id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.592 Rolnummer: A. 169087/VII-35198 Zaak: Arrest 160592 - - 27/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-07-05 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-30 22:56 Fiche Arrest nr 160.592 van 27 juni 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 160.592 van 27 juni 2006 in de zaak A. 169.087/VII-35.
- In zake :
- de n.v. ELECTRABEL,
- de n.v. ONDERNEMINGEN JAN DE NUL, samen vormend de tijdelijke vereniging ELECTRABEL- ONDERNEMINGEN JAN DE NUL,
- de n.v. ELECTRABEL SEANERGY, die woonplaats kiezen bij Advocaten T. VANDENPUT en P. DE MAEYER, kantoor houdende te BRUSSEL, Tedescolaan 7 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Begroting en Overheidsbedrijven, die woonplaats kiest bij Advocaat L. DENYS, kantoor houdende te BRUSSEL, Jan Jacobsplein
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE RAAD VAN STATE, VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. ELECTRABEL, de n.v. ONDERNEMINGEN JAN DE NUL, samen vormend de tijdelijke vereniging ELECTRABEL-ONDERNEMINGEN JAN DE NUL en de n.v. ELECTRABEL SEANERGY op 30 december 2005 hebben ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het koninklijk besluit van 14 oktober 2005 tot instelling van speciale beschermingszones en speciale zones voor natuurbehoud in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur J. CLEMENT; Gelet op het bij artikel 90, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste advies van de auditeur-generaal; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; VII-35.198-1/17 Gelet op de beschikking van 21 april 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 mei 2006; Gehoord het verslag van kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. JACUBOWITZ die, loco Aadvocaten T. VANDENPUT en P. DE MAEYER verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat F. MARTENS die, loco advocaat L. DENYS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur J. CLEMENT; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De tijdelijke vereniging ELECTRABEL-ONDERNEMINGEN JAN DE NUL wil ten noorden van de Vlakte van de Raan in de Belgische Noordzee een park met 50 windturbines exploiteren. Hiertoe verkreeg zij op 25 juni 2002 enerzijds een bouwmachtiging, en anderzijds een exploitatievergunning. Voordien al had zij op 27 maart 2002 een domeinconcessie gekregen. 1.
- Er werden verschillende annulatieberoepen met een daarbij horende vordering tot schorsing ingediend. Sommige beroepen zijn enkel gericht tegen de bouwmachtiging, sommige enkel tegen de exploitatievergunning, en nog andere tegen de beide beslissingen. Op grond van de vorderingen tot schorsing die waren ingeleid door Yvette SOETE en de gemeente KNOKKE-HEIST, werden met het arrest nr. 117.482 van 25 maart 2003 de bouwmachtiging en de exploitatievergunning van 25 juni 2002 geschorst. Met het arrest nr. 147.047 van 30 juni 2005 werden de annulatieberoepen van Yvette SOETE en de gemeente KNOKKE-HEIST evenwel verworpen, en werd de bij arrest nr. 117.482 bevolen schorsing van de tenuitvoerlegging van de bouwmachtiging en de exploitatievergunning opgeheven. Over de andere ingestelde beroepen werd nog geen uitspraak gedaan. VII-35.198-2/17 De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de domeinconcessie van 27 maart 2002 mondde met het arrest nr. 110.794 van 1 oktober 2002 uit in een afstand van het geding. Het annulatieberoep is nog hangende. 1.
- Tussen het schorsingsarrest nr. 117.482 van 25 maart 2003 en de thans bestreden beslissing deden zich evenwel volgende beleidsmatige evoluties voor: Op 19 december 2003 keurt de ministerraad een aantal voorstellen goed die vervat waren in fine van een nota die betrekking had op het duurzaam beheer van de Noordzee (Fase I). Inzonderheid had die nota betrekking op de exploratie en exploitatie van zeezand en -grind, en op de offshore elektriciteitsproductie. Wat betreft de offshore electriciteitsproductie wordt in de nota vermeld dat één globale zone voorgesteld wordt voor de inplanting van nieuwe windmolenparken. Die zone is de Thorntonbank. De ministerraad gaat akkoord met de voorgestelde afbakening van de zones. Aan de minister bevoegd voor economie wordt opdracht gegeven een koninklijk besluit voor te bereiden ter vaststelling van de zone van inplanting voor offshore-elektriciteitsproductie voor wat de nieuwe aanvragen betreft. Met een koninklijk besluit van 17 mei 2004 wordt het koninklijk besluit van 20 december 2000 betreffende de voorwaarden en de procedure voor de toekenning van domeinconcessies voor de bouw en exploitatie van installaties voor de productie van elektriciteit uit water, stromen of winden, in de zeegebieden waarin België rechtsmacht kan uitoefenen overeenkomstig het internationaal zeerecht gewijzigd. Ingevolge dit koninklijk besluit zal de zone waarin windturbines zouden kunnen worden gebouwd en geëxploiteerd gelegen zijn ter hoogte van de Thorntonbank, en dus niet op de Vlakte van de Raan, maar dit koninklijk besluit is evenwel enkel van toepassing op aanvragen tot het verkrijgen van een domeinconcessie die ná 30 juni 2004 zijn ingediend. De tijdelijke vereniging ELECTRABEL- ONDERNEMINGEN JAN DE NUL verkreeg reeds op 17 maart 2002 de domeinconcessie voor het windmolenpark op de Vlakte van de Raan. In een persbericht van 31 mei 2005 wordt medegedeeld dat de minister bevoegd voor de Noordzee concrete maatregelen voor de afbakening van de beschermde mariene gebieden heeft voorgesteld. Er worden drie speciale beschermingszones voor vogels voorgesteld, en twee speciale zones voor natuurbehoud. Tot deze laatste behoort ook de Vlakte van de Raan. Op 8 juli 2005 hecht de ministerraad zijn principiële goedkeuring aan twee ontwerpen van koninklijke besluiten die enerzijds betrekking hebben op VII-35.198-3/17 gebruikersovereenkomsten en beleidsplannen voor beschermde mariene gebieden, en anderzijds op de instelling van speciale beschermingszones en speciale zones voor natuurbehoud in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België. 1.
- Met het ministerieel besluit van 25 juli 2005 worden de ministeriële besluiten van 25 juni 2002 opgeheven. De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van evengenoemd besluit wordt verworpen bij arrest nr. 156.790 van 23 maart 2006 wegens het niet voldaan zijn aan de door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde weeten op de Raad van State gestelde voorwaarde. 1.
