← België

Arrest 160649 - - 28/06/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.649 Rolnummer: A. 64526/X-10955 Zaak: Arrest 160649 - - 28/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-07-06 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-30 23:05 Fiche Arrest nr 160.649 van 28 juni 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 160.649 van 28 juni 2006 in de zaak A. 64.526/X-10.

  1. In zake : de n.v. IMMO DE VUYST, die woonplaats kiest bij Advocaat M. DENYS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Jan Jacobsplein 5 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaat M. VAN BEVER, kantoor houdende te 1850 GRIMBERGEN, Pastoor Woutersstraat 32 bus
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. IMMO DE VUYST op 14 juli 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse regering van 22 maart 1995 tot aanvullende vaststelling van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse op het grondgebied van de gemeente Wemmel; Gezien de toelichtende memories van de verzoekende partij; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de beschikking van 31 mei 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; X-10.955-1/14 Gelet op de beschikking van 27 september 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 oktober 2004, datum waarop de zaak sine die wordt uitgesteld; Gelet op de beschikking van 21 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 28 oktober 2005, datum waarop de zaak sine die wordt uitgesteld; Gelet op de beschikking van 16 januari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 februari 2006; Gehoord het verslag van Staatsraad G. DEBERSAQUES; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. DENYS die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat I. DURNEZ die loco Advocaat M. VAN BEVER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verwerende partij haar memorie van antwoord en het administratief dossier niet heeft ingediend binnen de in artikel 6 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State bepaalde termijn; dat de memorie van antwoord met toepassing van artikel 21, vijfde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State ambtshalve uit de debatten wordt geweerd; Overwegende dat de verzoekende partij stelt eigenares te zijn van de percelen gelegen aan de A. Verhasseltstraat-Robbrechtstraat te Wemmel, kadastraal bekend sectie A, nrs. 530y2, 530f3, 530b2, 527d, 526d en 536a; dat bij 's Raads arrest nr. 25.352 van 23 mei 1985 inzake de gemeente Wemmel wordt vernietigd het koninklijk besluit van 7 maart 1977 houdende vaststelling van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse "in zoverre hierbij 1) het tussen de steenweg op Brussel en de Ronkelstraat door het voorlopig vastgesteld ontwerp-gewestplan Halle- X-10.955-2/14 Vilvoorde-Asse aangeduide woonuitbreidingsgebied in de landbouwzone is opgenomen, 2) het ten noorden van de A. Verhasseltstraat door hetzelfde ontwerp- gewestplan aangeduide woonuitbreidingsgebied in de groene zone is opgenomen en 3) het tussen de Vander Vekenstraat en de Bogemansstraat door hetzelfde ontwerp- gewestplan aangeduide woonuitbreidingsgebied in de landbouwzone is opgenomen"; dat bij het thans bestreden besluit van de Vlaamse regering van 22 maart 1995 het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse wordt vastgesteld voor de delen van de kaartbladen 31/2 en 31/3, begrensd zoals aangegeven op het bestemmingsplan dat als bijlage 1 is gevoegd bij het thans bestreden besluit; dat niet wordt betwist dat de voornoemde percelen van de verzoekende partijen worden opgenomen in groengebied; Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 9 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw (hierna: de stedenbouwwet); dat zij doet gelden wat volgt: "Concluante heeft haar bezwaren kenbaar gemaakt op gemotiveerde wijze in een verzetbrief van 21 september 1994 door middel van haar raadsmannen, Mter Denys en Mter Jacques de Suray. Concluante's hoofdargument in het verzet dat tevens een belangrijk argument uitmaakt van de gemeente Wemmel die op datum van 27 september 1994 ook haar verzet heeft uitgesproken tegen de door het ontwerp gewestplan gegeven bestemming aan concluante's goederen