← België

Arrest 160590 - - 27/06/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.590 Rolnummer: A. 167550/X-12547 Zaak: Arrest 160590 - - 27/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-07-05 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-30 22:55 Fiche Arrest nr 160.590 van 27 juni 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 160.590 van 27 juni 2006 in de zaak 167.550/X-12.

  1. In zake :
  2. Peter LEMMENS,
  3. Miëtte DE KEERSMAECKER, die woonplaats kiezen bij Advocaat Ph. VAN WESEMAEL, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Jan Jacobsplein 5 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaten H. SCHILTZ en B. VANHALLE, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Tavernierkaai
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Peter LEMMENS en Miëtte DE KEERSMAECKER op 7 november 2005 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen "van een besluit d.d. 6 september 2005 van de afdeling ROHM - Monumenten en Landschappen te Antwerpen, waarbij wordt geoordeeld dat een door verzoekers opgemaakt herwaarderingsplan tot het bekomen van een onderhoudspremie voor werken aan een pand genaamd Schemelbertmolen aan de Wolfstraat 1 te Puurs, gelegen binnen een beschermd dorpsgezicht en beschermd als monument 'niet in aanmerking komt als een proefproject bij de opstartfase' en verzoekers wordt gevraagd af te wachten tot 'wanneer de bevoegde minister beslist de procedure open te stellen voor alle aanvragen'"; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur P. BARRA; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 20 januari 2006 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 17 februari 2006; X-12.547-1/5 Gehoord het verslag van Staatsraad G. DEBERSAQUES; Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. HULPIAU die loco Advocaat Ph. VAN WESEMAEL verschijnt voor de verzoekende partijen, en van Advocaat J. CLAES die loco Advocaten H. SCHILTZ en B. VAN HALLE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. BARRA; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verwerende partij de ontvankelijkheid ratione materiae van het beroep betwist; dat uit hetgeen hierna volgt zal blijken dat in elk geval niet voldaan is aan de grondvoorwaarden voor het inwilligen van de vordering tot schorsing; dat het in die omstandigheden niet nodig is om de opgeworpen exceptie te onderzoeken; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat, wat de voorwaarde betreft inzake het moeilijk te herstellen ernstig nadeel, de verzoekende partijen doen gelden wat volgt : "Onder het enig middel werd reeds aangehaald hoe de bestreden beslissing verzoekers verhindert hun taak als eigenaar van een beschermd monument, daarenboven gelegen binnen de perimeter van een beschermd dorpsgezicht, naar behoren uit te voeren. Het is immers inderdaad zo dat een dergelijk goed, dat daarenboven door verzoekers als permanente gezinswoning wordt benut, op regelmatige tijdstippen onderhouds- en andere werkzaamheden vergt. Het spreekt voor zich dat, gelet op het feit dat deze werken omwille van het beschermd karakter van het goed, met de nodige bedachtzaamheid en met authentieke materialen dienen te worden uitgevoerd. Hieraan hangt uiteraard een extra prijskaartje vast. De decreetgever heeft dit voorzien, en daarom uitdrukkelijk in het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten laten inschrijven dat in het kader van de verplichting die aan de eigenaars van een X-12.547-2/5 beschermd goed worden opgelegd, een financiële tegemoetkoming wordt voorzien. Het besluit van de Vlaamse regering van 14 juli 2004 is hier de uitvoering van. In plaats van echter van deze regelgeving te kunnen genieten en de nodige werkzaamheden aan hun woning te kunnen uitvoeren, worden verzoekers thans geconfronteerd met een beslissing die hen op een totaal ongemotiveerde wijze meedeelt dat zij maar moeten afwachten tot wanneer de minister beslist 'de procedure open te stellen voor alle aanvragen'. Dit terwijl hiervoor geen enkele rechtsgrond is terug te vinden in het besluit van de Vlaamse regering van 14 juli
  5. Reeds in 2003 werd door de vzw Monumentenwacht Antwerpen een volledig rapport opgemaakt over de Schemelbertmolen, waarbij een aantal aanbevelingen werden gedaan van werken die dringend, dan wel op korte of langere termijn moeten worden uitgevoerd. Verzoekers hebben dan ook, van zodra zij kennis hadden van de aangepaste regelgeving inzake onderhoudspremies voor stads- en dorpsgezichten in vervanging van het besluit van de Vlaamse regering van 29 september 2004, het nodige gedaan voor het opmaken van een herwaarderingsplan, zoals voorgeschreven in de nieuwe regelgeving. In juli 2005, d.w.z. zes maanden na de inwerkingtreding van deze regelgeving, hebben verzoekers dit herwaarderingsplan ingediend bij de bevoegde administratie. Twee maanden later krijgen zij echter te horen dat hun aanvraag voor onbepaalde tijd wordt opzij gelegd en zij maar moeten rekenen op de goodwill van de minister om na onbepaalde tijd de procedure open te stellen voor hun aanvraag. Het blijkt dat na acht maanden de nieuwe procedure 'nog grondig moet worden voorbereid en worden gestroomlijnd'. Nochtans valt over een dergelijk onderscheid in behandeling of een voorbereidingsfase nergens iets te lezen in het besluit van de Vlaamse regering van 14 juli 2004, noch in het decreet van 3 maart
