← België

Arrest 160827 - - 29/06/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.827 Rolnummer: A. 88668/VII-20183 Zaak: Arrest 160827 - - 29/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-07-17 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-06-30 23:24 Fiche Arrest nr 160.827 van 29 juni 2006 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 160.827 van 29 juni 2006 in de zaak A. 88.668/VII-20.183. In zake : de n.v. BREENDONK CONTAINER SERVICES, die woonplaats kiest bij advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 27 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat M. BALLON, kantoor houdende te ANTWERPEN, Britselei 39 --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. BREENDONK CONTAINER SERVICES op 24 december 1999 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van 21 oktober 1999 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw waarbij aan de b.v.b.a. ENVIRO CONSULT voor de n.v. BCS, Koningin Astridlaan 29 te Puurs, de gevraagde wijziging van de volgende bijzondere voorwaarde opgelegd bij ministerieel besluit van 10 november 1998 onder artikel 6, 2/, d), inzonderheid : "Een groenscherm met een breedte van 6 m moet worden aangelegd overeenkomstig de voorwaarde opgelegd in de verleende bouwvergunningen", niet wordt toegestaan; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur Ch. BAMPS; Gelet op de beschikking van 6 oktober 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; VII-20.183-1/8 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 24 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 juni 2006; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat H. SEBREGHTS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat J.-F. VAN DEN DRIESCHE die, loco advocaat M. BALLON verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur J. CLEMENT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de Raad van State de zaak als volgt beoordeelt : 1. De feiten 1.1. Bij besluit van 10 november 1998 werd door de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling aan de verzoekende partij een milieuvergunning afgeleverd voor het verder in bedrijf houden, het uitbreiden en het wijzigen van haar inrichting gelegen aan de Koningin Astridlaan 29 te Puurs en dit voor een termijn van twintig jaar, verstrijkend op 10 november 2018. In artikel 6, 2/,

  1. d)van voormeld besluit werd de hiernavolgende bijzondere voorwaarde opgelegd : "Een groenscherm met een breedte van 6 m moet worden aangelegd overeenkomstig de voorwaarde opgelegd in de verleende bouwvergunningen". 1.2. Op 27 mei 1999 wordt namens de verzoekende partij voor deze inrichting bij de verwerende partij een aanvraag ingediend tot het bekomen van een wijziging van deze bijzondere voorwaarde. 1.3. Op 25 augustus 1999 verleent AMINAL-afdeling Milieuvergunningen een gedeeltelijk gunstig advies over de gevraagde wijziging. VII-20.183-2/8 1.4. In haar advies van 27 augustus 1999 stelt de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie dat de aanvraag gedeeltelijk gunstig wordt geadviseerd. 1.5. Bij het thans bestreden besluit wordt de gevraagde wijziging niet toegestaan. Het bestreden besluit is als volgt gemotiveerd : "Overwegende dat de aanvrager voormelde aanvraag tot wijziging van bijzondere voorwaarde motiveert met de volgende technische redenen : - in de bijzondere voorwaarde wordt verwezen naar de verleende bouwvergunningen. In deze bouwvergunningen is evenwel slechts sprake van een groenscherm van 3 m (BV 13 februari 1985 en BV 08 maart 1990); - aan de noordzijde van het terrein werd het bedrijfsgebouw ingeplant op 1 m van de perceelsgrens (BV 13 februari 1985). Deze strook wordt vrijgehouden als vluchtweg. Dit betekent dat in praktijk geen groenscherm van 6 m kan gerealiseerd worden; - er werd een groen- en omheiningsplan opgesteld en uitgevoerd; Gelet op het deels gunstige advies van 25 augustus 1999 van de afdeling Milieuvergunningen van de administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer van het departement Leefmilieu en Infrastructuur; Gelet op het stilzwijgend gunstige advies van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen van de administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen van het departement Leefmilieu en Infrastructuur; Gelet op het advies van 27 augustus 1999 van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie; Overwegende dat onderhavige aanvraag tot wijziging van bijzondere voorwaarden betrekking heeft op het aanplanten van een groenscherm; Overwegende dat de exploitant voorstelt de breedte van het groenscherm als volgt uit te voeren : voorzijde (oost) : van 3,5 m tot 7 m; zijkant zuid: van 2 m tot 3 m; zijkant noord: van 2 m tot 2,8 m, behalve de vluchtweg ter hoogte van het gebouw; achterzijde (west) : van 2 m tot 3 m; Overwegende dat aan de achterzijde van het terrein (westkant) een woongebied ligt; dat dit woongebied grenst aan de inrichting; dat aan deze zijde in geen geval kan worden afgeweken van de bepalingen van titel II van het Vlarem, omdat het groenscherm hier een functie van beperking van de visuele hinder naar de omwonenden heeft; Overwegende dat de bestaande mobiele kraan voor containers niet toelaat het groenscherm op volle breedte aan te planten; Gelet op het proces-verbaal, opgesteld door de Politie van Puurs op 19/10/99, wegens overtredingen op de bouwvergunning; dat het bedrijfsgebouw niet de voorziene afmetingen heeft zoals vermeld in de bouwvergunning, dat hierdoor de exploitant zelf aansprakelijk is voor het niet kunnen voldoen aan de betreffende bijzondere voorwaarde; Overwegende dat de aanspraken en bezwaren aangehaald door de beroepindiener niet kunnen worden bijgetreden; Overwegende dat bijgevolg deze aanvraag voor wijziging van voorwaarde ongunstig wordt beoordeeld". VII-20.183-3/8 2. Beoordeling 2.1.1. In het eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en de beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het rechtszekerheids-, vertrouwens-, zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel, "doordat, individuele administratieve rechtshandelingen afdoende duidelijk moeten zijn zodat de rechtsonderhorige minstens hieruit kan afleiden wat de preciese draagwijdte is van het hem aanbelangde besluit, terwijl, de bestreden beslissing volstrekt onduidelijk is, en erin verschillende tegenstrijdigheden zijn vervat, zodat verzoeker de redenen van de weigering niet kent". De verzoekende partij voegt ter toelichting hieraan toe : - dat de vereiste zes meter groenscherm uitdrukkelijk in strijd zijn met de aan haar afgeleverde bouwvergunningen, dat de door de minister bevestigde bijzondere voorwaarde een manifeste interne strijdigheid omvat, dat de aanwezigheid van tegenstrijdigheden in een besluit krachtens een vaste rechtspraak van de Raad van State gelijk staat met een totaal gemis aan motivering, dat door een manifeste onduidelijke en dubbelzinnige bijzondere voorwaarde op te leggen ook het zorgvuldigheids-, rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel wordt geschonden, - dat uit het bestreden besluit niet kan worden afgeleid aan welke zijde(n?) van het litigieuze terrein een groenscherm van zes meter dient te worden voorzien, dat de onduidelijke bijzondere voorwaarde in schril contrast staat met het duidelijk advies van de afdeling Milieuvergunningen van 25 augustus 1999 en het advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie van 27 augustus 1999, dat in beide adviezen immers per zijde van het terrein uitdrukkelijk wordt gemotiveerd welke breedte van groenscherm dient te worden gerealiseerd, dat er geenszins wordt gemotiveerd waarom van die adviezen wordt afgeweken, - dat nergens in het bestreden besluit wordt gemotiveerd waarom met betrekking tot de aanleg van een groenscherm aan de voorzijde haar voorstel, dat gesteund is op, en onderbouwd wordt in de afgeleverde adviezen niet kan worden gevolgd, dat de adviezen uitdrukkelijk stellen dat het voorstel tot groenscherm aan de voorzijde (met breedte van 3,5 tot 7 meter) voldoende is, dit gelet op de aanwezigheid van de A12, - dat met betrekking tot de breedte van het groenscherm aan de achterzijde (west) er zowel een strijdigheid is tussen de adviezen en het bestreden besluit enerzijds als tussen de motieven en het dictum anderzijds, dat in