in natuurzone. De gemeente bevestigt in haar verzet op pagina 6 'Verder overwegende dat de ruimtelijke ordening niet aan statische doch wel aan evolutieve gegevens moet beantwoorden, zodat 'in 1994 teruggrijpen naar gegevens van midden de jaren 1970' niet ernstig kan genoemd worden. Overwegende dat de vestiging van jonge gezinnen ontsproten uit Wemmelse families, door de Vlaamse Gemeenschap zelfs onmogelijk geacht gezien de huidige grondprijzen, alleen mogelijk wordt door een verruimd aanbod aan bouwmogelijkheden in gunstig gelegen kwartieren waar winkels en openbaar vervoer voorhanden zijn. Dat deze oplossing veruit de voorkeur verdient op een andere denkpiste van de Vlaamse Gemeenschap : 'langs overheids- of intercommunale instellingen overgaan tot massale onteigeningen die bouwmogelijkheden moeten creëren.' Op pagina 5 van het verzet uitgaande van de gemeente wordt nogmaals bevestigd 'Overwegende dat de verstedelijking niet wordt tegengegaan door een overvloed van open ruimten, waardoor de te schaarse bouwoppervlakten maximaal worden bebouwd en dan precies het verstedelijkt aspekt en de verstedelijkte leefwijze in de hand werken.' Op pagina 2 van voornoemd verzet uitgaande van de gemeente wordt verder bevestigd 'Overwegende dat, terwijl door het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap zelf luidruchtig wordt verkondigd dat de grondprijzen ongeoorloofde hoogten bereiken, waardoor de jonge autochtone bevolking van de randgemeenten zich verplicht ziet haar geboortedorp te verlaten om zich elders te vestigen, datzelfde Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap de mogelijkheden in X-10.955-3/14 bouwgronden, drastisch beperkt met, als eerste gevolg, een nieuwe stijging van de grondprijzen. Overwegende dat het uitwijken van de inwoners van grote steden naar de randgemeenten een internationaal vastgesteld fenomeen is; dat ook onze hoofdstad niet aan die trend ontsnapt, mede door de gevoerde of toegelaten overdreven concentraties van gebouwen met bestuurlijk of economisch karakter in de hoofdstad...' Concluante legt er de nadruk op in haar verzet op pagina 8 'Niet alleen miskent het ontwerp gewestplan de objectieve toestand ter plaatse, tevens houdt het geen rekening met de bestaande juridische toestand, waarnaar in onderhavig bezwaarschrift wordt verwezen.' De Regionale Commissie van haar kant geeft geen antwoord op de argumentatie dat de overheid zich enkel mag laten leiden door de evoluerende eisen van de goede plaatselijke aanleg en de beoordelijke (sic) ruimtelijke ordening. De Commissie stelt enkel vast dat er een evenwichtige verhouding bestaat tussen woonzone en groene zone wat de woonkwaliteit in de omliggende woonzones ten goede komt. Welnu overeenkomstig een vaste Cassatie rechtspraak (...) moeten de bezwaren waartoe het ontwerp plan aanleiding geeft worden onderzocht door de Regionale Commissie van Advies die moet waarborgen dat een technisch onderzoek van de bezwaren is verricht door een gespecialiseerde instelling. Dit advies is derhalve essentieel bij de voorbereiding van het gewestplan. De Commissie moet de technische aspekten van het bezwaar onderzoeken en, ingeval zij oordeelt het te moeten verwerpen, in haar advies de technische redenen tot verwerping opgeven. De overheid die derhalve een gewestplan vaststelt zonder enige technische verantwoording voor de verwerping van de bezwaren heeft een substantieel vormvoorschrift ter bescherming van de rechten van de bezwaarindiener geschonden. Een technisch onderzoek van de bezwaren veronderstelt dat de overheid in casu een studie had moeten laten maken aangaande de verhouding tussen de woonbehoefte in de gemeente Wemmel en de bepalingen van het ontwerp gewestplan. In casu heeft de Commissie van Advies zich tevreden gesteld met het gebruik van algemene terminologie als antwoord op het verzet uitgaande van de gemeente en van concluante. Zij heeft dus niet in haar advies de technische redenen weergegeven die aanleiding hebben gegeven tot verwerping van het verzet zodat artikel 9 van de stede(n)bouwwet die van openbare orde is werd geschonden. Het Bestuur heeft dus een fout begaan waarvoor het burgerrechtelijk aansprakelijk is. Zoals reeds gezegd is de stede(n)bouwwet van openbare orde in al zijn beschikkingen (...)