← België

Arrest 160771 - - 29/06/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.771 Rolnummer: A. 87625/VII-19742 Zaak: Arrest 160771 - - 29/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-07-18 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-30 23:16 Fiche Arrest nr 160.771 van 29 juni 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 160.771 van 29 juni 2006 in de zaak A. 87.625/VII-19.742. In zake : de n.v. MORTELMANS AANNEMINGEN GROND- EN AF- BRAAKWERKEN, die woonplaats kiest bij advocaat P. MALLIEN, kantoor houdende te ANTWERPEN, Meir 24 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat H. LANGE, kantoor houdende te ANTWERPEN, Schermersstraat 30. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. MORTELMANS AANNEMINGEN GROND- EN AFBRAAKWERKEN op 2 november 1999 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van 24 augustus 1999 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw waarbij haar beroep aangetekend tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 11 februari 1999 houdende de weigering van de vergunning om haar inrichting, gelegen aan de Neerloop 9 te Lier te veranderen door uitbreiding, ongegrond wordt verklaard en het beroepen besluit wordt bevestigd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur Ch. BAMPS; Gelet op de beschikking van 9 januari 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; VII-19.742-1/15 Gelet op de beschikking van 17 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 juni 2006; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. DEKETELAERE die, loco advocaat P. MALLIEN verschijnt voor de verzoekende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur J. CLEMENT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de Raad van State de zaak als volgt beoordeelt : 1. De feiten 1.1. De verzoekende partij werd opgericht in 1921, als aannemingsbedrijf in grond- en afbraakwerken met als vestiging Neerloop 9 te Lier. Het doel van deze vennootschap wordt in artikel 3 van haar statuten als volgt omschreven : "alle grond- en afbraakwerken, zowel in de private als in de openbare sector, zo ondermeer draineringswerken, slopingswerken, rioleringswerken, loonwerk in land- en tuinbouw, aanleg en onderhoud van diverse terreinen, en alle bijzondere en andere grondwerken in de meest uitgebreide zin; alle aan- en verkoop, verhuring, onderhoud, advies, agentuur en vertegenwoordiging van alle materiaal, werktuigen en gereedschap inzake grond- en afbraakwerken in de meest uitgebreide zin. (...)". 1.2. Bij besluit van 14 juni 1993 werd een milieuvergunning 2de klasse verleend (eindigend op 30 december 2013) door het college van burgemeester en schepenen van de stad Lier om een inrichting, gelegen aan de Neerloop 9 te Lier, met als voorwerp opslagplaatsen voor mazout en verdeelinstallaties te exploiteren. 1.3. Bij besluit van 2 mei 1994 werd aan gedelegeerd bestuurder Hugo MORTELMANS een milieuvergunning 2de klasse verleend (eindigend op 2 mei 2014) VII-19.742-2/15 door het college van burgemeester en schepenen van de stad Lier om een veeteeltbedrijf te exploiteren op het voormelde adres. 1.4. In 1998 dient de verzoekende partij een aanvraag in voor het bekomen van een milieuvergunning om een inrichting voor grond- en afbraakwerken, gelegen op het eerder vermelde adres te veranderen door uitbreiding met : - de opslag en behandeling van schroot met een maximum opslagcapaciteit van 30 ton (2.2.2.C. 1.); - de opslag en verbranding van onbehandeld houtafval met een maximale verbrandingscapaciteit van - de lozing van bedrijfsafvalwater via een KWS-afscheider met een maximumdebiet van 0,05 m³/u, 0,5 m³/d, 120m³/j (3.6.3.1.); - de stalling van 6 vrachtwagens, 4 bulldozers, 8 kranen, 1 tractor zowel buiten als binnen (15.1.1.); - 1 smeerput voor het onderhoud van eigen materiaal (15.2); - een wasplaats voor voertuigen (15.4.1.); - 1 compressor met een vermogen van 14 kW (16.3.1.1.); - de opslag van zuurstof en butaan in flessen met een maximumcapaciteit van 1.000 1iter (16.7.1.); - de opslag van afvalolie in een bovengrondse tank van 3.000 1iter, met maximum 2.500 liter motorolie in vaten van 200 liter en van maximum 400 liter antivries (17.3.7.1.); - de opslag van wortels en houtgewas (max. 500 m³) en van gerecupereerd hout (max.100 m³) (19,6.); - een mobiele breek- (156 kW) en zeefinstallatie (77 kW) voor de behandeling van secundaire grondstoffen, gespreid over een periode van ½ jaar (30.1 .C.); - de opslag van minerale producten met een oppervlakte van minder dan 10 ha (30.10.1.). 