← België

Arrest 160647 - - 27/06/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.647 Rolnummer: A. 171181/XII-4672 Zaak: Arrest 160647 - - 27/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-07-13 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-30 23:04 Fiche Arrest nr 160.647 van 27 juni 2006 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 160.647 van 27 juni 2006 in de zaak A. 171.181/XII-4672. In zake : Paul DOFFYN, die woonplaats kiest bij advocaat H. Demeester, kantoor houdende te Gent, Kortrijksesteenweg 535 tegen : de BESTENDIGE DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN OOST-VLAANDEREN. tussenkomende partij : Els BRONDEEL, wonende te Erpe-Mere, Oudenaardsesteenweg 28, bus 1. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Paul Doffyn op 20 maart 2006 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van “1. de impliciete beslissing van de Bestendige Deputatie bij de Provincie Oost-Vlaanderen, in haar hoedanigheid van Inrichtende Macht, tot weigering van aanstelling met ingang van het schooljaar 2005-06 als tijdelijke van doorlopende duur van verzoeker als Rooms-Katholieke godsdienst bij het Provinciaal Technisch Instituut te Ninove. 2. de impliciete of expliciete beslissing van onbekende datum van de Bestendige Deputatie van Oost-Vlaanderen, in haar hoedanigheid van Inrichtende Macht, waarbij één of meerdere leerkrachten Rooms-Katholieke godsdienst worden aangesteld bij het Provinciaal Technisch Instituut te Ninove in zoverre dat die lesopdracht(

  1. en)afbreuk doe(t)(
  2. n)aan de opdracht waar verzoeker op grond van zijn recht op tijdelijke aanstelling van doorlopende duur aanspraak kan op maken”; Gezien het op dezelfde dag ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoeker de nietigverklaring vordert van dezelfde beslissingen; Gezien de nota van de verwerende partij; XII-4672-1\7 Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 15 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 juni 2006; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, van advocaat H. Demeester, die verschijnt voor verzoeker, en van directeur M. Stepman, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat Els Brondeel met een verzoekschrift van 1 juni 2006 heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat zij belang heeft bij de uitkomst van de zaak; dat het verzoek moet worden ingewil- ligd; dat de tussenkomende partij op de terechtzitting echter niet verschijnt noch vertegenwoordigd is; dat, gelet op artikel 4 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State met het verzoek overigens geen rekening moet worden gehouden; 2. Overwegende dat aan de bestreden beslissingen het volgende voorafgaat : Verzoeker is van 19 november 2001 tot 3 juni 2004 aangesteld als leraar rooms-katholieke godsdienst aan het Provinciaal Technisch Instituut (PTI) te Ninove. XII-4672-2\7 Wegens “een aanslepend conflict” met zijn directie beslist de bestendige deputatie op 29 april 2004 “om niet te ontslaan maar in het belang van de dienst (het onderwijs in casu PTI Ninove) de inspectie RK godsdienst te verzoeken [verzoeker] in een andere school aan te stellen, hem dus uit PTI Ninove te verwijderen om hem elders te laten functioneren”. Zo geschiedt: met brief van 7 juni 2004 deelt de vicaris aan de verwerende partij mee dat hij verzoeker niet voordraagt als leerkracht rooms-katholieke godsdienst in het PTI voor het schooljaar 2004-2005, preciserende dat dit niets af doet aan verzoekers recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de scholen van de scholengemeenschap wanneer hij hiervoor tijdig kandideert. Op 27 augustus 2004 stelt de kerkelijke overheid E. Brondeel voor voor een tijdelijke aanstelling aan het PTI Ninove. Zij wordt op 30 september 2004 ook effectief aangesteld. Op 27 september 2004 deelt de provincie aan verzoeker onder meer mee dat hij door de inspectie rooms-katholieke godsdienst is voorgedragen buiten het provinciaal onderwijs van Oost-Vlaanderen, maar dat die maatregel vanuit juridisch oogpunt geen invloed heeft op het feit dat verzoeker op 1 september 2004 het recht verwerft op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur (TADD) in de scholen van de scholengemeenschap Ninove-Liedekerke-Denderleeuw