."; Overwegende dat de verzoekende partij in haar tweede toelichtende memorie stelt dat het ingediende bezwaarschrift van technische aard was daar het uitdrukkelijk verwijst naar de aard van bouwgrond en dat expliciet de vraag wordt gesteld naar het waarom van de juridische groene zone op deze specifieke plaats, en verwezen wordt naar de overige bestaande objectieve groene zones in de onmiddellijke omgeving, dat echter op deze zeer specifieke vraag slechts een vaag antwoord wordt gegeven in termen van "groene doorweving" en "evenwichtige verhouding" op het woongebied te Wemmel, dat dit geen afdoend antwoord is op het bezwaar; X-10.955-4/14 Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie stelt wat volgt: "Het belang van beroepster bij de nietigverklaring van het bestreden besluit wordt door het Vlaams Gewest niet betwist, (...) Uit de Rechtspraak van Uw Raad blijkt dat, wie belang heeft bij de nietigverklaring van een administratieve akte 'derhalve' ook belang heeft bij elk middel dat tot deze nietigverklaring kan leiden (...). Zulks is trouwens onlosmakelijk verbonden met het objectief karakter van het beroep bij de Raad van State in toepassing van de artikelen 144-145 van de gecoördineerde Grondwet. Nu beroepster belang heeft bij het beroep tot nietigverklaring kan beroepster uiteraard ontvankelijk de onwettigheid van het bestreden besluit inroepen wegens onvoldoende beantwoording van de ingediende bezwaarschriften door de Regionale Commissie van Advies, ook al betreft het deels een bezwaar dat niet door beroepster zelf is ingediend"; Overwegende dat de verzoekende partij, die zelf een bezwaarschrift heeft ingediend, zich niet kan beroepen op het niet afdoende beantwoorden door de regionale commissie van advies van door derden ingediende bezwaarschriften ter adstruering van haar middel; dat de omstandigheid dat een verzoekende partij getuigt van een belang bij het beroep tot nietigverklaring, noch dat het vernietigingsberoep een objectief karakter heeft, zulks zouden inhouden; dat een verzoekende partij immers niet vermag zich in de plaats te stellen van een derde-bezwaarindiener die als enige geplaatst is om te oordelen of het gegeven antwoord hem voldoet; dat in de mate dat de verzoekende partij zich in haar middel beklaagt over het feit dat de door de gemeente Wemmel tijdens het openbaar onderzoek gemaakte bezwaren niet of niet naar behoren zouden zijn onderzocht, niet tot vernietiging van het bestreden besluit kan leiden, te meer daar, ten overvloede, te dezen de gemeente Wemmel blijkens 's Raads arrest nr. 62.217 van 3 oktober 1996, haar bezwaar tegen het bestreden besluit heeft gestaakt; dat het middel enkel wordt onderzocht in de mate dat het betrekking heeft op haar eigen bezwaren en het al dan niet afdoende beantwoorden ervan; Overwegende dat de verzoekende partij in essentie betoogt dat de regionale commissie van advies in haar advies niet de technische redenen heeft weergegeven die leiden tot het verwerpen van het "verzet"; Overwegende dat de particulier in de tekst zelf van het advies van de regionale commissie van advies - of in de aanhef van het besluit van de Vlaamse regering houdende vaststelling van het gewestplan - een afdoend antwoord op zijn X-10.955-5/14 bezwaarschrift moet kunnen vinden, d.i. een technisch gemotiveerd antwoord wanneer het bezwaarschrift zelf technisch gestaafd was; Overwegende dat de verzoekende partij in haar, in het raam van het openbaar onderzoek, ingediend bezwaarschrift de bezwaren als volgt formuleerde: "
  3. Bezwaren
  4. Onmiddellijk in het westen van het dorp is al een degelijk ingerichte groene zone aanwezig (park rond en voor het gemeentehuis).
  5. Het voorzien van een tweede groene zone op zeer korte afstand van het gemeentelijk park is overbodig en totaal inefficiënt. Deze geplande groene zone dreigt verwaarloosd achter te blijven.
  6. In het gemeentelijk voorstel wordt bovendien de verbinding gemaakt met groenaanleg tussen het gemeentelijk park langs de Maalbeek, de te onteigenen percelen van o.m. de oude tramstelplaats, de Van den Broeckstraat naar Beverbos. Deze realisatie is een betere alternatieve oplossing dan de te hercreëren inefficiënte groene zone (...).
