← België

Arrest 160831 - - 29/06/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.831 Rolnummer: A. 169292/VII-35241 Zaak: Arrest 160831 - - 29/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-07-07 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-30 23:26 Fiche Arrest nr 160.831 van 29 juni 2006 - Beslissing : Bevolen Inwilliging tussenkomst bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 160.831 van 29 juni 2006 in de zaak A. 169.292/VII-35.

  1. In zake :
  2. Roger LUYCKX,
  3. Henriette TILCKENS, die woonplaats kiezen bij advocaat G. JACOBS, kantoor houdende te BRUSSEL, de Henninstraat 67-69 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat D. DE GREEF, kantoor houdende te ZELLIK, Noorderlaan 30 tussenkomende partij : de v.z.w. TERLAMEN, die woonplaats kiest bij advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Mechelsesteenweg
  4. ------------------------------------------------------------------------------------------------ --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Roger LUYCKX en Henriette TILCKENS op 9 januari 2006 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoer- legging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 9 november 2005 waarbij het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking van 19 juli 2004 houdende ambtshalve wijziging van de bijzondere vergunningsvoorwaarden met betrekking tot de permanente omloop voor motorvoertuigen die de v.z.w. TERLAMEN exploiteert te Zolder-Terlamen, wordt opgeheven; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. SOURBRON ; VII-35.241-1/17 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 14 juni 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 juni 2006; Gehoord het verslag van staatsraad R. STEVENS ; Gehoord de opmerkingen van advocaat G. JACOBS, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat D. DE GREEF, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat H. SEBREGHTS, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. SOURBRON ; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1.
  5. Overwegende dat de v.z.w. TERLAMEN, exploitant van de inrichting waarop de bestreden beslissing betrekking heeft, met een verzoekschrift van 1 februari 2006 heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat haar verzoek kan worden ingewilligd; 1.
  6. Overwegende dat diezelfde partij ter terechtzitting een “toelichten- de nota na auditoraatsverslag” heeft neergelegd; dat dit stuk niet voorzien is in de procedureregeling, zodat kan worden ingegaan op de vraag van de verzoekende partij om het uit de debatten te weren;
  7. Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak zich in de huidige stand van het geding als volgt aandienen : 2.
  8. De tussenkomende partij exploiteert een permanente omloop voor motorvoertuigen, algemeen gekend als het circuit van Zolder-Terlamen. 2.2 De omloop wordt thans uitgebaat op grond van een bij besluit van 7 januari 2000 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw verleende milieuvergunning waarvan de geldigheidstermijn loopt tot 31 december
  9. Aan die basisvergunning zijn een reeks bijzondere voorwaarden verbonden die hoofdzake- VII-35.241-2/17 lijk betrekking hebben op de bestrijding van de geluidshinder die met de vergunde activiteiten gepaard gaat. In het kader van voorliggend geding zijn inzonderheid de volgende voorwaarden van belang : “2) In afwijking van artikel 5.32.10.
  10. van titel II van het Vlarem : 2.1) Tijdens de activiteiten van categorie B en C mag de omloop uitsluitend worden gebruikt door motorvoertuigen en/of - rijwielen waarvan het geluidsni- veau LA, max, gemeten door de in punt 2.3) hierna bedoelde emissieposten, niet hoger is dan 95 dB(A). 2.2) Tijdens de activiteiten van categorie A mag voor de wedstrijden met regionaal karakter de omloop uitsluitend worden gebruikt door motorvoertuigen en/of -rijwielen waarvan het geluidsniveau La, max, gemeten door de in punt 2.3) hierna bedoelde emissieposten, niet hoger is dan 105 dB(A). Onder wedstrijden met regionaal karakter verstaat men die wedstrijden onder de auspiciën van de Vlaamse Autosportfederatie. 2.3) - 2.7) (...) 3) In afwijking van artikel 5.32.10.
