id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.648 Rolnummer: A. 169869/IX-5198 Zaak: Arrest 160648 - - 27/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-07-04 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 23:05 Fiche Arrest nr 160.648 van 27 juni 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 160.648 van 27 juni 2006 in de zaak A. 169.869/IX-
- In zake : André LABEEUW, die woonplaats kiest bij advocaat G. JACOBS, kantoor houdende te BRUSSEL, de Henninstraat 67-69 tegen : het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (FAVV), dat woonplaats kiest bij advocaten J. FRANSEN en R. DRIESKENS, kantoor houdende te OVERPELT, Burgemeester Van Lindtstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat André LABEEUW op 20 maart 2006 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 17 januari 2006 van de beroepscommissie van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (hierna: FAVV) houdende de verwerping van zijn bezwaar tegen de beslissing van de PCE-Oost-Vlaanderen waarbij gesteld wordt dat hij niet in aanmerking komt om taken voor het Voedselagentschap uit te oefenen; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gelet op het arrest nr. 154.844 van 13 februari 2006 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijk- heid van dezelfde beslissing wordt verworpen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. VAN DER GUCHT; IX-5198-1/12 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 30 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 juni 2006; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat G. JACOBS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat J. FRANSEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. VAN DER GUCHT; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt: 1.
- Het koninklijk besluit van 20 december 2004 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen taken door zelfstandige dierenartsen kan laten verrichten (hierna: het koninklijk besluit van 20 december 2004), heeft objectieve criteria bepaald waaronder het FAVV zelfstandige dierenartsen bij de uitoefening van zijn opdrachten kan betrekken. Volgens deze nieuwe regeling gebeurt de aanstelling na een openbare oproep en kandidaatstelling (artikelen 4 en 5) en worden de kandidaten met het oog op de toekenning van de taken geëvalueerd door een evaluatiecommissie, waarbij “inzonderheid rekening gehouden (wordt) met de ervaring, de geschiktheid en de beschikbaarheid van de dierenarts, alsmede met de aard van de uit te voeren taken binnen de provinciale controle-eenheid”, maar zonder dat deze evaluatie een onderlinge rangschikking van de kandidaten inhoudt (artikel 6, lid 1). De kandidaten hebben de mogelijkheid om tegen de beslissing van de evaluatiecommissie bezwaar in te dienen “bij de Gedelegeerd Bestuurder van het FAVV, die over een termijn van drie maand beschikt om zijn gemotiveerde beslissing aan betrokkene mede te delen” (artikel 6, lid 4). IX-5198-2/12 1.
- In het Belgisch Staatsblad van 25 maart 2005 verschijnt een oproep aan gegadigden. Geïnteresseerde dierenartsen kunnen zich binnen de twee maanden kandidaat stellen. 1.
- Verzoeker, die als zelfstandig dierenarts reeds keuringsopdrachten voor het FAVV vervult, stelt zich op 15 en 24 mei 2005 kandidaat. 1.
- Met een brief van 17 oktober 2005 deelt het hoofd van de Provinciale Controle-Eenheid van Oost-Vlaanderen (PCE) aan verzoeker mee dat hij “niet in aanmerking komt om taken uit te oefenen voor het Voedselagentschap” om reden van “onvoldoende beroepsernst”, “onvoldoende beschikbaarheid (praktijk gaat voor alles)” en “negatieve precedenten met ambtenaren i.v.m. uitvoeren van opdrachten”. Er wordt hem ook medegedeeld dat hij zijn huidige opdrachten verder kan zetten totdat de gedelegeerd bestuurder van het FAVV hem het einde van zijn opdracht betekent. 1.