- In het Belgisch Staatsblad van 13 oktober 2005 verschijnt de wet van 17 september 2005 tot wijziging van de wet van 20 januari 1999 ter bescherming van het mariene milieu in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België. Deze wetswijziging heeft onder meer betrekking op de "gerichte mariene reservaten", en op de speciale beschermingszones en speciale zones voor natuurbehoud. 1.
- Op 14 oktober 2005 neemt de Koning het bestreden besluit tot instelling van speciale beschermingszones en speciale zones voor natuurbehoud in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België. Er worden drie speciale beschermingszones ingesteld, met name een zone voor Koksijde, een zone voor Oostende en een zone voor Zeebrugge. Daarnaast worden in artikel 8 van het bestreden besluit twee speciale zones voor natuurbehoud ingesteld, zijnde : 1/ "Trapegeer Stroombank gebied", en 2/ "Vlakte van de Raan". Artikel 10 van het bestreden besluit verbiedt in deze speciale zones voor natuurbehoud de volgende activiteiten : "(...) 1/ activiteiten van burgerlijke bouwkunde ; 2/ industriële activiteiten ; 3/ activiteiten van publicitaire en commerciële ondernemingen ; 4/ het storten van baggerspecie en inerte materialen van natuurlijke oorsprong".
- Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden VII-35.198-4/17 aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.
- Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat de verzoekende partijen volgend betoog houden : "B. Bespreking van het dreigende moeilijk te herstellen en ernstig nadeel. In artikel 17, § 2 van de Gecoördineerde wetten op de Raad van State wordt ook een tweede grondvoorwaarde vermeld noodzakelijk om een schorsing van een administratieve rechtshandeling te bekomen bij Uw Raad. Die voorwaarde houdt in dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Verzoekende partijen zijn van oordeel dat zij door het bestreden besluit inderdaad zulk nadeel zullen lijden. Vooreerst is er uiteraard het financieel nadeel dat door de verzoekende partijen wordt geleden dat, zoals hen bekend is, in principe althans, herstelbaar is. Het nadeel dat evenwel door verzoekende partijen wordt geleden is meer dan louter pecuniair. Er dient immers rekening mee te worden gehouden dat het project op zich, wat financiële omvang betreft, een zo immens karakter heeft dat het niet doorgaan van die opdracht op zich reeds als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel dient beschouwd te worden, naar analogie met de rechtspraak terzake inzake overheidsopdrachten. (R.v.St, nr. 40.733, 13 oktober 1992, n.v. Bouwbedrijf REYNDERS ; R.v.St., nr. 37.788, 1 oktober 1991, n.v. AEG ; R.v.St. nr. 37.387, 28 juni 1991, n.v. ARALCO). Ook zal het niet kunnen realiseren van het project een zeker verlies aan reputatie van verzoekende partijen tot gevolg hebben. Er mag immers niet vergeten worden dat het het eerste windmolenproject voor de Belgische kust betreft en de realisatie van dat project belangrijk is bij het verder opbouwen van een reputatie in de markt voor groene stroomproductie. Thans dreigt het groene imago van eerste verzoekende partij volledig ondermijnd te worden omdat het besluit er voor zorgt dat er minstens een vertraging in de realisatie van het project tot stand zal komen, waardoor er minstens tijdelijk geen groenestroomcertificaten zullen kunnen worden afgeleverd en waardoor eerste verzoekende partij zeer zeker niet aan de opgelegde quotaverplichtingen zal kunnen voldoen, die in het Vlaamse Gewest werden opgelegd en vermeld worden in artikel 23 van het Electriciteitsdecreet (Decreet van 17 juli 2000 houdende de organisatie van de elektriciteitsmarkt). De zekere afwezigheid van groenestroomcertificaten die rechtstreeks voortvloeit uit het besluit tast zeer zeker het groene imago van eerste verzoekende partij aan en is daarom als een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel te beschouwen. Bovendien heeft de afwezigheid van die groenestroomcertificaten ook verregaande pecuniaire gevolgen. Bij een tekort aan die certificaten legt de VREG immers systematisch administratieve geldboetes op op grond van art. 37 van voormeld Elektriciteitsdecreet. De beslissingen terzake zijn Uw Raad bekend, aangezien ze door eerste verzoekende partij worden aangevochten in de zaken G/A 139.392/IX-3865, G/A 139.053/IX-3857, G/A 154.872/IX-4626 en G/A 164.633/IX-
- VII-35.198-5/17 Het betreft de beslissingen waarbij een boete wordt opgelegd wegens een tekort aan voormelde certificaten voor de jaren 2002, 2003 en
- Het gaat meestal om administratieve geldboetes van om en bij de 18 miljoen EURO per jaar. Ook al is dit laatste gegeven (en het daaruit voortvloeiend nadeel) louter financieel, er kan niet betwist worden dat ook dit nadeel toch een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel is, omdat door het blijvend uitblijven van die certificaten de boetes jaarlijks zullen terugkeren en de verdere leefbaarheid van eerste verzoekende partij dreigt aan te tasten. Wat tweede verzoekende partij betreft kan gesteld worden dat van bij haar oprichting in 1938 Ondernemingen Jan De Nul N.V. zich heeft gespecialiseerd in civiele, industriële en maritieme bouw, waarbij de laatste 20 jaar vooral de klemtoon lag op de ontwikkeling van de nearshore en offshore constructie. De gestage groei die tweede verzoekende partij kende, was voornamelijk het gevolg van het zich focussen op de groeiende markt van gespecialiseerde waterwerken en het continu investeren in nieuwe en geavanceerde technologie in deze kapitaalsintensieve markt. Momenteel kent de bouw van offshore windmolenparken wereldwijd expansie. Aangezien tweede verzoekende partij reeds geruime tijd een belangrijke speler is op het gebied van de nearshore en offshore constructie was het dan ook voor de hand liggend dat zij zich ook tot deze groeimarkt zou richten. Alle parameters waren voorhanden om te slagen in dit opzet. Gezien : - het track record van tweede verzoekende partij, - de focus die tweede verzoekende partij steeds gelegd heeft op maritieme projecten, waartoe ook de installatie van offshore windmolenparken behoren, - haar duidelijke beleidsverklaringen om hierin actief te zijn, - de aanwezigheid van een concreet project op haar thuismarkt, leidt het geen twijfel dat tweede verzoekende partij erin zou slagen een belangrijk aandeel in de markt van de bouw