← België

Arrest 160802 - - 29/06/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.802 Rolnummer: A. 88196/VII-19974 Zaak: Arrest 160802 - - 29/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-07-17 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-30 23:22 Fiche Arrest nr 160.802 van 29 juni 2006 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 160.802 van 29 juni 2006 in de zaak A. 88.196/VII-19.974. In zake : de n.v. STEVAN, die woonplaats kiest bij advocaat A. LUST, kantoor houdende te SINT-ANDRIES-BRUGGE, Burggraaf de Nieulantlaan 14 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te OOSTENDE, E. Beernaertstraat 106. Tussenkomende partij : de gemeente LENDELEDE, die woonplaats kiest bij advocaat B. VAN DORPE, kantoor houdende te KORTRIJK, Loofstraat 39. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. STEVAN op 2 december 1999 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van 4 oktober 1999 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw waarbij de aanvraag ingediend door de gemeente Lendelede tot het wijzigen en aanvullen van de vergunningsvoorwaarden met betrekking tot de inrichting van n.v. STEVAN, Heulestraat 104 te Lendelede, wordt ingewilligd; Gelet op het arrest nr. 88.303 van 27 juni 2000 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door de verzoekende partij; VII-19.974-1/11 Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 25 augustus 2000; Gelet op de beschikking van 1 september 2000 die de tussenkomst van de n.v. STEVAN toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. PROVOOST; Gelet op de beschikking van 9 januari 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 22 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 juni 2006; Gehoord het verslag van kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. TEMMERMAN die, loco advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat K. DE PUYDT die, loco advocaat B. VAN DORPE verschijnt voor de tussen- komende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : VII-19.974-2/11 1.1. De verzoekende partij exploiteert een kleigroeve en stortplaats in Lendelede. De bij de ontginning van de klei gegraven putten worden weer gevuld met afval. De verzoekende partij is eigenaar van ongeveer 17 hectare gronden, binnen een ontginningsgebied van in totaal 26 hectare. Haar eigendom is ingedeeld in 5 vakken. De vakken A en B zijn blijkbaar volledig ontgonnen. Voorliggende betwisting heeft betrekking op het storten van afval in de vakken C en D. Voor deze vakken werd een vergunning voor het storten verleend, meer bepaald voor 400.000 ton in vak C en 300.000 ton in vak D. Op 12 december 1996 werd een vergunning verleend voor de verandering van de exploitatie, meer bepaald voor het bijkomend storten, in ophoging, van 120.000 ton in vak C en 100.000 ton in vak D. In beroep werden de vergunningsvoorwaarden gewijzigd. 1.2. Bij het besluit van de Vlaamse regering van 10 november 1998 wordt de nabestemming van het gebied gewijzigd in bosgebied. Voorheen was de nabestemming gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en nutsvoorzieningen. 1.3. Met een brief van 20 mei 1999, door de verwerende partij ontvangen op 27 mei 1999, vraagt de gemeente Lendelede de vergunningsvoorwaar- den te wijzigen en aan te vullen. Het gaat erom dat voor de afdekking van de stortplaats thans artikel 5.2.4.3.6 van Vlarem II geldt, dat een draineringslaag van minimum 0,3 meter oplegt, en een bewortelingslaag van minimum 0,7 meter. De gemeente vraagt een bewortelingslaag van minimum 1,5 meter, die minimum 5 % organisch materiaal moet bevatten en een goede textuur en structuur moet bezitten om de water- en luchthuishouding te verzekeren die een normale groei van bomen en struiken toelaat. 