← België

Arrest 160824 - - 29/06/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.824 Rolnummer: A. 82184/VII-17709 Zaak: Arrest 160824 - - 29/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-07-17 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 23:23 Fiche Arrest nr 160.824 van 29 juni 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 160.824 van 29 juni 2006 in de zaak A. 82.184/VII-17.709. In zake : Joannes MEEUSEN-FRANCKEN, die woonplaats kiest bij advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 27 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat M. BALLON, kantoor houdende te ANTWERPEN, Britselei 39. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Joannes MEEUSEN-FRANCKEN op 26 januari 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 7 december 1998 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling waarbij het beroep, door de Vlaamse Landmaatschappij aangetekend tegen de beslissing van 30 april 1998 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen houdende aktename van de melding door Jan MEEUSEN, van een verandering van een vergund pluimveebedrijf gelegen te Kalmthout, Heikantstraat 155, gegrond wordt verklaard, het beroepen besluit wordt opgeheven en de aktename wordt geweigerd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur Ch. BAMPS; Gelet op de beschikking van 9 januari 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker; VII-17.709-1/22 Gelet op de beschikking van 22 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 juni 2006; Gehoord het verslag van kamervoorzitter M.-R. BRACKE ; Gehoord de opmerkingen van advocaat H. SEBREGHTS, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat P.-F. VAN DEN DRIESCHE die, loco advocaat M. BALLON verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur J. CLEMENT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. Verzoeker baat sedert 1984 een gemengd bedrijf uit te Kalmthout aan de Heikanstraat 155, kadastraal bekend 2e afdeling, sectie E, nrs. 334/b en 334/c (voorheen de perceelnummers E 337/d, 337/h, 337/k en 337/l.). Hij beschikt hiervoor over de hiernavolgende vergunningen, die steeds betrekking op het adres Heikantstraat 155 te Kalmthout : - Bij besluit van 2 april 1984 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kalmthout wordt aan Jan MEEUSEN-FRANCKEN een vergunning verleend voor het bouwen van een mestkuikenhok op de perceelnnrs. 335/a, 337/d en 337/h. - Bij besluit van 12 juli 1984 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen werd aan mevrouw MEEUSEN-FRANCKEN vergunning verleend tot het exploiteren van een inrichting voor het houden van 23.000 mestkuikens, voor een termijn verstrijkend op 1 september 2011 (perceelnrs. 337/d, 337/h, 337/k en 337/1). - Bij besluit van 19 september 1991 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen werd akte genomen van de aangifte van mevrouw MEEUSEN-FRANCKEN van : VII-17.709-2/22 %stallen voor 120 grote zoogdieren; %opslag van 763 m³ dierlijke mest; %opslag van 1278,5 m³ voer; %elektromotoren van samen 15 kW. voor een termijn verstrijkend op 1 september 2011 (perceelnr. 337n) Er werd geen akte genomen van : %hokken voor 23.000 stuks pluimvee (moederdieren); %tanks voor 4.000 liter petroleum. - Bij besluit van 26 september 1994 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kalmthout werd akte genomen van de melding van Joannes MEEUSEN van een verandering van een vergunde inrichting, met als voorwerp de uitbreiding van de inrichting met het lozen van normaal huisafvalwater in een kunstmatige afvoerweg voor regenwater (Vlarem: 3.2), voor een termijn verstrijkend op 1 september 2011 (perceelnrs. 337/h, 337/k, 337/l). 1.2. Bij besluit van 7 juli 1997 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kalmthout wordt aan Jan MEEUSEN een vergunning verleend voor het bouwen van een kippenstal bij het genoemde landbouwbedrijf op het voormelde adres (perceelnrs. 334/b en 334/c). 1.3. Op 13 november 1998 en vervolledigd op 22 januari 1998 wordt door verzoeker een melding ingediend strekkende tot het bekomen van een akteneming om zijn pluimveebedrijf (perceelnrs. 334/b en 334/

  1. c)te veranderen door wijziging van de stallen voor het houden van 23.000 mestkuikens, door verplaatsing van 12.500 dieren van de bestaande stal naar de nieuw te bouwen kippenstal (Vlaremrubriek: 9.5.C.2). 1.4. Nadat de vereiste adviezen zijn ingewonnen, wordt bij besluit van 30 april 1998 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen akte genomen van de gedane melding. 1.5. Tegen betreffend besluit wordt door de Vlaamse Landmaatschappij op 8 juli 1998 beroep aangetekend bij de bevoegde minister. In haar beroepschrift stelt de Vlaamse Landmaatschappij o.m. het volgende : VII-17.709-3/22 "(...) De gekende vergunningsbeslissingen op dit adres zijn: datum overheid omschrijving aantal 12-07-84 tot 01-09-11 BD (vergunning) pluimvee (slachtkippen) 23.000 19-09-91 tot 01-09-11 BD (aktename) Grote zoogdieren 120 Mestopslag 763 m³ Groenvoeder 1.278 m³ Elektromotoren 15 kW geen aktename pluimvee (moederdieren) 23.000 Petroleum 4.000 l In het verleden werden er door de exploitant steeds opfokpoeljen (12.000 standplaatsen) aangegeven bij de Mestbank. In het dossier zelf geeft de exploitant aan dat mestkuikens gehouden worden aan 20 dieren per m² en dat opfokpoeljen gehouden worden aan 8,5 dieren per m². Wij zijn van mening dat de vergunning ten dele vervallen is omdat er nooit 23.000 opfokpoeljen gehouden konden worden in de huidige stal. De Vlaamse Landmaatschappij is van oordeel dat: 1. De bestreden beslissing een stijging van de vergunde mestproduktie van deze inrichting tot gevolg heeft die strijdig is met de bepalingen van artikel 4 van het Vergunningenbesluit. 2. de vergunning moet beperkt worden tot 10.000 opfokpoeljen overeenkomstig een bezetting van 8,5 dieren per m² in een stal van 14 m op 84 m. (...)". 1.6. De afdeling Preventieve en Sociale Gezondheidszorg van de administratie Gezondheidszorg van het departement Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur adviseert op 24 juli 1998 ongunstig. In haar advies komt ze tot het volgende besluit : "Volgens het aanvraagdossier is er : - geen verhoging van het aantal dieren. - door omschakeling van mestkippen naar opfokpoeljen een daling van de jaarlijkse stikstofproductie. Wij zijn echter van mening dat, aangezien de nieuw te bouwen stal groter is dan de bestaande, de bedrijfsgebouwen met meer dan 50 % toenemen (art. 5 §1, 2b Vlarem I). Om deze reden zijn we van mening dat de gemelde verandering niet in aanmerking kan komen voor akteneming en dat hier een volledige milieuvergunningsprocedure van toepassing is." Op 9 september 1998 brengt de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen van de administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumen- ten en Landschappen van het departement Leefmilieu en Infrastructuur, op grond van de overweging dat “gelet op de verenigbaarheid van de inrichting met de voor het terrein geldende planologische voorschriften” een gunstig advies uit. VII-17.709-4/22 Op 17 september 1998 wordt door de Afdeling Milieuvergunning- en van de Administratie voor Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer van het departement Leefmilieu en Infrastructuur eveneens een ongunstig advies uitgebracht op grond van de hiernavolgende overwegingen: "6. VERSLAG ONDERZOEK Overwegende dat onderhavig beroep betrekking heeft op de aktename, bij besluit dd. 30 april 1998 van de Bestendige Deputatie, van de melding van de verandering van een bestaand pluimveebedrijf door verplaatsing (van) 12.500 dieren naar een nieuwe stal; Overwegende dat, overeenkomstig