1.5. Op 19 oktober 1998 wordt deze aanvraag ontvankelijk en volledig verklaard. De exploitatie is volgens het gewestplan Mechelen, vastgesteld bij koninklijk besluit van 5 augustus 1976, gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. 1.6. Bij besluit van 11 februari 1999 wordt de vergunning geweigerd door de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen. VII-19.742-3/15 1.7. Tegen deze weigeringsbeslissing wordt door de verzoekende partij beroep ingesteld bij de bevoegde minister. 1.8. De Vlaamse Milieumaatschappij geeft op 3 mei 1999 een gunstig advies. Door de OVAM wordt op 10 mei 1999 de aanvraag ongunstig geadviseerd. Op 27 mei 1999 geeft de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen van de administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen van het departement Leefmilieu en Infrastructuur eveneens een ongunstig advies. Op 7 juni 1999 geeft de afdeling Milieuvergunningen van de Administratie voor Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer van het departement Leefmilieu en Infrastructuur een ongunstig advies. De Gewestelijke Milieuvergunningscommissie adviseert op 11 juni 1999 om het beroep ongegrond te verklaren en de bestreden beslissing te bevestigen. 1.9. Bij het thans bestreden besluit van 24 augustus 1999 wordt door de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw het beroep van de verzoekende partij ingesteld tegen het besluit van 11 februari 1999 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen ongegrond verklaard en wordt het besluit van de bestendige deputatie bevestigd. Dit weigeringsbesluit is als volgt gemotiveerd : " (...) Gelet op de ligging van de inrichting volgens het gewestplan Mechelen (K.B. van 5 augustus 1976) in landschappelijk waardevol agrarisch gebied, op een afstand van : • 550 m van een woongebied ander dan een woongebied met landelijk karakter; • 350 (

  1. m)van een woongebied met landelijk karakter; • 600 m van een parkgebied; Overwegende dat de landschappelijk waardevolle agrarische gebied(
  2. en)bestemd zijn voor landbouw in de ruime zin, waarvoor bepaalde beperkingen gelden met het doel het landschap te beschermen of aan landschapsontwikkeling te doen en enkel de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen en de woning van de bedrijfsleider, voor zover deze integrerend deel uitmaakt van een leefbaar bedrijf, mogen bevatten, evenals para-agrarische bedrijven (artikel 11 van het koninklijk besluit van 28 december 1972); dat in deze gebieden alle handelingen en werken mogen uitgevoerd worden die in overeenstemming zijn met de in de grondkleur aangegeven bestemming; Overwegende dat het hoofdcriterium om te beoordelen of de aanvraag een para-agrarisch bedrijf betreft is of het een onderneming betreft waarvan de activiteiten onmiddellijk aansluiten op de agrarische en erop afgestemd zijn waarbij de volgende criteria een rol spelen : VII-19.742-4/15 • het grondgebonden karakter van het bedrijf in aansluiting op of vergelijkbaar met agrarisch grondgebruik (bv. een schoolhoeve); • de nauwe relatie met het landbouwproductieproces (bv. landbouwloonwerkers); • de strikte relatie met de voortgebrachte landbouwproducten (met uitsluiting van loutere handel), t.t.z. de onmiddellijke behandeling van de landbouwproducten welke onontbeerlijk is vooraleer deze producten aan de commercialisatiesector worden toevertrouwd; Overwegende dat op grond van de rechtspraak van de Raad van State grondbewerkingsbedrijven niet meer beschouwd kunnen worden als para-agrarische bedrijven; Overwegende dat vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, onverenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat de exploitant heeft verklaard dat er een bouwvergunning werd afgeleverd voor de loods; dat hiervan in het aanvraagdossier niks terug te vinden is; dat echter op de hoorzitting een bouwvergunning van 15 april 1981 wordt voorgelegd; dat dit echter niets wijzigt aan de voormelde onverenigbaarheid met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat de exploitant een aannemer in