1.4. Met een brief van 16 juni 1999 laat de verwerende partij aan de verzoekende partij enkel weten dat een vraag tot wijziging en aanvulling van de vergunningsvoorwaarden is ingediend, zonder dat wordt meegedeeld van wie de vraag afkomstig is, en waartoe ze strekt. Met een brief gedateerd 23 juni 1999 vraagt de verzoekende partij om een kopie van de vraag, en vraagt ze om gehoord te worden. Met een brief van 3 augustus 1999 wordt de verzoekende partij uitgenodigd om op 13 augustus 1999 gehoord te worden door de Gewestelijke Milieu- vergunningscommissie, maar een kopie van de vraag tot wijziging en aanvulling wordt nog steeds niet bijgevoegd. Pas op 10 augustus 1999, blijkbaar na een nieuwe VII-19.974-3/11 vraag van de verzoekende partij, wordt de vraag van de gemeente Lendelede aan de verzoekende partij gefaxt. 1.5. Volgende adviezen worden verleend : - de afdeling ROHM West-Vlaanderen adviseert gunstig; - de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen adviseert gunstig; - de afdeling Natuurlijke Rijkdommen en Energie adviseert voorwaardelijk gunstig; - de OVAM adviseert gunstig; - de afdeling Milieuvergunningen adviseert gunstig; - de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie tenslotte adviseert ongunstig. 1.6. Op 4 oktober 1999 wordt de bestreden beslissing genomen : de vergunningsvoorwaarden worden gewijzigd in de door de gemeente gevraagde zin; 3. De gegrondheid van het tweede middel 3.1. Overwegende dat de verzoekende partij als tweede middel de schending aanvoert van artikel 21, § 3, van het Milieuvergunningsdecreet van 28 juni 1985, van artikel 45, § 4, van Vlarem I en van “het beginsel van het recht op verdediging”; dat de verzoekende partij betoogt dat artikel 45, § 4, van Vlarem I voorschrijft dat wanneer het verzoek tot wijziging of aanvulling van de vergunnings- voorwaarden niet uitgaat van de exploitant, deze laatste door de in paragraaf 1 bedoelde overheid hiervan per ter post aangetekende zending in kennis wordt gesteld binnen een termijn van tien kalenderdagen na ontvangst van het verzoek, dat in het arrest nr. 70.808 van 15 januari 1998, de n.v. HERZO TRANS, in het licht is gesteld dat de doelstelling van deze kennisgeving erin bestaat, niet alleen dat de exploitant zou weten dat er een verzoek tot aanvulling of wijziging van de vergunningsvoor- waarden is ingediend, maar ook "dat hij de elementen en de argumenten die dat verzoek staven, zou kennen, zodat hij met kennis van zaken zijn standpunt dienaangaande kan naar voor brengen", dat het aldus een substantieel vormvoor- schrift betreft, dat te dezen de verwerende partij heeft verzuimd die voorschriften na te leven zoals blijkt uit wat volgt : Met een brief van 27 mei 1999 heeft de gemeente Lendelede gevraagd de vergunningsvoorwaarden te wijzigen. Pas met een brief van 16 juni 1999 werd de verzoekende partij ervan op de hoogte gebracht dat een vraag tot wijziging werd ingediend, zonder dat zelfs maar werd gezegd wie de vraag had ingediend. Met VII-19.974-4/11 een brief van 23 juni 1999 vroeg de verzoekende partij om een kopie van de vraag tot wijziging; ze ontving geen antwoord. Met een brief van 3 augustus 1999 werd ze uitgenodigd om op 13 augustus 1999 gehoord te worden door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie. Na een nieuwe vraag van de verzoekende partij, werd het verzoek tot wijziging op 10 augustus per fax bezorgd, evenwel zonder bijlagen; dat zij haar uiteenzetting als volgt besluit : "Door niet alleen niet binnen de wettelijk voorziene termijn, maar bovendien dan nog volstrekt onvolledig kennisgeving te doen aan de verzoekende partij van de aanvraag tot wijziging van de milieuvoorwaarden, heeft de verwerende partij de aangehaalde wetsbepalingen en algemeen beginsel geschonden"; 3.2. Overwegende dat de verwerende partij daarop in haar memorie van antwoord als volgt reageert : "Verzoekende partij betwist niet dat zij in het bezit was van het verzoek van het College van Burgemeester en Schepenen van de Gemeente Lendelede en dat zij de gelegenheid had met kennis van zaken haar standpunt voor de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie (uiteen) te zetten. Zij blijkt geen opmerkingen te hebben gemaakt omtrent de niet mededeling van de bijlagen van het verzoek. Uit voorgaande blijkt dat in elk geval het doel van de bepaling van artikel 45 § 4 tweede lid Vlarem I werd bereikt. Minstens dient vastgesteld dat verzoekende partij er niet in slaagt aan de hand van concrete elementen enige aantasting van haar recht van verdediging aan te tonen"; 3.3. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar toelichtende memorie onder meer betoogt dat het artikel 45, § 4, tweede lid, van Vlarem I niet wettelijk is en buiten toepassing moet gelaten worden om volgende reden : “Door artikel 21 §3 van het Decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning wordt de Vlaamse Executieve gemachtigd tot vaststelling van de verdere regels in verband met het wijzigen en aanvullen van de opgelegde vergunningsvoorwaarden en tot regeling van de wijze van bekendmakingen van de desbetreffende beslissingen. De bepaling van artikel 45 §4 tweede lid VLAREM I dat, wanneer het verzoek tot wijziging van de vergunningsvoorwaarden niet uitgaat van de exploitant, hij door de bevoegde overheid hiervan per ter post aangetekende zending in kennis wordt gesteld binnen een termijn van tien kalenderdagen na ontvangst van het verzoek, is geen regel in verband met het wijzigen en aanvullen van de opgelegde vergunningsvoorwaarden. Het is ook geen regeling van de wijze van bekendmakingen van een beslissing, maar omtrent de bekendmaking van een verzoek dat geen enkele beslissing inhoudt omtrent de het wijzigen en aanvullen van de opgelegde vergunningsvoorwaarden. Deze regeling van artikel 45 §4 tweede lid is derhalve uitgevaardigd zonder de vereiste decretale machtiging en kan dan ook geen toepassing vinden”; dat zij “subsidiair” nog doet gelden wat volgt : VII-19.974-5/11 “1. Geen kennisgeving binnen de wettelijke termijn - geen nietigheidsgrond De regeling van artikel 45 §4 tweede lid, houdt geen vervaltermijn in, maar een termijn van orde, zodat de niet-naleving van deze termijn niet de nietigheid van het besluit meebrengt wanneer de betrokkene op nuttige wijze zijn standpunt heeft kunnen kenbaar maken, met kennis van het dossier en van de aanvraag tot wijziging. Het voorschrift kan niet aanzien worden als een substantieel vormvoorschrift. Het gaat immers niet om een termijn die moet worden in acht genomen tussen de datum van de hoorzitting en de uitnodiging daartoe, maar alleen om een termijn tussen de ontvangst door de overheid (in casu de tegenpartij) van het verzoek en de mededeling daarvan aan de vergunninghouder. Het is dus niet zo dat die termijn van tien dagen als doel zou hebben te waarborgen dat de vergunninghouder met kennis van zaken zijn standpunt dienaangaande zou kunnen naar voren brengen. Of de vergunninghouder met kennis van zaken zijn standpunt heeft kunnen naar voor brengen, dient te worden beoordeeld los van die termijn en van die kennisgeving. Het feit dat de overheid het verzoek tot wijziging na verloop van tien dagen na ontvangst ter kennis heeft gebracht, belet niet dat de vergunninghouder met volledige kennis van zaken zijn standpunt heeft kunnen naar voor brengen. De Raad heeft in het door de verzoeker geciteerd arrest nr. 76.451 van 15 januari 1998 de niet naleving van het voorschrift van artikel 45 §1 tweede lid gesanctioneerd, niet op grond van de loutere overtreding van die termijn van tien dagen, doch op grond van de schending van de hoorplicht, onder de overweging dat de "verwerende partij daarop dezelfde gewijzigde en aangevulde exploitatie voorwaarden heeft opgelegd, zonder de begane fout werd recht gezet; dat zij alzo de verzoekende partij niet in staat heeft gesteld haar standpunt op een behoorlijke wijze naar voren te brengen, alhoewel deze in zijn beroepsschrift dat gebrek had aangeklaagd; dat de verwerende partij ten onrechte stelt dat zij wegens de sub 2.2. opgegeven redenen dat gebrek niet diende goed te maken;" Aldus kan de niet-mededeling van