id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.802 Rolnummer: A. 88196/VII-19974 Zaak: Arrest 160802 - - 29/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-07-17 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-30 23:22 Fiche Arrest nr 160.802 van 29 juni 2006 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 160.802 van 29 juni 2006 in de zaak A. 88.196/VII-19.974. In zake : de n.v. STEVAN, die woonplaats kiest bij advocaat A. LUST, kantoor houdende te SINT-ANDRIES-BRUGGE, Burggraaf de Nieulantlaan 14 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te OOSTENDE, E. Beernaertstraat 106. Tussenkomende partij : de gemeente LENDELEDE, die woonplaats kiest bij advocaat B. VAN DORPE, kantoor houdende te KORTRIJK, Loofstraat 39. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. STEVAN op 2 december 1999 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van 4 oktober 1999 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw waarbij de aanvraag ingediend door de gemeente Lendelede tot het wijzigen en aanvullen van de vergunningsvoorwaarden met betrekking tot de inrichting van n.v. STEVAN, Heulestraat 104 te Lendelede, wordt ingewilligd; Gelet op het arrest nr. 88.303 van 27 juni 2000 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door de verzoekende partij; VII-19.974-1/11 Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 25 augustus 2000; Gelet op de beschikking van 1 september 2000 die de tussenkomst van de n.v. STEVAN toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. PROVOOST; Gelet op de beschikking van 9 januari 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 22 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 juni 2006; Gehoord het verslag van kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. TEMMERMAN die, loco advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat K. DE PUYDT die, loco advocaat B. VAN DORPE verschijnt voor de tussen- komende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : VII-19.974-2/11 1.1. De verzoekende partij exploiteert een kleigroeve en stortplaats in Lendelede. De bij de ontginning van de klei gegraven putten worden weer gevuld met afval. De verzoekende partij is eigenaar van ongeveer 17 hectare gronden, binnen een ontginningsgebied van in totaal 26 hectare. Haar eigendom is ingedeeld in 5 vakken. De vakken A en B zijn blijkbaar volledig ontgonnen. Voorliggende betwisting heeft betrekking op het storten van afval in de vakken C en D. Voor deze vakken werd een vergunning voor het storten verleend, meer bepaald voor 400.000 ton in vak C en 300.000 ton in vak D. Op 12 december 1996 werd een vergunning verleend voor de verandering van de exploitatie, meer bepaald voor het bijkomend storten, in ophoging, van 120.000 ton in vak C en 100.000 ton in vak D. In beroep werden de vergunningsvoorwaarden gewijzigd. 1.2. Bij het besluit van de Vlaamse regering van 10 november 1998 wordt de nabestemming van het gebied gewijzigd in bosgebied. Voorheen was de nabestemming gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en nutsvoorzieningen. 1.3. Met een brief van 20 mei 1999, door de verwerende partij ontvangen op 27 mei 1999, vraagt de gemeente Lendelede de vergunningsvoorwaar- den te wijzigen en aan te vullen. Het gaat erom dat voor de afdekking van de stortplaats thans artikel 5.2.4.3.6 van Vlarem II geldt, dat een draineringslaag van minimum 0,3 meter oplegt, en een bewortelingslaag van minimum 0,7 meter. De gemeente vraagt een bewortelingslaag van minimum 1,5 meter, die minimum 5 % organisch materiaal moet bevatten en een goede textuur en structuur moet bezitten om de water- en luchthuishouding te verzekeren die een normale groei van bomen en struiken toelaat. 1.4. Met een brief van 16 juni 1999 laat de verwerende partij aan de verzoekende partij enkel weten dat een vraag tot wijziging en aanvulling van de vergunningsvoorwaarden is ingediend, zonder dat wordt meegedeeld van wie de vraag afkomstig is, en waartoe ze strekt. Met een brief gedateerd 23 juni 1999 vraagt de verzoekende partij om een kopie van de vraag, en vraagt ze om gehoord te worden. Met een brief van 3 augustus 1999 wordt de verzoekende partij uitgenodigd om op 13 augustus 1999 gehoord te worden door de Gewestelijke Milieu- vergunningscommissie, maar een kopie van de vraag tot wijziging en aanvulling wordt nog steeds niet bijgevoegd. Pas op 10 augustus 1999, blijkbaar na een nieuwe VII-19.974-3/11 vraag van de verzoekende partij, wordt de vraag van de gemeente Lendelede aan de verzoekende partij gefaxt. 