artikel 5.9.3.1. §1 van titel II van het Vlarem, het exploiteren en/of veranderen van een inrichting die is ingedeeld in één of meer van de subrubrieken 9.3, 9.4, 9.5 en 9.8 uitsluitend is toegelaten indien het een bestaande veeteeltinrichting betreft of het omvormen inhoudt van een bestaande landbouwinrichting die is ingedeeld in één of meer van de vermelde subrubrieken; dat, blijkens de gegevens van de Vlaamse Landmaatschappij (de aangifte van het aanslagjaar 1993 werd ontvangen op 29 juni), de inrichting als een bestaande veeteeltinrichting kan beschouwd worden; Overwegende dat de inrichting vergund is voor 23.000 slachtkippen; dat de bezettingsnorm voor slachtkippen 20 st/m² bedraagt; dat in het verleden reeds opfokpoeljen gehouden werden; dat dit door de exploitant in zijn aanvraag bevestigd wordt; dat dit eveneens blijkt uit de Mestbankaangifte; dat, overeen- komstig de bezettingsnorm voor slachtkippen aan 20 st/m² en de bezettingsnorm voor opfokpoeljen aan 8,5 st/m², er 10.000 opfokpoeljen konden gehouden worden in de vergunde stal; dat de inrichting dus slechts vergund is voor het houden van 10.000 opfokpoeljen; dat de vergunde mestproductie dus 4.322 kg P2O5/jaar bedraagt overeenkomstig 10.000 opfokpoeljen, 30 runderen > 1 jaar, 30 runderen tussen 1 en 2 jaar en 60 melkkoeien; Overwegende dat volgens het Mestdecreet de mestproductie van slachtkippen en opfokpoeljen dezelfde is nl. 0,19 kg P2O5/dier/j; dat in werkelijkheid de mestproductie voor opfokpoeljen hoger is dan voor slachtkippen daar opfok- poeljen gehouden worden van 0 tot 18 weken en slachtkippen slechts van 0 tot 6 weken; dat op het einde van de cyclus de opfokpoeljen dus groter zijn dan de slachtkippen; dat de totale mestproductie op jaarbasis van grotere dieren logischerwijze hoger is dan voor kleinere dieren; Overwegende dat het de bedoeling is van de exploitant om in totaal 23.000 opfokpoeljen te houden door de bouw van een nieuwe stal voor 12.500 poeljen, van ca.1565 m² (84,15m x 18,60m); dat dit een uitbreiding is van meer dan 100 %; dat, overeenkomstig art. 5 §1. 2/B) van titel I van het Vlarem deze verandering het voorwerp dient uit te maken van een milieuvergunningsaanvraag overeenkomstig de bepalingen van art. 6 van titel I van het Vlarem; Overwegende dat de exploitant bij deze aanvraag een vergunning wenst te bekomen voor het houden van 23.000 opfokpoeljen en 120 zoogdieren; dat dit overeenkomt met een vergunde mestproductie van 7.266 kg P2O5/jaar overeenkomstig 23.000 opfokpoeljen, 30 runderen ductie op de inrichting tot gevolg heeft noch indien de verandering betrekking heeft op de toename van het aantal dieren; (...)" VII-17.709-5/22 - Op 25 september 1998 geeft de Vlaamse Landmaatschappij eveneens een ongunstig advies. In betreffend advies werd o.m. het hiernavolgende gesteld : "(...) 1.1 De mestbankaangifte van deze inrichting Op dit inrichtingsadres zijn volgende, voor de adviesverlening relevante, aangiftegegevens gekend bij de Mestbank: aanslagjaar 1993 1995 1996 1997 1998 B= bezetting B S B S B S B S B S S= standplaatsen runderen runderen 1-2 jaar 14 25 13 50 10 25 15 25 14 25 melkkoeien 29 60 41 60 45 60 49 60 48 60 opfokpoeljen 9000 12000 9000 12000 10467 23000 11325 23000 11361 23000 (...) 1.3 De vergunde mestproductie van deze inrichting Sinds 1992 heeft de exploitant nooit meer dan ongeveer 12000 'opfokpoel- jen' aangegeven aan de Mestbank. Dit wil zeggen dat de vergunning voor het houden van mestkippen, zoals die in 1984 door de Bestendige Deputatie van Antwerpen is afgeleverd, volledig is vervallen daar er meer dan twee jaar geen 'mestkippen' meer werden aangege- ven. Indien we er zouden van uitgaan dat de vergunning voor het houden van mestkippen bedoeld was voor het houden van 'opfokpoeljen' moet gesteld worden dat deze vergunning slechts gedeeltelijk in gebruik is genomen daar er slechts ongeveer 10000 opfokpoeljen kunnen gehouden worden in deze vergunde stal. De exploitant stelt immers zelf dat er 8,5 opfokpoeljen kunnen gehouden worden per m². Derhalve is er bij deze veronderstelling nog slechts een vergunning voor het houden van 10000 opfokpoeljen. 2. Heeft de gemelde verandering een stijging van de vergunde mestproductie tot gevolg De melding betreft het bijbouwen van een stal voor opfokpoeljen van moederdieren van slachtkippen. De aanvrager wenst uiteindelijk in twee stallen 23000 opfokpoeljen te houden. Aangezien er krachtens artikel 46 van Vlarem II volgens de Vlaamse Landmaatschappij in het beste geval voor de exploitant nog slechts een vergunning meer is voor het houden van in totaal 10000 opfokpoeljen zou het akteren van deze melding een stijging van de vergunde mestproductie tot gevolg hebben. De Vlaamse Landmaatschappij is dan ook van oordeel dat deze verandering het voorwerp moet zijn van een volledige vergunningsaanvraag en niet kan geakteerd worden. Indien er van uit zou gegaan worden dat de vergunning voor het houden van 23000 mestkippen nog volledig geldig zou zijn moet gesteld worden dat deze verandering een wijziging van diersoorten inhoudt daar de exploitant in de toekomst opfokpoeljen en niet mestkippen wenst te houden. Dit zijn immers twee verschillende diersoorten overeenkomstig artikel 5 van het Mestdecreet. BESLUIT Aangezien : VII-17.709-6/22 - Krachtens artikel 46 van VLAREM I deze inrichting slechts een vergunning heeft voor het houden van 12000 opfokpoeljen, eindigend op 01/09/2011; - De melding de bedoeling heeft om te komen tot een vergunning voorhet houden van 23000 opfokpoeljen; - Het akteren van deze melding een stijging van de vergunde mestproduc- tie tot gevolg zou hebben - Overeenkomstig artikel 5, §1.2 /
  2. b)van VLAREM I van een melding van verandering slechts akte kan worden genomen indien de verande- ring van die aard is dat zij geen bijkomend risico voor de mens of een aantasting van het leefmilieu inhoudt en de bestaande hinder niet vergroot - Deze verandering een toename van het aantal dieren inhoudt. - Indien met er van zou uitgaan dat deze vergunning nog volledig geldig is voor het houden van 23.000 slachtkippen, deze verandering een wijziging van diersoorten in zou houden verleent de Vlaamse Landmaatschappij ongunstig advies voor de aktename van de melding tot verandering van de vergunning voor het bijbouwen van een bijkomende stal voor het houden van opfokpoeljen van moederdieren van slachtkuikens." - De Gewestelijke Milieuvergunningscommissie adviseert op 2 oktober 1998. In betreffend advies werd ondermeer het volgend gesteld : “(...) 5. RISICO’S VOOR DE EXTERNE VEILIGHEID, HINDER, EFFECTEN OP HET LEEFMILIEU, OP DE WATEREN, OP DE NATUUR EN OP DE MENS: Overwegende dat onderhavig beroep betrekking heeft op de aktename, bij besluit dd. 30 april 1998 van de Bestendige Deputatie, van de melding van de verandering van een bestaand pluimveebedrijf door verplaatsing van 12.500 dieren naar een nieuwe stal; Overwegende dat, overeenkomstig artikel 5.9.3.1. §1 van titel II van het Vlarem, het exploiteren en/of veranderen van een inrichting die is ingedeeld in één of meer van de subrubrieken 9.3, 9.4, 9.5 en 9.8 uitsluitend is toegelaten indien het een bestaande veeteeltinrichting betreft of het omvormen inhoudt van een bestaande landbouwinrichting die is ingedeeld in één of meer van de vermelde subrubrieken; dat, blijkens de gegevens van de Vlaamse Landmaat- schappij (de aangifte van het aanslagjaar 1993 werd ontvangen op 29 juni), de inrichting als een bestaande veeteeltinrichting kan beschouwd worden; Overwegende dat de inrichting gelegen is in een agrarisch gebied; dat, teneinde de hinder tot hindergevoelige gebieden tot aanvaardbaar niveau te beperken, er tussen iedere stal en/of opslag van dierlijke mest enerzijds en ieder hindergevoelig gebied technisch een minimale afstand vereist is; dat deze afstand, overeenkomstig art. 5.9.5.3. §5 en overeenkomstig de waarderingspunten voor deze inrichting

