id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.755 Rolnummer: A. 90391/XII-2537 Zaak: Arrest 160755 - - 29/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-07-07 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 23:10 Fiche Arrest nr 160.755 van 29 juni 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 160.755 van 29 juni 2006 in de zaak A. 90.391/XII-
- In zake : Gabriël GRIJP, wonende te Holsbeek, Gravenstraat 21 tegen : de BURGEMEESTER VAN DE STAD BRUSSEL, die woonplaats kiest bij advocaat A. Verriest, kantoor houdende te 1160 Brussel, Tedescolaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Gabriël Grijp op 22 maart 2000 heeft ingediend om, eensdeels, de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 4 februari 2000 van de burgemeester van Brussel waarbij hij preventief wordt geschorst voor de duur van vier maanden vanaf 15 februari 2000, met inhouding van 50% van zijn wedde en met ontzegging van bevorderingsaanspraken en, anderdeels, om hem “de ongeldige ingehouden sommen, vermeerderd met de intresten” te doen toekennen; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur H. Colin; Gelet op de beschikking van 4 maart 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 13 januari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 februari 2006; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; XII-2537-1/8 Gehoord de opmerkingen van advocaat P. De Maeyer, die loco advocaat A. Verriest verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van auditeur H. Colin; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Gabriël Grijp is agent-hoofdbrigadier bij de politie van de stad Brussel. Ingevolge zijn ongewettigde afwezigheid in de loop van de maand februari 1995, krijgt de burgemeester van Brussel kennis van het feit dat hij op 15 februari 1995 door de onderzoeksrechter onder aanhoudingsmandaat werd gesteld wegens valsheid in geschrifte, heling en bendevorming. Op 14 maart 1995 besluit de burgemeester Gabriël Grijp vanaf 15 februari 1995 preventief te schorsen voor een termijn van vier maanden, met inhouding van 50% van zijn wedde en met ontzegging van bevorderingsaanspraken. Die preventieve maatregel wordt telkenmale met vier maanden verlengd bij besluiten van 13 juni 1995, 9 oktober 1995, 5 februari 1996, 4 juni 1996, 7 oktober 1996, 4 februari 1997, 10 juni 1997, 13 oktober 1997, 13 februari 1998, 11 juni 1998, 9 oktober 1998, 8 februari 1999, 7 juni 1999 en 5 oktober
- 1.
- Op 17 januari 2000 deelt de dienst intern toezicht van de politie aan de hoofdcommissaris mee dat de termijn van de aan Gabriël Grijp opgelegde preventieve schorsing vervalt op 14 januari (lees : februari) 2000, dat de zaak werd vastgesteld op de zitting van 8 februari 2000 van de 45e kamer van de Correctionele Rechtbank en dat het wenselijk zou zijn om samen met de burgemeester een dag voor de hoorzitting vast te stellen vóór 14 februari
- Met een brief van 18 januari 2000 wordt Gabriël Grijp verzocht zich aan te bieden op 4 februari
- Tijdens zijn verhoor verklaart hij dat hij op 8 februari 2000 voor de rechtbank zal verschijnen, maar dat hij via zijn advocaat heeft vernomen dat de zaak eventueel wordt “verlaat [...] of [...] afgelast”. Op 4 februari 2000 beslist de burgemeester Gabriël Grijp preventief te schorsen voor de duur van vier maanden vanaf 15 februari 2000, met XII-2537-2/8 inhouding van 50% van zijn wedde en met ontzegging van bevorderingsaanspraken. Die beslissing is het eerste voorwerp van het voorliggende beroep. 1.
