id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.725 Rolnummer: A. 168312/XIV-24177 Zaak: Arrest 160725 - - 28/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-07-14 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 23:06 Fiche Arrest nr 160.725 van 28 juni 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 160.725 van 28 juni 2006 in de zaak A. 168.312/XIV-24.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat R. JESPERS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Broederminstraat 38 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 1 januari 1971 en van Marokkaanse nationaliteit, op 17 november 2005 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 15 april 2005 tot weigering van regularisatie, en van het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 18 oktober 2005; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 15 december 2005 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door M. STERCK, d.d. 3 april 2006, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-24.177-1/16 Gelet op de beschikking van 24 april 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 31 mei 2006 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; Gelet op de persoonlijke verschijning van de verzoekende partij; Gehoord de opmerkingen van Advocaat I. FLACHET, die loco Advocaat R. JESPERS verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat N. LUCAS, die loco Advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- XXX heeft op 28 januari 2000 een regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet), meer in het bijzonder op basis van artikel 2, 4/. 1.
- Op 6 oktober 2000 stelde het secretariaat van de Commissie voor regularisatie vast dat het bij de aanvraag gevoegde dossier onvolledig was en zond de aanvraag met een negatief advies voor beslissing over aan de minister van Binnenlandse Zaken. Bij schrijven van 17 oktober 2000 werd aan de verzoekende partij meegedeeld dat hij over een termijn van drie dagen beschikte, na kennisgeving van dit advies, om haar standpunt uiteen te zetten aan de minister. 1.
- Op 23 oktober 2000 richtte de Advocaat van de verzoekende partij een schrijven met bijkomende stukken aan de minister van Binnenlandse Zaken. 1.
- Op 14 november 2002 is de verzoekende partij door de Commissie voor regularisatie, in aanwezigheid van een Advocaat, gehoord. 1.
- Op 9 januari 2003 heeft de Kamer van de Commissie voor regularisatie een ongunstig advies verleend betreffende de aanvraag van de verzoekende partij. Dit advies bevat de volgende overwegingen: “(...) XIV-24.177-2/16 Gelet op de aanvraag tot regularisatie op grond van humanitaire reden en duurzame sociale bindingen (art.2,4/ van de wet van 22 december 1999). Gelet op de nota van het onderzoekssecretariaat dd. 6 oktober
- Verzoeker verschijnt in persoon, bijgestaan door zijn raadsman op de zitting van 14 november 2002 en legt bijkomende stukken neer. Uit deze stukken kan niet met zekerheid worden afgeleid dat verzoeker op Belgisch grondgebied verbleef op 01 oktober
- Wat betreft art. 2.4 De minimum periode van continue aanwezigheid op Belgisch grondgebied werd niet aangetoond. De bewijzen, waaruit onbetwistbaar zou moeten kunnen worden afgeleid dat verzoeker sedert 1993 onafgebroken in België verblijft, zijn te weinig in aantal, te disparaat en niet objectief natrekbaar. In zodanig geval moeten ‘de humanitaire redenen en sociale bindingen’ die in eik geval moeten aanwezig zijn krachtens art 9 van de wet van 22 december 1999, des te meer doorwegen. Verzoeker toont onvoldoende humanitaire redenen aan of dat hij. duurzame sociale bindingen heeft ontwikkeld in ons land Uit de voorgelegde stukken en het onderhoud ter zitting blijkt dat verzoeker: -onvoldoende lang in het Rijk verbleef en dat dit verblijf niet "relevant" is in de zin van art. 9,9/ van de wet van 22 december 1999; -geen Nederlands spreekt; -geen lessen Nederlands volgt; sinds oktober 2000 af en toe tewerkgesteld is bij de firma Van De Kerkhof te Duffel; -geen deel uitmaakt van een vereniging of groepering, wat zijn wil tot integratie in het gemeenschapsleven zeker niet aantoont; -zijn ouders en vier broers nog steeds in Marokko verblijven. Integratie bestaat uit een oriëntering op de Belgische samenleving op diverse vlakken. Op basis van de vastgestelde feitelijke elementen heeft de commissie geconstateerd dat er bij betrokkene geen of alleszins onvoldoende integratie aanwezig is. Dat verzoeker duidelijk nog zeer sterke bindingen (vooral familiale) heeft met zijn land van herkomst. Overwegende dat verzoeker onvoldoende aantoont dat hij alhier noemenswaardige of effectieve inspanningen heeft geleverd om zich te integreren. De commissie kan geen enkel argument van sociale integratie ontdekken, de tewerkstelling daargelaten. Overwegende dat nu de sociale bindingen en humanitaire redenen niet worden bewezen, de aanvraag niet tot een gunstig advies kan leiden. OM DEZE REDENEN Verleent de commissie aan, XXX, een ONGUNSTIG advies tot regularisatie van zijn verblijf in België op grond van art. 2,4/ van de wet van 22 december
- (...).”. 1.
- Op 10 februari 2003 heeft de Advocaat van de verzoekende partij een schrijven met bijkomende stukken gericht aan de minister van Binnenlandse Zaken. 1.
- Op 25 februari 2003 heeft de minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie verworpen door zich aan te sluiten bij de overwegingen van het advies van de Commissie voor regularisatie. 1.