van offshore windmolenparken voor zich te winnen. De gunning van de bouw en exploitatie van een windmolenpark op de Vlakte van de Raan fungeerde voor tweede verzoekende partij als een belangrijke hefboom in haar lancering in dit ontwikkelend marktsegment. Met het windmolenpark op de Vlakte van de Raan zou zij immers een belangrijke referentie verwerven in haar thuismarkt op gebied van de globale installatie van een grootschalig windmolenpark. Dit zou op haar beurt de aanzet betekend hebben voor de uitbouw van de activiteiten op het gebied van de offshore installatie van funderingspalen en windmolencomponenten, een markt die momenteel in volle uitbouw is in Europa. (zie stuk 4) Zonder exhaustief te willen zijn, zou de volbrenging van het project een belangrijke ervaring aantonen met onder andere volgende kernactiviteiten : - Ontwerp van funderingscontructies t.b.v. windmolenparken - Transport van funderingspalen en windmolencomponenten - Voorbereidende baggerwerken offshore - Offshore heien van funderingspalen - Voorbereidende montagewerken aan land - Offshore transport en montage van windmolens - Aanvoer van breukstenen voor steenbestortingen en overslag - Steenbestortingen rond funderingspalen - Installatie van funderingen en modules voor transformatorstation (jacketconstructie) - Baggerwerken voor aanleg van elektriciteitskabels - Kruisingen voor kabels (plaatsen van asfaltmatten en steenbestortingen) VII-35.198-6/17 Het unieke in het project op de Vlakte van de Raan bestond erin dat tweede verzoekende partij voor dat project geen referentie inzake bouw van een windmolenpark diende voor te leggen daar zij mee investeerde in het ganse project en niet enkel als aannemer fungeerde. In de T.V. Electrabel-Ondernemingen Jan De Nul en de N.V. Electrabel-Seanergy participeerde tweede verzoekende partij ten belope van 20% en nam zij een hoofdelijke aansprakelijkheid op zich voor het geheel tegenover de Belgische Staat. Tweede verzoekende partij gaf aldus blijk van euvele moed teneinde aan een referentie te geraken in de sector van offshore windmolenparken. Naast het verlies van een belangrijke referentie, zal verder ook het commercieel prestige dat aan de opdracht verbonden is, volledig met het opheffingsbesluit verdwijnen, met alle gevolgen vandien, zoals imagoschade en winstderving. De geconsolideerde omzet van Jan De Nul Group bedroeg de voorbije jaren i 600 à 700 miljoen per jaar. De doelstelling was om 10% van de jaaromzet te i realiseren via offshore windmolenparken, hetzij 60 à 70 miljoen per jaar. Het bestreden besluit maakt zulks thans onmogelijk (zie stuk 4). Bovendien is het onbetwistbaar zo dat zulk omvangrijk project slechts kan gerealiseerd worden door een beroep te doen op derden. Verzoekende partijen hebben dan ook onderscheiden contracten afgesloten met (onder)aannemers teneinde het betrokken project te kunnen realiseren. (zie stuk 4) Het spreekt voor zich dat de verhoudingen met die derden negatief zullen worden beïnvloed door het opheffingsbesluit dat thans werd genomen. De betrokken onderaannemers zouden immers weinig geneigd kunnen zijn om in de toekomst nog verder samen te werken met verzoekende partijen, die toch niet de noodzakelijke steun van de overheid blijken te krijgen. Een bepaalde onderaannemer (het Deense bedrijf WELCON) heeft zich overigens reeds uit het project teruggetrokken. Derhalve zou het bestreden besluit zeer zeker een negatieve invloed kunnen hebben op de bevoorrechte handelsrelaties die de verzoekende partijen thans met hun onderaannemers onderhouden (DEWAELE, T., Het moeilijk te herstellen ernstig nadeel in het administratief kortgeding inzake leefmilieu en onroerend goed : een overzicht van rechtspraak met commentaar (tweede deel), CDPK, 1997, p. 686). Overigens dient bij de beoordeling van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel van verzoekende partijen rekening te worden gehouden met de ernst van de aangevoerde middelen. Uit de bespreking van de middelen blijkt zeer duidelijk dat een aantal van die middelen manifest gegrond dienen beschouwd te worden. De ernst van het nadeel dient in dat licht beoordeeld te worden. Tenslotte wensen de verzoekende partijen uitdrukkelijk melding te maken van de rechtspraak van Uw Raad die toelaat dat ook het nadeel dat derden zullen ondergaan als gevolg van de opheffingsbeslissing mee in beschouwing zou worden genomen om het nadeel te evalueren. (R.v.St., bvba SOUND & VISION, nr. 38.108,14 november 1991). Zoals eerder reeds werd aangegeven hebben verzoekende partijen met een groot aantal onderaannemers contracten afgesloten die tot de realisatie van het betrokken project dienen te leiden. Bepaalde van die onderaannemers hebben niet het omzetcijfer dat verzoekende partijen realiseren en het betrokken project is voor de verdere levensvatbaarheid van die onderaannemers van cruciaal belang, minstens zal de verdere samenwerking tussen de betrokken onderaannemers en verzoekende partijen op fundamentele wijze beïnvloed worden door de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit. VII-35.198-7/17 De nadelen die het bestreden besluit aldus ook in hoofde van die onderaannemers zal aanbrengen dienen eveneens mee in de beoordeling te worden betrokken. Gelet op wat voorafgaat en gelet op het feit dat de hiervoor vermelde nadelen in globo moeten beoordeeld worden, dient er geconcludeerd te worden dat er mede gelet op de ernst van de middelen, er wel degelijk sprake is van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat tot de schorsing van de betrokken beslissingen dient te leiden. Ook de tweede schorsingsvoorwaarde is dan ook vervuld"; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar nota daarop volgende repliek geeft : "
- Voorafgaandelijk Verzoekende partijen halen elementen aan die Uw Raad zouden moeten overtuigen dat zij een dreigend moeilijk te herstellen ernstig nadeel ondergaan ingevolge het koninklijk besluit van 14 oktober
- Zij zouden een moeilijk te herstellen nadeel ondergaan ingevolge een financieel nadeel, reputatieverlies, het verlies aan groen imago, winstderving. Zij halen ook het nadeel aan dat derden zullen ondergaan. Verwerende partij zal mede aan de hand van de rechtspraak van Uw Raad aanvoeren dat de elementen die verzoekende partijen aan Uw Raad voorleggen ter staving van hun beweerde moeilijk te herstellen nadeel ongegrond zijn.