- Op 15 januari 2003 deelt de raadsvrouw van de verwerende partij aan de Raad van State mee dat Gabriël Grijp nog steeds preventief geschorst blijft, dat de laatste beslissing van de burgemeester dateert van 8 oktober 2002 en dat de procureur des Konings met een brief van 18 juli 2002 liet weten dat de strafzaak werd uitgesteld tot de zitting van 6 mei 2003;
- De procedure. Overwegende dat verzoeker per brief van 2 februari 2006 de Raad van State vraagt de behandeling uit te stellen “in afwachting van het vonnis van de correctionele rechtbank”; dat verzoeker ter terechtzitting nalaat te verschijnen en zich te laten vertegenwoordigen teneinde dat verzoek toe te lichten; dat voorts, mede gelet op het hiernavolgend onderzoek van en de uitspraak over het beroep, er geen reden is om op het verzoek tot uitstel van behandeling in te gaan;
- Het verzoekschrift. Overwegende dat het inleidend verzoekschrift van verzoeker door zijn raadsvrouw ondertekend woordelijk luidt als volgt : “Dat verzoeker na zij examens te hebben geslagen in de vlaamse taal bij de stad Brussel aangenomen werd als politieagent. Dat verzoeker door beslissing van 14/03/1995 van Burgemeester, François-Xavier de DONNEA, preventief geschorst werd en dit vanaf 15/02/
- Dat verweerster deze beslissing als volg motiveerde : Aangezien wij ondanks onze aanvraag om toetaling te verkrijgen teneinde inzage en gebruik te maken van de onweerlegbare feiten vermeld in het strafrechtelijk dossier, nog niet in het bezit zijn van deze stukken. Overwegende dat de aanwezigheid van AB GRIJP, Gabriël wanorde zou veroorzaken daar de hem ten laste gelegde feiten onverenigbaar zijn met de uitoefening van zijn funktie als politieagent die hem o. a. oplegt vaststellingen te doen en processen-verbaal op te stellen. Dat hij vervolgens geschorst werd voor een periode van vier maanden met (tot op heden) inhouding van de helft van zijn loon. Dat de raadsman van verzoeker aan de Brugemeester van de Stad Brussel op 23.11.99 schreef : Deze beslissing werd genomen op basis van artikel 299 tot 305 van Gemeentewet maar heeft noch de voorschriften van artikel 3 alinea 2 van het KB 1 juin 1964 betrefend de schorsing van ambtenaren, noch artikel 23 alinea 2 van wet van 12 april 1965 toegepast. XII-2537-3/8 Inderdaad bij toepassing van deze artikelen had de gemeenteraad geen recht om 50 % van de wedde van mijn kliënt in te houden, de ingehouden somme mogen geen vijfde van de loon overschrijden. Gelet op deze onregelmatigheid vraag ik U, en desnood man ik U aan, de ongeldige ingehouden sommen, hetzij 1 740 589 frank, alsmede de intresten van 196 704 frank op mij derde rekening nr 630-3205274-65, binnen de acht dagen te storten. Aangezien bij beslissing van 04/02/2000, de Burgemeester van de Stad Brussel beslisste verzoeker preventief te schorsen voor een duur van vier maanden met inhouding van 50% van zijn wedde en met ontzegging van beverderingsaanspraken. Dat verzoeker met deze beslissing niet kan akkord gaan eenerzijds gezien deze noch de voorschriften van artikel 3 alinea 2 van het KB 1 juni 1964 betrefend de schorsing van ambtenaren, noch artikel 23 alinea 2 van de wet van 12 april 1965 toegepast. Anderzijds moet verweerster een beslissing in een redelijke termijn nemen en verzoeker niet in gedurend 5 jaar ‘preventief schorsen’”;
- De rechtsmacht. Overwegende dat in fine van het verzoekschrift de Raad van State niet enkel wordt verzocht een beslissing van de burgemeester van de stad Brussel nietig te verklaren maar ook om “de ongeldige ingehouden sommen, vermeerderd met de intresten aan verzoeker toekennen”; Overwegende, ambtshalve, dat de laatstgenoemde eis ertoe strekt uitspraak te horen doen inzake een betwisting betreffende een subjectief recht waarvan de beslechting krachtens de artikelen 144 en 145 van de Grondwet niet aan de Raad van State toekomt; dat de Raad terzake zonder rechtsmacht is;
- De grieven. 5.
- Overwegende dat de Raad van State, zij het met uiterste welwillendheid, zoals de verwerende partij en het bevoegde lid van het auditoraat, een patroon van drie grieven onderkent in het verzoekschrift, dat erg gebrekkig is geredigeerd zowel op het vlak van de structuur als van de Nederlandse taal; XII-2537-4/8 5.
- Overwegende, wat de eerste grief betreft, dat deze, zoals de verwerende partij terecht stelt, wordt ontleend aan een schending van artikel 3, tweede lid, van het koninklijk besluit van 1 juni 1964 betreffende de schorsing van rijksambtenaren in het belang van de dienst [hierna : het koninklijk besluit van 1 juni 1964]; Overwegende dat de verwerende partij betoogt dat het tuchtstatuut van het gemeentepersoneel wordt geregeld door de wet van 24 mei 1991 tot wijziging van de nieuwe gemeentewet wat de tuchtregeling betreft, dat verzoeker zich beperkt tot het louter vermelden van de bepaling die hij geschonden acht en hierover geen verdere uitleg verstrekt zodat het middel onontvankelijk is daar een verzoeker niet enkel de rechtsregel dient aan te geven die hij geschonden acht maar ook moet toelichten op welke wijze de bestreden handeling zijns inziens deze rechtsregel schendt, dat het hoe dan ook duidelijk is dat verzoeker zich ten onrechte op voornoemd koninklijk besluit beroept, aangezien dat besluit enkel van toepassing is op rijksambtenaren waarop het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel van toepassing is of was en dus niet op het gemeente- personeel; Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord stelt dat de bestreden beslissing werd genomen conform artikel 