- Op 10 november 2005 brengt verzoeker zijn bezwaren tegen de beslissing van de evaluatiecommissie ter kennis van de gedelegeerd bestuurder van het FAVV. Hij vindt de beslissing van de PCE niet afdoende gemotiveerd (te summier en vaag); het gebrek aan beroepsernst wordt niet door objectieve gegevens gestaafd; dat hij onvoldoende beschikbaar zou zijn is onjuist aangezien hij sinds jaren zijn privé-praktijk afbouwt, hij bij zijn evaluatie in 1997-1998 voor het criterium beschikbaarheid nog “zeer goed” beoordeeld werd, hij in 2003 zelfs gemiddeld 230 uren per maand presteerde omdat weinig collega’s in de namiddag verder wilden werken en hij zeker niet minder beschikbaar is dan keurders die wel gunstig geëvalueerd zijn; negatieve precedenten met ambtenaren zijn hem onbekend, hij is door de veterinaire inspectie nooit geschorst of met andere disciplinaire maatregelen belast, op 23 en 30 maart 2001 is er wel een discussie geweest over zijn aanwezig- heid op een keurpunt, maar daar is nooit een sanctie op gevolgd en het dossier bevat geen enkel feit dat een negatieve beslissing kan rechtvaardigen. 1.
- Op 21 december 2005 wordt verzoeker gehoord door de beroepscommissie van het FAVV. Blijkens het proces-verbaal van de vergadering krijgt verzoeker daar de mogelijkheid zijn bezwaar toe te lichten, en zet hij uiteen wat volgt: “De kandidaat gaat niet akkoord met het feit dat hij geen beroepsernst zou hebben; dat heeft hij reeds voldoende bewezen in zijn 35 jaar werk bij landbouw en 17 jaar bij het IVK. Hij vindt ook niet dat hij meer op zijn praktijk gericht is IX-5198-3/12 dan op zijn werk voor het FAVV; hij is wel beschikbaar. Hij stelt dat hij slechts met één ambtenaar problemen heeft. De kandidaat geeft toe dat hij éénmaal prestaties heeft aangerekend die hij niet gepresteerd heeft.” Zijn raadsman voegt daaraan toe: “De Raadsman van de heer Labeeuw wijst erop dat de beschuldigingen tegen zijn klant niet gefundeerd zijn. De motivaties van de evaluatiecommissie namelijk: onvoldoende beroeps- ernst, onvoldoende beschikbaarheid en negatieve precedenten met ambtenaren i.v.m. uitvoeren van opdrachten, waren voor de heer Labeeuw een raadsel. Bij het inkijken van het dossier blijven de raadsels bestaan naar de reden van deze motivaties. Bij de motivatie “onvoldoende beschikbaar” wordt verwezen naar de praktijk: het is duidelijk dat een zelfstandige dierenarts nog een praktijk heeft. Alle negatieve evaluaties hebben betrekking op het verleden; zij steunen enkel op vermoedens en er is daarover nooit een procedure gevoerd. Hij stelt dat de normvervaging bij het invullen van prestaties moet opgelost worden en dat de heer Labeeuw zich in de toekomst correct zal opstellen.” Het proces-verbaal stelt vervolgens: “Beraadslaging van de beroepscommissie. Gedurende de laatste 5 jaar zijn vaststellingen gedaan die er op wijzen dat de heer Labeeuw zeer onzorgvuldig omspringt met de registraties van zijn prestaties. De basisvoorwaarde voor de samenwerking van het Agentschap met zelfstandige dierenartsen berust op integriteit en betrouwbaarheid. Dit is bij de heer Labeeuw niet het geval. Op basis daarvan wordt de beslissing van de evaluatiecommissie bevestigd voor de motivaties onvoldoende beroepsernst en negatieve precedenten met ambtenaren. Beslissing. Het bezwaar van de heer André Labeeuw tegen de beslissing van de evaluatiecommissie van de PCE Oost-Vlaanderen dat hij niet in aanmerking komt om taken uit te voeren voor het Voedselagentschap, wordt niet aanvaard. Bijgevolg blijft de beslissing van de evaluatiecommissie van de PCE Oost- Vlaanderen ongewijzigd en komt de heer André Labeeuw niet in aanmerking om taken uit te voeren voor het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen.” 1.