(140), minimaal 150 m dient te zijn; dat, zoals hoger vermeld, hieraan is voldaan; Overwegende dat overeenkomstig art. 5, §1. 2 /
  1. b)van titel I van het Vlarem slechts akte kan genomen worden van een melding van een verandering indien de verandering van die aard is dat zij geen bijkomend risico voor de mens of een aantasting van het leefmilieu inhoudt en de bestaande hinder niet vergroot; dat bovendien (
  2. in)punt 2/ van de omzendbrief dd. 19 december 1996 betreffende de toepassing van het Mestdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan gesteld wordt dat, overeenkomstig punt 3.2 van de omzendbrief dd. 9 mei 1996, vanaf 1 januari 1997 er slechts acte kan genomen worden van verandering indien deze VII-17.709-7/22 betrekking heeft op het veranderen van een vergunde inrichting mits de vergunde mestproductie niet verhoogt ten gevolge de aangevraagde verandering; Overwegende dat, zoals hierboven vermeld het voorwerp van de melding de verplaatsing inhoudt van 12.500 vergunde slachtkippen naar een nieuw te bouwen stal; dat het de bedoeling is om 12.500 opfokpoeljen over te plaatsen gezien opfokpoeljen aan een veel lagere bezetting worden gehouden en derhalve een veel grotere staloppervlakte nodig is om 23.000 opfokpoeljen te houden; Overwegende dat de mestproductie volgens artikel 5 van het Mestdecreet van slachtkippen en opfokpoeljen 0,19 kg P2O5/j/dier bedraagt; dat ook de werkelijke mestproductie van opfokpoeljen gelijk is aan de mestproductie van slachtkippen; dat derhalve de werkelijke mestproductie op inrichtingsniveau niet stijgt als er steeds 23.000 opfokpoeljen gehouden worden in de plaats van 23.000 mestkippen of alternerend 23.000 slachtkippen en 23.000 opfokpoeljen; Overwegende dat, volgens de omzendbrief van 19 december 1996 en overeenkomstig art. 28 van het milieuvergunningsdecreet van 28 juni 1985, een bezetting van één of meer vergunde stallen onder de vergunde maximumcapaci- teit geen verval en ook geen inperking van de milieuvergunning tot gevolg heeft; dat de aanvrager in zijn bijkomende nota dd. 2 oktober 1998 verklaart dat op de inrichting alternerend slachtkuikens ofwel opfokpoeljen werden gehouden; dat de inrichting derhalve nog steeds vergund is voor het houden van 23.000 slachtkippen; (...) 7. EVALUATIE VAN DE AANSPRAKEN EN BEZWAREN : Overwegende dat de aanspraken en bezwaren aangehaald door de beroepsin- diener als volgt kunnen worden geëvalueerd : - de inrichting is nog steeds vergund voor het houden van 23.000 slachtkippen; - zoals blijkt uit de voorgaande overwegingen kan er acte genomen worden van betreffende melding gezien er geen stijging is noch van de werkelijke mestproductie noch van de mestproductie volgens artikel 5 van het Meststoffen- decreet; 8. ADVIES : gunstig (...)". 1.8 Bij het thans bestreden besluit van 7 december 1998 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling wordt het beroep aangetekend tegen de beslissing van 30 april 1998 van de bestendige deputatie van de provincie- raad van Antwerpen gegrond verklaard, het beroepen besluit opgeheven en de aktename geweigerd; 2. De gegrondheid van het beroep 2.1.1. Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert wat volgt : "Het algemeen rechtsbeginsel van onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de administratieve rechtscolleges en adviesorganen, verwoord door de rechtsspreuken 'nemo judex in causa sua' en 'justice should not only be done, but should also be seen to be done', Doordat de Vlaamse Landmaatschappij beroep heeft aangetekend tegen het besluit van de Bestendige Deputatie van de Provincieraad van Antwerpen dd. 30 april 1998 houdende aktename van de melding van verzoekende partij van de verandering van een vergund pluimveebedrijf, VII-17.709-8/22 En doordat de Vlaamse Landmaatschappij daarnaast als adviesverlenend ;orgaan een ongunstig advies heeft uitgebracht ten aanzien van de melding van verzoekende partij, advies dat, gelet op de overwegingen die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit, van doorslaggevend belang is geweest voor dit besluit, Terwijl de vereisten van onafhankelijkheid en onpartijdigheid verwoord door het algemene rechtsbeginsel 'nemo judex in causa sua' en door het adagium 'justice should not only be done , but should also be seen to be done' eveneens moeten worden toegepast op de administratieve rechtscolleges en op de organen van actief bestuur, zoals de raadgevende colleges, En terwijl de betrokkenheid van de Vlaamse Landmaatschappij bij de adviesverlening in een beroepsprocedure, én die adviesverlening op zich, waar het de Vlaamse Landmaatschappij is die zelf dit beroep had ingesteld, onmisbaar een schijn van partijdigheid creëert"; Dat hij het middel toelicht als volgt : "Voor alle rechterlijke overheden geldt de plicht tot onpartijdigheid als beginsel van behoorlijke rechtsbedeling. Nemo judex in causa sua: niemand mag tegelijkertijd rechter en partij zijn. Dit is een algemeen rechtsbeginsel dat op alle rechtscolleges van toepassing is. Uw Raad heeft reeds meermaals expliciet gesteld dat het beginsel van onpartijdigheid ook van toepassing is op de administratieve rechtscolleges. Zo oordeelde de Raad van State dat de commissie van beroep voor vergoedingspen- sioenen voor politiek gevangenen wanneer zij uitspraak doet over een aanvraag om herziening, optreedt als een rechtscollege en, derhalve , dat ook in een dergelijk geval het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de rechter onpartijdig moet zijn, onverkort geldt. Er is een miskenning van het beginsel van onpartijdigheid als de beslissing wordt gewezen of mede wordt gewezen door een rechter van wie rechtmatig gevreesd kan worden dat hij inzake onpartijdigheid niet de waarborgen biedt waarop de justiciabele recht heeft. Zulks is het geval niet alleen wanneer een rechter, die heeft deelgenomen aan de beslissing, de belangen van een partij in de zaak waarneemt, maar ook wanneer hij, voorafgaand aan de beslissing, zich gelast heeft met het onderzoek van de zaak, daarover naar buiten uit standpun- ten heeft ingenomen en rechtstreeks correspondentie heeft gevoerd met de rechtzoekende of bij voorbeeld wanneer een rechter die de belangen van een partij waarneemt, heeft deelgenomen aan een beslissing, ook al heeft die rechter slechts een raadgevende stem. In dat laatste geval kon hij immers door zijn grondige voorkennis van de zaak een beslissende invloed uitoefenen op de stemgerechtigde leden. Opdat een schending van het onpartijdigheidsvereiste zou worden aanvaard, is geenszins vereist dat een bewijs wordt geleverd: een schijn van partijdigheid volstaat. Inderdaad moet, gelet op het onbeperkt vertrouwen dat de rechtzoekende in het rechtsprekend orgaan moet kunnen stellen, worden onderzocht of 'objectief gezien, de vereiste waarborgen aanwezig zijn die elke twijfel omtrent de onpartijdigheid van de commissie wegnemen', dat zelfs indien er slechts schijn ('justice must not only be done, but also be seen to be done') van partijdigheid mogelijkj is en ook al komt die schijn niet met de werkelijkheid overeen, de rechter er zich principieel moet van onthouden aan de berechting deel te nemen. De Raad van State heeft uitdrukkelijk geoordeeld dat het onpartijdigheidsbe- ginsel ook van toepassing is op de organen van het actieve bestuur, zoals de raadgevende colleges. Bestuurs-organen en adviseringsorganen mogen geen persoonlijk belang hebben bij de door hen te nemen beslissingen en evenmin VII-17.709-9/22 daartoe de schijn verwekken. Ook in Nederland wordt, in de Nederlandse Algemene Wet Bestuursrecht, de opvatting gehuldigd dat de overheid onbevangen en onpartijdig dient te zijn en de schijn van partijdigheid zoveel mogelijk dient te vermijden. Luidens art. 2:4 van de Nederlandse Wet van 4 juni 1992, houdende algemene regels van bestuursrecht (A.W.B.) 