de bestreden beslissing nergens VII-20.183-4/8 wordt gemotiveerd waarom de 5 meter breedte, zoals wordt voorgesteld door de beide adviserende organen niet voldoende is, - dat er met betrekking tot de breedte van het groenscherm aan de achterzijde een strijdigheid is tussen de adviezen en de uiteindelijke beslissing en tevens tussen de motieven en het dictum, dat in het bestreden besluit niet wordt gemotiveerd waarom in casu diende te worden afgeweken van de in het Vlarem II voorziene breedte (5 meter), dat integendeel in de motivering van het besluit uitdrukkelijk wordt gesteld dat niet wordt afgeweken van de "bepalingen van titel II van het Vlarem", - dat de beslissing tot het aanleggen van een groenscherm van 6 meter breedte absurd is voor zover deze bepaling betrekking heeft op de noordelijke zijkant van het terrein, dat aan de noordzijde van het terrein het bedrijfsgebouw (conform de op 13 februari 1985 afgeleverde bouwvergunning) is ingeplant op één meter van de perceelsgrens, dat aldus het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden en dat het dictum van het bestreden besluit de duidelijke feitelijke vaststellingen en de definitieve nooit betwiste bouwvergunning schendt. 2.1.2. In haar memorie van antwoord herhaalt de verwerende partij de motivering van het bestreden besluit. Vervolgens voert ze aan dat in het bestreden besluit de Vlaamse minister op afdoende wijze zijn beslissing naar feiten en in rechte heeft gemotiveerd, dat hij over een discretionaire appreciatiebevoegdheid beschikt om na bestudering van het dossier, de adviezen en de wetgeving en haar uitvoeringsbesluiten ter zake te oordelen, dat van enige schending van het motiveringsbeginsel geen sprake kan zijn, dat de rechten van verdediging op generlei wijze werden geschonden vermits de verzoekende partij steeds de mogelijkheid heeft gehad haar aanvraag tot wijziging te verduidelijken zodat er rekening kon worden gehouden met de door de verzoekende partij aangehaalde argumenten. 2.1.3. In haar memorie van wederantwoord werpt de verzoekende partij vooreerst op dat de verwerende partij geenszins antwoordt op de in haar eerste middel geformuleerde grieven. Vervolgens herhaalt ze in grote lijnen datgene wat werd aangevoerd in haar verzoekschrift. 2.1.4. Te dezen werd op 27 mei 1999 een aanvraag ingediend strekkende tot het bekomen van een wijziging van de volgende bijzondere voorwaarde opgelegd bij ministerieel besluit van 10 november 1998 onder artikel 6, 2/, d), inzonderheid: VII-20.183-5/8 "Een groenscherm met een breedte van 6 m moet worden aangelegd overeenkomstig de voorwaarde opgelegd in de verleende bouwvergunningen". In bijlage D. 1. a. : Voorwerp van de aanvraag, bij voormelde aanvraag tot wijziging van de milieuvergunningsvoorwaarden werd onder meer het volgende gesteld : "(...) BCS meent deze aanvraag tot afwijking van de voorwaarde tot het aanleggen van een groenscherm met breedte van 6m, te kunnen motiveren als volgt : - In de bijzondere voorwaarde wordt verwezen naar de verleende bouwvergunningen. In deze bouwvergunningen is evenwel slechts sprake van een groenscherm van 3 m (BV 13/02/85 en BV 08/03/90). - Aan de noordzijde van het terrein werd het bedrijfsgebouw ingeplant op 1 m van de perceelsgrens (BV 13/02/85). Deze strook wordt vrijgehouden als vluchtweg. Dit betekent dat in de praktijk geen groenscherm van 6 m kan gerealiseerd worden. - Er werd een groen- en omheiningsplan opgesteld en uitgevoerd (zie bijlage D. 2.). Mede gelet op de verplichtingen in de eerder verkregen bouwvergunning vraagt BCS NV dus om het groenscherm te kunnen behouden zoals aangegeven op het groen- en omheiningsplan in bijlage D.2., d.w.z.: - voorzijde terrein (oost) : breedte van 3,5 m en 7 m - zijkant terrein (zuid) : breedte van 3 m en 2 m (achteraan) - zijkant terrein (noord) : breedte van 2 m en 2,8 m (vooraan) behalve de vluchtweg t. h. v. het gebouw - achterzijde terrein (west): breedte van 3 m en 2 m (in hoek)". Op 25 augustus 1999 verleende AMINAL- afdeling Milieuvergunningen een advies over de gevraagde wijziging, waarin in essentie het volgende werd gesteld : "4. EVALUATIE EN BEOORDELING: (...) Overwegende