gedurende vijf opeenvolgende schooljaren. Indien hij voor de volgende schooljaren op dit recht een beroep wil doen, zo preciseert de provincie, moet verzoeker “er wel op letten dat [hij] opnieuw kandideert vóór 15 juni, met een aangetekend schrijven gericht aan de inrichtende macht”. Op 9 juni 2005 meldt verzoeker met aangetekend schrijven “dat ik, voor wat betreft het schooljaar 2005-2006, gebruik wil maken van de rechten dewelke verbonden zijn aan mijn TADD-statuut, verworven op basis van mijn tewerkstelling bij het Provinciaal Technisch Instituut te Ninove”; 3.1. Overwegende dat verzoeker met de voorliggende vordering de weigering aanvecht van de provincie als bevoegd gezag van het PTI, om hem op grond van de aldus door hem ingeroepen TADD-rechten, voor het huidige schooljaar 2005-2006 in het PTI aan te stellen als leerkracht rooms-katholieke godsdienst en dat hij voorts de beslissing aanvecht om E. Brondeel voor de duur van dit schooljaar in die betrekking aan te stellen; XII-4672-3\7 Overwegende dat het verzoekschrift volgens de verwerende partij laattijdig werd ingediend en bijgevolg als onontvankelijk dient te worden verworpen, omdat verzoeker van het bestaan van de bestreden beslissingen reeds geruime tijd op de hoogte was; dat ten minste vastgesteld moet worden, volgens de verwerende partij, dat het door verzoeker ingeroepen morele nadeel al geruime tijd aanwezig is en dat er geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die nog een onmiddellijk optreden van de Raad van State verantwoorden; 3.2. Overwegende dat verzoeker heeft gewacht om bij de Raad van State de voorliggende vordering in te stellen tot 20 maart 2006; dat het schooljaar waarvoor hij aangesteld wil worden dan al méér dan halfweg is, terwijl hij voor het schooljaar 2006-2007 opnieuw een aanvraag mag indienen om van dan af van het TADD-statuut gebruik te kunnen maken; dat, rekening houdende met de nodige tijd voor de organen van de Raad om de zaak te onderzoeken en er uitspraak over te doen, het nuttig effect van een schorsing, die enkel voor de toekomst uitwerking heeft, bijzonder relatief is geworden; dat zulks daarenboven te wijten is aan verzoekers eigen toedoen; dat uit het administratief dossier en verzoekers eigen verklaringen blijkt dat voor dit tijdsverloop niet het excuus kan gelden dat hij niet op de hoogte was van de thans door hem bestreden beslissingen; dat hij er integendeel reeds van bij aanvang van het schooljaar maar al te goed weet van had; dat hij immers reeds op 6 september 2005 de verwerende partij heeft gedagvaard in kort geding voor de gewone rechter teneinde “er te horen zeggen voor recht dat [hij] dient aangesteld te worden in de door hem aangevraagde functie”; dat hij blijkens die dagvaarding zich op 1 september 2005 vruchteloos aanbood bij het PTI en dat de provincie “hem -en dit op 1 september 2005 te 10.20 uur- kopie bezorgt van een schrijven van 18 juli 2005 aan het Bisdom en waarbij de Provincie meedeelt niet te willen ingaan op het verzoek tot aanstelling en spreekt van ‘opgezegd zijnde’ en ‘de tijdelijke aanstelling niet te willen verlengen’”; dat verzoeker in een 9 september 2005 gedateerd faxbericht aan de verwerende partij voorts verklaart: “Op 06 september [2005] nam ik inzage van het administratief dossier van mevrouw Els Brondeel (waarvan ik de aanstelling als leraar godsdienst aan het Provinciaal Technisch Instituut te Ninove betwist) nadat u me diezelfde dag, per fax, daartoe toestemming gaf”; Overwegende dat verzoeker in zijn verzoekschrift weliswaar argumenteert dat zijn vordering met betrekking tot de beide bestreden beslissingen ontvankelijk is ratione temporis, al is het maar omdat hem op geen enkel ogenblik XII-4672-4\7 door het bestuur is gewezen op de bestaande beroepsmogelijkheden of omdat de aanstelling van E. Brondeel nog niet geformaliseerd is; dat verzoeker tegen een eventuele exceptie van laattijdigheid mogelijk terecht mag repliceren dat de verjaringstermijn nog geen aanvang heeft genomen; dat dit verweer echter te dezen niet pertinent is; dat immers van een verzoeker die, behalve de nietigverklaring, ook de schorsing vordert van de door hem bestreden beslissingen, omdat hij beweert van hun onmiddellijke tenuitvoerlegging