'vervult het bestuursorgaan zijn taak zonder vooringenomenheid' en 'waakt het ertegen dat het tot het bestuursorgaan behorende of daarvoor werkende personen die een persoonlijk belang bij een besluit hebben, de besluitvorming beïnvloeden'. Dat beginsel geldt zowel bij het nemen van primaire bestuursbeslissingen als bij advisering. Verschoningsplicht en onverenigbaarheden regelen dit concreet in Nederland. In casu ligt een manifeste schending van het beginsel van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de administratieve rechtscolleges en adviesorganen voor doordat de Vlaamse Landmaatschappij, die het beroep aantekende tegen het besluit van de Bestendige Deputatie 30 april 1998, desondanks in de procedure van behandeling van dat beroep deel heeft uitgemaakt van het orgaan dat advies moest verstrekken aan de minister en zelfs één der verplichte adviezen diende uit te brengen. Dit advies was weliswaar niet bindend, doch is duidelijk van doorslaggevend belang geweest bij het bepalen van de inhoud van het bestreden besluit (cf. ook infra, bespreking tweede en derde middel). Het onpartijdigheidsbeginsel vereist dat de Vlaamse Landmaatschappij zichzelf had moeten wraken als adviserend orgaan. Zij is niet enkel rechter en partij (zij is immers degene die het beroep heeft ingesteld tegen het besluit van de bestendige deputatie waarbij aan verzoekende partij akte verleend werd voor de wijziging van zijn inrichting), wat op zich reeds voldoende is om een schijn van partijdigheid te creëren. Door in deze dubbele hoedanigheid op te treden wordt minimum reeds het onafhankelijkheidsvereiste, dat een algemeen rechtsbeginsel van rechtspraak is, ernstig geschonden. Verwijzend naar een constante rechtspraak van de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens én van alle Belgische rechtsmachten, juridische en administratieve, en naar het nog zeer recente, en iedereen in dit land bekende, spaghetti-arrest van het Belgische Hof van Cassatie, wordt hierdoor een schijn van partijdigheid gecreëerd die haaks staat op het onafhan- kelijkheidsvereiste. Dat arrest zegt in essentie: 'De onderzoeksrechter houdt nooit op een rechter te zijn. Hij mag geen schijn van partijdigheid wekken bij de partijen of bij de publieke opinie en geen enkele omstandigheid, hoe uitzonderlijk ook, ontslaat hem van die verplichting. Aldus volgt uit het onderling verband tussen art. 828 Ger.W. dat de wrakingsgronden opsomt en art. 542 Sv. m.b.t. de verwijzing van een zaak van de ene rechtbank naar een andere op grond van gewettigde verdenking, dat de onderzoeksrechter die door een partij op haar kosten is ontvangen of van haar geschenken heeft aangenomen en zo zijn sympathie voor die partij heeft geuit, in de onmogelijkheid verkeert haar zaak te behandelen, zonder bij de andere partijen, meer bepaald de verdachten, en bij derden verdenking te wekken aangaande zijn geschikt- heid om zijn opdracht op een objectieve en onpartijdige wijze te vervullen." Daarnaast moet echter worden vastgesteld dat de Vlaamse Landmaatschappij ook duidelijk een eigen belang heeft. Zij dient immers te waken over de beheersbaarheid van de mestoverschotten en de mestproduktie herleiden naar een lager peil. Hoe meer vergunningen worden geweigerd, des te gemakkelijker zij haar doel bereikt. Deze rechtstreekse en persoonlijke betrokkenheid van de Vlaamse Landmaatschappij doet meer dan slechts een schijn van partijdigheid rijzen. Door te bepalen dat een partij die beroep aantekent, toch een verplicht advies dient uit te brengen, én deel uitmaakt van het adviserend orgaan dat gezamenlijk VII-17.709-10/22 alle uitgebrachte adviezen bespreekt om nadien gezamenlijk een eindadvies uit te brengen, schendt het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergun- ningen, evenals het VLAREM I-besluit van 6 februari 1991 houdende vaststel- ling van het Vlaams Reglement betreffende de milieuvergunning, voormeld algemeen rechtsbeginsel van onafhankelijkheid. Het bestreden besluit dat genomen is naar aanleiding van en op grond van het door de Vlaamse Landmaatschappij ingestelde beroep en de in de beroepsakte geformuleerde middelen én (naar met vrij grote zekerheid kan verondersteld worden, gelet op de in het bestreden besluit weerhouden overwegingen) op grond van het door de VLM uitgebrachte ongunstig advies, is duidelijk genomen met een manifeste schending van het onpartijdigheidsbeginsel. Het middel is gegrond"; 2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord daarop volgende repliek geeft: “(...) Het door verzoeker ingeroepen eerste middel wegens schending van de rechtsbeginselen van onpartijdigheid en onafhankelijkheid is ongegrond. Door de Vlaamse Landmaatschappij werd op 8 juli 1998 beroep aangetekend tegen het besluit van de Bestendige Deputatie van de Provincieraad van Antwerpen waarbij deze laatste de aktename toestond. In het kader van de beroepsprocedure wordt door de VLM een ongunstig advies verstrekt aan de GMVC zijnde een bevestiging van het door haar ingestelde beroep. Verzoeker houdt voor dat de Vlaamse Landmaatschappij door beroep aan te tekenen en advies uit te brengen in de procedure onmiskenbaar partijdig is, minstens een schijn van partijdigheid teweegbrengt. Eerst en vooral dient opgemerkt te worden dat de adviesverlening van de hiertoe bevoegde overheidsorganen geschiedt ten opzichte van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie die na beraadslaging, op haar beurt één advies verstrekt aan de Vlaamse Minister van Tewerkstelling en Leefmilieu. Deze adviezen zijn voor de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie niet bindend en in casu was het advies van de Vlaamse Landmaatschappij de bevestiging van het door haar aangetekende beroep en één van de verschillende adviezen die aan de GMVC werden voorgebracht. Van enige partijdigheid of zelfs van enige schijn van partijdigheid kan in hoofde van de Vlaamse Landmaatschappij geen sprake zijn. Dit geldt eveneens voor de gewestelijke milieuvergunningscommissie en de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling. De Vlaamse Landmaatschappij is overeenkomstig artikel 51 en artikel 52 van Vlarem I gerechtigd als overheidsorgaan beroep aan te tekenen en advies te verstrekken. Zoals hierboven reeds aangehaald is in casu het advies van de VLM een bevestiging van het ingediende beroep en gericht aan de gewestelijke milieuver- gunningscommissie. Dit advies is voor de GMVC bindend. Bij de bespreking van de adviezen van de overheidsorganen en de beraadslaging door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie over het ingestelde beroep, wordt uitdrukkelijk door de Gewestelijke Milieuvergunnings- commissie vermeldt: 'De heer F.Petit-Jean, vertegenwoordiger van de VLM, onthoudt zich als beroepsinstantie in dit dossier.' (stuk 8-administratief dossier) VII-17.709-11/22 De Vlaamse Landmaatschappij heeft enerzijds als beroepsinstantie en anderzijds als adviesorgaan alle gevaren van partijdigheid en schijnpartijdigheid onderkend en zo ook tijdens de behandeling van de GMVC erover gewaakt dat de principes van onpartijdigheid in al zijn facetten gerespecteerd werden. In alle objectiviteit heeft de GMVC haar advies kunnen formuleren ten opzichte van de Vlaamse Minister van Tewerkstelling en Leefmilieu die op zijn beurt zonder enige tussenkomst van de Vlaamse Landmaatschappij zijn bestreden besluit heeft genomen. Van partijdigheid of schijn van partijdigheid kon enkel sprake zijn wanneer de Vlaamse Landmaatschappij zich niet afzijdig zou gehouden hebben bij die instanties die over het ingestelde beroep en de adviezen dienden te oordelen , wat in casu duidelijk niet het geval is. Het door verzoeker ingeroepen eerste middel is ongegrond"; 2.1.3. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord na herneming van het middel nog doet gelden wat volgt : "Aanvullende toelichting van het eerste middel : Het kan niet ontkend worden dat de VLM als beroepende partij tegen de beslissing van de Bestendige Deputatie, rechtstreeks betrokken is in het verloop van de beroepsprocedure én bovendien een duidelijk en eigen belang heeft, m.n. het verminderen van de mestproduktie. Evenmin kan ontkend worden dat het op basis van de door de VLM ontwikkelde argumenten is, dat het bestreden besluit genomen is geweest. Dezelfde argumenten waren door de VLM ook reeds opgeworpen geweest in haar ongunstig advies aan de Provinciale Milieuvergunningscommissie. Terecht heeft de Bestendige Deputatie dit advies in haar besluit niet weerhou- den, onder verwijzing naar de ministeriële omzendbrief van 19 december 1996. Op grond hiervan blijkt immers ontegensprekelijk dat de VLM volkomen ten onrechte van oordeel was dat de vergunning van verzoekende partij gedeeltelijk vervallen was en beperkt moet worden tot 10.000 opfokpoeljen. In deze omzendbrief wordt uitdrukkelijk gesteld dat 'een bezetting van één of meer vergunde stallen onder de vergunde maximumcapaciteit geen verval en ook geen in(...)perking van de milieuvergunning tot gevolg heeft'. Deze argumenten waren door verzoekende partij ook voorgebracht in haar nota aan de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie. Desondanks werd in het bestreden besluit het beroep van de VLM gegrond verklaard en wel op grond van de door de VLM ontwikkelde beroepsargumen- ten, dit ondanks het feit dat deze argumenten waren verworpen geweest door de Bestendige Deputatie en ondanks het feit dat deze argumenten door verzoeken- de partij ook weerlegd waren geweest in haar nota aan de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie. Het is duidelijk dat de beroepsgronden en het advies van de VLM, waarvan enkel kan worden vastgesteld dat ze op manifest onjuiste argumenten gebaseerd zijn (cf. uiteenzetting en toelichting 2de en 3de middel), een doorslaggevende invloed hebben gehad, nu ze zonder meer in het bestreden besluit weerhouden zijn geweest. Er kan enkel worden vastgesteld dat de VLM, als beroepende én adviesverle- nende instantie, de mogelijkheid heeft gehad haar standpunt zeer sterk te laten doorwegen in de beroepsprocedure, zodat minstens een schijn van partijdigheid gewekt wordt. Het eerste middel is gegrond"; VII-17.709-12/22 2.1.4. Overwegende dat verzoeker voor het eerst in zijn laatste memorie, na lezing van het auditoraatsverslag waarin wordt gesteld dat de beweerde schending van het onpartijdigheidsbeginsel voortvloeit uit artikel 24, § 1, 3/, van het milieuver- gunningsdecreet van 28 juni 1985, er van uitgaat dat evengenoemde bepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden en dat hij meent dat gelet op het auditoraatsverslag er aanleiding bestaat tot het stellen van volgende prejudiciële vraag aan het Arbitragehof : "Schendt artikel 24, § 1, 3/ van het milieuvergunningsdecreet van 28 juni 1985 de artikelen 10 en 11 van de grondwet in de zin dat voornoemd artikel toelaat dat eenzelfde overheidsorgaan zowel beroep kan instellen tegen een verleende vergunning en tevens advies mag geven over de vergunningsaanvraag, waardoor het algemeen rechtsbeginsel van de onpartijdigheid en het beginsel 'justice must not only be done, but also be seen to be done', niet geldt (ten aanzien van de adviserende instantie die zowel het beroep instelt als een verplicht advies geeft zowel in de procedure voorafgaand aan het beroep als in de procedure van beroep) wanneer uitspraak wordt gedaan in het kader van een beroep door een adviserende instantie tegen een verleende milieuvergunning, terwijl het beginsel in alle andere gevallen waarbij geoordeeld moet worden in het kader van een gerechtelijke of administratieve procedure voornoemde beginselen wél gelden ?”; dat hij daaraan toevoegt dat de wet op het Arbitragehof van openbare orde is, zodat de Raad van State verplicht is om de prejudiciële vraag te stellen; 2.1.5.1. Overwegende dat artikel 27 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning zoals gewijzigd bij artikel 53 van het decreet van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994 bepaalt wat volgt : "Art. 27. § 1. Een vergunning moet worden aangevraagd telkens de verandering van een vergunde inrichting de indeling van die inrichting in een hogere klasse tot gevolg heeft, en bij toevoeging. De aanvraag wordt ingediend bij de overheid die bevoegd is om in eerste aanleg uitspraak te doen overeenkomstig de klasse waartoe de inrichting behoort. § 2. In de andere gevallen moet de verandering worden meegedeeld aan de overheid die in eerste aanleg bevoegd is. Die overheid kan de verandering bij wege van aktename vergunnen. Op de aktename zijn de bepalingen van artikel 14, § 1 inzake bekendmaking en artikel 23 van toepassing. Een vergunning moet worden aangevraagd indien deze overheid vaststelt dat de verandering van die aard is dat zij een bijkomend risico voor de mens of een aantasting van het leefmilieu inhoudt of de bestaande hinder vergroot. § 3. De Vlaamse Regering bepaalt nadere regelen in verband met de verandering van de vergunde inrichting"; dat uit die bepaling volgt dat op aktenames -zoals in casu de aktename van 30 april 1998 vanwege de bestendige deputatie- artikel 23 van het milieuvergunningsdecreet VII-17.709-13/22 van toepassing is; dat evengenoemde decreetsbepaling de mogelijkheid opent tot het instellen van een administratief beroep; dat artikel 24, § 1, 3/, van het milieuvergun- ningsdecreet van 28 juni 1985 bepaalt wat volgt : "Het beroep bedoeld in artikel 23 kan worden ingediend door : (...) 3/ de adviesverlenende overheidsorganen"; dat dienvolgens de beweerde schending van het onpartijdigheidsbeginsel voortvloeit uit een decretale bepaling die de Raad van State niet vermag te toetsen; 2.1.5.2. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie in artikel 24, § 1, 3/ een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet ziet; dat evenwel daarmee verzoeker een nieuwe grondslag geeft aan het middel; dat een middel gestoeld op de schending van het gelijkheidsbeginsel niet van openbare orde is; dat aangezien verzoeker reeds de mogelijkheid had om in zijn verzoekschrift de schending van het gelijkheidsbeginsel aan te voeren het middel zoals uitgewerkt in de laatste memorie onontvankelijk is; dat dienvolgens de met dat nieuw onontvan-kelijk middel samenhangende vraag aan het Arbitragehof niet moet worden gesteld; dat dan ook niet relevant is het betoog van verzoeker dat de bijzondere wet op het Arbitragehof van openbare orde is; 2.1.5.3. Overwegende dat het middel niet gegrond is; 2.2. Overwegende dat het logisch is dat het tweede en het derde middel samen worden onderzocht; 2.2.1. Overwegende dat verzoeker als tweede middel aanvoert wat volgt : "Tweede middel : Genomen uit de schending van het besluit van de Bestendige Deputatie van de Provincieraad van Antwerpen dd. 12 juli 1984 houdende verlening van een vergunning aan mevrouw Meeusen-.Francken tot het in bedrijf stellen van een vergunningsplichtige inrichting te Kalmthout, Heikantstraat 155, van de artikelen 2.2/ en 28 van het Decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, van artikel 5.9.3.1.§1 van het Besluit van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, van artikel 4 van het Besluit van 20 december 1995 tot uitvoering van de artikel(