  7. Het gemeentebestuur wenst de dorpskern uit te breiden, die handelsactivi- teit en dienstverstrekking ten voordele van de bewoners waarborgt, en de enige dorpsstraat van overtollig verkeer ontlast. Hiertoe draagt het geglobaliseerd project verkavelaar-gemeente bij"; Overwegende dat het advies van de regionale commissie van advies luidt als volgt: "III. Gedeeltelijke herziening van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse te Wemmel. De heer FOBLETS, vertegenwoordiger van het Hoofdbestuur A.R.O.H.M., geeft de doelstellingen van deze gewestplanherziening/aanvulling weer (zie overwegingen van het besluit van de Vlaamse regering houdende voorlopige vaststelling van het ontwerpplan d.d. 2 maart 1994). Een adviserend lid situeert het probleem van het bestaan van het BPA- Centrum en het afleveren van een bouwvergunning aan de N.V. Immo De Vuyst. Er ontstaat in de commissie een discussie rond de tegenstelbaarheid van het ontwerpgewestplan en de mogelijke planschade-eisen. Een lid geeft een uiteenzetting over de plaatselijke toestand (mobiliteitspro- bleem, behoud van het landelijk karakter aansluiting bij het Beverbos en de Maalbeekvallei). De commissie reageert op het advies van de Bestendige Deputatie d.d. 8 november 1994 als volgt : De commissie brengt een gunstig advies, mits de hierna gesuggereerde aanpassingen bij de behandelingen van de bezwaren worden doorgevoerd, uit. Bezwaren (zie bijgevoegde lijst) : Gemeentebestuur van Wemmel : De commissie gaat niet in op de punten 1, 2 en 4 van het bezwaar. M.b.t. het punt 3 : M.b.t. punt a : M.b.t. het groengebied, voorzien langs de Verhasseltstraat dient vastgesteld dat deze zone aan alle zijden omgeven is door woongebied. Weliswaar dient te X-10.955-6/14 worden gesteld dat, gelet op de uitgestrektheid van het woongebied te Wemmel deze groene zone samen met de reeds voorziene park- en natuurgebieden voor een groene doorweving zorgt en aldus leidt tot een evenwichtige verhouding tussen woonzone en groengebied, wat de woonkwaliteit in de omliggende woonzones ten goede komt. Bovendien dient opgemerkt dat op juridische wijze geen groene zone via een APA, BPA of een aanzet tot via een structuurplan werd gegeven. De commissie is tevens van mening dat de indicatie dat het groengebied, als het in privé-bezit zou worden of zijn, niet goed onderhouden zou worden, geen gegrond argument is. M.b.t. punt b : De bestemming als agrarisch gebied van de zone in kwestie is terecht gelet op het feit dat de afbakening van het woongebied ten westen van de steenweg op Brussel duidelijk is en een bestemming als woonzone van het betrokken gebied zou neerkomen op een verder uitvloeien van de verstedelijking ten koste van de schaarse open ruimte ten noorden van de agglomeratie; daarenboven maakt het onaangetast gebied deel uit van het groter landbouwgebied tussen Wemmel en Neerzellik. Het vermelde open gebied (park rond sporthal) kan niet als een kompensatie gelden voor het eventueel opvatten van een bijkomende woonzone. Omtrent het argument i.v.m. het openbaar vervoer kan worden gesteld dat het openbaar vervoer dient te worden opgevat in functie van de bestaande woonkernen en dat het geenszins de bedoeling mag zijn woonkernen bij te creëren in de open ruimten in functie van het bestaande openbaar vervoer. (...) Bezwaar van M. DENYS en J. de SURAY voor N.V. IMMO DE VUYST : Hiervoor verwijst de commissie naar punt a van de behandeling van het bezwaar van Wemmel. Wat punt 4 van punt 3 bezwaren (...) van het bezwaarschrift betreft, stelt de commissie nog dat de wens van het gemeentebestuur om de dorpskern uit te breiden een vooruitloping is op de definitieve bestemming van het gebied en dat bovendien (volgens de gegevens waarover de commissie beschikt) in het BPA- centrum 2 reeds gestart werd met de bouw van een handelscentrum; (...)"; Overwegende dat, wat het eigen bezwaarschrift betreft, de regionale commissie van advies op de bezwaren van de verzoekende partij heeft geantwoord; dat de verzoekende partij zich in haar middel beperkt tot de bewering dat de regionale commissie in