dat aan de achterzijde van het terrein (westkant) een woongebied ligt; dat dit woongebied grenst aan de inrichting; dat aan deze zijde in geen geval kan worden afgeweken van de bepalingen van titel II van het Vlarem, omdat het groenscherm hier een functie van beperking van de visuele hinder naar de omwonenden heeft; Overwegende dat aan de voorzijde, gelet op de nabijheid van de autosnelweg A 12, gesteld kan worden dat de functie van afscherming naar de omgeving ook door een minder breed groenscherm kan vervuld worden; dat er geen bebouwing aan de zuid- of noordkant van de inrichting is gelegen; dat bovendien aan de noordkant een groot deel van het terrein aansluit op een ander stuk grond (60 m x 49
  2. m)dat eveneens eigendom is van de exploitant; dat dit stuk grond de inrichting deels afschermt van de omgeving; dat gelet op het feit dat de bestaande mobiele kraan voor containers niet toelaat het groenscherm op volle breedte aan te planten; dat derhalve kan overwogen worden in te stemmen met het geplande groenscherm zoals aangeduid op het bij de aanvraag gevoegde plan, met uitzondering aan de achterzijde van het terrein waar het groenscherm in zijn volle breedte moet worden uitgevoerd; VII-20.183-6/8 5. ADVIES : Overwegende dat bijgevolg deze aanvraag voor wijziging van voorwaarden gedeeltelijk gunstig wordt geadviseerd". Dit advies werd overgenomen door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie. Beide instellingen hebben geadviseerd om de gevraagde toelating tot afwijking gedeeltelijk toe te staan. Door de overwegingen van het bestreden besluit wordt niet tot uitdrukking gebracht waarom, rekening houdend met de concrete elementen van het dossier, die zowel in het advies van de afdeling Milieuvergunningen als in het advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie zijn aangebracht, de gevraagde toelating tot afwijking van de door het ministerieel besluit van 10 november 1998 opgelegde voorwaarde zelfs niet gedeeltelijk kan worden toegestaan. In het bestreden besluit wordt louter verwezen naar voornoemde adviezen, maar wordt niet ingegaan op de in betreffende adviezen naar voor gebrachte gunstige elementen, die nochtans zeer belangrijk en pertinent zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Wel wordt in het bestreden besluit nog gewag gemaakt van overtredingen op de bouwvergunning en dat de exploitant aldus zelf aansprakelijk is voor het niet kunnen voldoen aan de betreffende bijzondere voorwaarde. Evenwel kan deze overweging evenmin als een afdoende motivering voor de weigering worden aangemerkt om volgende reden: De verzoekende partij stelt in haar aanvraag duidelijk dat in de bijzondere voorwaarde wordt verwezen naar de verleende bouwvergunningen terwijl evenwel daarin nergens in die bouwvergunningen sprake is van de verplichting tot aanleg van een groenscherm van zes meter, maar van drie meter In de bewuste overweging wordt niet ingegaan op dat bezwaar. Nergens blijkt dat de niet gespecificeerde bouwovertredingen waarvan sprake een groenscherm van drie meter in de weg stonden. Bovendien is deze overweging niet concreet genoeg, temeer daar er meerdere bouwvergunningen werden verleend. Deze motivering kan dus niet tot de gevolgtrekking leiden dat de aanvraag moet worden geweigerd. Het middel is gegrond, VII-20.183-7/8 BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van 21 oktober 1999 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw waarbij aan de b.v.b.a. ENVIRO CONSULT voor de n.v. BCS, Koningin Astridlaan 29 te Puurs, de gevraagde wijziging van de volgende bijzondere voorwaarde opgelegd bij ministerieel besluit van 10 november 1998 onder artikel 6, 2/, d), inzonderheid : "Een groenscherm met een breedte van 6 m moet worden aangelegd overeenkomstig de voorwaarde opgelegd in de verleende bouwvergunningen", niet wordt toegestaan. Artikel 2. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel 3. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig juni tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-20.183-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.827 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.