- Op 16 april 2003 en op 6 mei 2003 werd aan de verzoekende partij bevel gegeven om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Bij arrest nr. 138.295 van de XIVde kamer van de Raad van State van 9 december 2004 werden de beslissing tot weigering van regularisatie van 25 februari 2003 en voornoemde bevelen, vernietigd. XIV-24.177-3/16 1.10 Op 15 april 2005 heeft de minister van Binnenlandse Zaken een nieuwe beslissing genomen inzake de regularisatie van de verzoekende partij. De aanvraag van de verzoekende partij werd verworpen. Dit is de eerste bestreden beslissing, die als volgt luidt: “(...) Betreft: het verzoek tot regularisatie van uw verblijfstoestand overeenkomstig de wet van 22 december 1999 nr. regularisatie: 2140-20000128-04926 Ik wens u op de hoogte te brengen van het feit dat ik beslist heb uw verzoek om uw verblijfstoestand te regulariseren overeenkomstig de bepalingen van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvende op het grondgebied van het Rijk niet in te willigen. Ik ben van oordeel dat u niet voldoet aan de voorwaarden die worden omschreven in artikel 2,4/ van de Wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk. Uit de door u neergelegde stukken kan geen ononderbroken aanwezigheid teruggaand tot meer dan zes jaar worden afgeleid noch dat u voldoende humanitaire omstandigheden en sociale bindingen kan laten gelden. De schriftelijke verklaringen die u heeft voorgelegd en het betalingsbewijs d.d. 19.07.1997 zijn vaag, oncontroleerbaar en missen overtuigingskracht. De niet te controleren stukken die u voorlegt vormen geenszins een sluitend bewijs van een niet-ononderbroken verblijf van zes jaar op het grondgebied. In de Commissie Binnenlandse Zaken werd immers duidelijk gesteld dat men met een aantal gegevens moet bewijzen dat men gedurende die bewuste periode op het grondgebied was; het doorlopend verblijf op het grondgebied moet bewezen worden door een geheel van elementen en aanwijzingen (Verslag Commissie Binnenlandse Zaken, Senaat, 8 december 1999, blz.52). De stukken die u voorlegt voldoen niet aan deze definitie. Bovendien heeft de verklaring van de heer M. R. betrekking op de periode na uw aanvraag tot regularisatie. Nog blijkt uit het advies van de Commissie en het dossier dat u onvoldoende humanitaire redenen en duurzame sociale bindingen kan laten gelden: zo spreekt u ondanks een beweerd verblijf sinds 1993 nog geen Nederlands en volgt u ook geen taallessen, maakt u geen deel uit van het verenigingsleven en blijken uw ouders en andere broers nog in Marokko te wonen. De duur van vijf of zes jaar is niet voldoende. De voorwaarden die in artikel 2,4/ bepaald zijn, moeten cumulatief toegepast worden. Het criterium van de sociale bindingen is immers een zwaarwichtig criterium (Verslag Commissie Binnenlandse Zaken, Parl. Doc., Senaat, 8 december 1999, blz.35). De drie arbeidsovereenkomsten die u heeft neergelegd hebben betrekking op de periode na uw aanvraag tot regularisatie. Artikel 2 van de Wet van 22 december 1999 bepaalt dat er slechts rekening kan worden gehouden met de humanitaire en sociale bindingen die een vreemdeling kan laten gelden op het ogenblik van de regularisatieaanvraag (R.v.St. nr. 114.346 van 9 januari 2003). Om een schending van het gelijkheidsbeginsel te vermijden kunnen deze stukken niet in overweging worden genomen. Een andere redenering zou tot gevolg hebben dat aanvragers wiens dossier vroeger werd behandeld zich in een nadeliger situatie zouden bevinden. De identiteitsbewijzen van familieleden staven geenszins uw verblijf in de zin van artikel 9,9/ van de Wet van 22 december
- Bovendien heeft u geen verklaring voorgelegd dat u geen bevel kreeg om het grondgebied te verlaten in de loop van vijf jaar voorafgaand aan uw regularisatieaanvraag. Ik volg dan ook het ongunstig advies van de Kamer van de Commissie voor Regularisatie. (...).”. 1.11 Op 18 oktober 2005 werd aan de verzoekende partij bevel gegeven om het grondgebied van het Rijk te verlaten, dit is de tweede bestreden beslissing. 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert, dat als volgt luidt: “Eerste middel: Schending van artikel 62 van de vreemdelingenwet. Schending van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. Schending van artikel 2, al.4 van de wet van 22 december 1999 met betrekking tot de regularisatie van sommige categorieën vreemdelingen. Schending van artikel 9 van het KB van 5.1.2000 betreffende werking en samenstelling van de commissie voor regularisatie. Schending van de rechten van verdediging. Schending van het principe van overmacht. XIV-24.177-4/16 Artikel 62, 1ste lid van de Vreemdelingenwet van 15.12.1980 schrijft voor dat de administratieve beslissingen met redenen omkleed worden. Artikel 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen bepaalt dat de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die ten grondslag liggen aan die beslissing, en dat de gegeven motivering afdoende dient te zijn. Aan de motiveringsplicht is in casu geenszins voldaan. Er wordt geen rekening gehouden met de brief van de raadsman van verzoeker dd. 10.02.
- Op 10.02.2003 werd door de raadsman van verzoeker bijkomende stukken overgemaakt aan de Minister van Binnenlandse Zaken. In deze brief worden een aantal punten vermeld in het advies van de Regularisatiecommissie weerlegd. Het advies stelt oa dat verzoeker: - sinds oktober 2000 af en toe tewerkgesteld is bij de firma van De Kerkhof te Duffel. Deze argumenten worden aan de hand van stukken (bijgevoegd aan het schrijven dd. 10.02.2003) weerlegd. Uit deze stukken blijkt verzoeker quasi voltijds tewerkgesteld was. Uit de bestreden beslissing blijkt echter NIET dat met dit schrijven rekening werd gehouden laat staan met de stukken ervan. Verzoeker meent dan ook dat hier geen rekening mee gehouden is. Wat nu zeker vaststaat is dat de Minister ruim voor kennisgave van de beslissing kennis kreeg van de argumentatie ontwikkeld in de brief van 10 februari 2003 en dus met deze argumentatie rekening moet houden. Het argument al zou hiervan geen kennis kunnen hebben gehad is gezien de vernietiging van de eerste beslissing niet meer geldig. De rechtspraak van uw Raad van State is op dit punt duidelijk: -Het ontbreken van een antwoord van de Minister op formele kritieken op het advies betekent een schending van de motiveringsplicht. (Raad van State, 20 juli 200 1, nr. 97.919, X t. Etat Belge, RDE, 2001, nr. 115, 473; Raad van State, 2 oktober 2001, nr. 99.353, X. t. Etat Belge, RDE 2001, nr. 115, 498). -Het niet in acht nemen van een stuk betekent een schending van de motiveringsplicht. (Raad van State, 20 augustus 200 1, nr. 98.374, X. t. Etat Belge, RDE, 200 1, nr. 115,479). Dat minimum minimorum de motivering een verwijzing diende te bevatten naar deze brief. Dat dit geenszins gebeurd is. Ten overvloede verwijst verzoeker naar volgende rechtsleer: ‘Een motivering die slechts rekening houdt met bepaalde elementen een dossier (ten nadele van de betrokkene) en niet met andere fundamentele elementen, is niet afdoende.’ (OPDEBEEK, I., COOLSAET, A., Formele motivering van bestuurshandelingen, Die Keure, Brugge, 1999, nr. 189) Dat het vaststaat dat de Minister geen rekening heeft gehouden met de brief dd. 10.02.2003 en bijgevolg slechts rekening houdt met bepaalde elementen. Dat de motivering ten zeerste niet afdoende is.”; 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in de nota als volgt repliceert: “Betreffende een eerste middel van de verzoekende partij In zijn eerste middel beroept verzoeker zich op een vermeende schending van art. 62 van de vreemdelingenwet, alsook op art. 3 van de wet dd. 29.07.