- Met een brief van 17 januari 2006 deelt de gedelegeerd bestuurder van het FAVV aan verzoeker mee: “(...) In uw schrijven van 10 november 2005 hebt u, bij toepassing van artikel 6, laatste lid, van het koninklijk besluit van 20 december 2004 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen taken door zelfstandige dierenartsen kan laten verrichten (Belgisch Staatsblad van 11.01.2005), bezwaren kenbaar gemaakt bij de Gedelegeerd Bestuurder van het Agentschap tegen de beslissing van de evaluatiecommissie van de PCE Oost-Vlaanderen om u niet in aanmerking te nemen voor het uitvoeren van taken voor het Voedselagentschap. Op 13 december 2005 werd u per aangetekend schrijven uitgenodigd om gehoord te worden door de beroepscommissie op 21 december
- U hebt op 21 december 2005 inzage kunnen nemen in uw dossier. IX-5198-4/12 Op 21 december 2005 heeft de beroepscommissie van het Voedselagent- schap u gehoord waarbij u de gelegenheid had uw bezwaren toe te lichten. Na beraadslaging heeft de beroepscommissie het volgende advies gegeven: er zijn geen redenen om de beslissing van de evaluatiecommissie te herzien om u niet in aanmerking te nemen als zelfstandige dierenarts voor het uitvoeren van taken voor het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselke- ten. Daarom heb ik beslist om uw bezwaar niet te aanvaarden en blijft de beslissing van de evaluatiecommissie ongewijzigd. U vindt in bijlage de gemotiveerde beslissing van de beroepscommissie. (...) Conform artikel 11 van het bovenvermeld koninklijk besluit wordt er een einde gesteld aan uw opdrachten voor het Voedselagentschap en dit vanaf 1 februari 2006.”
- Overwegende dat uit de uiteenzetting van de feiten blijkt dat het beroep gericht is tegen de op 17 januari 2006 aan verzoeker medegedeelde beslissing van de gedelegeerd bestuurder van het FAVV waarbij, in het verlengde van het gemotiveerd advies van de beroepscommissie, gesteld wordt dat verzoeker niet in aanmerking komt om taken uit te voeren voor het FAVV;
- Overwegende dat verzoeker op 30 januari 2006 bij de Raad van State een verzoekschrift ingediend heeft om de bestreden beslissing volgens de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid te schorsen; dat de Raad van State met zijn arrest nr. 154.844 van 13 februari 2006 die vordering verworpen heeft omdat het enig aangevoerd middel niet ernstig was; dat verzoeker in dat middel in wezen aanvoerde dat de verwerende partij overeenkomstig artikel 6 van het koninklijk besluit van 20 december 2004 bij de aanvaarding van de dierenartsen enkel acht mocht slaan op de ervaring, de geschiktheid en de beschikbaarheid van de kandidaat en dat zij, in de mate dat het bestuur toch nog oude feiten uit 2001 bij haar beoordeling zou kunnen betrekken, dergelijke tuchtmaatregel slechts kon opleggen binnen een redelijke termijn, voor behoorlijk bewezen feiten en met oog voor de rechten van de verdediging; Overwegende dat het gezag van gewijsde dat voor de beoordeling van de onderhavige schorsingszaak verbonden is aan dat arrest en aan de overwegingen die tot de verwerping van dat middel geleid hebben, de Raad van State verhindert in de onderhavige zaak terug te komen op de in het voormeld arrest ingenomen standpunten;
- Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de IX-5198-5/12 tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 5.