  11. van titel II van het Vlarem : Voor de toepassing van deze bepalingen worden volgende categorieën van activiteiten onderscheiden : * activiteiten van de A-categorie : wedstrijden, test- en oefenritten met motorvoertuigen, alsook recreatief gebruik van motorvoertuigen of motorrijwielen, die voldoen aan de bijzondere voorwaarde 2, 2); (...); Vanaf de datum van het in werking treden van deze vergunning geldt daarenboven het volgende : * A-activiteiten zijn enkel toegelaten : - elke donderdag, voor zover deze niet voorafgaat aan een A-weekend van drie dagen, van 9-12 u en van 13-17 u - tien weekends per jaar, als volgt samengesteld : * drie weekends van twee en een halve dag, als volgt samengesteld : - vrijdag van 14-18 u - zaterdag van 9-12 u en van 13-18 u - zondag van 10-18u30 * maximaal vier weekends van drie dagen, als volgt samengesteld : - vrijdag van 9-12 u en van 13-18u - zaterdag van 9-12 u en van 13-18u - zondag van 10-18u30 - de donderdag voorafgaand aan deze weekends is geen ingedeelde activiteit toegestaan (noch A, B, C of D) * minimaal twee weekends per jaar als volgt samengesteld : - zaterdag van 9-12 u en van 13-18 u - zondag van 10-18u30 * één weekend van 24 uren begrepen tussen zaterdag 9 u en zondag 18u30 - 5 dagen per jaar van 9-19 u ingeval van toewijzing van een WK gemotoriseerde sporten. Indien deze vijf dagen aaneengesloten worden genomen, mogen er geen ingedeelde activiteiten ingericht worden (noch A, B, C of D) de dag voor en de dag na deze vijf dagen. - één avondtraining tijdens een weekdag van 16-24 u Het totaal aantal A-dagen mag de 73,5 niet overschrijden (of 78,5 ingeval van toewijzing van een WK). (...); VII-35.241-3/17 4) - 5) (...). 6) - De vzw Terlamen zal uiterlijk drie volle maanden voorafgaand aan elk verder volgend kwartaal de activiteitenkalender van desbetreffend kwartaal per aangetekend schrijven ter goedkeuring voorleggen aan de leidinggevend ambtenaar van de buitendienst van de afdeling Milieuvergunningen te Hasselt. Bij niet-afwijzing binnen de maand na deze voorlegging wordt de aldus voorgelegde activiteitenkalender geacht te zijn goedgekeurd. De activiteiten van categorie A met regionaal karakter dienen specifiek vermeld in de activiteitenkalender. - (...). 7) - 13) (...).” 2.
  12. Op 19 juli 2004 neemt de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking een besluit waarbij enkele bijzondere voorwaarden, opgelegd in de lopende milieuvergunning, ambtshalve worden gewijzigd. Aldus worden wijzigingen aangebracht aan de voorwaarden gesteld in de nrs. 2.2 en 6 van de basisvergunning. Bovenvermelde voorwaarde 2.2 wordt vervangen door de volgende bepaling : “Tijdens de activiteiten van categorie A mag voor de wedstrijden en/of activiteiten met regionaal karakter de omloop uitsluitend worden gebruikt door motorvoertuigen en/of motorrijwielen waarvan het geluidsniveau LA, max gemeten door de in punt 2.3) hierna bedoelde emissiemeetposten, niet hoger is dan 105 dB(A). Onder wedstrijden met regionaal karakter verstaat men die wedstrijden onder de auspiciën van de Vlaamse Autosportfederatie. De vrije trainingen op donderdag worden steeds gecatalogeerd als activiteiten met regionaal karakter en moeten dus voldoen aan hoger vermelde norm van 105 dB(A), met uitzondering van de trainingen op donderdagen vóór weekends met internationale wedstrijden.” De wijziging komt in concreto neer op de toevoeging van de in cursief weergegeven zin. De bijzondere voorwaarde nr. 6, eerste gedachtenstreepje, luidt na wijziging door het besluit van 19 juli 2004 voortaan als volgt : “De vzw Terlamen zal uiterlijk drie volle maanden voorafgaand aan elk verder volgend kwartaal de activiteitenkalender van desbetreffend kwartaal per aangetekend schrijven ter goedkeuring voorleggen aan de leidinggevend ambtenaar van de buitendienst van de afdeling Milieuvergunningen te Hasselt. Bij niet-afwijzing binnen de maand na deze voorlegging wordt de