  6. Het gaat uiteraard niet op dat verzoekers het slachtoffer worden van een gebrekkig beleid en het feit dat noch de bevoegde minister, noch diens administratie acht maanden na de inwerkingtreding van de regelgeving klaarblijkelijk in staat zijn deze op een gepaste manier toe te passen. Naar eigen zeggen van de administratie n.a.v. een telefonisch contact met verzoekers zou het zelfs gemakkelijk nog 2 à 3 jaar kunnen duren vooraleer de in de bestreden beslissing vermelde proefprojecten van gemeentelijke overheden zouden zijn beëindigd en de aanvraag van verzoeker zou kunnen worden behandeld. Het nadeel dat hiermee aan verzoekers wordt berokkend is inderdaad ernstig en moeilijk te herstellen. De minister weigert immers op een totaal onwettige en ongemotiveerde manier om de aanvraag van verzoekers te behandelen, terwijl verzoekers zelf intussen wel de verplichting hebben om woning met zorg te onderhouden en in stand houden. Nochtans zijn, zoals in het rapport van de vzw Monumentenwacht te lezen staat, inderdaad dringend een aantal werken nodig. Dit betekent dat deze werken zo snel mogelijk moeten worden uitgevoerd om verval te vermijden. Bovendien stellen verzoekers zich op die manier bloot aan vervolging indien zij zich niet naar behoren van hun verplichtingen kwijten. Het nadeel dat aan verzoekers wordt berokkend, is tevens moeilijk te herstellen, nu verzoekers, indien zij de behandeling van hun aanvraag niet afwachten, en zelf de werken starten, achteraf geen beroep meer kunnen doen op de toekenning van een onderhoudspremie. X-12.547-3/5 Dit wordt uitdrukkelijk voorzien in artikel 5, 10 van het besluit van de Vlaamse regering van 14 juli 2004 waar wordt gesteld dat pas met de werkzaamheden mag worden gestart na de toekenning van de minister van de premie, zoniet wordt de premie ambtshalve geweigerd. Nu verzoekers niet het flauwste idee hebben hoe lang zij nog moeten wachten op een beslissing, en hoe lang zij dus nog in de onmogelijkheid zullen worden gesteld om dringende werkzaamheden aan het gebouw uit te voeren en zodoende hun verplichtingen in het kader van het decreet van 3 maart 1976 na te komen, maakt dit voor hen inderdaad een moeilijk te herstellen ernstig nadeel uit."; Overwegende dat verzoekers zich in de uiteenzetting van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet mogen beperken tot vaagheden en algemeenheden, maar concrete en precieze gegevens dienen aan te brengen waaruit enerzijds de ernst van het nadeel blijkt dat zij ondergaan of dreigen te ondergaan, hetgeen inhoudt dat zij concrete en precieze aanduidingen moeten verschaffen omtrent de aard en de omvang van het nadeel dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte kan berokkenen, en waaruit anderzijds het moeilijk te herstellen karakter van het nadeel blijkt; Overwegende dat het door de verzoekende partijen aangevoerde nadeel - dat zij hoofdzakelijk situeren in de vaststelling dat door de bestreden beslissing zij "het slachtoffer worden van een gebrekkig beleid" en het nog gemakkelijk twee à drie jaar kan duren vooraleer hun aanvraag zou kunnen worden behandeld, terwijl ze de verplichting hebben de woning met zorg te onderhouden en in stand te houden en er dringend "een aantal werken" nodig zijn - niet alleen op zeer algemene wijze is uiteen gezet, maar bovendien in wezen neerkomt op een financieel nadeel; dat een financieel nadeel - mocht te dezen de ernst ervan zijn aangetoond - in beginsel niet moeilijk te herstellen is; dat de verzoekende partijen geen enkel concreet en precies gegeven bijbrengen waaruit zou kunnen blijken dat dit in casu wel het geval zal zijn; dat verder de omstandigheid dat de bestreden "beslissing" onwettig zou zijn, geen ernstig nadeel is, maar er enkel de oorzaak van kan zijn; dat tot slot het argument dat de verzoekende partijen zich blootstellen aan vervolging indien ze niet naar behoren hun decretale verplichtingen voldoen, niet aantoont dat de door hen thans bestreden "beslissing" hen verhindert de verplichtingen die zijn opgelegd in het raam van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten na te leven; dat de uiteenzetting van de verzoekende partijen geen concrete en precieze gegevens bevat waaruit blijkt dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; dat de verzoekende partijen niet aannemelijk maken X-12.547-4/5 dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing aanleiding zal geven tot een ernstig nadeel in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Overwegende dat niet is voldaan aan een van de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen; BESLUIT: Artikel
  7. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  8. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig juni 2006, door : de H. G. DEBERSAQUES, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. G. DEBERSAQUES. X-12.547-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.590 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.