- Verzoekende partijen blijven in gebreke aan te tonen dat zij een dreigend moeilijk ter herstellen nadeel ondergaan ingevolge het koninklijk besluit van 14 oktober 2005 Vooreerst moet opgemerkt worden dat het beweerde nadeel niet voortvloeit uit de onmiddellijke uitvoering van het bestreden koninklijk besluit van 14 oktober 2005 alleen, doch voor zover dit al het geval is, - quod erat demonstrandum - uit een veelheid van economische en technische omstandigheden en voorwaarden die het succes van het project, dat als een piloot- en testcase was aanzien, bedreigen. Uw Raad heeft bovendien reeds herhaaldelijk geoordeeld dat een schorsingsvordering kan verworpen worden wanneer het nadeel door de Raad van State niet kan worden teniet gedaan of vermeden (vgl. rechtspraak geciteerd in S . DE TAEYE, Procedures voor de Raad van State, 2003, nrs. 125 met uitgebreide verwijzingen) of nog wanneer het vermeende nadeel zich reeds heeft voorgedaan. (ibid.). Zoals hierna wordt aangetoond is dit euvel in onderhavige zaak aan de orde. Doordat de administratieve toelatingen voor het windturbinepark zijn opgeheven op 25 juli 2005 kan het bestreden KB van 14 oktober 2005 thans geen invloed hebben op de opgeheven machtigingen. Vooraf weze verder nog opgemerkt dat niet onomstotelijk vastgesteld kan worden dat de schorsing van de uitvoering van het koninklijk besluit van 14 oktober 2005 vermelde nadelen kan voorkomen c.q. beperken. Verzoekende partijen hebben immers medegedeeld nog niet beslist te hebben of ze het project wensen te beëindigen, hetgeen inhoudt dat niet is beslist of ze de machtigingen in gebruik willen nemen (zie het vonnis van de Rechtbank Eerste Aanleg te Brussel van 21 maart 2005; stuk 39). Bovendien maakt hun bouwmachtiging en de exploitatievergunning nog steeds het voorwerp uit van negen hangende schorsings- en annulatieberoepen die deze administratieve toelatingen een precair statuut geven. Tenslotte hebben verzoekende partijen niet verzocht vast te stellen of de afwijking van KB art 6§4 op hun voorgenomen activiteiten van toepassing is, onverminderd het jurisdictioneel toezicht op de eventuele beslissing. VII-35.198-8/17 2.
- Het beweerde moeilijk te herstellen nadeel in hoofde van verzoekende partijen 2.1.
- Het beweerde financieel verlies naar analogie met de rechtspraak aangaande overheidsopdrachten Vooreerst zal Uw Raad moeten vaststellen dat eerste en tweede verzoekende partijen zelf toegeven dat het financieel nadeel dat zij zouden lijden herstelbaar is (zie p. 37 van het verzoekschrift). Volgens verzoekende partijen zou het windturbineproject op zich, wat fmanciële omvang betreft, zo immens karakter hebben dat het niet doorgaan van die opdracht op zich reeds als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel dient beschouwd te worden, naar analogie met de rechtspraak terzake inzake overheidsopdrachten. (R.v.St., nr. 40.733, 13 oktober 1992, n.v. Bouwbedrijf REYNDERS ; R.v.St, nr. 37.788, I oktober 1991, nv. AEG ; R.v.St. nr. 37 .387, 28 juni 1991, n .v. ARALCO). Het niet doorgaan van de 'opdracht' op zichzelf reeds als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel beschouwen, kan in onderhavige zaak geen steun vinden in de ingeroepen rechtspraak van Uw Raad. De bouw en exploitatie van het windturbinepark is immers geen (met) overheidsopdrachten vergelijkbaar project. Verder is de toepasselijke wetgeving (het openbaar gunnen van overheidsopdrachten) wezenlijk van een andere aard en met een geheel ander beslissingsmechanisme dan in onderhavige zaak aan de orde. Bij de invoering van het schorsingscontentieux bij de Raad van State lag het vooral in de bedoeling om een betere preventieve rechtsbescherming te verlenen inzake overheidsopdrachten. De rechtspraak van Uw Raad leert dat het missen van een opdracht op zichzelf wegens het verlies aan prestige en referenties onder omstandigheden als moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan worden beschouwd. Daarbij moeten de verzoekende partijen wel in concreto aangeven wat het belang is van'“de opdracht' om Uw Raad in staat te stellen om de prestige en referentie waarden enigszins rudimentair te onderzoeken (R.v.S. nr. 95.346 van 14 mei 2001). Daarbij is de vereiste van een interpretatie van rechtsbescherming conform het terzake geldend bijzonder Europees Recht, geheel eigen aan de regelgeving voor overheidsopdrachten. Dit kan niet worden uitgebreid tot onderhavige regelgeving. In tegenstelling tot de zaken waarnaar is verwezen leidt de schorsing van de uitvoering van het koninklijk besluit van 14 oktober 2005 niet tot de reële mogelijkheid voor verzoekende partijen zonder meer tot de bouw en de exploitatie van het windturbinepark over te gaan gelet op de opheffing van de administratieve toelatingen terzake en de vele nog te vervullen voorwaarden en op de hangende zaken voor Uw Raad (zijnde van de bouwmachtiging en de exploitatievergunning en van het opheffingsbesluit van deze administratieve toelatingen). De alternatieve kansen om met even groot succes een off-shore windturbinepark te realiseren in de Belgische zeegebieden, met name op de Thorntonbank die in aanmerking komt en die voor windturbineparken is gereserveerd, zijn onverkort. Bovendien heeft de gevraagde schorsing van het koninklijk besluit van 14 oktober 2005 geen preventieve werking want het stelt de overheid niet reëel in staat het koninklijk besluit van 14 oktober 2005 te heroverwegen. De gevraagde schorsing zou verwerende partij niet veel andere keuze laten dan in te gaan tegen het Ruimtelijk Ordeningsplan van de Belgische zeegebieden (Beleidsplan Duurzaam Beheer Noordzee) waarvoor een ruim maatschappelijk draagvlak is gevormd in tegenstelling tot de bouw en exploitatie van een windturbinepark op de Vlakte van de Raan, alsmede in te gaan tegen het Vlaams-Nederlands overheidsbeleid ter zake. VII-35.198-9/17 De uitvoering van het project is afhankelijk van vele nog niet vervulde voorwaarden zoals ondermeer een uitspraak over de hangende annulatieberoepen, het vervullen van vele technische, soms risicovolle voorwaarden . Het vermeende nadeel is in het licht van uw rechtspraak dan ook te hypothetisch en te onzeker. Verzoekende partijen blijven overigens in gebreke in concreto aan te geven wat het belang is van het project (dat geen opdracht is). Zij stellen Uw Raad ook niet in staat de waarde te onderzoeken door bijvoorbeeld de passende referentiewaarden en de meetbaarheid ervan aan te reiken. Verzoekende partijen tonen ook niet aan dat het vermeende financieel dreigende nadeel voor het voortbestaan van hun onderneming wordt weggenomen door de schorsing van het koninklijk besluit van 14 oktober
- De schorsing en de vernietiging van het koninklijk besluit van 14 oktober 2005 vermogen dan ook niet het aangevoerde financiële nadeel weg te nemen. In vergelijking met de situatie tijdens de schorsingsprocedure van 2003 tot 2005 en waarvoor reeds een schadeprocedure voor de gewone Rechtbank is ingeleid (met een deskundigenopdracht om deze te begroten, zie stukken 38 en 39) heeft het koninklijk besluit van 14 oktober 2005 op zichzelf beschouwd geen nieuw ernstig dreigend nadeel opgeroepen (sic). 2 .1 .