  3. en)33 en 34 van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreini- ging door meststoffen, van de Omzendbrief dd. 19 december 1996 betreffende de toepassing van het mestdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad dd. 11 januari 1997 en van de materiële motiverings- verplichting en het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, VII-17.709-14/22 doordat het bestreden besluit oordeelt dat de melding van verzoekende partij van de bouw van een nieuwe stal voor 12.500 opfokpoeljen, zodat in totaal 23.000 opfokpoeljen kunnen gehouden worden, een uitbreiding is van meer dan 100 % zodat overeenkomstig artikel 5.§1.2.b van het Besluit van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams Reglement betreffende de Milieuvergun- ning (Vlarem I) deze verandering het voorwerp dient uit te maken van een milieuvergunningsaanvraag overeenkomstig de bepalingen van artikel 6 Vlarem I., terwijl in het bestreden besluit nochtans wordt vastgesteld dat de inrichting van verzoekende partij als een bestaande veeteeltinrichting kan beschouwd worden onder verwijzing naar de vergunning van de Bestendige Deputatie van de Provincieraad van Antwerpen nr. 51.944f2/T van 12 juli 1984 voor de exploitatie van een inrichting voor het houden van 23.000 mestkuikens, en terwijl in het bestreden besluit nergens wordt vastgesteld dat de bestaande milieuvergunning voor het houden van in totaal 23.000 mestkuikens, gehouden in 1 stal, om een of andere reden gedeeltelijk zou vervallen zijn, zodat het bestreden besluit manifest ten onrechte tot de vaststelling komt dat er een uitbreiding van meer dan 100 % zou zijn waar de melding het houden van hetzelfde vergunde aantal van 23.000 opfokpoeljen maar thans in twee stallen tot voorwerp heeft. Toelichting van het middel : Door de Vlaamse Landmaatschappij werd beroep ingesteld tegen het Besluit van de Bestendige Deputatie van de Provincieraad van Antwerpen dd. 30 april 1998 op grond van de overweging dat er een stijging van de vergunde mestproduktie zou zijn. Deze overweging is gebaseerd op de niet bewezen veronderstelling die in hoofde van de Vlaamse Landmaatschappij bestaat dat, aangezien er door verzoekende partij steeds opfokpoeljen (12.000 standplaatsen) aangegeven werden, de vergunning ten dele vervallen zou zijn, omdat er nooit 23.000 opfokpoeljen gehouden konden worden in de bestaande stal. Uitgaande van deze veronderstelling dat de bestaande milieuvergunning gedeeltelijk vervallen zou zijn, moet volgens de Vlaamse Landmaatschappij geconcludeerd worden dat de door verzoekende partij gedane melding een vermeerdering van de mestproduktie inhoudt. In het bestreden besluit heeft verwerende partij zich aangesloten bij de conclusie van de Vlaamse Landmaatschappij met betrekking tot de vermeerde- ring van de mestproduktie. Het is op grond daarvan dat zij besluit tot het gegrond verklaren van het beroep van de Vlaamse Landmaatschappij : in de veronderstelling dat er een uitbreiding van de exploitatie zou zijn, is inderdaad een aktename na melding onmogelijk. In het bestreden besluit wordt echter geenszins aangegeven dat en op grond waarvan de bestaande vergunning dd. 12 juli 1984 voor de exploitatie van een inrichting met 23.000 kippen als gedeeltelijk vervallen zou moeten worden beschouwd. Verzoekende partij heeft op geen enkel ogenblik afstand gedaan van (een deel van) de vergunning. Evenmin kan besloten worden dat er een verval van rechtswege zou zijn. Artikel 28 van het Milieuvergunningsdecreet bepaalt duidelijk dat een milieuvergunning enkel van rechtswege kan vervallen wanneer de inrichting niet in gebruik werd genomen binnen de opgelegde termijn van ingebruikstelling of indien de inrichting gedurende 2 opeenvolgende jaren niet werd geëxploiteerd. De inrichting van verzoekende partij is steeds zonder onderbreking geëxploiteerd geweest : van een verval van de gehele vergunning kan geen sprake zijn. In het bestreden besluit wordt overigens uitdrukkelijk bevestigd dat de inrichting van verzoekende partij als een bestaande inrichting moet beschouwd worden. Ook van een gedeeltelijk verval kan geen sprake zijn. De Omzendbrief van 19 december 1996 betreffende de toepassing van het mestdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan is ter zake zeer duidelijk : VII-17.709-15/22 'een bezetting van één of meer vergunde stallen onder de vergunde maximumcapaciteit (heeft) geen verval en ook geen in(...)perking van de milieuvergunning tot gevolg'. Het bestreden besluit schendt alleszins de verbindende kracht van de bestaande milieuvergunning door zonder meer te poneren dat de door verzoe- kende partij gedane melding, waardoor in totaal 23.000 opfokpoeljen zouden kunnen gehouden worden (het zij dan in 2 stallen, in plaats van nu in 1 stal) een uitbreiding van meer dan 100 % zou inhouden, en dit terwijl verwerende partij in hetzelfde besluit nochtans uitdrukkelijk melding maakt van deze bestaande milieuvergunning voor het exploiteren van een inrichting van 23.000 mestkui- kens. Deze innerlijke tegenspraak in het bestreden besluit maakt een schending uit van de materiële motiveringsverplichting en van het redelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het valt inderdaad niet in te zien hoe het houden van 23.000 opfokpoeljen die om praktische redenen moeten worden ondergebracht in 2 afzonderlijke stallen een uitbreiding van de mestproduktie zou kunnen meebrengen ten aanzien van het houden van 23.000 mestkuikens in 1 stal. In beide gevallen gaat het immers om dezelfde diersoort : kippen. Op grond van de voorliggende stukken blijkt onmiskenbaar dat er geen uitbreiding is van de vergunde inrichting, noch van de vergunde mestproduktie, zodat in het bestreden besluit totaal ten onrechte gesteld wordt dat er geen vergunning door aktename mogelijk zou zijn. Er is een manifeste schending van de in het middel aangehaalde bepalingen. Ook het tweede middel is gegrond"; dat het derde middel luidt als volgt : "VI.3. Derde middel : Genomen uit de schending van de materiële motiveringsverplichting en van het redelijkheidsbeginsel- en het zorgvuldigheids- en rechtszekerheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en van de omzendbrief dd 19 december 1996 betreffende de toepassing van het mestdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, doordat het bestreden besluit gegrond is op de overweging dat geen akte kan genomen worden van de door verzoekende partij gedane melding gezien er een stijging is van de mestproduktie en dit onder verwijzing naar de omzendbrief dd. 19 december 1996, terwijl verzoekende partij in haar nota neergelegd ter zitting van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie vermeld heeft dat haar bedrijf altijd gemengd gewerkt heeft en afwisselend mestkuikens en opfokpoeljen gehouden heeft en tevens verwezen heeft naar de omzendbrief van 19 december 1996 waarin uitdrukkelijk bepaald wordt dat een bezetting van één of meer vergunde stallen onder de vergunde maximumcapaciteit geen verval en ook geen inperking van de milieuvergunning tot gevolg heeft. Toelichting : Verwerende partij heeft in het bestreden besluit hoegenaamd niet geantwoord op de door verzoekende partij voorgebrachte argumenten, doch heeft integen- deel een volledig tegenstrijdige argumentatie ontwikkeld, enerzijds stellende dat haar inrichting een bestaande inrichting betreft die beschikt over een vergunning voor het houden van 23.000 