grond- en afbraakwerken is; dat de materialen die bij deze werken vrijkomen zoveel mogelijk hergebruikt worden; dat de andere materialen (bv. schroot) worden afgevoerd naar erkende verwerkingsinstallaties; dat er ook opslag en onderhoud van de materialen en machines gebeurt; dat er een mobiele zeef- en breekinstallatie aanwezig is; Overwegende dat de ondergrond van de inrichting onverhard is; dat de exploitant aangeeft dat hij, eens de vergunning verleend is, een wasplaats zal aanleggen voor het rollend materieel en voor de voertuigen en hun aanhangwagens; dat het water hiervan opgevangen zal worden en door een oliewaterafscheider zal gaan vooraleer het via een afwateringsgracht zal worden geloosd; dat er maximaal 9 voertuigen per dag zullen gewassen worden; Overwegende dat de loods verwarmd wordt met een zelf geconstrueerde stookinstallatie op hout; dat hiervan het juiste vermogen niet gekend is; dat niet kan worden aangetoond dat er voldaan wordt aan de emissienormen; dat de exploitant tijdens het plaatsbezoek heeft verklaard dat deze, bij het verlenen van de vergunning zal vervangen worden door een stookinstallatie, gebouwd door een hierin gespecialiseerde fabrikant; dat evenwel in de aanvraag de zelf geconstrueerde stookinstallatie aangevraagd werd; dat deze dient geweigerd te worden; Overwegende dat een aantal opslagtanks en een verdeelinstallatie reeds in 1993 werden vergund; dat de tanks nog niet ingekuipt zijn; dat de piste rondom de verdeelinstallatie niet verhard of vloeistofdicht gemaakt is; dat hiervan de vergunning nog geldig is tot 2013; Overwegende dat de activiteiten reeds meer dan dertig jaar op deze plaats worden uitgevoerd; dat nu de vergunning wordt aangevraagd; dat in het dossier wordt aangegeven dat aangezien alle inrichtingen dienen aangepast te worden aan de Vlarem-wetgeving, er nog vrij grote investeringen dienen te gebeuren; dat deze aanpassingen slechts economisch verantwoord zijn wanneer een vergunning voor langere termijn wordt afgeleverd; Overwegende dat de opslag van zuivere, niet verontreinigde gronden niet milieuvergunningsplichtig is; Overwegende dat een groot gedeelte van de aangevoerde gronden of puin nog gezeefd of gebroken wordt; dat het hier dus niet enkel de opslag van de gronden, doch ook het mechanisch behandelen ervan betreft; VII-19.742-5/15 Overwegende dat de loods volgestapeld ligt met allerlei onderdelen van machines, paletten gerecupereerde bakstenen, opslagtanks, de breker; dat een stukje van de loods ook nog dient als stalplaats voor het vee; dat er naast de loods tevens een aanzienlijke opslag van puin- en sloopafval lag; dat er ook nog hout lag; dat er achteraan op het bedrijf een opslag van houtafval is; dat het geheel een slordige indruk geeft wat een milieutechnisch aanvaardbare uitbating ten zeerste bemoeilijkt; Overwegende dat de aanspraken aangehaald door de beroepindiener als volgt kunnen worden geëvalueerd : • het bedrijf is gelegen in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied; grondbewerkingsbedrijven kunnen bezwaarlijk als para-agrarische bedrijven beschouwd worden; • er zijn geen emissiegegevens voorhanden van de stookinstallatie; • de reeds vergunde tanks zijn nog steeds niet ingekuipt; • het volledige terrein is onverhard, zoals ook de tankpiste (verdeelinstallatie nog vergund tot 2013), zodat mogelijke verontreiniging van bodem en grondwater reëel is; het geheel geeft trouwens een slordige indruk; Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico’s voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie niet tot een aanvaardbaar niveau worden beperkt; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat de vergunning te weigeren; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat het beroep ongegrond te verklaren en de bestreden beslissing te bevestigen"; 2. Beoordeling 2.1.1. In het eerste middel wordt de schending aangevoerd van artikel 11 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (inrichtingsbesluit) : miskenning van het para-agrarisch karakter van de grondbewerkingsactiviteit. De verzoekende partij betoogt in essentie dat de verwerende partij zonder enige verdere uitleg en/of feitelijke appreciatie, in de bestreden beslissing tot de conclusie komt dat de gevraagde inrichting vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten onverenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften, dat een nadere wettelijke omschrijving van de term "para-agrarisch bedrijf" in artikel 11,4.1., van het inrichtingsbesluit van 28 december 1972, volstrekt ontbreekt; dat het ook niet duidelijk is op welke gronden de verwerende partij zomaar kan stellen dat slechts met de door haar weergegeven restrictieve criteria -blijkbaar met uitsluiting van alle andere-, de term "para-agrarisch bedrijf" kan en dient uitgelegd te worden, dat ook geenszins duidelijk is op welke uitspraken van de Raad van State de verwerende partij zich baseert om te stellen dat op grond van de rechtspraak van de Raad van State geen grondbewerkingsbedrijven meer kunnen worden beschouwd als para-agrarisch, dat de Raad van State reeds herhaaldelijk heeft gesteld dat bij ontstentenis van een VII-19.742-6/15 nadere omschrijving ter zake, de term "para-agrarisch bedrijf" in zijn spraakgebruikelijke betekenis dient te worden begrepen, dat daaronder volgens de Raad van State meer bepaald moet verstaan worden "bedrijven waarvan de activiteit onmiddellijk bij de landbouw aansluit en erop afgestemd is", dat de Raad van State in het arrest nr. 56.419 van 23 november 1995 inzake LESAGE t/ het Vlaamse Gewest uitdrukkelijk stelt dat opdat een bedrijf para-agrarisch zou zijn in de zin van artikel 11,4.1., van het inrichtingsbesluit niet vereist is dat het aan de grond gebonden is en evenmin in het verlengde moet liggen van een aan de grond gebonden activiteit, dat de bestreden beslissing zich precies en uitsluitend lijkt te baseren op criteria van grondgebondenheid, nauwe relatie met het landbouwproductieproces en strikte relatie met de voortgebrachte landbouwproducten (met uitsluiting van handel) -waarvan de Raad van State uitdrukkelijk heeft gezegd dat zij geenszins vereist zijn opdat een onderneming of activiteit para-agrarisch zou kunnen zijn- om aan haar inrichting het karakter van para-agrarische activiteit te ontzeggen, dat de bestreden beslissing geen enkele feitelijke toetsing of appreciatie doorvoert met betrekking tot de in de bestreden beslissing gehanteerde -doch niet door de wet gedragen- criteria, doch louter stelt dat een grondbewerkingsbedrijf niet kan worden beschouwd als para-agrarisch bedrijf, dat in de spraakgebruikelijke betekenis, elke landbouwactiviteit (met inbegrip van ploegen en omwoelen van grond) een grondbewerking inhoudt en dat een loutere stellingname dat een grondbewerkingsbedrijf niet kan, een flagrante schending inhoudt van artikel 11,4.1., van het inrichtingsbesluit. 2.1.2. De verwerende partij betoogt in haar memorie van antwoord in wezen dat het begrip para-agrarisch niet uitdrukkelijk omschreven werd in de relevante regelgeving, zodat geval per geval moet worden beschouwd, dat de bestreden beslissing heeft bepaald dat een grondbewerkingsbedrijf als dit van de verzoekende partij, niet kan beschouwd worden als een para-agrarische activiteit, dat het volstaat de beschrijving van de aangevraagde activiteit en van de plaatselijke toestand in het bedrijf van de verzoekende partij te lezen (bestreden beslissing blz. 6 onderaan en 7) om zonder meer te kunnen besluiten dat het in casu helemaal niet gaat om een para-agrarische activiteit : wat heeft opslag en behandeling van schroot en van afvalmaterialen allerhande te maken met een landbouwactiviteit ?, dat het bedrijf zonder meer handelt in afbraakmaterialen, dat er geen de minste intense, onmiddellijke band met de, overigens beperkte (30 runderen) landbouwactiviteit is, die door de heer MORTELMANS, overigens een van de verzoekende partij afgescheiden rechtspersoon, wordt uitgeoefend, dat er ook geen sprake is van grondbewerking in de landbouwbetekenis van het woord, nu er in het bedrijf enkel afbraakmaterialen worden opgeslagen en bewerkt en dat gezien het gebrek aan bindende wettelijke VII-19.742-7/15 omschrijving van het begrip para-agrarisch de invulling ervan tot de appreciatie van de overheid behoort en er niet kan gezegd worden dat zij in casu het begrip op onredelijke wijze zou hebben beoordeeld. 