- Overwegende dat verzoeker in het eerste middel de schending aanvoert van de artikelen 3 en 6 van het koninklijk besluit van 20 december 2004, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en het ontbreken van de rechtens vereiste feitelijke grondslag; dat verzoeker betoogt dat de bestreden beslissing haar wezenlijk motief vindt in de vaststelling dat hij niet de vereiste integriteit en betrouwbaarheid biedt die de verwerende partij beschouwt als de basisvoorwaarde voor het samenwerken met het FAVV, maar dat de voorwaarden die betrekking hebben op de integriteit en de betrouwbaarheid van de dierenarts terug te vinden zijn in de limitatief in artikel 3 van het koninklijk besluit van 20 december 2004 opgesomde uitsluitingscritera, dat het wegens die limitatieve opsomming niet opgaat artikel 6 van hetzelfde besluit, waarin de evaluatiecriteria van ervaring, geschiktheid en beschikbaarheid vermeld zijn, aldus te lezen dat de betrouwbaarheid van de kandidaten daarbij opnieuw betrokken kan worden, dat de kandidatuur van verzoeker, door het feit dat zij in overweging werd genomen, geacht moet worden te voldoen aan de uitsluitingscriteria vermeld in artikel 3 en dat noch het koninklijk besluit van 20 december 2004 noch de oproep tot de kandidaten vermeldt dat antecedenten uit het verleden als een beoordelingscriterium in aanmerking worden genomen; Overwegende dat verzoeker in de toelichting bij het middel uiteenzet dat de verwerende partij de begrippen “evaluatiecriterium -geschiktheid” en “uitsluitings- of selectiecriterium- betrouwbaarheid” door elkaar haalt; dat hij betoogt dat zijn kandidatuur werd aanvaard, wat betekent dat hij beantwoordt aan de betrouwbaarheidscriteria vermeld in artikel 3 van het koninklijk besluit van 20 december 2004, maar dat de verwerende partij vervolgens, bij de evaluatie van de kandidaten de betrouwbaarheid en integriteit nogmaals ter sprake gebracht heeft, terwijl op dat ogenblik enkel de ervaring, de geschiktheid en de beschikbaarheid onderzocht mochten worden, hetgeen betekent dat de verwerende partij van de betrouwbaarheid van de kandidaten een bijkomend evaluatiecriterium heeft gemaakt, zonder daarvoor over een reglementaire grondslag te beschikken; IX-5198-6/12 5.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen antwoordt, enerzijds dat artikel 3 van het koninklijk besluit van 20 december 2004 de voorwaarden bepaalt die verhinderen dat kandidaten in aanmerking worden genomen maar dat die bepaling geenszins een limitatieve opsomming bevat van de gevallen waarin de kandidaten als onbetrouwbaar of als niet integer beschouwd moeten worden en, anderzijds, dat artikel 6 van het besluit uitdrukkelijk naar het criterium “geschiktheid” verwijst en dat reeds in het arrest nr. 154.844 aangenomen is dat negatieve ervaringen uit het verleden wel degelijk in aanmerking genomen kunnen worden bij de beoordeling van de geschiktheid om opdrachten van het FAVV te ontvangen; 5.
- Overwegende dat artikel 3 van het koninklijk besluit van 20 december 2004 de algemene voorwaarden bepaalt waaronder het FAVV met dierenartsen wil samenwerken; dat de vaststelling dat een dierenarts een dezer voorwaarden niet vervult, zonder meer tot de afwijzing van zijn kandidatuur leidt; dat, los daarvan, artikel 6 van het besluit de evaluatiecommissie de opdracht geeft de kandidaturen te evalueren op grond van hun ervaring, geschiktheid en beschikbaarheid en in functie van de noden in de betrokken provincie; dat inzonderheid het ruim gestelde criterium “geschiktheid” de evaluatiecommissie een grote beoordelingsvrijheid verleent, zodat zij ook morele kwaliteiten, zoals de betrouwbaarheid en de integriteit, in haar evaluatie kan betrekken; dat aldus de omstandigheid dat een bepaalde kandidaat niet uitgesloten moet worden op grond van artikel 3, niet belet dat de commissie op grond van de concrete beoordeling van de kandidatuur tot het besluit komt dat de kandidaat niet geschikt is voor de opdracht; dat het middel niet ernstig is; 6.