- Betreffende de ingeroepen schending van art. 62 voormeld, laat de verwerende partij gelden dat verzoeker zich terzake niet op dit artikel kan beroepen, nu het slechts betrekking heeft op beslissingen genomen in toepassing van de vreemdelingenwet dd. 15.12.1980, terwijl onderhavig beroep gericht is tegen de beslissing tot weigering van verzoekers regularisatieaanvraag (R.v.St. 9 december 2004, nr. 138.295 - zie stuk 41 van het administratief dossier). Waar verzoeker de schending van art. 3 van de wet dd. 29.07.1991 inroept, laat de verwerende partij gelden dat bij lezing van verzoekers inleidend verzoekschrift blijkt dat deze daarin niet enkel inhoudelijke kritiek levert, maar dat hij er ook in slaagt de motieven vervat in de in casu bestreden beslissing weer te geven en daarbij blijk geeft kennis te hebben van de motieven vervat in de bestreden beslissing. De verwerende partij is van oordeel dat o.b.v. deze vaststelling dient te worden besloten dat verzoeker het vereiste belang ontbeert bij de betrokken kritiek (cf. R.v.St. nr. 47.940, 14.6.1994, Arr. R. v. St. 1994, z.p.). De formele motiveringsplicht, vervat in de wetsartikelen waarvan verzoeker de schending aanvoert, heeft immers geen ander doel dan het in kennis stellen van de bestuurde van de redenen die ten grondslag liggen aan de te zijnen of te haren opzichte genomen bestuursbeslissing, zodanig dat deze in staat is om te oordelen of het zinvol is om daartegen op te komen met de ter beschikking staande rechtsmiddelen (R.v.St. nr. 60.751, 4.7.1996, TB.P. 1996, 698), terwijl de voormelde vaststelling impliceert dat deze wettelijke doelstelling is bereikt. XIV-24.177-5/16 De naleving van de genoemde plicht houdt daarentegen geen, verband met de inhoudelijke juridische of feitelijke correctheid van de tot uitdrukking gebrachte motieven (cf. wat inhoudelijke juridische correctheid betreft, naar analogie, Cass., 10.1.1979, Arr. Cass. 1978-79, 522; alsook wat feitelijke correctheid betreft: R.v.St. nr. 44.948, 18.11.1993, Arr. R.v.St. 1993, z.p.; Antwerpen, 16.6.1998, F.J. F. 1998, 693). Bij lezing van de bestreden beslissing blijkt genoegzaam dat de inhoud daarvan verzoeker het genoemde inzicht verschaft en aldus volstaat om hem toe te laten de bedoelde nuttigheidsafweging te maken. De bestreden beslissing is immers genoegzaam met redenen omkleed, aangezien daarin zowel haar juridische grondslag als haar feitelijke grondslag zijn vermeld. Deze vermeldingen laten verzoeker toe kennis te hebben van de gronden op basis waarvan hji werd uitgesloten van de toepassing van de regularisatiewet en maken dat het doel is bereikt dat met het bestaan van de betrokken formele motiveringsverplichting wordt beoogd. Het normdoel dat ten grondslag ligt aan de in het besproken middel als geschonden aangeduide wetsartikelen is bereikt en de bestreden beslissing is genoegzaam gemotiveerd. Verzoekers uiteenzetting kan aan het voorgaande geen afbreuk doen, temeer nu verzoekers beschouwingen niet dienstig in verband kunnen worden gebracht met de door hem geschonden geachte rechtsregels. Verzoeker acht de bestreden beslissing kennelijk onvoldoende gemotiveerd, nu deze geen rekening zou houden met de brief van de raadsman van verzoeker dd. 10.02.
- Echter blijkt uit de bestreden beslissing integendeel dat wel rekening werd gehouden met dit schrijven. Zo verwijst verzoekers raadsman in dit schrijven in hoofdzaak naar de stukken die door hem werden neergelegd ter zitting van de Commissie voor Regularisatie, en wordt er geargumenteerd - in reactie op het negatief advies van de Commissie - waarom deze stukken wél de regularisatie van verzoeker zouden verantwoorden. De bestreden beslissing gaat evenwel uitvoerig in op deze stukken en stelt genoegzaam vast waarom zij niet kunnen volstaan om de regularisatie van verzoeker te verantwoorden. Er moet daarbij worden gewezen op het feit dat in het schrijven dd. 10.02.2003 van verzoekers raadsman geen nieuwe gegevens worden aangehaald ten opzichte van de reeds ter zitting van de Commissie voorgelegde stukken, zodat de bestreden. beslissing net door dieper in te gaan op de relevantie en bewijskracht van deze stukken, op dit schrijven een antwoord formuleert De vier stukken die bij dit schrijven nog aanvullend worden overgemaakt, dateren allen van nà de regularisatieaanvraag, zodat er op dit punt moet worden verwezen naar de bestreden beslissing, die - terecht - vaststelt dat er met stukken die betrekking hebben op de periode na de regularisatieaanvraag geen rekening kan worden gehouden. Verzoeker kan dan ook niet ernstig beweren dat de bestreden beslissing op dit vlak onvoldoende zou zijn gemotiveerd. In zoverre verzoeker zich tot slot in zijn eerste middel beroept op een schending van art. 2, al. 4 van de regularisatiewet, - van art. 9 van het KB dd. 05.01.2000 betreffende de werking en samenstelling van de commissie voor regularisatie, van de 'rechten van verdediging' en van het 'principe van overmacht', stelt verwerende partij vast dat verzoeker in de toelichting bij zijn middel niet nader ingaat op de nochtans voorgehouden schending van voormelde bepalingen. Bij gebreke van een weergave in de toelichting van het middel van de wijze waarop de door verzoeker vermelde rechtsregels zouden zijn geschonden, kan de verwerende partij zich desbetreffend niet met kennis van zaken verdedigen, zodat het middel vanuit het oogpunt van de opgeworpen schending van die laatste rechtsregels naar het oordeel van laatstgenoemde om die reden als onontvankelijk dient te worden beschouwd (R.v. St. nr. 39.750, 18.6.1992, Arr. R. v. St. 1992, z.p.). Het eerste middel is niet ernstig.”; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in het eerste middel de schending aanvoert van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; van artikel 2, 4/, van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet); van artikel 9 van het koninklijk besluit van 5 januari 2000 betreffende de werking en de samenstelling van de Commissie voor regularisatie; van de rechten van de verdediging, en van “het principe van XIV-24.177-6/16 overmacht”; dat de minister van Binnenlandse Zaken geen rekening heeft gehouden met het schrijven van de Advocaat van de verzoekende partij van 10 februari 2003; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij de schending van artikel 9 van het koninklijk besluit van 5 januari 2000 betreffende de werking en de samenstelling van de Commissie voor regularisatie, van de rechten van de verdediging, en van “het principe van overmacht” niet met concrete gegevens uiteenzet; dat deze onderdelen van het eerste middel ongegrond zijn; Overwegende dat artikel 62 van de Vreemdelingenwet niet van toepassing is op beslissingen die worden genomen in het kader van de Regularisatiewet; Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiveringsplicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de eerste bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat de verzoekende partij bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat in de brief van 10 februari 2003 van de Advocaat van de verzoekende partij kritiek wordt geuit op het advies van de Commissie voor regularisatie en dat melding wordt gemaakt van reeds ingediende stukken die zouden aantonen dat de verzoekende partij tussen 1993 en 1999 in de week bij haar werkgever woonde, dat de verzoekende partij verklaart dat het door haar werk onmogelijk was om Nederlandse lessen te volgen en dat zij enkel het Nederlands van de werkvloer heeft geleerd, dat zij sinds 1995 als tomatenplukker in Duffel werkt en dit sinds oktober 2000 met een arbeidsvergunning, en dat in dit verband nieuwe stukken worden toegevoegd die dateren van na 2000, dat de verzoekende partij eveneens verwijst naar reeds ingediende stukken waarvan zij meent dat deze haar betrokkenheid en deelname aan het sociaal leven in België aantonen, en dat ze tenslotte uitlegt dat veel van haar familieleden in België verblijven en dat ze een broer heeft die geregulariseerd is; Overwegende dat in de eerste bestreden beslissing over het schrijven van 10 februari 2003 en de daarbij gevoegde stukken het volgende wordt gesteld: “De drie arbeidsovereenkomsten die u heeft neergelegd hebben betrekking op de periode na uw aanvraag tot regularisatie. Artikel 2 van de Wet van 22 december 1999 bepaalt dat er slechts rekening kan worden gehouden met de humanitaire en sociale bindingen die een vreemdeling kan laten gelden op het ogenblik van de regularisatieaanvraag (R.v.St. nr. 114.346 van 9 januari 2003). Om een schending van het gelijkheidsbeginsel te vermijden kunnen deze XIV-24.177-7/16 stukken niet in overweging worden genomen. Een andere redenering zou tot gevolg hebben dat aanvragers wiens dossier vroeger werd behandeld zich in een nadeliger situatie zouden bevinden.”; Overwegende dat hieruit blijkt dat de minister van Binnenlandse Zaken wel degelijk de tewerkstelling van de verzoekende partij in overweging heeft genomen en rekening heeft gehouden met de brief van de Advocaat van de verzoekende partij van 10 februari 2003 en met de bijgevoegde stukken; dat dit niet de regularisatie van de verzoekende partij als gevolg had, kan niet worden aanvaard als een schending van de motiveringplicht; dat het eerste middel ongegrond is; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert, dat als volgt luidt: “Tweede middel: Schending van artikel 62 van de vreemdelingenwet. Schending van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurhandelingen. Schending van artikel 2, al. 4 van de wet van 22 december 1999 met betrekking tot de regularisatie van sommige categorieën vreemdelingen. Schending van artikel 2.4 van de regularisatiewet van 22.12.