aldus voorgelegde activiteitenkalender geacht te zijn goedgekeurd. De activiteiten van categorie A met internationaal karakter dienen specifiek te worden vermeld in de activiteitenkalender. Voor elke activiteit met internationaal karakter wordt een verduidelijking en motivering gegeven van het internatio- naal karakter.” Het gewijzigde gedeelte is gecursiveerd. VII-35.241-4/17 De wijziging van de betrokken voorwaarden wordt in het besluit van 19 juli 2004 als volgt gemotiveerd : “Toepassing van de emissienorm van 105 dB(A) : op p. 13 van het ministerieel besluit van 7 januari 2000 is volgende overweging opgenomen : ‘dat de exploitant stelt dat slechts voor A-activiteiten met regionaal karakter een emissienorm LA, max van 105 dB(A) kan gerespecteerd worden, vermits deze norm voor internationale wedstrijden niet haalbaar is; dat het dus aangewezen is een onderscheid te maken tussen A-activiteiten van regionaal en van internationaal karakter; dat onder wedstrijden met regionaal karakter wedstrijden verstaan worden die onder de auspiciën staan van de Vlaamse autosportfederatie’; in bijzondere voorwaarde nr. 2.2 is deze emissienorm dan ook opgenomen voor wedstrijden met regionaal karakter; in bijzondere voorwaarde nr. 6 is bovendien opgenomen dat de activiteiten van categorie A met regionaal karakter specifiek moeten vermeld worden in de activiteitenkalender; dit impliceert dat exploitant zelf moet aangeven wanneer de emissienorm van 105 dB(A) van toepassing is (in principe zou dit telkens moeten gebeuren bij wedstrijden van regionaal belang), zoniet dan is er geen enkele geluidsbeperking gedurende de A-activiteit; de praktijk (bvb. zie activiteitenkalender 2003) toont echter aan dat exploitant de A-activiteiten nooit expliciet catalogeert als activiteit of wedstrijd van regionaal belang, ook niet de A-activiteiten op donderdag die op enkele uitzonderingen na (nl. trainingsritten de donderdag voor een internationale wedstrijd) nooit als activiteit van internationaal belang te beschouwen zijn, maar als “vrije trainingen” zijn gecatalogeerd; dit gaat in tegen de logica en de overwegingen van het ministerieel besluit van 7 januari 2000; om die reden is het dan ook aangewezen dat de logica wordt omgekeerd, namelijk dat de emissie- norm van 105 dB(A) steeds van toepassing is, tenzij het gaat om activiteiten met een internationaal karakter, en die als dusdanig zijn vermeld in de activiteitenk- alender; bij het aanduiden daarvan in de activiteitenkalender moet tevens een korte toelichting gegeven worden waarom de activiteit een internationaal karakter heeft; de trainingen op donderdag dienen steeds te beantwoorden aan de norm van 105 dB(A) tenzij het gaat om trainingsritten de donderdag voor een internationale wedstrijd; met deze wijziging wordt in se niks fundamenteels gewijzigd aan de logica van de bijzondere voorwaarden van het ministerieel besluit van 7 januari 2000; de wijziging moet echter zorgen voor het operationaliseren van het bewust gemaakte onderscheid dat in de praktijk niet wordt toegepast.” 2.
  13. Nauwelijks een maand later, meer bepaald op 25 augustus 2004, neemt de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur een besluit waarbij de vergunningsvoorwaarden voor de exploitatie van het betrokken circuit opnieuw ambtshalve worden gewijzigd. Met betrekking tot het gebruik van de omloop op donderdagen en de daarbij toepasselijke geluidsnorm wordt de zin die aan voorwaarde 2.2 werd toegevoegd bij besluit van 19 juli 2004 geschrapt. Daarmee wordt in feite volledig teruggekeerd naar de voorwaarde zoals die oorspronkelijk was opgenomen in de basisvergunning van 7 januari
  14. VII-35.241-5/17 Een tweede wijziging houdt verband met de vermelding in de activiteitenkalender van het soort A-activiteiten. Voortaan geldt als regel dat “voor de activiteiten van categorie A wordt verduidelijkt of ze een regionaal dan wel een internationaal karakter hebben”. 2.
