id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.600 Rolnummer: A. 67668/XII-2150 Zaak: Arrest 160600 - - 27/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-30 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 22:59 Fiche Arrest nr 160.600 van 27 juni 2006 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 160.600 van 27 juni 2006 in de zaak A. 67.668/XII-
- In zake : de NV JOHAN DESMET, die woonplaats kiest bij advocaat J. De Decker, kantoor houdende te Gent, Steendam 77-79 tegen : de GEMEENTE ZULTE, die woonplaats kiest bij advocaat A. Lust, kantoor houdende te Brugge (Sint-Andries), Burggraaf de Nieulantlaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV Johan Desmet op 19 februari 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 21 december 1995 van de gemeenteraad van Zulte tot heffing, voor het jaar 1996, van een belasting op bedrijven die een bepaalde vennootschapsvorm hebben aangenomen; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door adjunct-auditeur D. Mareen; Gelet op de beschikking van 1 september 1999 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 17 maart 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 mei 2005; XII-2150-1/7 Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; De feiten
- Overwegende dat de gemeente Zulte voor het jaar 1995 de opcentiemen op de onroerende voorheffing van 800 naar 1000 heeft opgetrokken, de aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting van 6 % op 7 % heeft gebracht, en een belasting heeft ingevoerd op de bedrijven die een bepaalde vennootschapsvorm hebben aangenomen; dat in verband met de laatste belasting wordt overwogen dat de gemeente belastingen wil heffen op alle bevolkingsgroepen en bedrijven, zodat de belastingen een zekere evenredige spreiding vertonen; Overwegende dat dezelfde belastingen ook voor 1996 worden geheven; dat aldus de gemeenteraad op 21 december 1995 onder meer beslist om voor 1996 een belasting te heffen “op de bedrijven die op 1 januari van het aanslagjaar een bepaalde vennootschapsvorm hebben aangenomen met inbegrip van de burgerlijke vennootschappen die de vorm van handelsvennootschap hebben aangenomen en die een vestiging hebben, gelegen in de gemeente Zulte, met uitzondering van de feitelijke verenigingen en de verenigingen zonder winstoog- merk”; dat de belasting verschuldigd is per afzonderlijke inplanting of bedrijfsvesti- ging op het grondgebied van de gemeente (artikel 2); dat het basisbedrag van de belasting op 3000 frank wordt bepaald (artikel 3) en dat dit bedrag wordt verhoogd met “twee aanvullende belastingen” (artikel 4); dat een eerste aanvullende belasting wordt berekend volgens het kadastraal inkomen van de onroerende goederen die voor de vennootschap worden gebruikt; dat de tweede aanvullende belasting rekening houdt met de graad van hinderlijkheid zoals bepaald in het Algemeen reglement voor de arbeidsbescherming en in Vlarem I; dat die beslissing het voorwerp vormt van het voorliggende beroep; XII-2150-2/7 De grond van de zaak
- Overwegende dat verzoekster in een vierde middel, afgeleid uit de schending van het redelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel, onder andere aanvoert dat de economische entiteiten die de rechtspersoonlijkheid niet bezitten maar door natuurlijke personen worden gevormd, niet aan de belasting onderworpen zijn, dat de motivering dat “de gemeente belastingen [zou] willen heffen op alle bevolkingsgroepen en bedrijven zodat de belastingen een zekere evenredige spreiding vertonen” dan ook niet met de werkelijkheid strookt, en dat het onderscheid tussen economische entiteiten die al dan niet rechtspersoonlijkheid bezitten niet op objectieve en redelijke wijze kan worden verantwoord; Overwegende dat verzoekster daar in een vijfde middel, afgeleid uit de schending van het gelijkheids- en het proportionaliteitsbeginsel, aan toevoegt dat het gehanteerde onderscheidingscriterium van de rechtspersoonlijkheid geen verband houdt met de aard en het doel van de belasting en niet op enige andere wijze te verantwoorden is, dat de economische entiteiten zonder rechtspersoonlijkheid zich met dezelfde exploitatie of winstgevende handelingen bezighouden en zich in dezelfde feitelijke omstandigheden bevinden als de vennootschappen die aan de belasting worden onderworpen, dat aan de economische entiteiten zonder rechtsper- soonlijkheid een voorrecht wordt verleend;