- Verzoekende partijen zouden ook aan reputatieverlies lijden indien het project niet zou doorgaan Verzoekende partijen stellen dat het windturbinepark het eerste windturbinepark voor de Belgische kust betreft en dat de realisatie van dat project belangrijk zou zijn bij het verder opbouwen van een reputatie in de markt voor groene stroomproductie van verzoekende partijen. De reputatie, en met name het groene imago van verzoekende partijen zou dus volledig ondermijnd worden wanneer de schorsing van het koninklijk besluit van 14 oktober 2005 niet plaatsvindt. Verwerende partij meent dat het imagoverlies of het verlies aan reputatie voor zover niet concreet c.q. vaststaand als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan worden beschouwd in toepassing van gevestigde rechtspraak van Uw Raad (zie R.v.St. nr. 79.749 van 1 april 1999 ; R.v.St. nr.126.681 van 22 december2003). Bovendien zou de aan het voorgenomen project te ontlenen reputatie slechts kunnen ontstaan door het succesvol bouwen en exploiteren van het windturbinepark, een gegeven dat bij het schorsen van het koninklijk besluit van 14 oktober 2005 lang niet zou zijn c.q. met voldoende graad van waarschijnlijkheid zal worden gerealiseerd. Het project was een pilootproject waarvan de realisatie van de verschillende fasen telkens afhankelijk was van toekomstige onzekere gebeurtenissen die zich bij het schorsen van het koninklijk besluit van 14 oktober 2005 daarom nog niet met enige ernstige graad van zekerheid aandienen. Verwerende partij merkt op dat het eventuele vernietigingsarrest de beweerde schade, die het direct gevolg zou zijn van het koninklijk besluit van 14 oktober 2005 zelf aan het groene imago zou toebrengen - quod non - genoegzaam kan herstellen (zie R .v.St., nr. 77.437, 7 december 1998). Verzoekende partijen tonen niet aan over een algemeen erkend groen imago te beschikken noch welk impact een schorsing hierop kan hebben. Het beweerde nadeel is dermate vaag dat het zich niet leent tot een enigszins rudimentair onderzoek naar de ernst ervan. Verzoekende partijen geven onvoldoende precieze en concrete aanduidingen omtrent de aard en de omvang van het nadeel bestaande in een reputatieverlies (zie R.v.St. nr. 105.340 van 29 maart 2002). Bovendien is het imago reeds sinds 2002 niet aantoonbaar gunstig beïnvloed door het vooruitzicht op een windturbinepark op de Vlakte van de Raan waar heel veel bezwaren van ecologische aard in de brede lagen van de bevolking VII-35.198-10/17 werden waargenomen zodanig dat verwerende partij heeft moeten vaststellen dat er geen voldoende draagvlak was voor een windturbinepark op de Vlakte van de Raan en dat in tegenstelling tot een windturbinepark op de Thorntonbank. Verzoekende partijen hebben in de periode voorafgaand aan het arrest van Uw Raad tot opheffing van de schorsing (arrest nr. 147.047 van 30 juni 2005) laten blijken zelf ernstig te twijfelen aan de ingebruikname van de administratieve toelatingen. In het tussenvonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel met betrekking tot de schadevergoedingszaak overweegt de Rechtbank : 'Ook Electrabel - Jan de Nul - Seanergy heeft nog niet beslist om het project definitief stop te zetten : zij voert in conclusies aan dat nog geen duidelijkheid is op dit punt' . (vonnis 21 maart 2005, Rechtbank Brussel, p. 12, 2de al.). Het ingeroepen nadeel van reputatieverlies - voor zover reëel (quod erat demonstrandum) - heeft zich desgevallend veeleer in het tijdsverloop van 2002 tot 2005 reeds voorgedaan zodat een schorsing van de uitvoering van het koninklijk besluit van 14 oktober 2005 alleen, het (geleden) nadeel niet meer kan voorkomen (zie R .v.St., nr. 89 .580 van 11 september 2000 en R.v.St. nr. 89.43 van 31 augustus 2000) . Er wordt ook geen voldoende rechtstreeks verband aangetoond tussen het voorkomen van het ingeroepen nadeel en het schorsen van het koninldijk besluit van 14 oktober
- Verzoekende partijen hebben verwerende partij gedagvaard om schadevergoeding te bekomen voor schade als gevolg van het stilleggen van het project door het schorsingsarrest van 25 maart 2003 (R.v.St ., nr. 117.482; stuk 7). Dit heeft geleid (zie stuk 38 en 39) tot het voeren van een procedure van deskundigenonderzoek, reeds in dit stadium van de gang van zaken, om de door de schorsing ontstane schade te ramen en met de opdracht om schade beperkende maatregelen te adviseren (de procedure reeds ingespannen voor de gewone rechtbanken bieden voldoende mogelijkheden om een passende schadevergoeding te bekomen). Verzoekende partijen vorderen er trouwens compensatie voor winstderving en imagoverlies. In de hypothese dat Uw Raad zou oordelen dat het verlies aan