- Schending van de rechten van verdediging. Schending van het principe van de fair play in bestuurshandelingen. De Minister neemt opnieuw de motivering van de commissie over en maakt een eigen zelfstandige motivering die echter niet afdoende is en kennelijk onredelijk. Verzoeker zal aantonen dat de motivering van de bestreden beslissing niet afdoende is enerzijds omdat deze motivering wederom verwijst naar een advies dat foutief gemotiveerd werd omdat er geen rekening werd gehouden met de neergelegde stukken en er bijgevolg een schending is van art. 2.4 van de Regularisatiewet van
- Verzoeker zal vervolgens aantonen dat er tegenstrijdige elementen worden vermeld in de bestreden beslissing. De bestreden beslissing steunt op een advies dat niet gemotiveerd werd en is bijgevolg zelf niet gemotiveerd of minstens niet afdoende gemotiveerd De motivering van de bestreden beslissing luidt als volgt: (...) De bestreden beslissing verwijst expliciet naar het advies van de Commissie voor Regularisatie en neemt op bepaalde momenten de motivering van het advies eenvoudigweg over. Nochtans werd duidelijk gesteld in het arrest van de Raad van State 138.295 van 9.12.2004 het volgende vermeld: ‘Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker ter zitting van de Regularisatiecommissie vijftien stukken neerlegt die voornoemd verblijf zouden moeten bewijzen; dat de Raad van State vaststelt dat noch de Commissie, noch de Minister zich hebben uitgesproken over de eventuele concrete bewijswaarde van deze stukken; dat voormelde considerans in het advies van de Regularisatiecommissie vaag en onduidelijk is en de Raad niet toelaat te toetsen of en in welke mate de bewijswaarde van de stukken in concreto werden geëvalueerd door de Commissie; dat het toekomt aan de Regularisatiecommissie en aan de bevoegde Minister om in concreto te oordelen over neergelegde stukken door een verzoeker, zodat kan worden uitgemaakt welke de bewijswaarde, de juridische relevantie, de betekenis en de draagwijdte is van stukken die aan het tegensprekelijk debat van de Regularisatiecommissie worden onderworpen; dat dit niet betekent dat de Commissie zich dient uit te spreken over de bewijswaarde van elk neergelegd stuk; dat dit wel betekent dat de bewijswaarde van de neergelegde stukken moet worden geëvalueerd en geapprecieerd door de stukken in te delen per categorie naargelang van hun betekenis en relevantie voor het eventueel bewijs van bepaalde feiten en gegevens met het oog op een correcte toepassing van artikel 9,9/ juncto artikel 2,4/, van de Regularisatiewet; dat bijgevolg voornoemd artikel 2,4/ werd geschonden, nu de eerste bestreden beslissing, de overwegingen van het advies van de Regularisatiecommissie onderschrijft en overneemt, dat de overweging van de Commissie dat verzoeker ‘onvoldoende lang in het Rijk verbleef en dat dit verblijf niet ‘relevant’ is in de zin van artikel 9,9/, van de wet van 22 december 1999' niet is onderbouwd; dat bijgevo1g het tweede middel in die mate gegrond is;’ (onderlijning door verzoeker aangebracht) Verzoeker verwijst naar volgende rechtsleer: XIV-24.177-8/16 Het spreekt echter voor zich dat een motivering door verwijzing naar een advies maar afdoende kan zijn wanneer dat advies zelf afdoende gemotiveerd is. Wanneer dit niet het geval is dient de eindbeslissing vernietigd te worden. Een benoemingsbeslissing, gebaseerd op een advies of op een voorstel dat zelf niet afdoende gemotiveerd is, wordt vernietigd. Een beoordeling die aan een ambtenaar wordt toegekend op grond van een niet afdoende gemotiveerd advies is onwettig. Een besluit van de regering is niet gemotiveerd wanneer het verwijst naar een niet-gemotiveerde beslissing van de bestendige deputatie. Wanneer de overheid van oordeel is dat het advies van het adviserende orgaan onvoldoende is, moet zij dan ook ofwel een nieuw, ditmaal behoorlijk gemotiveerd advies vragen, ofwel, als zij enige reden heeft om dat niet te doen, zelf het vereiste onderzoek doen.(OPDEBEEK, I, COOLSAET, A, Formele motivering van bestuurshandelingen, Die Keure, Brugge, 1999, nr. 167-alsook de verwijzingen (arresten Van Den Ouwelant, nr. 35.026, 29 mei 1990; De Smedt, nr. 8.118, 19 november 199l; De Ridder, nr. 43.079, 25 mei 1993; Haepers, nr. 43.106, 4 juni 1993; Masson, nr. 64.561, 18 februari 1997; Allaert, nr. 67.632, 5 augustus 1997). Verzoeker besluit uit het voorgaande dat de Minister wederom verwijst naar een advies wat foutief gemotiveerd is. De Minister heeft nagelaten een nieuw advies van de Commissie voor Regularisatie in te winnen en motiveert geenszins waarom hij nagelaten heeft dit te doen of welke de geldige reden zou zijn om dit niet te doen. Voor de volledigheid benadrukt verzoeker dat het arrest van de Raad van State geenszins stellen dat de Minister vrijgesteld zou zijn om opnieuw het advies in te winnen van de Commissie voor Regularisatie. Geen enkele rechtsregel laat toe te stellen dat het de Minister verboden is om een bijkomend advies in te winnen vooraleer een nieuwe beslissing te nemen. Het is integendeel volkomen logisch en noodzakelijk dat de Minister zich inlicht gezien het vaststaat dat er een nieuw element aanwezig was met name de brief welke werd verstuurd door de raadsman van verzoeker op 10.02.