haar advies niet de technische redenen weergaf die leiden tot de verwerping van het bezwaarschrift, doch in het inleidend verzoekschrift niet uiteenzet waarom te dezen haar bezwaarschrift een technisch gemotiveerd antwoord verlangt, noch waarom het gegeven antwoord niet zou deugen; dat de in de tweede toelichtende memorie gegeven toelichting reeds in het inleidend verzoekschrift had kunnen ontwikkeld worden en de openbare orde niet raakt; dat deze toelichting derhalve laattijdig is; dat het middel niet gegrond is; Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending aanvoert van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet; dat zij uiteenzet dat X-10.955-7/14 in de overwegingen van het bestreden besluit het volgende is vermeld: "Overwegende dat de voorziene bestemmingen van het K.B. van 07.04.1977 worden herbevestigd met uitzondering van enkele inmiddels bebouwde percelen ..."; dat zij betoogt dat men hieruit laat verstaan "dat na de inwerkingtreding van het K.B. van 7 [maart] 1977 die de in dat besluit geviseerde terreinen heeft gerangschikt in natuurzone en toch terreinen in aanmerking werden genomen om constructies te laten optrekken", dat deze terreinen zich in dezelfde toestand bevinden als de terreinen die eigendom zijn van de verzoekende partij; dat zij tot slot stelt dat "door aan de (verzoekende partij) een bouwvergunning af te leveren in een residentiële parkzone en deze aan anderen te weigeren terwijl zij zich in een identieke situatie bevinden, worden deze op een ongelijke manier behandeld door de overheid"; Overwegende dat de verzoekende partij in haar tweede toelichtende memorie stelt dat moeilijk kan worden ingezien waarin de situatie van de ene percelen verschillend zou zijn dan deze van de andere, dat "in feite (...) de realisatie van (...) een deel marktplein door tegenpartij brutaal (werd) tegengewerkt, zonder dat duidelijk gesteld wordt waarom juist dat deel van het marktplein braak moest blijven", dat het resultaat dan ook een bevreemdend zicht is : "een splinternieuw centraal marktplein met een braakliggend 'gat', midden in het centrum van Wemmel"; Overwegende dat het in de artikelen 10 en 12 van de Grondwet vervatte gelijkheidsbeginsel slechts kan zijn geschonden indien de verzoekende partij met feitelijke en concrete gegevens aantoont dat in rechte en in feite gelijke gevallen ongelijk werden behandeld, zonder dat er een objectieve verantwoording bestaat voor deze ongelijke behandeling; Overwegende dat de verzoekende partij er zich in haar verzoekschrift toe beperkt te verwijzen naar een in haar middel aangehaald gedeeltelijk citaat uit de overwegingen van het bestreden besluit; dat uit deze enkele verwijzing niet blijkt dat het gaat om in feite en in rechte gelijke of vergelijkbare percelen; dat zulks des te meer klemt daar blijkt dat de percelen waarmee de verzoekende partij vergelijkt, ook in het vernietigde besluit van 7 maart 1977 niet dezelfde juridische bestemmingen - m.n. groengebied - hadden als haar percelen; dat voorts, zonder te moeten ingaan op de vraag of de voor het eerst in de tweede toelichtende memorie gegeven argumentatie wel dienend is, wordt vastgesteld dat de verzoekende partij deze in de toelichtende memorie aangehaalde gegevens reeds X-10.955-8/14 kende of kon kennen en aanvoeren in het verzoekschrift; dat deze gegevens niet meer op ontvankelijke wijze in de tweede toelichtende memorie kunnen worden aangevoerd; dat tot slot niet wordt ingezien hoe verzoekende partij zich gediscrimineerd kan achten als zij een bouwvergunning krijgt en anderen niet; dat het tweede middel niet gegrond is; Overwegende dat de verzoekende partij een derde middel afleidt uit de "afwezigheid van motivering van de groene zone"; dat ze dit middel toelicht als volgt: "De rangschikking van concluante's gronden in groene zone steunt op een visie die thans 25 jaar oud is en die erin bestaat (...) 