313 van de nieuwe gemeentewet, doch dat dit artikel in strijd is met de voorschriften van de wet van 12 april 1965, dat staatsambtenaren kunnen worden geschorst met inhouding van loon en ontzegging van bevorderingsaanspraken op grond van het koninklijk besluit van 1 juni 1964, inhouding die evenwel conform artikel 23, tweede lid, van de wet van 12 april 1965 geen vijfde van het loon mag overschrijden, dat politieagenten, net als staatsambtenaren, ambtenaren zijn en dan ook gelijk moeten worden behandeld in een gelijke situatie, dat artikel 313 van de nieuwe gemeentewet derhalve het beginsel van de gelijkheid en van de non-discriminatie, zoals voorzien in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, schendt; dat verzoeker dan ook vraagt dat aan het Arbitragehof volgende prejudiciële vraag wordt gesteld : XII-2537-5/8 “Schendt artikel 313 van de nieuwe Gemeentewet artikel 10 en 11 van de Grondwet, door de politieambtenaren op een niet gelijke manier te behandelen tegenover de staatsambtenaren ?”; Overwegende dat het koninklijk besluit van 1 juni 1964 op rijksambtenaren van toepassing is, zodat verzoeker, die op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing niet was tewerkgesteld bij het federaal bestuur van de Staat, maar wel, als lid van de gemeentepolitie, van de stad Brussel, er zich vruchteloos op beroept; dat aldus, zonder de ontvankelijkheid te beoordelen de grief hoe dan ook niet tot nietigverklaring kan leiden; Overwegende dat verzoekers argumentatie in zijn memorie van wederantwoord dat politieagenten net als staatsambtenaren ambtenaren zijn die in gelijke situaties op dezelfde manier moeten worden behandeld inhoudt dat hij daardoor een nieuw middel aanbrengt en zulks voor het eerst, in een memorie van wederantwoord; dat immers de schending van het gelijkheidsbeginsel of artikel 313 van de nieuwe gemeentewet nergens in het inleidend verzoekschrift ter sprake komen; dat dit middel, nu niet blijkt dat het niet in het verzoekschrift had kunnen worden aangevoerd, noch dat het van openbare orde is, niet ontvankelijk is; dat dienvolgens de prejudiciële vraag aan het Arbitragehof niet wordt gesteld, aangezien ze in het bestek van een niet ontvankelijk middel niet dienstig is; 5.
- Overwegende dat een tweede grief de schending betreft van “artikel 23, alinea 2, van de wet van 12 april 1965” ; Overwegende dat de verwerende partij tegenwerpt dat verzoeker niet de moeite heeft genomen te verduidelijken dat hij hiermee de wet betreffende de bescherming van het loon der werknemers bedoelt, dat hieraan geen woord commentaar wordt toegevoegd, dat derhalve die grief onontvankelijk is, dat verzoeker wellicht zo moet worden begrepen dat de bestreden beslissing artikel 23, tweede lid, van voornoemde wet schendt doordat de inhouding van wedde het maximum van één vijfde van zijn loon overschrijdt, dat verzoeker opnieuw uit het oog verliest dat de bestreden beslissing werd genomen in het kader van de XII-2537-6/8 tuchtregeling van het gemeentepersoneel en dat de wet van 12 april 1965 derhalve niet van toepassing is; Overwegende dat in een grief waarin enkel wordt gesteld dat een wet niet is toegepast, terwijl deze zonder opschrift is vermeld en terwijl, zoals de verwerende partij in haar memorie van antwoord met reden aangeeft, de toepassing zelf van die wet zelfs problematisch is, geen middel kan worden gelezen in de zin van het rechtsmiddel zoals bedoeld in artikel 2, §1, 2/, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State ; dat immers in een dergelijk middel de voldoende duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel moet worden aangegeven en ook de wijze waarop die regel door de bestreden beslissing wordt geschonden; Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord toegeeft dat de bestreden beslissing werd genomen conform artikel 313 van de nieuwe gemeentewet, doch aanvoert dat dit artikel zelf strijdig is met de voor- schriften van de wet van 12 april 1965; dat deze argumentatie, voor het eerst aangebracht in de memorie van antwoord, als een nieuw middel moet worden beschouwd dat niet op ontvankelijke wijze voor het eerst in dergelijke memorie mag worden aangevoerd nu niet blijkt dat dit ook niet reeds in het inleidend verzoekschrift had kunnen gebeuren; dat het tweede middel dan ook niet tot de gevraagde nietigverklaring kan leiden; 5.
- Overwegende dat volgens een derde grief verwerende partij “een beslissing in een redelijke termijn [moet] nemen en verzoeker niet in gedurend 5 jaar ‘preventief schorsen’”; Overwegende dat het allesbehalve duidelijk is op welke wijze verzoeker de redelijketermijneis wenst te betrekken op de bestreden beslissing die geen tuchtmaatregel maar een ordemaatregel is; dat de memorie van wederantwoord terzake geen enkele verduidelijking bevat en daarin overigens niet meer wordt verwezen naar het derde middel, laat staan dat verzoeker een poging onderneemt om het door verwerende partij in de memorie van antwoord ingeroepen verweer te XII-2537-7/8 weerleggen; dat de grief in het auditoraatsverslag niet gegrond is bevonden; dat verzoeker niettemin geen laatste memorie neerlegde en niet ter terechtzitting verscheen en evenmin vertegenwoordigd was; dat al deze gegevens ertoe leiden dat hij geacht moet worden van die grief afstand te hebben gedaan, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig juni 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2537-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.755 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.