- Welnu het staat vast na de arresten van de Raad van State dat het advies van de Commissie voor Regularisatie foutief gemotiveerd werd omdat de Raad niet kon uitmaken aan de hand van de bestreden beslissing of er rekening werd gehouden met de neergelegde stukken. Dit maakt dat het advies de facto onbruikbaar is om aan te tonen dat verzoeker niet voldoet aan de criteria vooropgesteld in de Regularisatiewet. Verzoeker meent dan ook dat de bestreden beslissing wederom foutief gemotiveerd werd daar het verwijst naar een advies dat foutief gemotiveerd werd. Verzoeker stelt dat motivering om deze redenen formeel niet gemotiveerd is minstens dat de motivering van de bestreden beslissing niet afdoende is. Verzoeker meent dat daarbij eveneens art. 2.4 van Regularisatiewet geschonden is.”; 2.2.
- Overwegende dat de verwerende partij in de nota als volgt repliceert: “Betreffende een tweede middel van de verzoekende partij In zijn tweede middel beroept verzoeker zich opnieuw op de schending van art. 62 van de wet dd. 15.12.1980, de schending van art. 3 van de wet dd. 29.07.1991, de schending van art. 2, al. 4 van de regularisatiewet en van de rechten van verdediging. Tevens beroept hij zich op een vermeende schending van het principe van de fair play in bestuurshandelingen. In zoverre verzoeker zich beroept op een schending van de formele motiveringsverplichting, vervat in de artikelen 62 van de wet dd. 15.12.1980 en artikel 3 van de wet dd. 29.07.1991 verwijst de verwerende partij naar haar repliek dienaangaand op het eerste middel. Voor zoveel als nodig wijst de verwerende partij erop dat verzoeker er in slaagt de volledige inhoud van de bestreden beslissing letterlijk te citeren in zijn inleidend verzoekschrift, zodat hij voldoende blijk geeft kennis te hebben van de motieven vervat in de bestreden beslissing. Zodoende is het doel bereikt dat met het bestaan van de betrokken formele motiveringsverplichting wordt beoogd. Desbetreffend steunt verzoeker zijn tweede middel op het gegeven dat de bestreden beslissing niet afdoende werd gemotiveerd, nu deze ‘steunt op een advies dat niet gemotiveerd werd’. Verzoeker verwijst daarbij naar het vernietigingsarrest van de Raad van State dd. 09.12.2004, waarin werd geoordeeld dat in het advies van de Commissie voor Regularisatie ten onrechte niet werd ingegaan op een aantal door verzoeker neergelegde stukken, en meent dat, nu de bestreden beslissing ‘verwijst naar een advies dat foutief gemotiveerd is’, de bestreden beslissing zelf ook niet afdoende kan gemotiveerd zijn. Verzoeker laat het evenwel uitschijnen alsof de bestreden beslissing steunt op het advies van de Commissie, terwijl uit de beslissing genoegzaam blijkt dat dit niet het geval is. In de bestreden beslissing wordt immers nader onderzocht of de door verzoeker voorgelegde stukken al dan niet kunnen volstaan om hem de regularisatie toe te staan, en wordt er vervolgens geoordeeld dat deze stukken niet kunnen volstaan, onder verwijzing naar het advies van de Commissie. XIV-24.177-9/16 De bestreden beslissing neemt geenszins letterlijk het advies over, hoogstens verwijst het in één alinea naar een passage uit dit advies, om in fine vast te stellen dat het ongunstig advies van de Commissie dient te worden gevolgd. Door de loutere verwijzing naar één bepaalde vaststelling uit dit advies, en door enkele overname van het besluit van dit advies, steunt de bestreden beslissing zich geenszins op advies. Het motiveringsgebrek waarmee het advies van de Commissie op bepaalde punten is behept, zoals door Uw Raad werd vastgesteld, houdt overigens niet in dat met dit advies op geen enkele wijze rekening zou mogen worden gehouden, te meer nu de voorliggende beslissing van de federale Minister van Binnenlandse Zaken dit motiveringsgebrek ruimschoots rechtgezet heeft, door specifiek in te gaan op de door verzoeker neergelegde stukken, waardoor de beslissing tegemoet komt aan de kritiek van Uw Raad. Verzoeker, die kennelijk meent dat de Minister een nieuw advies had moeten inwinnen, stelt dat ‘geen enkele rechtsregel laat toe te stellen dat het de Minister verboden is om een bijkomend advies in te winnen vooraleer een nieuwe beslissing te nemen’. Echter is er evenmin een rechtsregel die de Minister verplicht terzake nieuw advies in te winnen. De federale Minister van Binnenlandse Zaken kan zelf een afdoende gemotiveerde beslissing terzake nemen, waarbij hij zich ook zelf kan informeren nopens de concrete gegevens van het dossier, hetgeen in casu ook is gebeurd. Het enkele feit dat het advies gebrekkig werd gemotiveerd neemt niet weg dat de eigenlijke beslissing, onder verwijzing naar een beperkt aantal punten van dit advies, wél afdoende wordt gemotiveerd. Het is slechts de uiteindelijke beslissing die rechtsgevolgen met zich meebrengt t.a.v. verzoeker. Er moet tot slot worden opgemerkt dat verzoeker in gebreke blijft in de toelichting bij zijn middel in te gaan op de nochtans voorgehouden schending van de 'rechten van verdediging' en van het 'principe van de fair play in bestuurshandelingen'. Bij gebreke van een weergave in de toelichting van het middel van de wijze waarop de door verzoeker vermelde rechtsregels zouden zijn geschonden, kan de verwerende partij zich desbetreffend niet met kennis van zaken verdedigen, zodat het middel vanuit het oogpunt van de opgeworpen schending van die laatste rechtsregels naar het oordeel van laatstgenoemde om die reden als onontvankelijk dient te worden beschouwd (R.v.St. nr. 39.750, 18.6.1992, Arr. R.v.St. 1992, z.p.). Waar verzoeker in fine van zijn middel vermeldt dat ‘daarbij eveneens art. 2.4 van Regularisatiewet geschonden is’, moet eveneens worden opgemerkt dat verzoeker hier niet verder op ingaat en niet uiteenzet waarom hij dit artikel geschonden acht, zodat zijn tweede middel ook op dit vlak niet als ontvankelijk kan worden beschouwd. Gelet op het voorgaande is ook verzoekers tweede middel niet ernstig.”; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in het tweede middel de schending aanvoert van artikel 62 van de Vreemdelingenwet; van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; van artikel 2, 4/, van de Regularisatiewet; van de rechten van de verdediging, en van het principe van de fair play in bestuurshandelingen; dat de minister van Binnenlandse Zaken immers opnieuw verwijst naar een advies waarvan de Raad van State heeft gesteld dat het niet onderbouwd is, en dat de minister een nieuw advies had moeten vragen; 2.2.
