id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.772 Rolnummer: A. 87438/VII-19699 Zaak: Arrest 160772 - - 29/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-08-01 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 23:16 Fiche Arrest nr 160.772 van 29 juni 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 160.772 van 29 juni 2006 in de zaak A. 87.438/VII-19.699. In zake : de n.v. ADAMS POLENDAM, gevestigd te BEERSE, Polendam 13 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat M. BALLON, kantoor houdende te ANTWERPEN, Britselei 39. tussenkomende partijen : 1. de n.v. WUYTS, gevestigd te MASSENHOVEN, Zagerijstraat 2, 2. de heer VAN DEN NOUWELAND, die woonplaats kiest bij advocaat L. LENAERTS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Nachtegaalstraat 47. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. ADAMS POLENDAM op 22 oktober 1999 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van 26 augustus 1999 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw, waarbij uitspraak wordt gedaan over het beroep aangetekend tegen de door de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen aan de verzoekende partij verleende vergunning om een betoncentrale gelegen te Zandhoven (Massenhoven), Zagerijstraat 9, te veranderen; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 7 februari 2000 ingediend door de n.v. WUYTS; Gelet op de beschikking van 16 februari 2000 die de tussenkomst van de n.v. WUYTS toelaat; VII-19.699-1/7 Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 9 februari 2000 ingediend door de heer VAN DEN NOUWELAND; Gelet op de beschikking van 15 maart 2000 die de tussenkomst van de heer VAN DEN NOUWELAND toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur J. CLEMENT; Gelet op de beschikking van 9 januari 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 17 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 juni 2006; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat J.-M. PAKLONS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat P.-F. VAN DEN DRIESCHE die, loco advocaat M. BALLON verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur J. CLEMENT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de Raad van State de zaak als volgt beoordeelt : 1. De feiten 1. 1. Op 1 september 1998 vraagt de verzoekende partij om een betoncentrale gelegen te Zandhoven (Massenhoven), Zagerijstraat 9, te veranderen door uitbreiding met : VII-19.699-2/7 - de opslag en sortering van bouw- en slooppuin (2.2.1.A); - het breken van bouw- slooppuin door middel van een breekinstallatie met een totaal vermogen van 480 kW en een opslagcapaciteit van + 2.000 m³ (2.2.2.A.2.); - het stallen van vijf bedrijfsvoertuigen (15.1.1.). 1.2. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de verzoekende partij een opslagcapaciteit heeft aangevraagd van 2.000 m³ of ongeveer 4.000 ton. 1.3. Op 4 februari 1999 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen aan de verzoekende partij de vergunning voor het veranderen van haar betoncentrale, als volgt :
- a)uitbreiding : - de opslag en het sorteren van bouw- en slooppuin; - de opslag en het mechanisch behandelen van bouw- en slooppuin door middel van een breekinstallatie met een totaal vermogen van 480 kW. De totale opslagcapaciteit van te verwerken en verwerkt afval bedraagt maximaal 60.000 ton;
- b)toevoeging op perceel 175x : - het stallen van vijf voertuigen. 