2.1.3. In haar memorie van wederantwoord stelt de verzoekende partij samengevat dat de verwerende partij ten onrechte voorhoudt en volhardt dat de bestreden beslissing op een correcte wijze besluit dat haar bedrijf niet kan worden beschouwd als een para-agrarische bedrijvigheid, dat ze in haar verzoekschrift heeft aangestipt dat de bestreden beslissing zich desbetreffend uitsluitend baseert op de criteria van grondgebondenheid, nauwe relatie met het landbouwproductieproces en strikte relatie met de voortgebrachte landbouwproducten, dat ze zeer uitvoerig heeft aangegeven dat volgens de vaste rechtspraak van de Raad van State de vermelde ingeroepen criteria geenszins vereisten zijn opdat een onderneming of activiteit para-agrarisch zou kunnen zijn, noch om in casu aan haar inrichting het karakter van para-agrarische activiteit te ontzeggen, dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord hierop geen enkele repliek geeft, dat verder de bestreden beslissing geen enkele feitelijke toetsing of appreciatie doorvoert met betrekking tot de in de bestreden beslissing gehanteerde -doch niet door de wet gedragen- criteria, doch louter stelt dat een grondbewerkingsbedrijf niet kan beschouwd worden als para-agrarisch bedrijf, dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord de nadruk probeert te leggen op één bepaald onlosmakelijk deelaspect dat het gevolg is van het uitvoeren van grond- en graafwerken, m.n. de tijdelijke opslag en behandeling van schroot en houtafval die in bepaalde uitgegraven gronden aanwezig zijn, dat haar activiteit precies het "veredelen" en het "nuttig toepassen" van de uitgegraven grond met het oog op tuinaanleg en -onderhoud, ophogingen en aanvullingen met zwarte grond enz. behelst, dat het onvermijdelijke deelaspect van tijdelijke opslag van schroot en houtafval dan ook ten onrechte worden uitvergroot en geenszins afbreuk doet aan het para-agrarisch karakter van de uitgeoefende activiteit, dat de verwerende partij bovendien op onjuiste en misleidende wijze stelt dat het bedrijf enkel opslag en bewerking van afbraakmaterialen inhoudt en geen grondbewerking, dat de bestreden beslissing dan ook een loutere stellingname bevat in verband met het niet kunnen aanmerken van een grondbewerkingsbedrijf als para-agrarisch en geenszins feitelijk, noch correct getoetst en geapprecieerd heeft en dat tenslotte dient opgemerkt te worden dat de basismilieuvergunning voor de grond- en graafactiviteit, door het college van burgemeester en schepenen van de stad Lier aan haar verleend op 14 juni 1993, het para-agrarisch karakter van deze bedrijvigheid alleszins heeft aanvaard. VII-19.742-8/15 2.1.4. Artikel 11, 4.1., van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (inrichtingsbesluit), stelt het volgende : "De agrarische gebieden zijn bestemd voor de landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven. Gebouwen bestemd voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met industrieel karakter of voor intensieve veeteelt, mogen slechts opgericht worden op ten minste 300 m van een woongebied of op ten minste 100 m van een woonuitbreidingsgebied, tenzij het een woongebied met landelijk karakter betreft. De afstand van 300 en 100 m geldt evenwel niet in geval van uitbreiding van bestaande bedrijven. De overschakeling naar bosgebied is toegestaan overeenkomstig de bepalingen van artikel 35 van het Veldwetboek, betreffende de afbakening van de landbouw- en bosgebieden". Noch het aangehaalde artikel 11 noch enige andere bepaling van het koninklijk besluit van 28 december 1972 definiëren het begrip "para-agrarische bedrijven". Bij ontstentenis van nadere omschrijving ter zake, moet bedoelde term in zijn spraakgebruikelijke betekenis worden begrepen. Daaronder moet worden verstaan bedrijven waarvan de activiteit onmiddellijk bij de landbouw aansluit en er op afgestemd is. Te dezen werd een aanvraag ingediend voor het bekomen van een milieuvergunning om een inrichting voor grond- en afbraakwerken te veranderen door uitbreiding. Uit het maatschappelijk doel van de vennootschap blijkt dat de verzoekende partij een onderneming voor grond- en afbraakwerken is in de meest ruime zin, waarvan de activiteiten geenszins beperkt zijn tot het "veredelen" en het "nuttig toepassen" van de uitgegraven grond met het oog op tuinaanleg en -onderhoud, ophogingen en aanvullingen met zwarte grond en het daaraan gekoppelde onvermijdelijke deelaspect van tijdelijke opslag van schroot en houtafval, zoals de verzoekende partij