reputatie toch een moeilijk te herstellen ernstig nadeel uitmaakt, quod non, dan nog tonen verzoekende partijen niet aan dat het niet kunnen bouwen en exploiteren van een windturbinepark op de Vlakte van de Raan hun reputatie raakt. Hierbij verwijst verwerende partij naar een gelijkaardig windturbinepark dat als eerste near shore windturbinepark in Europa te Horn’s Rev aan de kust van Denemarken werd gebouwd en geëxploiteerd en waarover verwerende partij het Deskundigencollege in bovenvermelde procedure voor de Rechtbank van Eerste Aanleg heeft geïnformeerd. Dit Deens windturbinepark kan volledig worden vergeleken met het project van windturbinepark ten noorden van de Vlakte van de Raan. Het gaat om hetzelfde type en aantal van windturbines als deze die verzoekende partijen wensten te bouwen en te exploiteren ten noorden van de Vlakte van de Raan. De exploitant van het Deens windturbinepark heeft echter zoveel technische problemen gekend dat hij de windturbines heeft moeten laten ontmantelen en op het vasteland heeft moeten laten repareren. Verzoekende partijen zouden soortgelijke technische problemen kunnen ontmoeten met het project ten noorden van de Vlakte van de Raan of het risico had minstens bestaan dat dezelfde problemen als deze met het windturbinepark te Horn’s Riv zich zouden voordoen. Verzoekende partijen kunnen dan ook bezwaarlijk stellen dat het windturbinepark ten noorden van de Vlakte van de Raan hun reputatie zeker ten VII-35.198-11/17 goede had gekomen en dat zij derhalve door het opheffingsbesluit van 25 juli 2005 aan reputatieverlies zullen lijden. 2.
- Het beweerde moeilijk te herstellen ernstig nadeel in hoofde van eerste verzoekende partij ingevolge het gebrek aan groene stroomcertificaten 2.2.
- Eerste verzoekende partij zou een verlies aan groen imago en een pecuniair verlies lijden ingevolge het feit dat er minstens tijdelijk geen groenestroomcertificaten zullen kunnen worden afgeleverd. Wat de groencertificaten betreft toont eerste verzoekende partij niet aan dat er een ernstig nadeel is toe te schrijven aan het koninklijk besluit van 14 oktober
- Er bestaat geen voldoende causaal verband met het mogelijk gebrek aan groenestroomcertificaten. Bovendien is verre van aangetoond dat de leefbaarheid van eerste verzoekende partij hierdoor zou zijn aangetast, bij gebreke van voorlegging van relevante gegevens zoals omzetcijfers, winstgevendheid en financiële reserves. 2.2.
- Verwerende partij wenst de aandacht van Uw Raad te vestigen op het feit dat eerste verzoekende partij verwerende partij op 24 juli 2003 heeft gedagvaard in gedwongen tussenkomst tot gemeenverklaring van vonnis in de zaak, die eerste verzoekende partij heeft ingespannen tegen het Vlaams Gewest betreffende de beslissing van 19 mei 2003 van de Vlaamse Reguleringsinstantie voor de Elektriciteits-en Gasmarkt (hierna genoemd 'de V.R.E.G.') tot het opleggen van een administratieve geldboete (bevestigd door de beslissing van 19 mei 2003) ingevolge het niet behalen van de vereiste groenestroomcertificaten voor het jaar 2002; ook de N.V. Electrabel Customer Solutions heeft verwerende partij gedagvaard tegen de beslissingen van de V.R.E.G. om een administratieve geldboete op te leggen ingevolge het niet behalen van de nodige groenestroomcertificaten in de jaren 2002 en
- Bovenvermelde rechtsprocedures maken deel uit van een belangrijk aantal rechtsprocedures, die eerste verzoekende partij en andere betrokken partijen hebben ingespannen voor Uw Raad, het Arbitragehof en de gewone rechtbanken waarbij heel het systeem van groenestroomcertificaten in vraag wordt gesteld. Deze rechtsprocedures, waarvan een aantal nog lopende zijn, plaatsen de administratieve geldboetes die werden opgelegd en die in de toekomst nog kunnen worden opgelegd, totaal op de helling. Daarbij zou in de nabije toekomst de bestaande Vlaamse reglementering inzake de groenestroomcertificaten worden herzien. Gezien het voorgaande, stelt zich dan ook de vraag of de administratieve geldboetes waarnaar verzoekende partijen verwijzen, hen ten laste zullen zijn, zeker nu ervan mag worden uitgegaan - zo er sprake is van een onterecht nadeel - dat deze procedures voor voldoende financieel en rechtsherstel zullen zorgen. 2.2.
- In de hypothese dat verzoekende partijen toch tot de bouw en de exploitatie van het windturbinepark zou overgaan, dan nog zou het weinig waarschijnlijk zijn dat het windturbinepark op zeer korte termijn kan worden geëxploiteerd en groenestroomcertificaten zou opleveren. Hierbij wordt onder meer verwezen naar het bovenvermeld project te Horn’s Riv waar ingevolge technische problemen de verwachte elektriciteitsproductie niet werd gehaald. 2.2.