1.5. Volgende adviezen worden verleend : - de afdeling ROHM West-Vlaanderen adviseert gunstig; - de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen adviseert gunstig; - de afdeling Natuurlijke Rijkdommen en Energie adviseert voorwaardelijk gunstig; - de OVAM adviseert gunstig; - de afdeling Milieuvergunningen adviseert gunstig; - de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie tenslotte adviseert ongunstig. 1.6. Op 4 oktober 1999 wordt de bestreden beslissing genomen : de vergunningsvoorwaarden worden gewijzigd in de door de gemeente gevraagde zin; 3. De gegrondheid van het tweede middel 3.1. Overwegende dat de verzoekende partij als tweede middel de schending aanvoert van artikel 21, § 3, van het Milieuvergunningsdecreet van 28 juni 1985, van artikel 45, § 4, van Vlarem I en van “het beginsel van het recht op verdediging”; dat de verzoekende partij betoogt dat artikel 45, § 4, van Vlarem I voorschrijft dat wanneer het verzoek tot wijziging of aanvulling van de vergunnings- voorwaarden niet uitgaat van de exploitant, deze laatste door de in paragraaf 1 bedoelde overheid hiervan per ter post aangetekende zending in kennis wordt gesteld binnen een termijn van tien kalenderdagen na ontvangst van het verzoek, dat in het arrest nr. 70.808 van 15 januari 1998, de n.v. HERZO TRANS, in het licht is gesteld dat de doelstelling van deze kennisgeving erin bestaat, niet alleen dat de exploitant zou weten dat er een verzoek tot aanvulling of wijziging van de vergunningsvoor- waarden is ingediend, maar ook "dat hij de elementen en de argumenten die dat verzoek staven, zou kennen, zodat hij met kennis van zaken zijn standpunt dienaangaande kan naar voor brengen", dat het aldus een substantieel vormvoor- schrift betreft, dat te dezen de verwerende partij heeft verzuimd die voorschriften na te leven zoals blijkt uit wat volgt : Met een brief van 27 mei 1999 heeft de gemeente Lendelede gevraagd de vergunningsvoorwaarden te wijzigen. Pas met een brief van 16 juni 1999 werd de verzoekende partij ervan op de hoogte gebracht dat een vraag tot wijziging werd ingediend, zonder dat zelfs maar werd gezegd wie de vraag had ingediend. Met VII-19.974-4/11 een brief van 23 juni 1999 vroeg de verzoekende partij om een kopie van de vraag tot wijziging; ze ontving geen antwoord. Met een brief van 3 augustus 1999 werd ze uitgenodigd om op 13 augustus 1999 gehoord te worden door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie. Na een nieuwe vraag van de verzoekende partij, werd het verzoek tot wijziging op 10 augustus per fax bezorgd, evenwel zonder bijlagen; dat zij haar uiteenzetting als volgt besluit : "Door niet alleen niet binnen de wettelijk voorziene termijn, maar bovendien dan nog volstrekt onvolledig kennisgeving te doen aan de verzoekende partij van de aanvraag tot wijziging van de milieuvoorwaarden, heeft de verwerende partij de aangehaalde wetsbepalingen en algemeen beginsel geschonden"; 3.2. Overwegende dat de verwerende partij daarop in haar memorie van antwoord als volgt reageert : "Verzoekende partij betwist niet dat zij in het bezit was van het verzoek van het College van Burgemeester en Schepenen van de Gemeente Lendelede en dat zij de gelegenheid had met kennis van zaken haar standpunt voor de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie (uiteen) te zetten. Zij blijkt geen opmerkingen te hebben gemaakt omtrent de niet mededeling van de bijlagen van het verzoek. Uit voorgaande blijkt dat in elk geval het doel van de bepaling van artikel 45 § 4 tweede lid Vlarem I werd bereikt. Minstens dient vastgesteld dat verzoekende partij er niet in slaagt aan de hand van concrete elementen enige aantasting van haar recht van verdediging aan te tonen"; 3.3. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar toelichtende memorie onder meer betoogt dat het artikel 45, § 4, tweede lid, van Vlarem I niet wettelijk is en buiten toepassing moet gelaten worden om volgende reden : “Door artikel 21 §3 van het Decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning wordt de Vlaamse Executieve gemachtigd tot vaststelling van de verdere regels in verband met het wijzigen en aanvullen van de opgelegde vergunningsvoorwaarden en tot regeling van de wijze van bekendmakingen van de desbetreffende beslissingen. De bepaling van artikel 45 §4 tweede lid VLAREM I dat, wanneer het verzoek tot wijziging van de vergunningsvoorwaarden niet uitgaat van de exploitant, hij door de bevoegde overheid hiervan per ter post aangetekende zending in kennis wordt gesteld binnen een termijn van tien kalenderdagen na ontvangst van het verzoek, is geen regel in verband met het wijzigen en aanvullen van de opgelegde vergunningsvoorwaarden. Het is ook geen regeling van de wijze van bekendmakingen van een beslissing, maar omtrent de bekendmaking van een verzoek dat geen enkele beslissing inhoudt omtrent de het wijzigen en aanvullen van de opgelegde vergunningsvoorwaarden. Deze regeling van artikel 45 §4 tweede lid is derhalve uitgevaardigd zonder de vereiste decretale machtiging en kan dan ook geen toepassing vinden”; dat zij “subsidiair” nog doet gelden wat volgt : VII-19.974-5/11 “1. Geen kennisgeving binnen de wettelijke termijn - geen nietigheidsgrond De regeling van artikel 45 §4 tweede lid, houdt geen vervaltermijn in, maar een termijn van orde, zodat de niet-naleving van deze termijn niet de nietigheid van het besluit meebrengt wanneer de betrokkene op nuttige wijze zijn standpunt heeft kunnen kenbaar maken, met kennis van het dossier en van de aanvraag tot wijziging. Het voorschrift kan niet aanzien worden als een substantieel vormvoorschrift. Het gaat immers niet om een termijn die moet worden in acht genomen tussen de datum van de hoorzitting en de uitnodiging daartoe, maar alleen om een termijn tussen de ontvangst door de overheid (in casu de tegenpartij) van het verzoek en de mededeling daarvan aan de vergunninghouder. Het is dus niet zo dat die termijn van tien dagen als doel zou hebben te waarborgen dat de vergunninghouder met kennis van zaken zijn standpunt dienaangaande zou kunnen naar voren brengen. Of de vergunninghouder met kennis van zaken zijn standpunt heeft kunnen naar voor brengen, dient te worden beoordeeld los van die termijn en van die kennisgeving. Het feit dat de overheid het verzoek tot wijziging na verloop van tien dagen na ontvangst ter kennis heeft gebracht, belet niet dat de vergunninghouder met volledige kennis van zaken zijn standpunt heeft kunnen naar voor brengen. De Raad heeft in het door de verzoeker geciteerd arrest nr. 76.451 van 15 januari 1998 de niet naleving van het voorschrift van artikel 45 §1 tweede lid gesanctioneerd, niet op grond van de loutere overtreding van die termijn van tien dagen, doch op grond van de schending van de hoorplicht, onder de overweging dat de "verwerende partij daarop dezelfde gewijzigde en aangevulde exploitatie voorwaarden heeft opgelegd, zonder de begane fout werd recht gezet; dat zij alzo de verzoekende partij niet in staat heeft gesteld haar standpunt op een behoorlijke wijze naar voren te brengen, alhoewel deze in zijn beroepsschrift dat gebrek had aangeklaagd; dat de verwerende partij ten onrechte stelt dat zij wegens de sub 2.2. opgegeven redenen dat gebrek niet diende goed te maken;" Aldus kan de niet-mededeling van het verzoek binnen tien dagen na ontvangst, nog worden rechtgezet, met het oog op het vrijwaren van het recht gehoord te worden. De verzoekster voert niet aan dat de hoorplicht zou geschonden zijn, zodat de aanvoering van de schending van de termijn van tien dagen vermeld in artikel 45 §4, tweede lid van Vlarem als vormvereiste, zonder enige schending van de hoorplicht, niet kan aanzien worden als de schending van een substantieel vormvoorschrift. De beoordeling of de verzoekster haar standpunt op nuttige wijze heeft kun- nen naar voor brengen, moet in concreto gebeuren []. In casu heeft de ver- zoekster met volledige kennis van zaken haar standpunt kunnen naar voor brengen doordat zij werd opgeroepen bij brief van 3 augustus 1999 voor de zitting van de gewestelijke milieuvergunningscommissie van 13 augustus 1999 alwaar zij met kennis van het hele dossier, haar standpunt kon uiteenzetten en een nota [] heeft neergelegd, en zonder dat zij uitstel van behandeling heeft gevraagd of voorbehoud heeft geformuleerd. Uit de bepaling van artikel 45 §4, eerste lid,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.