- Overwegende dat verwerende partij in de memorie van antwoord repliceert dat de motivering van de belasting wel degelijk correct is, dat niet ernstig ontkend kan worden dat de bestreden beslissing bedoelt een zeker evenwicht in de spreiding van de belastingdruk te bewaren, dat ook de aanvullende belasting op de personenbelasting werd verhoogd, belastingverhoging die niet de bedrijven- rechtspersonen doch enkel de natuurlijke personen raakt, dat de bedrijfsbelasting wat de natuurlijke personen betreft haar tegenhanger vindt in de verhoogde aanvullende belasting op de personenbelasting; Overwegende dat verwerende partij voorts betoogt dat bij een onderzoek naar de fiscaal gelijke behandeling niet moet worden nagegaan of de fiscale behandeling feitelijk of numeriek gelijk is, maar wel of er een juridisch gelijke behandeling is, dat in het bijzonder dient te worden onderzocht of het gemaakte onderscheid objectief is en redelijk verantwoord, uitgaande van de aard en het doel van de belasting, dat zulks te dezen het geval is, dat het feit of een economische XII-2150-3/7 entiteit al dan niet rechtspersoonlijkheid heeft bij uitstek een gegeven is dat objectief vaststelbaar is, dat de onderscheiden behandeling van deze twee groepen redelijk verantwoord is in functie van het nagestreefde doel, dat economische entiteiten zonder rechtspersoonlijkheid onderworpen zijn aan de personenbelasting en dus aan de aanvullende belasting op de personenbelasting, dat economische entiteiten met rechtspersoonlijkheid niet aan die belasting onderworpen zijn; dat verwerende partij daarbij nog opmerkt : “De bedoeling die de verwerende partij nastreefde bij het uitvaardigen van de bestreden beslissing was het tot stand brengen van een zeker evenwicht in de spreiding van de belastingdruk over de verschillende bevolkingscategorieën binnen de gemeente. Zij werd uitgevaardigd naar aanleiding van een verhoging van de aanvullende belasting op de personenbelasting, welke belastingverhoging per definitie enkel ten laste komt van niet-rechtspersonen, en dus in wezen een onevenwicht creëert in de mate deze belastingverhoging niet gepaard gaat met een verhoging van de belasting die enkel op rechtspersonen weegt. Een verhoging van de belastingdruk door het invoeren van een bedrijfsbelasting, die inderdaad enkel ten laste komt van ondernemingen-rechtspersonen, is dan ook volledig verantwoord in het licht van hogergenoemde doelstelling! Van enige schending van het gelijkheidsbeginsel is geen sprake”;
- Overwegende dat de in de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet vervatte regels met betrekking tot de gelijkheid en de niet-discriminatie inzake belastingen er niet aan in de weg staan dat een verschillende fiscale behande- ling wordt ingesteld ten aanzien van bepaalde categorieën van personen, althans voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is; dat die verantwoording onder meer voldoende verband moet houden met de aard en het doel van de belasting;
- Overwegende, aangaande de aard en het doel van de bestreden heffing, dat de belasting er een is “op bepaalde categorieën van bedrijven”, waarbij per bedrijfsvestiging een forfaitaire basisbelasting wordt geheven van 3.000 frank, vermeerderd met een verhoging volgens -aldus de memorie van antwoord- “de mate van belangrijkheid van de onderneming” en “de mate van hinderlijkheid ervan”; Overwegende dat naar luid van de aanhef van de belasting, de gemeente aldus “belastingen wil heffen op alle bevolkingsgroepen en bedrijven zodat de belastingen een zekere evenredige spreiding vertonen”; dat de schepen van handel en middenstand ter zake in een nota aan de pers heeft toegelicht : “Daar het voorstel van de gemeente was om de gemeentelijke personenbelasting te verhogen werd geopteerd om ook de vennootschappen te XII-2150-4/7 belasten daar deze niet konden gevat worden door de gemeentelijke opcentiemen op de vennootschapsbelasting van de staat, noch door de personenbelasting. Door een gemeentebelasting op de vennootschappen in te voeren zouden alle maatschappelijke geledingen op een evenwichtige manier bijdragen in de gemeentelijke fiscaliteit. Aan het feit dat de bedrijven voor hun bedrijvigheid in belangrijke