- Tenslotte wenst verwerende partij de aandacht van Uw Raad te vestigen op het feit dat de Vlaamse reglementering inzake de groenestroomcertificaten vele manieren voorziet om groenestroomcertificaten te verwerven. Krachtens artikel 8,§1 van het Besluit van de Vlaamse regering van 28 september 2001 inzake de bevordering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen aanvaardt de V.R.E.G. voor het voldoen aan de verplichting: 'opgelegd aan de netbeheerders en houders van een leveringsvergunning ingevolge artikel 23 van het Elektriciteitsdecreet (...) enkel de groenestroomcertificaten die worden toegekend voor elektriciteit, VII-35.198-12/17 opgewekt in het Vlaamse Gewest of in de gebieden zoals bedoeld in artikel 6 van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt [noot van Verwerende partij: de zeegebieden waarin België rechtsbevoegdheid kan uitoefenen] door middel van: 1/ zonne-energie; 2/ windenergie; 3/ waterkracht 4/ getijdenenergie en golfslagenergie; 5/ geothermie; 6/ biogas dat voorkomt uit de vergisting van organisch biologische stoffen hetzij in storten, hetzij in vergistingsinstallaties; 7/ dierlijke mest inclusief het daaruit opgewekte biogas; 8/ biomassa, inclusief het daaruit opgewekte biogas; indien ze niet samen met restafval verwerkt wordt, 9/ de energie opgewekt uit organisch-biologische stoffen afkomstig van de volgende afvalstromen die niet onder de definitie van biomassa vallen, inclusief het daaruit opgewerkte biogas, en indien die stoffen niet samen met restafval verwerkt worden; a) dierlijk afval; b) bermmaaisel; c) groente-, fruit- en tuinafval; d) groenafval; e) organisch-biologisch afval dat selectief ingezameld wordt of dat gesorteerd wordt uit restafval; f) zuiveringsslib; g) frituuroliën'. Er kan dan ook cijfermatig worden aangetoond dat het niet onmogelijk is om de opgelegde quota aan groenestroomcertificaten te halen of om groenestroominstallaties - andere dan een windturbinepark in zee - te bouwen zoals blijkt uit de cijfers die door de V.R.E.G. werden gepubliceerd (stuk 43 ; zie http://www.vreg.be). Trouwens eerste verzoekende partij haalt haar groenestroomcertificaten reeds uit de productie van elektriciteit uit andere hernieuwbare energiebronnen dan windturbines en meer bepaald uit biomassa (stuk 44) 2.2.5 . Tenslotte wenst verwerende partij nog de aandacht van Uw Raad te vestigen op het feit dat de Vlaamse Regering het bovenvermeld Besluit van 28 september 2001 inzake de bevordering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen heeft opgeheven door het Besluit van 5 maart 2004 inzake de bevordering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen (artikel 20 van het Besluit van 5 maart 2004 inzake de bevordering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen). Het artikel 15 van dit Besluit van 5 maart 2004 inzake de bevordering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen werd in die zin gewijzigd dat voor het voldoen aan de certificatenverplichting de V.R.E.G. enkel nog de groenestroomcertificaten, die werden toegekend voor elektriciteit opgewekt in het Vlaamse gewest, aanvaardt. Immers de zinsnede 'opgewekt in het V!aamse Gewest of in de gebieden bedoeld in artikel 6 van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt' werd uit het artikel 15 van het Besluit van 5 maart 2004 gehaald. Eerste verzoekende partij beweert dan ook onterecht dat het niet kunnen exploiteren van een windturbinepark in de Belgische zeegebieden tot onoverkomelijk gevolg zal hebben dat zij administratieve geldboetes zullen moeten betalen in het Vlaamse gewest. 2.2.
- Gezien het voorgaande, is het ook niet verwonderlijk dat eerste verzoekende partij niet op cijfermatige wijze aan Uw Raad kan aantonen dat zij in de toekomst het opgelegde aantal aan groenestroomcertificaten niet zal halen VII-35.198-13/17 en welk verlies zij zou lijden ingevolge het eventueel gebrek aan groenestroomcertificaten. Gezien het voorgaande tonen verzoekende partijen geenszins aan dat zij minder aan imagoverlies zou lijden wanneer het koninklijk besluit van 14 oktober 2005 zou worden geschorst. 2.
- Het beweerde moeilijk te herstellen nadeel in hoofde van de tweede verzoekende partij 2.3.
- Verwerende partij herhaalt dat imagoverlies en winstverlies door Uw Raad in gevestigde rechtspraak niet wordt aanvaard als zijnde moeilijk te herstellen ernstig nadeel. In de hypothese dat Uw Raad toch van oordeel zou zijn dat het imagoverlies en winstverlies in aanmerking moeten worden genomen als moeilijk te herstellen nadeel, quod non, dan nog zal tweede verzoekende partij voldoende elementen moeten aanreiken opdat Uw Raad zou kunnen oordelen dat zij wel degelijk imagoverlies en winstverlies zullen lijden ingevolge de toepassing van het koninklijk besluit van 14 oktober
- De eigen nota aan verzoekende partij als bijlage 4 van het verzoekschrift is niet door deskundigen gecertificeerd en toont inhoudelijk het ernstig nadeel niet overtuigend aan. 2.3.
- Tweede verzoekende partij beweert dat zij door koninklijk besluit van 14 oktober 2005 een kans op een belangrijke referentie in haar thuismarkt te verliezen (p. 39 van het verzoekschrift). Verwerende partij verwijst naar hetgeen hierboven is aangevoerd ter zake van het financieel herstel hiervan. Tweede verzoekende partij brengt overigens een louter hypothetisch nadeel naar voor, verlies van een kans, een referentie op de thuismarkt te verwerven, en levert hiervoor geen enkele stevige onderbouwing (vgl : R.v.St. nr. 85 .032 van 2 februari 2000). Verwerende partij merkt op dat een project op de Thorntonbank een valabel alternatief biedt. 2 .
- Het beweerde moeilijk te herstellen nadeel in hoofde van derde partijen 2.3.
- Verwerende partij meent dat - behoudens uitzonderlijke omstandigheden waarover Uw Raad heeft geoordeeld (zie R.v.St. nr. 38.108 van 14 november 1991) - het nadeel in hoofde van derde partijen niet als een moeilijk te herstellen nadeel kan worden weerhouden. Indien Uw Raad echter van oordeel is dat nadeel in hoofde van derde partijen moet worden weerhouden als een moeilijk te herstellen nadeel, dan nog zal Uw Raad moeten vaststellen dat in casu verzoekende partijen ten onrechte stellen dat derde partijen nadeel hebben ondergaan die het gevolg is van het koninklijk besluit van 14 oktober
- 2.3.