- Overwegende dat verzoeker in het tweede middel de schending aanvoert van de artikelen 3 en 6 van het koninklijk besluit van 20 december 2004, samengelezen met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel en met de artikelen 2 en 3 van de formele motiveringswet; dat hij aan de verwerende partij verwijt dat zij de kandidaten die reeds eerder voor het FAVV opdrachten uitgevoerd hebben, onderzocht heeft op hun betrouwbaarheid en integriteit, terwijl zij dat niet gedaan heeft voor de kandidaten die dergelijke taken nog niet vervuld hadden en terwijl zij voor die onderscheiden behandeling geen afdoende motivering aandraagt; dat hij in de toelichting bij het middel uiteenzet dat de selectie open stond zowel voor dierenartsen die reeds voor het FAVV gewerkt hebben als voor dierenartsen die dergelijke opdrachten nog niet hebben vervuld, dat alle kandidaten gelijk behandeld moesten worden en dat het niet opgaat bepaalde kandidaten bijkomend te beoordelen IX-5198-7/12 op basis van hun prestaties in het verleden; dat hij van oordeel is dat, indien de verwerende partij dierenartsen die vroeger opdrachten uitvoerden “wenste aan te pakken”, zij dat had moeten doen “in het kader van en ten tijde van de uitvoering van de opdrachten door die dierenartsen” en dat de tekst van het koninklijk besluit van 20 december 2004 aan het FAVV “geen mandaat geeft” om de thans voorliggende selectieprocedure aan te wenden om bepaalde kandidaten ter verantwoording te roepen voor feiten uit het verleden; 6.
- Overwegende dat de verwerende partij daar in haar nota met opmerkingen op antwoordt dat verzoeker twee categoriën personen vergelijkt die zich evenwel, ten aanzien van de hier aan de orde staande problematiek, in een niet vergelijkbare toestand bevinden; 6.
- Overwegende dat de selectieprocedure neerkomt op een geschiktheidsonderzoek, waarbij de kandidaten niet onderling vergeleken worden; dat de kennis van het verleden van de kandidaten evident een belangrijke plaats inneemt in dat onderzoek; dat de evaluatiecommissie te dien aanzien rekening kan houden met alle gegevens die haar bekend geraken en die betrekking hebben op de ervaring, de geschiktheid en de beschikbaarheid van de kandidaat; dat de omstandigheid dat bepaalde kandidaten, omdat zij in het kader van de voorheen bestaande reglementering reeds opdrachten voor het FAVV vervuld hebben, door het bestuur beter gekend zijn en dat het bestuur voor het uitspreken van een waardeoordeel over die kandidaten derhalve kan verwijzen naar eigen ervaringen - die overigens voor de kandidaten zowel positief als negatief kunnen uitvallen-, terwijl de evaluatiecommissie voor de kennis van het verleden van de kandidaten die nog niet voor het FAVV gewerkt hebben moet afgaan op ingewonnen inlichtingen, die desgevallend zelfs door de kandidaten zelf zijn verstrekt, niet betekent dat het bestuur de kandidaten ongelijk behandelt; dat de ongelijkheid waarvan verzoeker gewag maakt gelegen is in de verschillende feitelijke situatie waarin de kandidaten zich ten overstaan van het bestuur bevinden maar dat zulks geen uitstaans heeft met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel dat een juridische gelijkheid beoogt, dat het bestuur ertoe verplicht de bestaande rechtsregels -in dit geval de verplichting om de kandidaturen te toetsen op het vlak van ervaring, geschiktheid en beschikbaarheid- consequent toe te passen op de verschillende kandidaten; dat het middel niet ernstig is; IX-5198-8/12 7.