'Van maximale beheersing van de stedelijke aangroei en het maximaal vrijwaren van de nog resterende open ruimten, het beschermen van de landelijkheid en het behoud van het streekeigen karakter dat nog steeds geldt als uitgangspunt voor het beleid van de Vlaamse Regering'. Overwegende dat het groene gordel beleid meermaals werd herbevestigd door de Vlaamse Regering; dat dit beleid uiteraard geldt voor alle gebieden ook voor deze waarvoor de bestemmingen werden vernietigd omwille van procedurefouten bij de voorbereiding van het gewestplan; dat dit beleid terecht wordt gevolgd voor alle vergunningsaanvragen en dat het in het gedrang zal worden gebracht door het bij de behandeling van dossiers te beperken tot een afweging van de minimum vereiste aan ruimte op lokaal vlak'. Het besluit houdende de goedkeuring van het gewestplan Halle-Vilvoorde- Asse voor het grondgebied Wemmel steunt zich dus op het groene gordel beleid die zij oplegt aan alle gebieden zonder dat dit beleid een wettelijke basis heeft. Bovendien is de hele motivering van de overheid die steunt op het zogenaamde uitgangspunt voor het beleid van de Vlaamse Regering die het behoud van het streekeigen karakter inhoudt discriminatorisch en vormt een inbreuk op artikel 10/11 van de grondwet die alle Belgen gelijkstelt voor de wet. Men weet dat het groene gordel beleid de inplanting van Franstaligen en anderstaligen in de randgemeenten rond Brussel wil uitsluiten. (...) In casu baseert de overheid zich op het groene gordel beleid zonder dat deze een juridische waarde bezit. Ook de gemeente vecht dit groene gordel beleid aan en stelt zich ook de vraag naar de juridische basis ervan. (...). Inderdaad het groene gordel beleid is een slogan zonder juridische basis die dan ook niet als voeding kan dienen voor een gewestplan. (...)."; Overwegende dat de verzoekende partij in haar tweede toelichtende memorie stelt dat het argument in de bestreden beslissing dat de verstedelijking dient tegengewerkt te worden, geen argument is aangezien het project zich situeert in het volle centrum van Wemmel, en onderdeel is van een voor het overige wel vergund marktplein, dat eveneens het argument dat een lokale verhoging van het aanbod geen speciaal grondbeleid tot gevolg zou hebben volledig naast de X-10.955-9/14 kwestie en bovendien in feite onjuist is, aangezien de lokale verhoging van het aanbod een daling van de woonprijs tot gevolg zal hebben, dat de verzoekende partij verder toevoegt dat "bovendien (...) de realisatie van het volledige marktplein-project niet als doel de realisatie van een sociaal grondbeleid (heeft), zelfs als dit een gevolg zou zijn, doch wel de afwerking van het marktplein, waarvoor de nood objectief aanwezig was, daar Wemmel voordien niet over een eigen marktplein beschikte"; Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie opwerpt wat volgt: "(...) dat het middel de overheid in werkelijkheid verwijt haar beslissing te hebben gesteund op een beleidsvisie die niet met de ruimtelijke ordening verband houdt, en daar zelfs volledig vreemd aan is. Overigens is het feit dat de overheid zich bij de vaststelling van de nieuwe gewestplanbestemming na de vernietiging van het eerdere gewestplan voor de litigieuze percelen heeft laten leiden door de toentertijd geldende beleidslijn volledig onrijmbaar met het feit dat dezelfde overheid is overgegaan tot de vaststelling van een nieuw ontwerp-Gewestplan eerder dan rekening houdende met de inhoud van het vernietigingsarrest van de Raad van State op basis van het (niet vernietigde) ontwerp-Gewestplan opnieuw het gewestplan vast te stellen. Indien immers sinds de vaststelling van het Gewestplan de beleidsvisie waarop deze was gebaseerd niet was gewijzigd, dan was er ook geen enkele reden om terug over te gaan tot hernemen van de vaststellingsprocedure ab ovo door het vaststellen van een nieuw ontwerp-Gewestplan. (...) Door het feit aldus dat het Vlaams Gewest na vernietiging door de Raad van State enerzijds blijft bogen op de beleidslijn en de inzichten waarop zij het vernietigde besluit heeft gebaseerd, doch anderzijds toch overgaat tot het vaststellen van een nieuw-ontwerp Gewestplan dat van het oorspronkelijke gewestplan afwijkt, blijkt dat het Vlaams gewest het bestreden besluit