wil laten uitschijnen naar aanleiding van voorliggende milieuvergunningsaanvraag. Evenmin blijkt dat de aangevraagde activiteiten kaderen binnen dat onderdeel van het maatschappelijk doel, met name "loonwerk in land- en tuinbouw", dat in verband zou kunnen worden gebracht met landbouw. In zoverre de aangevraagde activiteiten kaderen binnen het onderdeel van het maatschappelijk doel "aanleg en onderhoud van diverse terreinen" VII-19.742-9/15 volstaat de vaststelling dat geen enkel gegeven voorhanden is waaruit in concreto enig verband met landbouw kan worden afgeleid. Dienvolgens moet worden aangenomen dat een dergelijke onderneming geen bedrijf is waarvan de activiteit onmiddellijk bij de landbouw aansluit en er op afgestemd is en dat evenmin de aangevraagde activiteiten kunnen worden gekwalificeerd als een para-agrarische bedrijvigheid in de zin van artikel 11, 4.1., van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen. Het feit dat vroeger een vergunning werd afgeleverd in strijd met de dwingende voorschriften van het gewestplan kan geen rechten doen ontstaan. Het middel is niet gegrond. 2.2.1. In het tweede middel wordt door de verzoekende partij de schending aangevoerd van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. De verzoekende partij betoogt in essentie dat de bestreden beslissing geenszins correct gemotiveerd is daar zij stelt dat de door haar gevraagde exploitatie onverenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften, dat de aangehaalde juridische grondslag, met name artikel 11,4.1., van het inrichtingsbesluit geenszins de conclusie van stedenbouwkundige onverenigbaarheid van de aanvraag kan ondersteunen, noch verantwoorden; dat de in de bestreden beslissing weergegeven juridische grondslag van de motivering op het vlak van stedenbouwkundige onverenigbaarheid dan ook onjuist is, dat de bestreden beslissing ook geenszins de feitelijke overwegingen vermeldt die ten grondslag liggen aan de conclusie van de verwerende partij dat haar inrichting onverenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften, dat immers louter wordt gesteld dat grondbewerkingsbedrijven niet meer kunnen beschouwd worden als para-agrarische bedrijven, dat de bestreden beslissing geen enkele beoordeling of appreciatie inhoudt van de door haar in haar vergunningsaanvraag en in haar verzoekschrift in hoger beroep weergegeven argumentatie met betrekking tot het historisch para-agrarisch karakter van de grondbewerkingsactiviteit, dat door haar werd gesteld dat de huidige activiteit van los-, grond- en afbraakwerken ter plaatse reeds bestaat sedert 1969 en werd opgestart in het verlengde van de eigenlijke landbouwactiviteit van de familie MORTELMANS, dat de eigenlijke landbouwactiviteit (houden van rundvee) nog steeds wordt uitgeoefend door Hugo MORTELMANS in persoon, dat de bestreden beslissing ook voorbijgaat aan het feit dat de eindbestemming van de opgeslagen gronden voornamelijk ligt in het aanwenden ervan in het kader van de aanleg en onderhoud van tuinen, dat de VII-19.742-10/15 eindbestemming van deze gronden dan ook een para-agrarisch karakter heeft, zelfs getoetst aan de door de verwerende partij gehanteerde criteria die geen steun vinden in de wet, dat moet vastgesteld worden dat de bestreden beslissing geenszins afdoende gemotiveerd is, dat de beoordeling op het vlak van ruimtelijke en stedenbouwkundige verenigbaarheid van de inrichting geenszins in concreto is gebeurd, dat de motivering in rechte en in feite geenszins evenredig is aan het belang van de voor haar genomen beslissing, en ook geenszins de genomen beslissing de stedenbouwkundige onverenigbaarheid kan dragen, dat de loutere stellingname dat een grondbewerkingsbedrijf geen para-agrarisch karakter heeft voor haar tot gevolg heeft dat ze haar bedrijf zal moeten herlocaliseren, dat de stad Lier op dit ogenblik geen bedrijventerrein beschikbaar heeft voor herlocalisatie, dat ze ondertussen een ingevulde vragenlijst en toelichtende nota aan het stadsbestuur van Lier heeft overgemaakt in het kader van de opmaak van een bijzonder plan van aanleg zonevreemde bedrijven, dat er in het verleden geen klachten met betrekking tot milieuhinder zijn geweest, dat al deze elementen door de verwerende partij niet werden betrokken bij de appreciatie en