← België

Arrest 160800 - - 29/06/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.800 Rolnummer: A. 136939/XII-3869 Zaak: Arrest 160800 - - 29/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-07-17 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-30 23:20 Fiche Arrest nr 160.800 van 29 juni 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 160.800 van 29 juni 2006 in de zaak A. 136.939/XII-

  1. In zake : Bart OOGHE, wonende te Tienen, Breisemstraat 36 tegen : het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door de Scholengroep 11, dat woonplaats kiest bij advocaat R. Rombaut, kantoor houdende te Antwerpen, Justitiestraat 18, bus
  2. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Bart Ooghe op 20 mei 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “- de beslissing van de directeur van het Koninklijk Atheneum Tienen van 18 december 2002 houdende de beoordeling ‘onvoldoende’ in hoofde van de verzoekende partij (= eerste bestreden beslissing); - de beslissing van mevrouw F. Dossche, wnd. pedagogisch adviseur fysica en natuurwetenschappen, van 13 maart 2003 houdende de beoordeling ‘onvoldoende’ in hoofde van de verzoekende partij (= tweede bestreden beslissing)”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de beschikking van 19 juli 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; XII-3869-1\4 Gelet op de beschikking van 9 maart 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 april 2006; Gelet op het uitstel van de zaak naar de zitting van 6 juni 2006; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, en van advocaat R. Rombaut, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; De gegevens van de zaak
  3. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : Verzoeker treedt op 2 september 2002 in dienst bij het koninklijk atheneum van Tienen in het kader van de zogenaamde vervangingspool. Op 18 december 2002 kent de directeur hem de eerste bestreden beoordeling “onvoldoende” toe. Verzoeker tekent bezwaar aan tegen de hem gegeven beoordeling, op 9 januari 2003 beslist de algemeen directeur van de scholengroep om pedagogisch adviseur F. Dossche te belasten met het nader onderzoek. Op 13 maart 2003 stelt F. Dossche haar eindbeoordeling betreffende verzoeker op, waarvan de conclusie luidt : “onvoldoende”. Met een 20 maart 2003 gedateerd schrijven wordt het verslag en de eindbeoordeling van F. Dossche aan verzoeker bezorgd door de directeur van het koninklijk atheneum. “Wat betreft het gevolg dat ik aan deze ‘onvoldoende’ wens te XII-3869-2\4 geven”, zo schrijft de directeur in dezelfde brief, “wil ik u wijzen op artikel 26 van het Decreet Rechtspositie van 27 maart 1991, dat bepaalt: [volgt dan de tekst van het bedoelde artikel]”. De directeur besluit zijn brief ermee, verzoeker “mee te delen dat ik uw tijdelijke aanstelling beëindig en dat uw opzeggingstermijn ingaat op dinsdag 25 maart 2003 en loopt t.e.m. dinsdag 8 april 2003”; De ontvankelijkheid van het beroep
  4. Overwegende dat uit het feitenrelaas blijkt dat de tijdelijke aanstelling van verzoeker is beëindigd en dat hiertoe is besloten om reden van de bestreden vermelding “onvoldoende”, zulks op grond van artikel 26, § 1, eerste lid, van het toepasselijke rechtspositiedecreet van 27 maart 1991 dat luidt : “Met inachtneming van een opzeggingstermijn van vijftien kalenderdagen kan de aanstelling van het tijdelijk aangesteld personeelslid worden beëindigd indien hem in het in artikel 22 bedoelde gemotiveerde beoordelingsverslag de vermelding ‘onvoldoende’ werd toegekend”;
  5. Overwegende dat deze opzegging door verzoeker niet te zijner tijd in rechte is bestreden, zodat zij door het verloop van de beroepstermijn wat hem betreft definitief en onaantastbaar is geworden; Overwegende, ambtshalve, dat de vraag rijst welk belang verzoeker dan nog heeft bij de gevorderde nietigverklaring; dat immers verzoeker, die met zijn beroep de nietigverklaring van de tegen hem toegekende vermelding “onvoldoende” beoogt, dergelijk beroep in wezen instelt om zich te behoeden voor de gevolgen die aan die evaluatie kunnen worden gegeven, en dan met name het gevolg bedoeld in artikel 26, § 1, van het rechtspositiedecreet; dat evenwel vaststaat dat verzoeker -met toepassing van het bedoelde artikel 26- de hoedanigheid van tijdelijk aangesteld ambtenaar op grond waarvan hij zijn belang steunde heeft verloren; dat de nietigverklaring van de door verzoeker bestreden evaluatie hem niet meer voor ontslag en verlies van zijn hoedanigheid kan behoeden; Overwegende bovendien dat in rechte steeds zal vaststaan dat aan verzoekers aanstelling een einde is gesteld wegens toepassing van artikel 26, § 1, en dus noodzakelijk om reden van een vermelding “onvoldoende”; dat voorts de verwerende partij aan de aanstelling van verzoeker een einde heeft gesteld met de bestreden “onvoldoende” als énige beweegreden, terwijl zo een ontslag geen verplichting is voor het schoolbestuur, zoals de term “kan ... worden beëindigd” in XII-3869-3\4 artikel 26 aangeeft; dat verzoeker, door niettemin zijn ontslag niet met een annulatieberoep te bestrijden, heeft berust in de gegrondheid van die motivering, en dus in de inschatting die het schoolbestuur hoe dan ook van hem heeft; dat de Raad in die omstandigheden dan ook niet kan aannemen dat verzoeker mogelijk nog een moreel belang zou hebben behouden, dat voldoende zwaarwichtig is om toch een beoordeling ten gronde van het beroep te kunnen verantwoorden;
  6. Overwegende dat in de hiervoor beschreven omstandigheden verzoeker moet worden geacht niet het rechtens vereiste belang bij de vernietiging van de bestreden beslissing te hebben; dat het beroep niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
  7. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  8. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig juni 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. D. VERBIEST. XII-3869-4\4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.800 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.