mestkippen, anderzijds stellende dat de melding een stijging tot 23.000 kippen tot gevolg zou hebben, zodat geen aktename mogelijk zou zijn. In antwoord op de door de Vlaamse Landmaatschappij in haar beroepschrift voorgebrachte middelen heeft verzoekende partij er in haar nota neergelegd ter zitting van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie expliciet op gewezen dat zij in het verleden steeds gemengd gewerkt heeft (afwisselend houden van VII-17.709-16/22 mestkippen en opfokpoeljen, afhankelijk van de vraag van de afnemers). Tevens heeft zij verwezen naar en geciteerd uit de omzendbrief van 19 december 1996. Het is overduidelijk dat in casu niet kan gesteld worden dat de vergunning van verzoekende partij gedeeltelijk zou vervallen zijn : de lagere bezettingsgraad die moest worden aangehouden bij het houden van opfokpoeljen was uitsluitend om bedrijfseigen redenen. Alleszins is de exploitatie in de vergunde kippenstal van verzoekende partij nooit onderbroken geweest. De volledige stalinrichting is altijd aanwezig én in gebruik gebleven. Verwerende partij heeft deze argumenten van verzoekende partij niet beantwoord en nog minder weerlegd. Bovendien is de argumentatie die door verwerende partij in het bestreden besluit ontwikkeld werd aangetast door een interne tegenstrijdigheid. Er is een duidelijke schending van de bovenstaande bepalingen. Ook het derde middel is gegrond"; 2.2.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord het tweede en het derde middel gezamenlijk als volgt weerlegt : "2. Tweede Middel en Derde Middel : Verzoeker houdt voor dat hij beschikt over een milieuvergunning voor 23.000 opfokpoeljen die niet vervallen is en derhalve van enige vermeerdering van de mestproduktie geen sprake kan zijn. Dat dienaangaande evenzeer in de motivering van de bestreden beslissing tegenspraak dient vastgesteld te worden. Dat de bestreden beslissing evenzeer in strijd is met de omzendbrief van 19 december 1996. In weerwil van wat verzoeker meent, is het door hem ingeroepen tweede en derde middel ongegrond. De Minister stelt op pagina 5 van zijn bestreden beslissing ten eerste dat overeenkomstig artikel 5.9.3.1. par. 1 Vlarem II het exploiteren en/of veranderen van een inrichting die is ingedeeld in één of meer van de subrubrieken slechts toegelaten is voor zover er sprake kan zijn van een bestaande veeteeltinrichting of het een omvorming inhoudt van een bestaande veeteeltinrichting die ingedeeld is in één van de aangehaalde subrubrieken. Volgens de gegevens verstrekt door de Vlaamse Landmaatschappij dient de inrichting beschouwd te worden als een bestaande veeteeltinrichting voor 23.000 slachtkippen. Dat in het advies van Aminal, afdeling milieuvergunningen, en van de Vlaamse Landmaatschappij, op basis van de eigen gegevens van verzoeker, voorgehouden wordt dat de bezettingsnorm voor slachtkippen 20 st/m² bedraagt en voor opfokpoeljen 8,5 st/m². Dat derhalve nooit meer dan 10.000 opfokpoeljen konden gehouden worden in de vergunde stal. De inrichting is derhalve slechts vergund voor 10.000 opfokpoeljen, wat een mestproduktie vertegenwoordigt van 4.322 kg P2O5 /jaar. Dat vanaf 1 januari 1997 overeenkomstig punt 3.2. van de omzendbrief dd. 9 mei 1996 vanaf 1 januari 1997 er slechts akte kan genomen worden van verandering indien deze betrekking heeft op het veranderen van een vergunde inrichting mits de vergunde mestproduktie niet verhoogt ten gevolge van de aangevraagde verandering. Dat in casu de mestproduktie van slachtkippen en opfokpoeljen dient te worden vergeleken, waardoor men tot de conclusie komt dat de mestproduktie voor opfokpoeljen hoger is dan die voor slachtkippen. Verzoeker heeft de bedoeling om in totaal 23.000 opfokpoeljen te houden door de bouw van een nieuwe stal voor 12.500 poeljen, wat een uitbreiding betreft van meer dan 100 %. VII-17.709-17/22 Dat overeenkomstig artikel 5 par. 1 2 b van Vlarem I deze verandering het voorwerp dient uit te maken van een milieuvergunningsaanvraag en niet van deze van een aktename van een melding. De Vlaamse Minister van Tewerkstelling en Leefmilieu kon derhalve rekeninghoudende met de hem verstrekte gegevens, de adviezen van de overheidsorganen en de gewestelijke milieuvergunningscommissie, en de vigerende wetgeving terzake op een coherente en goed gemotiveerde wijze oordelen dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen ten onrechte de aktename had gedaan. Dat het tweede en derde middel naar recht faalt"; 2.2.3. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord na herneming van het tweede middel nog doet gelden dat de verwerende partij zijn argumenten negeert; dat hij nog volgende aanvullende toelichting bij het middel verstrekt : "1. het bepaalde van artikel 28 Milieuvergunningsdecreet, dat uitdrukkelijk stelt dat een milieuvergunning slechts van rechtswege kan vervallen wanneer de inrichting niet in gebruik wordt genomen binnen de opgelegde termijn van ingebruikstelling of indien ze gedurende twee opeenvolgende jaren niet geëxploiteerd werd; 2. de omzendbrief van 19 december 1996 waarin uitdrukkelijk gesteld wordt dat een bezetting van één of meer vergunde stallen onder de vergunde maximumca- paciteit geen verval, noch een beperking van de vergunning tot gevolg heeft. De stelling van verwerende partij dat de inrichting van verzoeker slechts vergund zou zijn voor 10.000 opfokpoeljen is manifest onjuist. Er is geen enkele grond aanwezig om te stellen dat de bestaande vergunning van verzoeker gedeeltelijk vervallen zou zijn. Op heden is een bestaande vergunning voorhan- den voor het houden van 23.000 mestkippen. Evenmin kan gesteld worden, zoals verwerende partij in haar memorie van antwoord doet, dat de mestproduktie voor opfokpoeljen hoger zou zijn dan de mestproduktie voor mestkippen. Integendeel blijkt uit art. 5 van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreini- ging door meststoffen dat de mestproduktie per dier en per jaar bij opfokpoeljen zelfs iets lager ligt dan bij mestkippen (0,19 P2O5 en 0,22 N bij opfokpoeljen tegenover 0,19 P2O5 en 0,23 N bij mestkippen). Aangezien er een bestaande vergunning voorhanden is voor het houden van 23.000 mestkippen en aangezien de mestproduktie per dier en per jaar voor opfokpoeljen zelfs nog iets lager ligt dan voor mestkippen, was het perfect mogelijk om deze wijziging te akteren zonder dat een nieuwe milieuvergunnings- aanvraag diende te worden ingediend. Het bestreden besluit schendt wel degelijk de hogervermelde bepalingen. Het tweede middel is gegrond"; dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord, wat het derde middel betreft, verwijst naar zijn aanvullende toelichting bij het tweede middel; 2.2.4. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie in essentie volhardt in zijn stelling dat de vergunning voor het houden van 23.000 mestkuikens niet gedeeltelijk kan zijn vervallen wegens het beperken om bedrijfseigen rede- VII-17.709-18/22 nen -namelijk de noodzaak van het bouwen van een tweede stal voor het houden van opfokpoeljen- gedurende een aantal jaren van ongeveer de helft van het maximum vergunde aantal dieren; dat hij desbetreffend een vergelijking maakt met een vergunning voor een ontginning van 5.000.000 ton grind en voor een stortplaats voor een capaciteit van 1.000.000 m³, waarvan een geleidelijke exploitatie en het dus niet benutten van de volle capaciteit geen verval van de milieuvergunning in kwestie zal meebrengen; dat, tenslotte, hij er bij blijft dat in het bestreden besluit een volledig tegenstrijdige argumentatie werd ontwikkeld, “enerzijds stellende dat haar inrichting een bestaande inrichting betreft die beschikt over een vergunning voor het houden van 23.000 mestkippen, anderzijds stellende dat de melding een stijging tot 23.000 kippen tot gevolg zou hebben”; 2.2.5.1. Overwegende dat de Vlaamse Landmaatschappij in haar beroepschrift stelt dat de bestreden beslissing een stijging van de mestproductie tot gevolg heeft wat strijdig is met artikel 4 van het besluit van de Vlaamse regering van 20 december 1995 tot uitvoering van de artikelen 33 en 34 van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (vergunningenbesluit); dat zij haar stelling fundeerde als volgt : in het verleden werden er door de exploitant steeds opfokpoeljen (12.000 standplaatsen) aangegeven bij de Mestbank. De exploitant geeft in zijn dossier zelf aan dat mestkuikens gehouden worden aan 20 dieren per m² en dat opfokpoeljen gehouden worden aan 8,5 dieren per m². De vergunning is dan ook ten dele vervallen omdat er nooit 23.000 opfokpoeljen konden worden gehouden in de huidige stal"; dat met het bestreden besluit de aktename van de melding van een verandering van het pluimveebedrijf van verzoeker wordt geweigerd om volgende redenen : - Het is de bedoeling van de exploitant om door de bouw van een nieuwe stal van ca 1.565 m² voor 12.500 opfokpoeljen in totaal 23.000 opfokpoeljen te houden hetgeen een uitbreiding inhoudt van meer dan 100 %. Overeenkomstig artikel 5, § 1, 2 b, van Vlarem I dient deze verandering het voorwerp uit te maken van een milieuvergunningsaanvraag overeenkomstig de bepalingen van artikel 6 van Vlarem I. - De exploitant wenst een vergunning te bekomen voor het houden van 23.000 opfokpoeljen en 120 zoogdieren. Dit komt overeen met een vergunde mestproductie van 7.266 kg P2O5 /jaar overeenkomstig 23.000 opfokpoeljen, 30 runderen > 1 jaar, 30 runderen tussen een jaar en twee jaar en 60 melkkoeien. Deze aanvraag heeft een stijging van de vergunde mestproductie tot gevolg. Overeenkom- VII-17.709-19/22 stig punt 3.2 van de omzendbrief van 9 mei 1996 betreffende de toepassing van het meststoffendecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan kunnen geen meldingen voor aktename in aanmerking genomen worden indien de verandering een stijging van de mestproductie op de inrichting tot gevolg heeft; 2.2.5.2. Overwegende dat uit de gegevens van zaak blijkt dat bij besluit van 12 juli 1984 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen aan mevrouw MEEUSEN-FRANCKEN vergunning werd verleend tot het exploiteren van een inrichting voor het houden van 23.000 mestkuikens; dat verzoeker bij het feitenrelaas in zijn verzoekschrift zelf stelt dat bij besluit van 2 april 1984 een bouwvergunning werd toegekend voor het bouwen van een mestkuikenhok, dat deze stal volstond om er de 23.000 vergunde kippen in onder te brengen, indien het gaat om slachtkuikens, dat de bezettingsgraad voor slachtkuikens immers 20 dieren/m² bedraagt, dat op vraag van de fokorganisaties en de kuikenbroeierij (die instaat voor de levering van de ééndagskuikens) hij in de voorbije jaren steeds, naar gelang de marktsituatie, gedurende langere of kortere periodes ook opfokpoeljen heeft gehouden, dat voor opfokpoeljen wordt gewerkt met een bezettingsgraad van 8,5 dieren/m², zodat er daarvan nooit meer dan 12.000 tegelijk in de bestaande stal konden worden gehouden en dat aangezien hij definitief wil overschakelen naar de opfok van moederdieren, hij een bouwvergunning heeft aangevraagd voor het bouwen van een bijkomende stal, opdat hij voor de opfokpoeljen het maximum vergunde aantal van 23.000 zou kunnen houden; dat ook uit de mestbankaangifte van verzoeker blijkt dat op zijn inrichting sedert 1993 nooit meer dan 11.361 opfokpoel- jen werden gehouden en dat er geen aangifte werd gedaan voor mestkuikens; dat verzoekers bewering in het derde middel dat hij "altijd gemengd gewerkt heeft en afwisselend mestkuikens en opfokpoeljen gehouden heeft" in elk geval volgens de mestbankaangiftes niet opgaat voor de jaren vanaf 1993; 2.2.5.3. Overwegende dat artikel 28 van het milieuvergunningsdecreet luidt als volgt : VII-17.709-20/22 "§1 De vergunning vervalt van rechtswege wanneer zij betrekking heeft op een inrichting: 1 / die niet in gebruik werd genomen binnen de krachtens artikel 17 bepaalde termijn; (...) 3 / die gedurende twee opeenvolgende jaren niet werd geëxploiteerd; §2 indien de in §1 genoemde gevallen slechts betrekking hebben op een gedeelte van de inrichting, vervalt de vergunning slechts voor dat gedeelte”; dat artikel 46 van Vlarem I een soortgelijke bepaling bevat; dat, daargelaten de vraag of een vergunning voor de exploitatie van mestkuikens zonder meer door de exploitant kan worden vervangen door de exploitatie van opfokpoeljen, in elk geval, rekening houdend met de verklaringen van verzoeker en de door hem gedane mestbankaangiftes op grond van voorgeciteerd artikel 28 van het milieuvergunnings- decreet -bepaling die duidelijk is en geen beleidsruimte toelaat- moet worden besloten dat minstens een gedeelte van de vergunning van 12 juli 1984 is vervallen; dat daaraan geen afbreuk doet het feit dat verzoeker de kwestieuze kippenstal onafgebro- ken is blijven exploiteren, aangezien artikel 28, § 2 ook het verval van de vergunning voorziet voor een gedeelte van de inrichting dat gedurende twee opeenvolgende jaren niet werd geëxploiteerd; dat verzoeker vruchteloos een beroep doet op de omzend- brief van 19 december 1996, alleen reeds omdat een omzendbrief niet vermag af te wijken van een decreetsbepaling; dat, voorts, een vergunning voor de exploitatie van een stortplaats, die steeds een geleidelijke opvulling inhoudt, niet kan worden vergeleken met de exploitatie van een inrichting voor het houden van dieren; dat de door verzoeker gemaakte vergelijking met een exploitatievergunning voor de ontginning van grind zijn stelling niet steunt, daar de toepassing van artikel 28 van het milieuvergunningsdecreet bij dergelijke vergunning afhangt van de exacte omschrij- ving van wat is vergund; dat , voorts, nergens in het bestreden besluit wordt gesteld dat verzoeker nog beschikt over een vergunning voor het houden van 23.000 mestkippen zoals verzoeker in het derde middel voorhoudt, maar dat enkel wordt “gelet op” het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen houdende het verlenen van de vergunning voor de exploitatie van een inrichting voor het houden van 23.000 mestkippen (...); dat dienvolgens de door verzoeker aangebrachte “interne tegenstrijdigheid” steunt op een onjuiste lezing van het bestreden besluit; Overwegende dat uit wat voorafgaat volgt dat in de bestreden beslissing terecht wordt gesteld dat de door verzoeker gedane melding een stijging van de vergunde mestproductie zou meebrengen; dat dienvolgens overeenkomstig de artikelen 33 en 34 van het meststoffendecreet van 23 januari 1991 en artikel 4 van het VII-17.709-21/22 vergunningenbesluit van 20 december 1995 zoals deze bepalingen golden ten tijde van de bestreden beslissing en waarvan de toepassing werd verwoord in de omzendbrief van 9 mei 1996 (Belgisch Staatsblad van 11 juli 1996) waarnaar in de bestreden beslissing werd verwezen, door de verwerende partij terecht werd geweigerd akte te nemen van de door verzoeker gedane melding van de verandering van zijn pluimveebedrijf; dat aangezien het om een decisief weigeringsmotief gaat, de wettigheid van het overtollig weigeringsmotief gestoeld op artikel 6 van Vlarem I niet moet worden onderzocht; dat de middelen niet kunnen worden aangenomen, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig juni tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-17.709-22/22 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.824 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.