het verzoek binnen tien dagen na ontvangst, nog worden rechtgezet, met het oog op het vrijwaren van het recht gehoord te worden. De verzoekster voert niet aan dat de hoorplicht zou geschonden zijn, zodat de aanvoering van de schending van de termijn van tien dagen vermeld in artikel 45 §4, tweede lid van Vlarem als vormvereiste, zonder enige schending van de hoorplicht, niet kan aanzien worden als de schending van een substantieel vormvoorschrift. De beoordeling of de verzoekster haar standpunt op nuttige wijze heeft kun- nen naar voor brengen, moet in concreto gebeuren []. In casu heeft de ver- zoekster met volledige kennis van zaken haar standpunt kunnen naar voor brengen doordat zij werd opgeroepen bij brief van 3 augustus 1999 voor de zitting van de gewestelijke milieuvergunningscommissie van 13 augustus 1999 alwaar zij met kennis van het hele dossier, haar standpunt kon uiteenzetten en een nota [] heeft neergelegd, en zonder dat zij uitstel van behandeling heeft gevraagd of voorbehoud heeft geformuleerd. Uit de bepaling van artikel 45 §4, eerste lid,

  1. d)VLAREM I dat de Minister binnen vier maanden na ontvangst van het verzoek uitspraak moet doen, bij gebreke waaraan de gevraagde wijziging en/of aanvulling van de vergunnings- voorwaarden geacht wordt te zijn geweigerd, kan evenmin worden afgeleid dat de termijn van tien dagen een substantieel vormvoorschrift zou zijn. 2. Geen mededeling van de bijlagen - geen nietigheidsgrond De verzoekster voert anderzijds aan dat de bijlagen van het verzoek haar vóór de hoorzitting niet werden medegedeeld, inzonderheid de bijlagen 3, 4 en 5 die betrekking hebben op het B.P.A. dat toen in ontwerp-fase was. Ook dit onderdeel van het middel kan niet leiden tot de nietigverklaring van het be- streden besluit om de volgende redenen: VII-19.974-6/11
  2. a)Uit artikel 45§1, tweede lid volgt niet dat de bijlagen aan het verzoek vooraf moeten worden medegedeeld aan de vergunninghouder;
  3. b)De verzoeker heeft op de zitting kennis genomen van alle bijlagen en heeft niet om uitstel gevraagd, noch voorbehoud gemaakt. Het is de partij die op de zitting kennis neemt van die bijlagen die op dat ogenblik oordeelt of zij vol- doende kennis heeft om op nuttige wijze haar standpunt te kunnen naar voor brengen. Indien zij oordeelt dat dit wel het geval is en zij niet om uitstel verzoekt en derhalve zonder voorbehoud haar standpunt naar voor brengt, dan mocht de Overheid oordelen dat aan de hoorplicht was voldaan;
  4. c)De bedoelde stukken hebben geen enkele invloed gehad op het bestreden besluit dat overweegt ‘dat het BPA Bergkapel nog steeds in de ontwerp-fase zit; dat dit nog niet gefinaliseerd is; dat de aanvraag bijgevolg dient getoetst aan de bepalingen van het gewestplan; dat het sportterrein als nabestemming bosgebied gekregen heeft’. De verzoekster getuigt dan ook niet van het vereiste belang om dit als middel in te roepen”; 3.4. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord als volgt repliceert : "Het middel wordt niet ontzenuwd en terecht heeft het auditoraatverslag in de schorsingszaak het ernstig genoemd. De door de als geschonden aangegeven rechtsregels ingestelde formele procedureregeling is onmiskenbaar bedoeld in het belang van de exploitant. Zulke vormvoorschriften, die ook het recht van verdediging raken, zijn onmiskenbaar substantieel en mitsdien van openbare orde (vergelijk reeds R.v.St., nr. 16.3525, (sic) Deponthière, 26 maart 1974). Stellen dat de belangen van de verzoekende partij niet geschaad geweest zijn, nu zij te lange laatste toch op de hoorzitting kon verschijnen en zelfs een (inderhaast samengestelde, doch zeer onvolledige) nota kon neerleggen, ware de wettelijk voorgeschreven vormen tot dode letter maken. Niet alleen heeft de verzoekende partij bestendig moeten aandringen om te vernemen van wie het verzoek uitging, wat het tot voorwerp had en op welke gronden het gesteund was, bovendien heeft zij die inlichtingen pas