een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel te zullen ondergaan, een met die bewering overeenstemmende houding wordt geëist; dat de Raad van State vaststelt dat verzoeker van bij de aanvang van het schooljaar op afdoende wijze op de hoogte was van de door hem bestreden beslissingen om bij machte te zijn ze toen reeds bij verwerende partij in meerdere brieven te betwisten én ook in rechte, bij de gewone rechter; dat verzoeker dan niet meer geloofwaardig kan staande houden een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te willen weren, door niettemin een half jaar te wachten alvorens ook de Raad van State te adiëren; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen; 4. Overwegende dat nog een bijkomend probleem niet onbesproken mag blijven; dat partijen niet betwisten dat verzoeker formeel voldoet aan de in artikel 23bis van het toepasselijke rechtspositiedecreet van 27 maart 1991 gestelde voorwaarden om een TADD-statuut te genieten; dat ook niet wordt tegengesproken dat verzoeker voor het schooljaar 2005-2006 tijdig een aanvraag daartoe heeft ingediend; dat tenslotte verzoeker ook erkent dat zulks niet volstaat, maar dat hij ook moet worden voorgedragen door de kerkelijke overheid, nu de aanstelling een betrekking als leerkracht rooms-katholieke godsdienst betreft; Overwegende dat in het administratief dossier een afschrift berust, in twee exemplaren, van een 31 augustus 2005 gedateerde “kerkelijke voordracht bij tijdelijke aanstelling van een leermeester/godsdienstleraar rooms-katholieke godsdienst”, “conform art. 4 § 3 van het DRP 27/3/91”, van E. Brondeel aan het PTI met ingang van 1 september 2005; dat het eerste exemplaar niet ondertekend is; dat op het tweede exemplaar de handtekening staat van een inspecteur-adviseur rooms- katholieke godsdienst en de datum “2/9/5”; Overwegende dat een gelijkaardig attest voor verzoeker niet wordt voorgelegd; dat verzoeker wel beweert óók te zijn voorgedragen, en wel eerder dan E. Brondeel; dat het document waarin hij voor die stelling steun zoekt een 27 juni 2005 gedateerde brief is van de vicaris van het bisdom Gent, gericht aan de XII-4672-5\7 gedeputeerde voor onderwijs van de provincie Oost-Vlaanderen; dat de vicaris in die brief meedeelt “dat wij de heer Doffijn voor het schooljaar 2005-2006 zullen voordragen in het PTI Ninove”; Overwegende dat de Raad van State, in de huidige stand van de procedure en op basis van de stukken waarover hij thans beschikt, meer bepaald op basis van de “kerkelijke voordracht” van E. Brondeel eensdeels, en de brief van de vicaris, anderdeels, voorlopig aanneemt dat het op 27 juni 2005 geschrevene -“wij [...] zullen voordragen”- als een louter voornemen is te begrijpen dat op dat ogenblik of naderhand niet geformaliseerd lijkt te zijn geworden in een effectieve voordracht voor aanstelling in de begeerde betrekking; dat hier mee spoort, zo lijkt, dat de inspecteur-adviseur op 6 september 2005 aan het voorstel tot aanstelling van E. Brondeel van 2 september 2005 nog een verklaring op eer toevoegt “dat de bevoegde kerkelijke overheid in de onmogelijkheid is een houder van een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs te mandateren en voor te dragen” voor de bedoelde opdracht; dat, daargelaten of ze de toedracht van de zaak wel juist weergeeft, ook die verklaring er immers veeleer lijkt op te wijzen dat formeel slechts één voordracht, die van E. Brondeel, is gedaan; dat prima facie verzoeker, niet voorgedragen zijnde door de kerkelijke overheid, niet in aanmerking lijkt te komen voor de begeerde TADD in een betrekking van leerkracht rooms-katholieke godsdienst en bij de vordering geen belang heeft; dat ook om die reden de vordering moet worden afgewezen, BESLUIT: Artikel 1. Het verzoek tot tussenkomst van Els Brondeel in de vordering tot schorsing wordt ingewilligd. Artikel 2. De vordering tot schorsing wordt verworpen. XII-4672-6\7 Artikel 3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig juni 2006, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-4672-7\7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.647 Gerelateerde publicatie(
  3. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.115 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.