- Overwegende dat artikel 62 van de Vreemdelingenwet niet van toepassing is op beslissingen die worden genomen in het kader van de Regularisatiewet; Overwegende dat, zoals reeds werd gesteld bij de analyse van het eerste middel, de verzoekende partij de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; XIV-24.177-10/16 Overwegende dat, zoals onder meer blijkt uit de door de verzoekende partij aangehaalde rechtsleer, de minister van Binnenlandse Zaken niet verplicht is om een nieuw advies te vragen aan de Commissie voor regularisatie; dat de minister zelf het vereiste onderzoek kan doen, zeker nu het advies van de Commissie in casu niet bindend is; dat de minister van Binnenlandse Zaken in de eerste bestreden beslissing zelf de stukken die werden gevoegd bij het schrijven van de Advocaat van de verzoekende partij van 10 februari 2003, heeft onderzocht; dat de minister van Binnenlandse Zaken in de eerste bestreden beslissing tevens overweegt dat “de schriftelijke verklaringen die u heeft voorgelegd en het betalingsbewijs d.d. 19.07.1997 zijn vaag, oncontroleerbaar en missen overtuigingskracht. De niet te controleren stukken die u voorlegt vormen geenszins een sluitend bewijs van een niet-onderbroken verblijf van zes jaar op het grondgebied”; dat de verwijzing naar het advies betreffende het al dan niet voorhanden zijn van duurzame sociale bindingen en humanitaire redenen, het gezag van gewijsde van het vernietigingsarrest niet schendt, omdat in dit arrest niet werd gesteld dat het advies van de Commissie voor regularisatie niet onderbouwd was wat dit motief betreft; dat de schending van de motiveringsplicht niet wordt aanvaard; dat de eerste bestreden beslissing steunt op motieven die afdoende, pertinent en deugdelijk zijn; dat het tweede middel ongegrond is; 2.3.
- Overwegende dat de verzoekende partij een derde middel aanvoert, dat als volgt luidt: “Derde Middel: Schending van artikel 2.4 van de regularisatiewet van 22 december
- Verzoeker heeft in zijn brief van 10 februari 2003 uitvoerig de argumentatie van de regularisatiecommissie in verband met artikel 2.4 regularisatiewet weerlegd. Deze argumentatie van verzoeker weerlegt ook de motieven van de beslissing van de Minister daar deze zondermeer het advies van de regularisatiecommissie overneemt. Volgende argumentatie weerlegt de beslissing van de Minister: ‘Geachte Heer Minister, Mijn cliënt overhandigt mij het negatief advies van de Commissie voor Regularisatie van 29.01.03, aan hem overhandigd op 04.02.
- Dit negatief advies is gesteund op het feit dat cliënt: - onvoldoende in het Rijk verbleef en dit verblijf niet relevant is in de zin van art.9,9/ van de wet van 22 december 1999; - geen Nederlands spreekt; - geen lessen Nederlands volgt; - sinds oktober 2000 af en toe tewerkgesteld is bij de firma Van De Kerkhof te Duffel; - geen deel uitmaakt van een vereniging of groepering, wat zijn wil tot integratie in het gemeenschapsleven zeker niet aantoont; - zijn ouders en vier broers nog steeds in Marokko verblijven. Cliënt wenst vooreerst op te merken dat tijdens de zitting van de Commissie van 14 november 2002, enkel vragen werden gesteld over zijn tewerkstelling. De Commissie heeft op geen enkel ogenblik vragen gesteld over zijn verblijf, zijn kennis van de Nederlandse taal, zijn lidmaatschap bij een organisatie of over de aanwezigheid van familieleden in België. Cliënt is dan ook zeer verbaasd over de motieven van het ongunstig advies. Hij heeft zich op geen enkel ogenblik hierover kunnen uitspreken, terwijl het juist de bedoeling is op de zitting van de Commissie een tegensprekelijk debat te hebben over het dossier en aan cliënt de mogelijkheid te geven de bezwaren tegen een gunstig advies te weerleggen. De raadsman van cliënt heeft op de zitting een bundel neergelegd, maar uit de motivatie van de beslissing blijkt dat op geen enkele wijze rekening werd gehouden met deze stukken.
- onvoldoende in het Rijk verbleef en dit verblijf niet relevant is in de zin van art.9,9/ van de wet van 22 december 1999; cliënt verblijft sedert 1993 in België. Tot 1995 heeft hij gewerkt in een groentewinkel. Vanaf 1995 werkt hij als tomatenplukker in Duffel. Ondertussen werkt cliënt bij deze laatste werkgever met een arbeidsvergunning. Tussen 1993 en 1999 woonde cliënt in de week bij zijn werkgever. In het weekend logeerde hij bij familie en vrienden. XIV-24.177-11/16 Stukken 1 t/m 15 bevestigen zijn verblijf in België voor de relevante periode, in tegenstelling tot wat de Commissie stelt in haar motivering.
- Geen Nederlands spreekt geen lessen Nederlands volgt; Enerzijds heeft cliënt sedert hij aangekomen is in België steeds gewerkt. In de week verbleef hij bij zijn werkgever. Als hij toch naar huis ging was dit zeer laat. In die omstandigheden is het materieel onmogelijk voor mijn cliënt op een ernstig manier een taalcursus te volgen. Anderzijds is het ook niet ernstig van de Commissie te stellen dat cliënt geen Nederlands spreekt. Door het feit dat hij steeds heeft gewerkt voor Nederlands sprekende werkgevers heeft hij het Nederlands van de werkvloer leren verstaan en spreken. Dit is niet het Nederlands van de schoolbanken hetgeen maakt dat mijn cliënt in gesprek met officiële instanties onzeker overkomt en spontaan het woord niet neemt. Dit was de reden waarom hij een tolk mee had op de zitting.
- sinds oktober 2000 af en toe tewerkgesteld is bij de firma Van De Kerkhof te Duffel; Deze motivering is manifest in strijd met de stukken van het dossier. Cliënt werkt sedert 1995 als tomatenplukker in Duffel. Sedert oktober 2000 werkt cliënt bij deze laatste werkgever met een arbeidsvergunning (stukken 16,17 en 18). Het is cliënt volledig onduidelijk waarop deze motivering steunt. Voor de volledigheid van het dossier wenst cliënt volgende stukken nog bij te voegen: - loonfiches september 2002 t/m december 2002 - belastingsfiche vakantiegeld 2002 - individuele rekening 2001 - belastingberekening inkomsten 2001 Cliënt wenst de aandacht te vestigen op de individuele fiche, waaruit duidelijk blijkt dat hij gemiddeld 20dagen per maand heeft gewerkt, wat erop neerkomt dat hij voltijds werkt en niet af en toe zoals de Commissie verkeerdelijk stelt.
- geen deel uitmaakt van een vereniging of groepering, wat zijn wil tot integratie in het gemeenschapsleven zeker niet aantoont; Het aantal verklaringen dat hij neerlegt (stuk 2 t/m 15) toont juist zijn betrokkenheid en deelname aan het sociaal leven in België aan.
