewogen, nl. - er werd geen rekening of op onvoldoende wijze rekening gehouden met de belangen van omwonenden, bezwaarmakers, waaronder ook verzoeker. X-12.532-11/13 Voor wat betreft het bezwaar van aantasting van open ruimte, wordt enkel verwezen naar het aspect dat handelt over de goede ruimtelijke ordening, waarbij dient te worden herhaald dat de motivatie van de Bestendige Deputatie feitelijk onjuist is en niet afdoende. Het getuigt van weinig behoorlijk bestuur en redelijkheid om in de beslissing van dezelfde datum van 4.08.2005 inzake de milieuvergunning, te stellen dat 'de inrichting komt in een landelijke omgeving met slechts een beperkt aantal vreemde woningen in de directe omgeving', daar waar in de bestreden beslissing gesproken wordt van een 'aantal zonevreemde woningen' om dan plots te argumenteren dat het niet om een ongeschonden landschap zou gaan. - er werd bij de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening enkel rekening gehouden met twee elementen, nl. de voorziene werken en de omgeving, zonder rekening te houden met de toekomstige ruimtelijke ordening, duurzaam ruimtegebruik, de principes van het goedgekeurd gemeentelijk ruimtelijk structuurplan en van het provinciaal ruimtelijk structuurplan. De bestreden beslissing schendt derhalve het redelijkheidsbeginsel en het beginsel van behoorlijk bestuur"; Overwegende dat het middel zich op het eerste gezicht grotendeels beperkt tot een herneming van de grieven die reeds werden geformuleerd in de overige middelen; dat in zoverre dan ook kan worden verwezen naar hetgeen hiervoor is uiteengezet en waar is gebleken dat deze middelen niet ernstig zijn; dat wat de schending van het redelijkheidsbeginsel betreft, de kritiek van de verzoeker dat de "de belangen onvoldoende werden afgewogen" weliswaar blijk geeft van een andere feitelijke beoordeling van de gegevens van de zaak dan de vergunningverlenende overheid, maar dat de verzoeker voorshands niet aannemelijk maakt dat die overheid in verband met de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening tot een conclusie is gekomen die de grenzen van de redelijkheid te buiten zou gaan; dat wat de aangevoerde schending van "het beginsel van behoorlijk bestuur" betreft, de verzoeker zich beperkt tot een aantal algemeen-theoretische beschouwingen waaruit onmogelijk tot de ernst van het middel kan worden besloten; dat het vierde middel niet ernstig is; Overwegende dat niet is voldaan aan een van de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen; X-12.532-12/13 BESLUIT: Artikel 1. Het verzoek tot tussenkomst van de bvba LAPAVIC in de vordering tot schorsing wordt ingewilligd. Artikel 2. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig juni 2006, door : de H. G. DEBERSAQUES, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. G. DEBERSAQUES. X-12.532-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.589 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.676 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div