drie werkdagen voordien bekomen, zodat er slechts twee volle dagen overbleven voor de voorbereiding, aangenomen zijnde dat verzoekster meteen alle andere taken tijdelijk kon laten vallen. Bovendien beschikte zij niet over de belangrijkste bijlagen die aan het verzoek waren toegevoegd, en die precies van aanzienlijk belang waren om de al of niet gegrondheid van de aanvraag van het gemeentebestuur te beoordelen"; 3.5. Overwegende dat de verwerende partij in de laatste memorie herhaalt dat de verzoekende partij voldoende op de hoogte was van hetgeen de gemeente Lendelede vroeg en de mogelijke gevolgen ervan in haren hoofde, dat zij immers naar aanleiding van de hoorzitting een nota heeft neergelegd waarin haar bezwaren tegen de wijziging en aanvulling van haar milieuvergunningsvoorwaarden duidelijk en volledig werden uiteengezet en waarbij geen voorbehoud werd geformuleerd omtrent het feit dat niet alle bijlagen aan het verzoek van de gemeente zouden zijn meegedeeld; dat zij eraan toevoegt dat als exploitant van een inrichting waaromtrent meerdere milieu- en bouwvergunningsaanvragen, vergunningen en VII-19.974-7/11 procedures lopen en waarbij zelfs een overlegcommissie in het leven werd geroepen, de verzoekende partij ongetwijfeld zeer goed op de hoogte is van alles wat op haar bouw- en milieuvergunningstoestand betrekking heeft en niet valt in te zien dat ze tot kort voor de hoorzitting geen weet had van de vraag van de gemeente en van de motivatie ervan; 3.6.1. Overwegende dat artikel 21, § 3, van het Milieuvergunnings- decreet de Vlaamse regering opdraagt verdere regels vast te stellen "in verband met het wijzigen of het aanvullen van de opgelegde vergunningsvoorwaarden"; dat de bepaling van artikel 45, § 4, tweede lid, van Vlarem I, dat de exploitant binnen tien kalenderdagen in kennis dient te worden gesteld van het verzoek terzake, binnen die opdracht valt; dat de door de tussenkomende partij opgeworpen exceptie van onwettigheid van evengenoemde bepaling niet kan worden aangenomen; 3.6.2.1. Overwegende dat artikel 45 van Vlarem I, gewijzigd bij besluit van 12 januari 1999 van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning en van het besluit van de Vlaamse regering van 27 maart 1985 houdende reglementering en vergunning voor het gebruik van grondwater en de afbakening van waterwingebieden en beschermingszones, bepaalt : "§ 1. De bevoegde overheid kan bij gemotiveerde beslissing de in de lopende vergunning(
  5. en)opgelegde voorwaarden wijzigen of aanvullen : 1/ ambtshalve; 2/ op verzoek van de in artikel 20 vermelde adviesorganen in zoverre deze bevoegd zijn voor adviesverlening met betrekking tot bedoelde inrichting; 3/ op verzoek van de exploitant; 4/ op verzoek van elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die ten gevolge van de vestiging en de exploitatie van de inrichting rechtstreeks hinder kan ondervinden; 5/ op verzoek van elke rechtspersoon die zich de bescherming tot doel heeft gesteld van het leefmilieu dat door de hinder ten gevolge van de vestiging en de exploitatie van de inrichting kan worden getroffen. (...) § 2. Het verzoek, bedoeld in § 1, dient per ter post aangetekende zending naar de overheid, bevoegd in § 1, gestuurd te worden. § 3. Behoudens wanneer het gaat om een ambtshalve beslissing, dient het in § 1 bedoelde verzoek te vermelden : 1/ (...) 2/ de gevraagde wijziging of aanvulling van de opgelegde vergunningsvoorwaarden; 3/ de motivering van de gevraagde wijziging of aanvulling; 4/ (...) VII-19.974-8/11 § 4. Tenzij het gaat om een ambtshalve beslissing, gelden met betrekking tot de adviesverlening, de uitspraak, de stilzwijgende weigering en de bekendmaking volgend op een verzoek, bedoeld in § 1, de volgende bepalingen: (...) Wanneer het in § 1 bedoelde verzoek niet uitgaat van de exploitant, wordt deze laatste door de in § 1 bedoelde overheid hiervan per ter post aangetekende zending in kennis gesteld binnen een termijn van tien kalenderdagen