- Vooreerst vestigen verzoekende partijen de aandacht van Uw Raad op het feit dat verzoekende partijen, voor dat zij over een definitieve bouwmachtiging en exploitatievergunning voor het windturbinepark beschikten, wellicht reeds de belangrijke bestellingen hadden geplaatst bij de ondernemingen die zouden instaan voor de bouw en de installatie van het windturbinepark. Verzoekende partijen hebben derhalve zelf besloten het risico te nemen om reeds bestellingen te plaatsen vooraleer over een bouwmachtiging en een exploitatievergunning te beschikken die niet meer voor Uw Raad aanvechtbaar waren. Het koninklijk besluit van 14 oktober 2005 heeft immers geen rechtstreekse invloed op de handelsrelaties met onderaannemers : deze handelsrelaties - die desgevallend voor het gegunde project zeker grotendeels voortijdig tot bindende afspraken gemaakt - zijn trouwens eigen aan de handelswijze van verzoekende partij. Ten aanzien van de onderaannemers kunnen verzoekende partijen zich niet beroepen op een nadeel waarvan zij zelf de oorzaak zijn als gevolg van de VII-35.198-14/17 voortijdige contractuele afspraken gemaakt voor de machtigingen definitief zijn en in gebruik kunnen worden genomen. Het sluiten van contracten met onderaannemers hangende schorsings- en annulatieberoepen en hangende de inmiddels opgeheven schorsing in het kader van het annulatieberoep Soete en Knokke-Heist, kan bezwaarlijk leiden tot een 'dreigend' ernstig nadeel dat aan de opheffing van de administratieve toelatingen zelfs toeschrijfbaar is. Het nadeel, zo er al een is, is geheel of in hoofdzaak toe te schrijven aan het door verzoekende partijen genomen initiatieven en kan door de uitvoering van het koninklijk besluit van 14 oktober 2005 niet voorkomen worden. De aangevoerde beweringen dat voor bepaalde onderaannemers het project cruciaal is voor hun leefbaarheid wordt niet in concreto gestaafd en wordt zelfs weersproken door het uitblijven van levensvatbaarheidsproblemen veroorzaakt door het uitblijven van de ingebruikname van de bouwmachtiging en de exploitatievergunning en vooral gelet op het lange tijdsverloop sinds deze administratieve toelatingen werden verleend. Verzoekende partijen nemen de vrijheid om Uw Raad te verwijzen naar de procedure die verzoekende partijen hebben ingespannen tegen verwerende partij. Verzoekende partijen hebben verwerende partij bovendien gedagvaard in schadevergoeding en om gedwongen tussen te komen in de zaak waarbij schadevergoeding door onderaannemers wordt gevorderd van verzoekende partijen (stuk 38 en 39) alwaar passend rechtsherstel zo daartoe aanleiding bestaat, kan worden bekomen. 2.3.
- Gezien het voorgaande, kan dan ook bezwaarlijk worden gesteld dat derde partijen een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zouden lijden ingevolge het opheffingsbesluit van 25 juli
- 2.
- Ernst van de aangevoerde middelen Verzoekende partijen verwijzen naar de ernst van de aangevoerde middelen ter beoordeling van het vermeende moeilijk te herstellen ernstig nadeel Verwerende partij meent dat de aangevoerde middelen noch ernstig, noch gegrond zijn zoals mag blijken uit de bespreking van de middelen. Verwerende partij wijst er met nadruk op dat verzoekende partijen procedures voeren voor de Rechtbank van Eerste Aanleg waar hun rechten en belangen naar behoren kunnen worden verdedigd. Verwerende partij herhaalt dat verzoekende partijen niet konden meedelen aan de Rechtbank van Eerste Aanleg of zij in het licht van de vele onzekerheden, het project definitief zou stopzetten. Verzoekende partijen hebben hun aanspraak tot ingebruikname van de administratieve toelatingen sindsdien niet vooropgesteld en ook niet na de opheffing van de schorsing bij arrest van Uw Raad van 30 juni
- 2.
- Afweging van belangen Uw Raad houdt voor dat zelfs wanneer de schorsingsvoorwaarde vervuld zou zijn er dan nog dwingende redenen van algemeen belang de schorsing in de weg kunnen staan. Bij een redelijke afweging van de in het geding zijnde belangen dient geen voorrang gegeven te worden aan het belang de mogelijkheid te hebben de administratieve toelatingen in gebruik te nemen (hangende de annulatieberoepen) op het algemeen belang van een bescherming van de bedreigde gebieden waarvoor middels een inmiddels opgesteld Duurzaam Beheersplan voor de Noordzee en de Ontwikkelingsschets 2010 Schelde- Estuarium, in passende regelingen voorziet. Bij de afweging van belangen zou verder rekening gehouden kunnen worden met de nadelen die kunnen ontstaan voor het algemeen belang bij de schorsing van het koninklijk besluit van 14 oktober
- Alsdan kunnen de verzoekende partijen - mits aan alle gestelde voorwaarden wordt voldaan - de administratieve toelatingen in gebruik nemen hetgeen bij een verwerping van het VII-35.198-15/17 annulatieberoep, en derhalve de handhaving van het koninklijk besluit van 14 oktober 2005, tot nadelen kan leiden voor het algemeen belang die nog moeilijk te herstellen zouden zijn . (R.v.St., nr. 34.023 van 12 februari 1990 ; R.v.St. nr. 40 .256 van 11 september 1992)”; 2.3.
- Overwegende dat het door de verzoekende partijen aangevoerd moeilijk te herstellen ernstig nadeel identiek is aan het nadeel aangevoerd in de vordering tot schorsing dat tot het arrest 156.790 van 23 maart 2006 heeft geleid en waarbij de vordering tot schorsing werd verworpen wegens het niet aangevoerd zijn van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel; dat er zich niet alleen geen redenen aandienen om over het door de verzoekende partijen aangevoerde nadeel thans een ander oordeel te vellen, maar dat wordt vastgesteld dat het aangevoerde nadeel in wezen gestoeld is op en rechtstreeks voortvloeit uit het ministerieel besluit van 25 juli 2005 waarbij het ministerieel besluit van 25 juni 2002 houdende de toekenning aan de tijdelijke vereniging ELECTRABEL-ONDERNEMINGEN JAN DE NUL van een machtiging voor de bouw en de vergunning voor de exploitatie van een park voor 50 windmolens op de Vlakte van de Raan wordt opgeheven; dat aldus het aangevoerd nadeel niet rechtstreeks voortvloeit uit het bestreden koninklijk besluit; dat dienvolgens een schorsing van de tenuitvoerlegging van laatstgenoemd besluit dat nadeel niet ongedaan kan maken; 2.3.
- Overwegende dat niet is voldaan aan de tweede door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State gestelde schorsingsvoorwaarde; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. VII-35.198-16/17 Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig juni tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-35.198-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.592 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.254 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.