- zijn ouders en vier broers nog steeds in Marokko verblijven; De broer van cliënt B. M. verblijft in België en werd geregulariseerd. Cliënt heeft hier twee ooms (broers van zijn vader) en bijgevolg ook neven. (stukken 21 t/m 24) Cliënt heeft ook een broer in Duitsland, een broer in Frankrijk. Het feit dat cliënt nog broers en ouders heeft in Marokko staat de regularisatie niet in de weg. Op geen enkele manier wordt gemotiveerd waarom de aanwezigheid van familieleden in België geen duurzame binding zou uitmaken. Cliënt verblijft sedert 1993 in België. Zijn familie heeft hem steeds opgevangen, gezorgd dat hij een dak boven zijn hoofd had en hem bijgestaan in moeilijke periode. Het is duidelijk dat hij gedurende al deze jaren een sterke band met hen heeft opgebouwd. Om deze redenen verzoekt mijn cliënt geen rekening te willen houden met het negatief advies van de Commissie en op basis van de stukken van het dossier hem te willen regulariseren. Ik dank u voor de aandacht en het gunstige gevolg dat u aan dit schrijven wil verlenen. Met de meeste hoogachting, Z. O. In bijlage:
- loonfiches september 2002 t/m december 2002
- belastingsfiche vakantiegeld 2002
- individuele rekening 2001
- belastingberekening inkomsten 2001' Bovendien wordt nog gewezen op de foute interpretatie van het begrip humanitaire redenen en sociale bindingen. Het cruciale in de sociale integratie is en blijft voor een arbeider de tewerkstelling. De bestreden beslissing (het advies) gaat hieraan voorbij. Tijdens de parlementaire debatten heeft de Minister van Binnenlandse Zaken in verband met duurzame sociale bindingen gesteld: "Onder duurzame sociale bindingen wordt in principe verstaan dat de aanvragers meer dan zes jaar in ons land hebben verbleven. (Memorie van Toelichting, Parl. Doc., Kamer, 8 nov. 1999, blz. 12). De verenigde kamers van de commissie voor regularisatie hebben trouwens in hun vergadering van 18.11.2000 gesteld voortgaande op wat de Minister van Binnenlandse Zaken in de Kamer had verklaard: ‘Zodra de voorgeschreven verblijfsduur wordt bewezen, wordt verondersteld dat er sociale bindingen en humanitaire omstandigheden bestaan. Men mag redelijkerwijze aannemen dat het langdurig verblijf in België duurzame sociale bindingen heeft doen ontstaan, zodat de persoon die zich in hachelijke verblijfsomstandigheden bevindt een humanitair geval is.’ Het vermelde advies en dus de bestreden beslissing staat haaks op het standpunt van de Minister zelf ingenomen in de Memorie van toelichting en op het standpunt van de verenigde kamers van de commissie voor regularisatie.”; XIV-24.177-12/16 2.3.
- Overwegende dat de verwerende partij in de nota als volgt repliceert: “Betreffende een derde middel van de verzoekende partij In zijn derde middel acht verzoeker het art. 2, al. 4 van de regularisatiewet geschonden, nu hij kennelijk meent dat in de bestreden beslissing ten onrechte werd geoordeeld dat er in hoofde van verzoeker geen sprake zou zijn van humanitaire redenen en duurzame sociale bindingen. Dienaangaand merkt de verwerende partij, onder verwijzing naar de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover het bestuur te dezen beschikt, op dat de Raad van State het niet als zijn bevoegdheid kan beschouwen om verzoekers regularisatieaanvraag aan een volledig nieuw feitelijk onderzoek te onderwerpen. Er kan slechts worden geverifieerd of het bestuur in het geval van verzoeker geen kennelijk onredelijke invulling heeft gegeven aan de begrippen ‘duurzame sociale bindingen’ en ‘humanitaire redenen’. In de ministeriële beslissing, zijn de elementen weergegeven die maken dat in casu is geoordeeld dat verzoeker niet voldoet aan het voorschrift van art. 2, 4/ van de wet dd. 22.12.1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk. Deze elementen vinden steun in de gegevens van de zaak, en zijn geenszins kennelijk onredelijk. Zo wordt ondermeer verwezen naar een gebrek aan het vereiste bewijs van ononderbroken verblijf, nu de stukken die dienaangaand worden voorgelegd vaag en oncontroleerbaar zijn en overtuigingskracht missen - zoals de bestreden beslissing vaststelt -, alsook naar het gegeven dat verzoeker geen Nederlands spreekt en geen taallessen volgt, dat hij geen deel uitmaakt van het verenigingsleven en dat zijn ouders en andere broers nog in Marokko wonen. Hoewel verzoeker in zijn derde middel - via de integrale, letterlijke weergave van zijn schrijven dd. 10.02.2003 - het tegendeel beweert, moet worden vastgesteld dat hij er niet in slaagt deze beweringen te staven en dat uit geen enkel stuk dat door verzoeker wordt voorgelegd blijkt dat bovenstaande vaststellingen ten onrechte zouden zijn gemaakt. De beschouwingen die verzoeker desbetreffend aanhaalt, zijn immers allerminst overtuigend. Zo stelt hij dat ‘het cruciale in de sociale integratie is en blijft voor een arbeider de tewerkstelling’ en tot staving hiervan verwijst hij naar de parlementaire stukken, waarbij hij citeert: ‘onder duurzame sociale bindingen wordt in principe verstaan dat de aanvragers meer dan zes jaar in ons land hebben verbleven’. Er moet daarbij worden vastgesteld dat niet alleen betreffende de tewerkstelling voorafga aan zijn regularisatieaanvraag, maar tevens betreffende zijn verblijf in het Rijk, verzoeker geen stukken voorlegt die ertoe konden leiden dat een gunstige beslissing omtrent zijn regularisatieaanvraag diende te worden genomen. Terecht vermeldt de bestreden beslissing dan ook dat er geen 'geheel van elementen en aanwijzingen' voorhanden zijn, die wijzen op een doorlopend verblijf op het grondgebied, en dat het criterium van de sociale bindingen een zwaarwichtig criterium is, criterium waaraan verzoeker niet voldoet. Zo kan onder meer de tewerkstelling waar verzoeker het over heeft, bezwaarlijk worden beschouwd als een element dat wijst op het bestaan van duurzame sociale bindingen, laat staan op het bestaan van deze bindingen op het ogenblik van de genoemde aanvraag. Binnen de grenzen van de ter zake geldende bestuurlijke appreciatiebevoegdheid kan, zelfs in combinatie met andere elementen van de zaak, dan ook het door verzoeker aangehaalde als onvoldoende worden beschouwd om het bestaan van ‘duurzame sociale bindingen en humanitaire redenen’ aan te nemen. Verwerende partij is dan ook van oordeel dat het derde middel van verzoeker niet ernstig is.”; 2.3.
- Overwegende dat de verzoekende partij in het derde middel de schending aanvoert van artikel 2, 4/, van de Regularisatiewet; dat zij verwijst naar het schrijven van haar Advocaat van 10 februari 2003 en naar haar tewerkstelling; 2.3.