- Overwegende dat verzoeker in het derde middel de schending aanvoert van de artikelen 3 en 6 van het koninklijk besluit van 20 december 2004, samengelezen met het redelijkheids- en het gelijkheidsbeginsel en van de formele motiveringswet, doordat hijzelf negatief beoordeeld werd wegens feiten uit het verleden, terwijl gelijkaardige feiten voor andere kandidaten geen negatieve gevolgen hebben gehad; dat hij in de toelichting bij het middel betoogt wat volgt: er wordt hem verweten zeer onzorgvuldig omgesprongen te hebben met de registratie van zijn prestaties en daarvoor wordt teruggegaan naar enkele vaststellingen uit 2001 met betrekking tot enerzijds “een paar fouten” die hij gemaakt heeft bij het overschrijven van zijn prestaties op de maandstaten die de basis vormen voor de betalingen en anderzijds “een tweetal betwistingen” omtrent zijn aanwezigheid in de slachthuizen; in het geval van de vastgestelde fouten ging het om “vergissingen, slordigheden of onnauwkeurigheden” die zelfs ook in het voordeel van de verwerende partij hebben gespeeld en die in ieder geval steeds gecorrigeerd zijn kunnen worden; de betwistingen over zijn aanwezigheid op bepaalde ogenblikken in het slachthuis zijn eveneens te herleiden tot de problematiek van het ten onrechte aangeven van prestaties; dergelijke feiten hebben zich evenwel niet enkel bij hem, maar ook bij drie andere dierenartsen voorgedaan en zeker voor één van hen -het geval DP- hebben zij “de betrouwbaarheid” van de dierenarts niet in het gedrang gebracht; het bestreden besluit duidt niet aan waarom dat in zijn geval -en alleen in zijn geval- wel nodig was; Overwegende dat de raadsman van verzoeker ter terechtzitting nog stelt geen objectieve reden te ontwaren waarom feiten van voor 2000 niet in overweging genomen zouden moeten worden; dat hij ook stelt dat het betwisten van het bestaan van een tenlastelegging, op zich geen reden mag zijn voor een negatieve beoordeling; 7.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen uiteenzet dat zij voor de evaluatie van alle kandidaten enkel rekening gehouden heeft met feiten die zich na 2000 hebben voorgedaan; in het geval DP dagtekenen de feiten van voordien en werden zij ook door de betrokkene niet betwist, wat verzoeker wel doet; 7.
- Overwegende dat het tijdsverloop sinds de feiten evident een reden kan zijn om de feitelijke gegevens anders te beoordelen; dat gewis een kandidaat niet kan verweten worden dat hij het bestaan van bepaalde feiten betwist, maar dat het IX-5198-9/12 ook niet verkeerd is dat het bestuur uit de erkenning van een misstap afleidt dat de betrokkene clementie verdient; Overwegende dat de Raad van State uit de luttele gegevens die verzoeker overlegt -een brief uit 2001 waarin melding wordt gemaakt van een tegen de keurders DG en DP opgestarte tuchtprocedure voor onregelmatige aangifte van prestaties- ook niet kan opmaken of de verwerende partij de kandidatuur van verzoeker zonder deugdelijke reden wel anders behandeld heeft dan deze van DP; dat het middel niet ernstig is; 8.
- Overwegende dat verzoeker in het vierde middel de schending aanvoert van zijn rechten van verdediging, van het onpartijdigheidsbeginsel en van het fair-playbeginsel; dat hij betoogt dat, binnen de PCE-Oost-Vlaanderen, zijn evaluatie uitgevoerd is door het hoofd van de dienst -A. VAN BREMPT- terwijl die persoon hem in 2001 ook ondervraagd heeft over zijn vermeende tekortkomingen en hem toen overgeplaatst heeft naar een ander slachthuis; dat hij van oordeel is dat iemand die in het kader van een evaluatie of een tuchtrechtelijke beoordeling een beslissing neemt, onpartijdig moet zijn of dat, minstens, de vereiste schijn van onpartijdigheid verbiedt dat dezelfde persoon in beide aangelegenheden tussenkomt; 8.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen uiteenzet dat, luidens artikel 6, derde lid, van het koninklijk besluit van 20 december 2004, de verantwoordelijke van de PCE deel uitmaakt van de evaluatiecommissie; 8.