na ontvangst van het verzoek"; dat vermits het verzoek tot aanvulling van de voorwaarden niet is uitgegaan van de verzoekende partij, deze laatste van de vraag van de tussenkomende partij binnen een termijn van tien dagen na ontvangst van het verzoek, per ter post aangetekende brief in kennis diende te zijn gesteld; 3.6.2.2. Overwegende dat de bepaling vervat in artikel 45, § 4, tweede lid, tot doel heeft de exploitant erover in te lichten dat een verzoek tot aanvulling of wijziging van de vergunningsvoorwaarden werd ingediend en hem de elementen en argumenten ter staving van dat verzoek mede te delen, opdat hij zijn standpunt dienaangaande met kennis van zaken zou kunnen verdedigen; 3.6.2.3. Overwegende dat de verwerende partij het verzoek tot wijziging van de exploitatievoorwaarden vanwege de tussenkomende partij heeft ontvangen op 27 mei 1999; dat met een brief gedateerd 16 juni 1999, met evenwel een onduidelijke verzendingsdatum, zij aan de verzoekende partij meedeelt dat er een vraag tot wijziging van de exploitatievoorwaarden werd ingediend; dat met een brief van 23 juni 1999 de verzoekende partij om een kopie van de aanvraag verzoekt en vraagt om te worden gehoord; dat met een brief van 3 augustus 1999 de verzoekende partij wordt uitgenodigd om op 13 augustus 1999 te worden gehoord door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie; dat evenwel een kopie van de vraag tot wijziging en aanvulling van de exploitatievoorwaarden niet bij die uitnodiging werd gevoegd; dat pas op 10 augustus 1999, namelijk maximum drie dagen vóór de hoorzitting - blijkbaar na een nieuwe contactname door de verzoekende partij- de vraag van de gemeente Lendelede aan de verzoekende partij werd gefaxt; dat dit faxbericht geen bijlagen bevatte alhoewel er bij de aanvraag een aantal bijlagen waren gevoegd die uitdrukkelijk dienden ter staving van de motivering van de vraag, doch die niet alle bij het administratief dossier werden gevoegd, noch door de tussenkomende partij werden neergelegd; dat de tussenkomende partij haar bewering dat bedoelde stukken -het ontwerp-BPA Bergkapel was niet het enige stuk- geen enkele invloed hebben gehad op het bestreden besluit dan ook niet hard maakt; VII-19.974-9/11 3.6.2.4. Overwegende dat uit het hiervoren weergegeven feitenrelaas blijkt dat de verzoekende partij niet in staat werd gesteld haar standpunt op een behoorlijke wijze naar voren te brengen; dat het gegeven dat de verzoekende partij toch een zeer beknopte nota heeft overhandigd aan de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie geenszins een bewijs bevat dat aan de finaliteit van artikel 45, § 4, tweede lid, is voldaan; dat gelet op de precaire positie waarin de exploitant zich bevindt, hem bezwaarlijk kan worden ten euvel geduid dat hij tijdens dat verhoor zich er niet heeft over beklaagd dat het bestuur hem niet de mogelijkheden heeft gegeven die hem rechtens toekwamen; dat, tenslotte, de andere procedures geen uitstaans hebben met de bestreden wijziging van de exploitatievoorwaarden zodat de verwijzing ernaar door de verwerende partij in haar laatste memorie niet relevant is; 3.5.6.5. Overwegende dat het tweede middel gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van 4 oktober 1999 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw waarbij de aanvraag ingediend door de gemeente Lendelede tot het wijzigen en aanvullen van de vergunningsvoorwaarden voor de n.v. STEVAN, Heulestraat 104 te Lendelede, wordt ingewilligd. Artikel 2. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel 3. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. VII-19.974-10/11 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig juni tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-19.974-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.802 Gerelateerde publicatie(
  6. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2000:ARR.88.303 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.