1.4. De eerste en tweede tussenkomende partij stellen respectievelijk op 6 april 1999 en 31 maart 1999 beroep in bij de minister tegen voornoemd besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen. 1.5. Op 26 augustus 1999 neemt de Vlaamse minister van leefmilieu het bestreden besluit. De beroepen van de eerste en tweede tussenkomende partij worden ongegrond verklaard. De beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 4 februari 1999 wordt gewijzigd als volgt : "1) in artikel 1 van het beroepen besluit wordt de vergunde totale opslagcapaciteit van te verwerken en verwerkt afval, namelijk 60.000 ton, beperkt tot 4.000 ton. 2) Aan artikel 3, § 3 van het beroepen besluit worden volgende bijzondere voorwaarden toegevoegd : - Op de inrichting wordt een bandenwasinstallatie voorzien - Aan- en afrijdende vrachtwagens met stofgevoelige producten (puin en gebroken puin) moeten steeds afgedekt worden. - De installatie moet een Copro- of gelijkwaardige kwaliteitscontrole ondergaan - Aan- en afvoer van grondstoffen en/of producten naar en van de inrichting gebeurt maximaal via het Albertkanaal". VII-19.699-3/7 De motivering met betrekking tot de opslagcapaciteit luidt als volgt : "Overwegende dat de aanvraag een totale opslagcapaciteit van 2.000 m³ (ca. 4.000 ton) vermeldt; dat de aanvrager op de provinciale milieuvergunningscommissie zou verklaard hebben dat in totaal 60.000 ton zou gestockeerd worden; dat de aanvrager nadien schriftelijk heeft bevestigd dat de opslag tot 2.000 m³ kan beperkt blijven; dat gelet op de gegevens die voorlagen in het openbaar onderzoek slechts een opslag van 4.000 ton kan vergund worden; dat een opslag van 60.000 ton immers wat de impact van stof betreft een niet-aangevraagde en volledig verschillende situatie is; dat aanvrager trouwens bevestigt dat de aanvraag op dit vlak foutief is opgesteld"; 2. Beoordeling 2.1.1. Als enig middel voert de verzoekende partij in haar verzoekschrift het volgende aan : "De middelen van beroep zijn een overtreding van substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, namelijk de motiveringsplicht en machtsoverschrijding zijnde schending van een algemeen rechtsbeginsel namelijk het recht van verdediging en het beginsel van fair play, zowel als de gebrekkige motivering van de desbetreffende beslissing. De bezwaren van verzoekster zijn de volgende : Verzoekster richt het beroep tegen de wijzigingen welke door de desbetreffende beslissing werden aangevoerd aan de initiële beslissing van de Bestendige Deputatie. In de eerste plaats is er een wijziging als volgt namelijk in artikel 1 van het beroepen besluit wordt de vergunde totale opslagcapaciteit van het te verwerken en verwerkte afval van 60.000 ton beperkt tot 4.000 ton. De reductie van de opslagcapaciteit vindt zijn oorsprong in een materiële fout in de milieuvergunningsaanvraag. Er is door het studiebureau bij materiële vergissing een opslagcapaciteit van 4.000 ton aangevraagd in plaats van 60.000 ton. Deze fout werd op de Bestendige Deputatie rechtgezet. Uiteindelijk werd dan de vergunning op 4.2.99. gegeven door de Bestendige Deputatie voor 60.000 ton, waarbij de beroepen beslissing ten onrechte hierop terugkomt. Verzoekster richt het beroep tevens tegen de bijzondere voorwaarden die toegevoegd worden aan artikel 3 paragraaf 3 van het beroepen besluit, namelijk : a. Op de inrichting wordt een bandenwasinstallatie voorzien. b. Aan- en afrijdende vrachtwagens met stofgevoelige producten (puin en gebroken puin) moeten steeds afgedekt worden. c. De installatie moet een Copro- of gelijkwaardige kwaliteitscontrole ondergaan. d. Aan- en afvoer van grondstoffen en of producten naar en van de inrichting gebeurt maximaal via het Albertkanaal. De middelen van verzoekster verder uitgewerkt zijn deze de volgende : Vooreerst heeft verzoekster zich niet kunnen verdedigen op een plotse herleiding van de vergunde hoeveelheid van 60.000 ton naar 4.000 ton zowel als de bijkomende voorwaarden die opgelegd zijn wat betreft een bandenwasinstallatie, aan- en afrijden met stofgevoelige producten, vereiste van VII-19.699-4/7 Copro- of gelijkwaardige kwaliteitscontrole en maximale aanvoer langs het Albertkanaal. Deze bijkomende voorwaarden duiken plots op in de bestreden beslissing van de Minister. Verzoekster heeft zich dan ook niet kunnen verdedigen op dit aspect van de zaak noch heeft zij haar argumenten kunnen laten gelden. Er is dan ook een schending van recht van verdediging alsmede de regels van fair play vermits verzoekster haar argumenten niet heeft kunnen laten gelden in dit verband en er derhalve ook