beoordeling van het beroepschrift, dat er duidelijke criteria zouden kunnen bepaald zijn geweest binnen dewelke een grondbewerking wel kan in betreffende zonering en welke niet, dat de opmerkingen (niet voorhanden zijn van de emissiegegevens voor de stookinstallatie ...) kunnen opgevangen worden door het opleggen van aangepaste milieuvoorwaarden en de verplichting tot naleving van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden van Vlarem II, dat een gedeeltelijke milieuvergunning kon worden verleend, dat men haar slordige bedrijfsvoering beklemtoont en dit argument gaat aanhalen voor de weigering en dat men als dusdanig zeker niet tot een afdoende motivering komt. 2.2.2. De verwerende partij stelt in haar memorie van antwoord in wezen dat het duidelijk uit de bestreden beslissing is af te leiden waarom de minister geoordeeld heeft dat het bedrijf niet kan worden vergund, dat de uiteenzetting die de verzoekende partij bij het middel geeft, met name het historisch karakter van de activiteit, en het beweerde dat de opgeslagen gronden voornamelijk zouden aangewend worden in het kader van onderhoud van tuinen, uit niets blijkt en deze beweringen worden tegengesproken door de beschrijving van het terrein in de beslissing zelf, dat de verzoekende partij ook niet aantoont dat zij cliënteel heeft, laat staan voornamelijk cliënteel in de land- en tuinbouwsector, dat het bedrijf dermate rommelig en slordig is dat de grootste twijfels heersen omtrent de nauwgezette naleving van de milieuvoorwaarden, terwijl de diverse aangevraagde uitbreidingen niet eens formeel in orde zijn, dat de verzoekende partij zich met andere woorden niet eens de moeite heeft getroost voorafgaand aan de aanvraag de bestaande inrichting VII-19.742-11/15 in overeenstemming met de milieuwetgeving en reglementering te brengen en dat het feit dat er in het Lierse diverse zonevreemde bedrijven zijn die met gelijkaardige problemen kampen niet relevant is. 2.2.3. In haar memorie van wederantwoord betoogt de verzoekende partij samengevat dat de door haar ingeroepen elementen die de schending van de wettelijke motiveringsplicht aantonen, geenszins worden weerlegd door de verwerende partij, dat de in de bestreden beslissing weergegeven juridische grondslag voor de motivering van de vermeende stedenbouwkundige onverenigbaarheid onjuist is en er ook geen feitelijke overwegingen worden weergegeven om deze vermeende onverenigbaarheid aan te tonen, dat de in de bestreden beslissing weergegeven motivering alleszins niet afdoende is en geenszins evenredig is aan het belang van deze beslissing voor haar, noch de genomen beslissing kan dragen, dat ook hierop de verwerende partij geen enkele repliek verschaft tenzij het benadrukken en herhalen dat haar terrein er ten tijde van het indienen van de milieuvergunningsaanvraag rommelig bij lag en de vergunningstoestand formeel niet in orde is, dat deze "slordigheid" geenszins kan worden ingeroepen als een argument voor het weigeren van om het even welke vergunning, dat in het kader van een afdoende motivering, de vergunningverlenende overheid minstens had kunnen omschrijven welke activiteiten -gekoppeld aan duidelijke criteria- wel en welke niet konden in de betreffende zonering en dat daarnaast ook concrete, duidelijke en aangepaste milieuvoorwaarden hadden kunnen worden opgelegd met betrekking tot de uitbating van de diverse inrichtingen, zoals ze zelf had gesuggereerd, desnoods in het kader van een gedeeltelijke milieuvergunning. 2.2.4. De formele motiveringsplicht, opgelegd door de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, heeft tot doel de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid de beslissing heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt. Het bestreden besluit is naar de vorm met redenen omkleed. De toetsing van de formele motivering houdt overigens in beginsel niet de beoordeling in van de inhoud van de motieven. In de mate echter waarin de verzoekende partij de materiële motiveringsplicht geschonden acht, moet worden opgemerkt dat bij de beoordeling van het eerste middel werd vastgesteld dat de interpretatie die de verwerende partij heeft gegeven aan het begrip "para-agrarisch bedrijf" correct is, zodat de motivering van het bestreden besluit wettig is. VII-19.742-12/15 De milieuvergunning voor de uitbating van een veeteeltbedrijf werd niet afgeleverd aan de verzoekende partij, maar aan haar gedelegeerd bestuurder, en is te dezen dus niet relevant. Het tweede middel is niet gegrond. 