- Overwegende dat het geschiktheidsonderzoek, waarvan het bestreden besluit het eindresultaat is, geen tuchtprocedure betreft waarop de beginselen inzake onpartijdigheid, waar verzoeker gewag van maakt, van toepassing zijn; dat, daargelaten de vraag of dezelfde beginselen ook gelden voor de evaluatie van de ambtenaren, vastgesteld wordt dat het geschiktheidsonderzoek geen dergelijke evaluatie betreft, maar dat het ertoe strekt uit te maken of de betrokkene geschikt is om voor het bestuur opdrachten te vervullen; dat verzoeker geen voorschrift aanhaalt en dat aan de Raad van State geen rechtsnorm bekend is op grond waarvan in dergelijke aangelegenheden, het bestuur ambtenaren zou moeten weren uit het besluitvormingsproces; dat het middel niet ernstig is; 9.
- Overwegende dat verzoeker in een vijfde middel het middel herneemt dat hij in zijn vordering tot schorsing volgens de procedure van de IX-5198-10/12 hoogdringendheid had aangevoerd; dat hij dat middel wel aanpast in functie van het eerste en het tweede middel in deze zaak en aldus, samengevat, betoogt dat de feiten uit 2001, waarvoor hij zich nooit in het kader van een tuchtprocedure heeft kunnen verdedigen en die nooit terdege bewezen zijn kunnen worden, hem als oud-keurder nu ten kwade worden geduid en aanleiding geven tot een tuchtstraf, terwijl enerzijds artikel 6 van het koninklijk besluit van 20 december 2004 het plegen van tuchtrechtelijk sanctioneerbare of gesanctioneerde feiten niet als een evaluatiecriterium aangemerkt heeft en terwijl anderzijds, als tuchtmaatregel beschouwd, de bestreden beslissing niet binnen een redelijke termijn getroffen is en hij zich over de feiten niet heeft kunnen verdedigen, zodat de evaluatie, aangezien zij steunt op betwiste tuchtfeiten van vijf jaar geleden waarover nooit uitspraak gedaan is en die in ieder geval niet onder de voorgeschreven evaluatiecriteria vallen, onregelmatig is; 9.
- Overwegende dat de verwerende partij in essentie antwoordt dat het bestreden besluit geen tuchtstraf vormt; dat evalueren betekent: “een waarde hechten aan feiten die in het verleden gesitueerd zijn en op grond daarvan een gepast besluit nemen” en dat zij dienovereenkomstig in dit geval besloten heeft dat iemand op wie het vermoeden rust van onnauwkeurigheid en die een verleden heeft van slechte samenwerking, niet in aanmerking komt voor opdrachten van het FAVV; 9.
- Overwegende dat de Raad van State in het arrest nr. 154.844 van 13 februari 2006 het middel niet ernstig bevonden heeft; dat het gezag van gewijsde van dat arrest, zoals dat geldt voor de onderhavige schorsingszaak, de Raad van State verplicht de redenering van dat arrest hic et nunc te bevestigen; dat aldus opnieuw vastgesteld wordt dat de evaluatiecommissie wel degelijk vermocht feiten uit 2000 en 2001 in haar besluitvorming te betrekken en dat zij die feiten geredelijk voor bewezen kon houden, dat door zulks te doen er aan deze feiten geen tuchtrechtelijk gevolg gegeven is en dat aan de verwerende partij ook niet verweten kan worden dat zij, in het kader van de vaststelling van de lijst van dierenartsen met wie zij in de toekomst zal werken, rekening houdt met negatieve ervaringen uit het verleden om te besluiten dat verzoeker wegens bewezen gebrek aan betrouwbaarheid en integriteit, niet geschikt is; dat voor zoveel als nodig ook nog herhaald kan worden dat feiten uit het verleden, ook al hebben zij te gelegener tijd niet tot een tuchtmaatregel geleid, wel degelijk bij de beoordeling betrokken kunnen worden en dat zulke feiten meer bepaald betrokken kunnen worden bij de vraag of de kandidaat IX-5198-11/12 “geschikt” is om op de lijst van dierenartsen te worden opgenomen; dat het middel niet ernstig is; 9.
- Overwegende dat geen van de middelen die verzoeker aanvoert ernstig zijn, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig juni 2000 en zes, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-5198-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.648 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.844 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.386 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.