helemaal niet baseert op met de goede ruimtelijke ordening verband houdende motieven, doch in tegendeel los van elk met de ruimtelijke ordening verband houdend argument de bebouwing van de percelen wenst tegen te houden. De motivering waarom, in tegenstelling tot het oorspronkelijke ontwerp- gewestplan de gronden nu niet meer in woonuitbreidingsgebied doch in groengebied moet liggen ontbreekt aldus totaal, nu de overheid ervoor verwijst naar een beleidslijn die reeds bij de oorspronkelijke vaststelling van het ontwerp- gewestplan van toepassing was, en er toen toe heeft geleid de percelen als woonuitbreidingsgebied te bestemmen. Een dienstig motief voor de opname van de percelen in groengebied ontbreekt dus totaal. De beslissing is gebaseerd op elementen die aan de ruimtelijke ordening vreemd zijn"; Overwegende dat een besluit tot vaststelling van een gewestplan, zoals elke administratieve akte of reglement, dient te zijn gesteund op in rechte en in feite aanvaardbare motieven die moeten blijken, zoniet uit de beslissing zelf, dan toch uit het administratief dossier; X-10.955-10/14 Overwegende dat, bij het onderwerpen van een perceel aan een bestemmingsvoorschrift, de bevoegde overheid daartoe, in het licht van de doelstellingen van de ruimtelijke orde zoals die op het ogenblik van het nemen van het bestreden besluit waren bepaald in artikel 1 van de stedenbouwwet, over een ruime appreciatiebevoegdheid beschikt; dat derhalve, wanneer een bestemmingsvoorschrift toepasselijk wordt gemaakt op een perceel, de Raad van State in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht enkel bevoegd is na te gaan of de bevoegde overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat het zaak is van de verzoekende partij ter zake aanwijzingen te verschaffen; dat zij te dezen niet verder komt dan de blote bewering dat de bestemming van de percelen van de verzoekende partij "steunt op een visie die thans 25 jaar oud is en die erin bestaat (...) van maximale beheersing van de stedelijke aangroei en het maximaal vrijwaren van de nog resterende open ruimten, het beschermen van de landelijkheid en het behoud van het streekeigen karakter (...)", met name "op het groene-gordel-beleid die zij oplegt aan alle gebieden zonder dat dit beleid een wettelijke basis heeft"; dat zij evenwel, gelet op de ruime appreciatiebevoegdheid ter zake van de bevoegde overheid, niet aannemelijk maakt waarom dit beleid, ook al zou die visie "thans reeds 25 jaar oud" zijn en geen "juridische basis" hebben, niet deugt; dat de kritiek die de verzoekende partij geeft in haar tweede toelichtende memorie alsook in haar laatste memorie te laat komt; dat voor zover de verzoekende partij in haar laatste memorie poogt een nieuwe draagwijdte of grondslag te geven aan het in het verzoekschrift uiteengezette middel, dit een nieuw middel vormt, dat niet op ontvankelijke wijze voor het eerst in de laatste memorie kan worden aangevoerd; dat tot slot de kritiek betrokken op het non- discriminatiebeginsel niet verder gaat dan een blote bewering; dat het derde middel niet gegrond is; Overwegende dat de verzoekende partij een vierde middel afleidt uit de schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, "daar waar het besluit van de Vlaamse regering tot aanvullende vaststelling van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse op het grensgebied van de gemeente Wemmel van 22 maart 1995 niet gemotiveerd is op een rechtens aanvaardbare basis"; X-10.955-11/14 Overwegende dat de verzoekende partij in haar eerste toelichtende memorie doet gelden dat "het vierde middel opgeworpen door de verzoekende partij (...) de onwettigheid op(werpt) van hetgeen men de Groene Gordel noemt", hetgeen ze dan omstandig uiteenzet in voornoemd procedurestuk; Overwegende dat een besluit tot vaststelling van een gewestplan, dat verordenende kracht heeft, niet valt onder de toepassing van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat het "middel" om die reden alleen al niet gegrond is; dat hetgeen de verzoekende partij uiteenzet in haar eerste toelichtende memorie een