2.3.1. In het derde middel wordt de schending aangevoerd van de beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het zorgvuldigheids-, het redelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel. De verzoekende partij betoogt in essentie dat de verwerende partij bij het nemen van haar beslissing geenszins rekening heeft gehouden met haar argumentatie aangaande het para-agrarisch karakter van haar bedrijvigheid en zij volstrekt heeft nagelaten een feitelijke toetsing door te voeren van haar activiteiten aan de vooropgestelde criteria voor het beoordelen van de para-agrarische bedrijvigheid, dat louter werd gesteld dat een grondbewerkingsbedrijf niet in aanmerking komt als para-agrarische onderneming, dat daarbij werd voorbij gegaan aan haar niet-geringe belangen voor het behoud van haar grondbewerkingsbedrijf op de huidige locatie, dat de vaststelling van een absolute onverenigbaarheid van de inrichting met de ruimtelijke voorschriften verplicht tot herlocalisatie, terwijl daartoe vandaag voor haar geen mogelijkheden bestaan, dat met betrekking tot de opmerkingen inzake het niet voorhanden zijn van emissiegegevens voor de stookinstallatie, het niet ingekuipt zijn van de vergunde tanks en het onverhard zijn van het terrein, moet vastgesteld worden dat deze vaststellingen geenszins van aard zijn een totale weigering te rechtvaardigen, dat de genoemde hinder- en risicofactoren immers kunnen opgevangen worden door het opleggen van aangepaste milieuvoorwaarden en de verplichting tot naleving van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden van Vlarem II, zoals door haar trouwens gesuggereerd en dat de bestreden beslissing dan ook blijk geeft van een onzorgvuldige feitenappreciatie en belangenafweging en de totale weigering geenszins redelijk verantwoord, minstens onevenredig is. 2.3.2. De verwerende partij stelt in haar memorie van antwoord dat niet wordt aangetoond in welke mate de overheid deze beginselen zou geschonden hebben, nu in alle redelijkheid de soevereine appreciatie gegeven aan het begrip para-agrarisch bezwaarlijk kan worden betwist en dat indien geoordeeld wordt dat de activiteit van de verzoekende partij onverenigbaar is met de zone waarin het zich bevindt, de overheid trouwens niet de mogelijkheid heeft, noch het recht toch een vergunning te verlenen. VII-19.742-13/15 2.3.3. In haar memorie van wederantwoord voegt de verzoekende partij toe dat in het bijzonder wordt benadrukt dat de bestreden beslissing blijk geeft van een onzorgvuldige feitenappreciatie en belangenafweging en geen enkele redelijke verantwoording bevat voor de totale weigering van de gevraagde uitbreiding en dat de verwerende partij hierop geen enkele onderbouwde repliek verschaft. 2.3.4. In het eerste middel werd vastgesteld dat kwestieuze onderneming geen bedrijf is waarvan de activiteit onmiddellijk bij de landbouw aansluit en er op afgestemd is en dat evenmin de aangevraagde activiteiten kunnen worden gekwalificeerd als een para-agrarisch bedrijvigheid in de zin van artikel 11, 4.1., van het inrichtingsbesluit. Deze vaststelling, of met andere woorden de vraag of een bepaalde bedrijvigheid al dan niet dient aangemerkt als een para-agrarische activiteit, als bedoeld in artikel 11, 4.1., van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, is in de eerste plaats en in hoofdzaak een kwestie van interpretatie en dus niet van appreciatie. Vermits uit de bespreking van het eerste middel blijkt dat het begrip para-agrarisch bedrijf/bedrijvigheid door de overheid juist is geïnterpreteerd dient te worden vastgesteld dat, in die optiek, de schending van het zorgvuldigheids-, redelijkheids- en evenredigheidsbeginsel, dat een kwestie van appreciatie betreft, niet tot de vernietiging kan leiden. Het derde middel is niet gegrond, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. VII-19.742-14/15 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig juni tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-19.742-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.771 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.