- Overwegende dat de verzoekende partij het schrijven van haar Advocaat van 10 februari 2003 herhaalt en daaraan toevoegt dat “volgende argumentatie (...) de beslissing van de Minister (weerlegt)”; dat de verzoekende partij evenwel niet met concrete gegevens aantoont in hoeverre de minister van Binnenlandse Zaken met dit schrijven naar aanleiding van het advies van de Commissie voor regularisatie van 9 januari 2003, geen XIV-24.177-13/16 rekening zou hebben gehouden, of in welke mate dit schrijven werkelijk het advies van de Commissie weerlegt; dat enerzijds uit de analyse van het eerste middel is gebleken dat de minister van Binnenlandse Zaken wel degelijk rekening heeft gehouden met de brief van de Advocaat van de verzoekende partij van 10 februari 2003 en de tewerkstelling van de verzoekende partij in overweging heeft genomen, en dat anderzijds de Raad van State geen feitenrechter is die het onderzoek van de Commissie voor regularisatie en van de minister van Binnenlandse Zaken vermag over te doen; dat de verzoekende partij niet aantoont dat de minister van Binnenlandse Zaken op kennelijk onredelijke wijze tot zijn beslissing is gekomen; Overwegende dat de minister van Binnenlandse Zaken heeft vastgesteld dat uit de door de verzoekende partij neergelegde stukken geen ononderbroken aanwezigheid teruggaand tot meer dan zes jaar kan worden afgeleid; dat de minister overweegt dat de schriftelijke verklaringen die de verzoekende partij heeft voorgelegd en het betalingsbewijs van 19 juli 1997, vaag en oncontroleerbaar zijn en overtuigingskracht missen, en dat de overige stukken die de verzoekende partij in dit verband voorlegt, niet te controleren zijn en geenszins een sluitend bewijs vormen van een niet-onderbroken verblijf van zes jaar; dat de verzoekende partij dit element van de eerste bestreden beslissing niet betwist; dat zij weliswaar naar haar schrijven verwijst van 10 februari 2003 waarin kritiek wordt geuit op het advies van de Commissie, maar dat zij in het middel geen kritiek uit op het hierboven aangehaalde meer uitgebreide motief van de minister in de eerste bestreden beslissing betreffende de verblijfsduur; dat de argumentatie van de verzoekende partij, dat in geval van een bewezen voorgeschreven verblijfsduur de sociale bindingen en humanitaire redenen worden vermoed, bijgevolg niet opgaat, precies wegens het ontbreken van bewijs van de voorgeschreven verblijfsduur; dat het derde middel ongegrond is; 2.4.
- Overwegende dat de verzoekende partij een vierde middel aanvoert dat als volgt luidt: “WAT BETREFT HET BEVEL OM HET GRONDGEBIED TE VERLATEN DD. 18.11.2005 ENIG MIDDEL: Miskenning van de kracht van gewijsde en van het gezag van gewijsde. Schending van de motiveringsplicht van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. Schending van artikel 7, al. 1, 21 van de vreemdelingenwet van 15.12.
- De bestreden beslissing vermeldt als motivatie in feite dat de regularisatieaanvraag van verzoeker definitief verworpen werd. Vermelde beslissing heeft geen kracht van gewijsde, noch gezag van gewijsde. Het beroep dat er tegenover openstaat wordt met dit verzoekschrift ingesteld. Zolang vermelde ministeriële beslissing geen kracht en/of gezag van gewijsde heeft kan zij niet dienen tot basis van een bevel om het grondgebied te verlaten. Verzoeker verwijst uitdrukkelijk naar de argumentatie ontwikkeld in het enige middel met betrekking tot de Ministeriële beslissing van 15.04.
- Om vermelde reden faalt de beslissing ook in de motiveringsplicht; een nog niet in kracht of gezag van gewijsde gegane beslissing is geen afdoende motief om te beslissen tot toepassing van artikel 7, al. 1,2 de van de vreemdelingenwet van 15.12.1980.”; 2.4.
- Overwegende dat de verwerende partij in de nota als volgt repliceert: XIV-24.177-14/16 “In zoverre verzoeker zich beroept op art. 3 van de wet dd. 29.07.1991, artikel dat de formele motiveringsplicht betreft, dient ook hier te worden vastgesteld dat verzoeker er in slaagt zowel de juridische als de feitelijke motivatie van de bestreden beslissing weer te geven in zijn inleidend verzoekschrift. Zodoende kan slechts worden vastgesteld dat de wettelijke doelstelling van voormeld art. 3 -met name het in kennis stellen van de bestuurde van de redenen die ten grondslag liggen aan de te zijnen of te haren opzichte genomen bestuursbeslissing, zodanig dat deze in staat is om te oordelen of het zinvol is om daartegen op te komen met de ter beschikking staande rechtsmiddelen (R.v.St. nr. 60.751, 4.7.1996, TB.P. 1996, 698) - is bereikt. Verzoekers uiteenzetting kan aan het voorgaande geen afbreuk doen, temeer nu verzoekers beschouwingen niet dienstig in verband kunnen worden gebracht met de door hem geschonden geachte rechtsregels. Desbetreffend is verzoeker kennelijk van mening dat, nu huidig schorsingsberoep werd ingeleid, de beslissing dd. 15.04.2005 tot weigering van zijn regularisatieaanvraag ‘geen kracht en/of gezag van gewijsde heeft’ en dat deze beslissing om die reden geen basis kon vormen om aan verzoeker een bevel te geven het grondgebied te verlaten. Verwerende partij laat, in antwoord hierop, gelden dat deze kritiek vooreerst geen verband houdt met de verplichting om een bestuurshandeling formeel te motiveren en de door verzoeker aangevoerde schending dus niet kan doen aannemen, alsook dat de genoemde beslissing dd. 15.04.2005 van de Minister van Binnenlandse Zaken rechtsgeldig en uitvoerbaar moet worden geacht tenzij en tot dat de Raad van State er op het laatstgenoemde beroep tot schorsing anders over zou beslissen (cf. R.v.St. nr. 50.134, 09.11.1994, Arr. Rv.St. 1994, z.p.; R.v.St. nr. 49.748, 20.10.1994, Arr. R. v. St. 1994, z.p.; R.v. St. nr. 43.513, 28.06.1993, Arr. R v. St. 1993, z.p). Verzoekers beschouwingen missen derhalve feitelijke én juridische grondslag. Gelet op het voorgaande kan slechts worden geconcludeerd dat het bestreden bevel geheel terecht werd gegeven, binnen de bevoegdheid van de gemachtigde van de federale Minister van Binnenlandse Zaken en conform de ter zake relevante rechtsregels - met name art 7, al. 1, 2/ van de vreemdelingenwet. Het middel is niet ernstig.”; 2.4.
- Overwegende dat de verzoekende partij in het vierde middel de miskenning aanvoert van de kracht van gewijsde en van het gezag van gewijsde; van de motiveringplicht; van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; van artikel 7, al. 1, 2/, van de Vreemdelingenwet; 2.4.
- Overwegende dat een beroep bij de Raad van State geen schorsende werking heeft; dat het feit dat een beroep werd ingesteld tegen de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken tot weigering van regularisatie, niet inhoudt dat deze beslissing geen rechtsgrond kan vormen voor een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat deze beslissing immers uitvoerbaar is; dat uit de analyse van de voorgaande middelen is gebleken dat de beslissing tot weigering van regularisatie op wettige wijze is genomen, zodat het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten kon steunen op deze beslissing; dat het vierde middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissingen kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-24.177-15/16 BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig juni tweeduizend en zes, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET . Ch. BAMPS. XIV-24.177-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.725 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.