mate gebruik maken van de gemeentelijke infrastructuur en dienstverlening, werd nooit getwijfeld. Vandaar de vraag op dat moment om ook de vennootschappen te belasten”; dat de schepen die zienswijze ook ter zitting van de gemeenteraad van 13 februari 1996 heeft verwoord, tijdens het debat over een voorstel tot “het afschaffen” van de bestreden belasting - voorstel dat verworpen is; Overwegende dat in een door het college van burgemeester en schepenen op 5 maart 1996 goedgekeurde nota de schepen van financiën erop wijst dat er van de 1280 zelfstandigen in de gemeente 314 onder een vennootschapsvorm opereren, dat er dus bijna 1000 zelfstandigen geen bedrijfsbelasting dienen te betalen, dat slechts 104 van de 314 bedrijven meer dan 10.000 frank belasting moeten betalen en dat het gemeentebestuur de bijdrage in de financiële last van de gemeente ruim compenseert, onder meer door een optimalisatie van de basisinfrastructuur waarbij ook “de huidige industriezone” “ruim bedeeld werd”, door via de milieudienst een beleid “naar de bedrijven toe” te voeren en door de toekomstige uitbreiding van de industriezone en de aanleg van een K.M.O.-zone, wat “zeer veel geld [zal] vragen van onze Gemeente”; Overwegende, samenvattend, dat de aangevochten belasting bepaalde bedrijven wil laten bijdragen in de kosten van de gemeente omdat zij gebruik maken van en voordeel halen uit de gemeentelijke voorzieningen en infrastructuur, terwijl zij niet reeds meebetalen via de aanvullende belasting op de personenbelasting;
- Overwegende dat verzoekster niet betwist dat bedrijven voordeel halen uit de gemeentelijke dienstverlening; dat zij wel betwist dat economische entiteiten met rechtspersoonlijkheid in dit opzicht anders behandeld kunnen worden dan economische entiteiten zonder rechtspersoonlijkheid; Overwegende dat verwerende partij ter verantwoording van het verschil in behandeling tussen de twee categorieën van entiteiten niet aanvoert dat haar inspanningen ten behoeve van bedrijven slechts ten goede zouden komen aan bedrijven met rechtspersoonlijkheid, of dat bedrijven met rechtspersoonlijkheid in XII-2150-5/7 ruimere mate dan bedrijven zonder rechtspersoonlijkheid het genot zouden hebben van de gemeentelijke dienstverlening; dat de Raad van State ook niet inziet dat er op dit punt een wezenlijk verschil zou bestaan tussen bedrijven met rechtspersoonlijkheid en bedrijven zonder rechtspersoonlijkheid; dat het onderscheid dat in de aangevochten verordening wordt gemaakt tussen die twee categorieën van bedrijven dan ook berust op een criterium dat, in het licht van de aard en het doel van de belasting, niet pertinent is;
- Overwegende weliswaar dat verwerende partij aanvoert dat economische entiteiten zonder rechtspersoonlijkheid onderworpen zijn aan de aanvullende belasting op de personenbelasting, terwijl economische entiteiten met rechtspersoonlijkheid niet aan die belasting onderworpen zijn; Overwegende dat de aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting alleen door inwoners van de gemeente verschuldigd is, en niet door natuurlijke personen die in de gemeente een economische activiteit uitoefenen, zonder er hun hoofdverblijf te hebben; dat de aanvullende belasting voorts verschuldigd is door alle natuurlijke personen die hun hoofdverblijf in de gemeente hebben, ongeacht of zij op het grondgebied van de gemeente al dan niet een bedrijfsactiviteit uitoefenen; dat de omstandigheid dat de inwoners van de gemeente onderworpen zijn aan de aanvullende belasting op de personenbelasting dan ook geen redelijke verantwoording kan bieden voor een verschil in behandeling tussen entiteiten met rechtspersoonlijkheid en entiteiten zonder rechtspersoonlijkheid, met betrekking tot een belasting die specifiek op bedrijven wordt geheven;
- Overwegende dat de middelen in de besproken mate gegrond zijn, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van 21 december 1995 van de gemeenteraad van Zulte tot heffing, voor het jaar 1996, van een belasting op bedrijven die een bepaalde vennootschapsvorm hebben aangenomen. XII-2150-6/7 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig juni 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2150-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.600 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.