  15. Tegen voormeld besluit van 25 augustus 2004 stelt de huidige eerste verzoeker, omwonende van het circuit, een beroep tot nietigverklaring en een vordering tot schorsing in bij de Raad van State (zaak gekend onder nr.A.157.935/VII-33.206). Bij arrest nr. 150.456 van 20 oktober 2005 wordt het besluit van 25 augustus 2004 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur door de Raad van State vernietigd. Eén van de aangevoerde middelen werd kennelijk gegrond bevonden. 2.
  16. Op 8 november 2005 dient de tussenkomende partij bij de Raad van State een verzoek tot nietigverklaring en een vordering tot schorsing in tegen voormeld besluit van 19 juli 2004 van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking (zaak gekend onder nr. A. 167.598/VII- 34.912). Bij arrest nr. 159.568 van 2 juni 2006 worden het annulatieberoep en de vordering tot schorsing verworpen wegens kennelijke laattijdigheid. 2.
  17. Daags nadat de tussenkomende partij de zaak met nr. A. 167.598/VII-34.912 bij de Raad van State had ingeleid, neemt de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur het thans bestreden besluit. Het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssa- menwerking van 19 juli 2004 tot wijziging van de bijzondere exploitatievoorwaarden wordt opgeheven. De opheffingsbeslissing komt tot stand “mede in het licht van de wettigheidsbezwaren die worden opgeworpen in de hangende procedure bij de Raad van State” (bedoeld wordt de zaak nr. A. 167.598/VII-34.912);
  18. Overwegende dat de verwerende partij en de tussenkomende partij opwerpen dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij hun vordering omdat het door het bestreden besluit “opgeheven” besluit van 19 juli 2004 alsmede het opheffingsbesluit zelf geen rechtsverlenende beslissingen zijn ten opzichte van de verzoekende partijen ; dat de tussenkomende partij ter terechtzitting nog doet gelden VII-35.241-6/17 dat het ingeroepen belang onwettig is, omdat het besluit van 19 juli 2004 onwettig zou zijn; Overwegende dat de verzoekende partijen omwonenden van het betrokken autocircuit zijn ; dat het bestreden besluit beoogt en tot gevolg heeft dat op het circuit op alle donderdagen als internationaal gekwalificeerde activiteiten plaats mogen vinden waarvoor geen beperking van het geluidsvolume geldt, daar waar op grond van het besluit van 19 juli 2004 de vrije trainingen op donderdag steeds worden gecatalogeerd als regionale activiteiten met een maximum toegelaten geluidsniveau van 105 dB(A) ; dat het bestreden besluit derhalve tot gevolg heeft dat de door de omwonenden te verdragen geluidslast aanzienlijk toeneemt ; dat de bestreden beslissing dus in hoofde van de verzoekende partijen griefhoudend is ; dat hierna zal blijken dat de wettigheid van het besluit van 19 juli 2004 niet meer in vraag mag worden gesteld ; dat de exceptie ongegrond is;
  19. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 5.1.