nieuwe grondslag geeft aan het middel; dat dit een nieuw middel vormt dat niet op ontvankelijke wijze voor het eerst in de toelichtende memorie kan worden aangevoerd; dat het vierde middel niet gegrond is; Overwegende dat de verzoekende partij in een vijfde middel de schending aanvoert van artikel 69 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen die aan de Regering oplegt te beraadslagen op collegiale wijze over de materies inzake ruimtelijke ordening; dat ze dit toelicht als volgt: "Welnu het besluit vermeldt weliswaar de term 'na beraadslaging' doch de vermelding van dit woord houdt niet in dat er werd voldaan aan het bewuste artikel
  8. Het komt toe aan de overheid door middel van door haar voor te brengen notulen dat er werkelijk een beraadslaging heeft plaatsgevonden, het is te zeggen beslissen over de zaak met kennis van zaken met meerderheid van stemmen. Thans blijkt niet dat er een collegiale beraadslaging is geweest in de schoot van de Regering"; Overwegende dat de verzoekende partij in haar tweede toelichten- de memorie opwerpt dat "het verslag van de vergadering van de Vlaamse Regering waarbij de goedkeuring van het gewestplan werd besproken, (...) niet tijdig (is) neergelegd ter griffie van de Raad van State en (...) uit de debatten (dient te worden) geweerd"; Overwegende dat met het hiervoor aangehaalde citaat uit de tweede toelichtende memorie de verzoekende partij impliciet doch zeker toegeeft dat het vijfde middel feitelijke grondslag mist; dat het argument van de verzoekende partij dat dit verslag niet tijdig is ingediend en uit de debatten dient te worden geweerd niet ter zake doet, aangezien de aanwezigheid van de vereiste feitelijke grondslag moet worden beoordeeld op het ogenblik dat die rechtshandeling is genomen en de Raad X-10.955-12/14 aan de feiten niet kan voorbijgaan, ook al blijken die uit een laattijdig neergelegd administratief dossier; dat het vijfde middel niet is gegrond; Overwegende dat de verzoekende partij na de initiële vaststelling van het annulatieberoep, bij brief van 9 november 2004 laat weten dat zij "ter gelegenheid van het onderzoek van het dossier" heeft vastgesteld dat "het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse voor wat betreft de wijziging van 22 maart 1995 niet overeen- komstig de decretale voorschriften werd neergelegd in de gemeenten van het gewest Halle-Vilvoorde", alsook dat het kaartblad nr. 31/2-Anderlecht dat ter inzage ligt op het hoofdbestuur, "werd bewerkt in de rechter bovenhoek"; dat zij ter ondersteuning hiervan bij die brief een kopie voegt van processen-verbaal van de instrumenterende gerechtsdeurwaarder, alsook een kopie van de begeleidende brieven bij deze processen-verbaal opgemaakt door een landmeter-expert "die de gerechts- deurwaarder bij deze vaststellingen heeft vergezeld"; dat zij besluit dat zij "dientengevolge (...) van oordeel (is) dat de wijziging van het gewestplan door het besluit van 22 maart 1995 niet tegenstelbaar is aan mijn cliënten"; Overwegende dat het voorliggende beroep tot voorwerp heeft de vernietiging van het besluit van 22 maart 1995 waarvan verzoekende partij thans de niet-tegenwerpelijkheid ervan aanvoert; dat daargelaten de vraag of dit op ontvan- kelijke wijze voor het eerste kan worden aangevoerd buiten enig procedurestuk om als de zaak reeds in staat van wijzen is, deze kritiek niet de regelmatigheid betreft van het bestreden besluit waarvan de nietigverklaring wordt gevorderd, maar wel de (on)regelmatigheid van de bekendmaking ervan; dat het in voornoemde brief aangevoerde derhalve niet tot vernietiging van het bestreden besluit kan leiden; dat het niet ontvankelijk is; X-10.955-13/14 BESLUIT: Artikel
  9. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  10. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig juni 2006, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. G. DEBERSAQUES, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. G. DEBERSAQUES. X-10.955-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.649 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.