geen rekening mee kon worden gehouden. De desbetreffende beslissing is ook niet afdoende gemotiveerd waar de summiere motivatie in redelijkheid niet kan beschouwd worden als afdoende terzake. Specifiek dient er bijkomend op gewezen worden dat het onjuist is dat verzoekster in een latere schriftelijke verklaring na het advies van de Milieuvergunningscommissie alsmede van de Bestendige Deputatie schriftelijk teruggekomen is van de 60.000 ton in werkelijkheid aangevraagde hoeveelheid naar 4.000 ton. De beslissing stoelt aldus op een onjuiste feitelijke grondslag welke derhalve eveneens de juistheid van de motivatie aantast. Wat betreft de bijkomende voorwaarde die opgelegd werd betreffende het afdekken van aan- en afrijdende vrachtwagens dient er op gewezen dat geen enkel van de concurrerende bedrijven van verzoekster dergelijke voorwaarde opgelegd krijgt. Het is dan ook niet aanvaardbaar dat er aan verzoekster, zonder de minste uitgewerkte motivatie en zonder verzoekster hierin te kennen of haar de kans te geven zich hierop te verdedigen, een dergelijk bijkomende zware verplichting opgelegd wordt. Ten slotte dient er te worden vastgesteld dat waar dergelijke voorwaarden niet aan concurrerende bedrijven van verzoekster opgelegd worden zulks eveneens, onafgezien de gebrekkige motivering en schending van de andere principes zoals hierboven uiteengezet, een schending uitmaakt van het gelijkheidsbeginsel". 2.1.2. In haar memorie van wederantwoord voert de verzoekende partij het volgende aan : "Vooreerst dient er te worden vastgesteld dat bij de nieuwe milieuvergunning de toegestane opslagcapaciteit opgetrokken werd van 4.000 ton tot 60.000 ton waarbij aan één van de redenen waarom een verzoekschrift werd ingediend voldaan is. Zulks toont overigens a fortiori de juistheid van de uiteenzetting van verzoekster aan. Blijven de overige bezwaren van verzoekster. Blijft de vaststelling dat de bijkomende voorwaarden die aan verzoekster werden opgelegd plots opduiken in de uiteindelijk bestreden beslissing zonder dat verzoekster zich op welke manier dan ook heeft kunnen verweren of haar standpunt heeft laten kennen wat betreft deze opgelegde voorwaarden. Het valt op dat het Vlaams Gewest in feite niet betwist dat dit uitzonderlijke voorwaarden zijn die aan andere gelijkaardige bedrijven als verzoekster niet worden opgelegd. De uiteenzetting die verzoekster hierboven gedaan heeft, blijft dan ook onverkort van kracht". VII-19.699-5/7 2.2.1. Wat betreft de bewering dat het gelijkheidsbeginsel geschonden zou zijn omdat aan concurrerende bedrijven van de verzoekende partij niet dezelfde voorwaarden zijn opgelegd, brengt de verzoekende partij onvoldoende gegevens aan waaruit blijkt dat de andere gevallen waarnaar zij verwijst, zowel in rechte als in feite, volledig vergelijkbaar zijn met het hare. Het feit dat de ingeroepen ongelijkheid niet wordt betwist, zoals in de laatste memorie aangehaald, doet daaraan geen afbreuk. Het is immers de verzoekende partij die de gegrondheid van het door haar ingeroepen middel moet bewijzen. 2.2.2. De verzoekende partij heeft zelf een opslagcapaciteit aangevraagd van 4.000 ton en het is deze opslagcapaciteit waarover het openbaar onderzoek werd gehouden. De verzoekende partij stelt nu dat deze aanvraag berust op een materiële vergissing van het door haar ingeschakelde studiebureau. Als middel tegen een beslissing om een vergunning te verlenen voor wat zij zelf heeft aangevraagd kan de verzoekende partij zich niet beroepen op haar eigen onzorgvuldigheid of op deze van haar lasthebber. Het enig middel is in al zijn onderdelen ongegrond, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomsten, bepaald op 247,90 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, elk voor de helft. VII-19.699-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig juni tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-19.699-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.772 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div