  20. Overwegende, wat de eerste schorsingsvoorwaarde betreft, dat de verzoekende partijen als eerste middel het volgende aanvoeren : “Het eerste middel wordt genomen uit de schending van de voorwaarden waaronder een rechtsverlenende administratieve rechtshandeling kan worden ingetrokken, de schending van de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven bevoegdheidsregels, evenals de schending van het vertrouwens- beginsel Doordat, de bestreden beslissing besluit tot de intrekking - zij het de opheffing - van het ministerieel besluit van 19 juli 2004 dat aan de omwonenden van de omloop van Terlaemen bescherming biedt tegen overdreven geluidsover- last en dat hun recht op een gezond leefmilieu gedeeltelijk veilig stelt, en doordat deze intrekking en/of opheffing slechts plaats vond meer dan een jaar na de bekendmaking van het ministerieel besluit van 19 juli 2004 Terwijl, de administratieve overheid die een administratieve (en volgens haar onregelmatige) rechtshandeling uit het rechtsverkeer wenst te verwijderen, dit slechts kan gedurende de termijn van 60 dagen bepaald voor het instellen van een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State; dat in het Auditoraatsver- slag nr. A/A. 167.598/VII-34.912 reeds in het kader van artikel 93 van het gewoon procedurereglement werd vastgesteld dat een annulatieberoep tegen het VII-35.241-7/17 ministerieel besluit van 19 juli 2004, ingediend op 8 november 2005, kennelijk laattijdig werd ingesteld Zodat de bestreden beslissing, door een aan verzoekende partijen rechtsverle- nend ministerieel besluit van 19 juli 2004 op te heffen (lees ‘in te trekken’) nadat de termijn is verstreken om tegen dat besluit een annulatieberoep in te dienen, de in het middel aangehaalde beginselen schendt. Toelichting Een regelmatige administratieve rechtshandeling die rechten toekent, kan onder geen enkele omstandigheid worden ingetrokken. (VAN DAMME, M., en DE KEGEL, F., Administratieve rechtsbibliotheek, intrekking van de administratieve rechtshandeling, Brugge, die Keure, 1994,41) Voor zover kan worden aangenomen dat het ministerieel besluit van 19 juli 2004 onregelmatig zou zijn, dient vastgesteld te worden dat dit besluit slechts onder welbepaalde voorwaarden kan worden ingetrokken. Alvorens op de voorwaarden in te gaan, dient vastgesteld te worden dat het besluit van 19 juli 2004 aan verzoekende partijen evenals de omwonenden een aantal rechten toekende, nu dit besluit de dagen waarop onbeperkt geluidshinder kon worden veroorzaakt aan banden legde, en dienvolgens in het bijzonder op de donderdagen een daadwerkelijke geluidsbeperking invoerde. Wat betreft de mogelijkheid tot het intrekken van een (onregelmatige) rechtsverlenende administratieve rechtshandeling, wordt algemeen door de rechtsleer en de rechtspraak aangenomen dat dergelijke intrekking slechts mogelijk is binnen de termijn van 60 dagen bepaald voor het instellen van een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State. (VAN DAMME, M. en DE KEGEL, F., l.c., 43; zie eveneens de daarin geciteerde rechtspraak: R.v.St., De Zurpele, nr. 2206 van 13 februari 1953; De Lannoy, nr. 13.614 van 6 juni 1969; Chamart, nr. 14.445 van 14 januari 1971; Delsa, nr. 17.276 van 13 november 1975; Benoit, nr. 22.934 van 11 februari 1983; Rossignol, nr. 25.391 van 29 mei 1985; Bastien, nr. 33.123 van 4 oktober 1989). Van Damme en De Kegel zeggen daarover: ‘De Raad van State gaat er met name van uit dat de administratieve overheid bevoegd blijft om een door haar verrichte administratieve rechtshandeling alsnog in te trekken, zolang er onzekerheid bestaat omtrent het definitief karakter van deze bestuurshandeling, wat het geval is zolang de mogelijkheid bestaat een annulatieberoep in te stellen’ (VAN DAMME, M. en DE KEGEL, l.c., 43-44) Nu in het Auditoraatsverslag nr. A/A 167.598/VlI-34.912 van 24 november 2005 werd vastgesteld dat het verzoekschrift tot nietigverklaring ingediend door de vzw Terlamen tegen het besluit van 19 juli 2004 kennelijk laattijdig is ingesteld, dient daaruit noodzakelijkerwijze ook afgeleid te worden dat de termijn waarbinnen het besluit van 19 juli 2004 kon worden ingetrokken eveneens verstreken is. Derhalve beschikte de minister niet meer over de vereiste bevoegdheid om alsnog over te gaan tot de intrekking dan wel de opheffing van het bestreden besluit. Er dient trouwens opgemerkt te worden daar waar het bestreden besluit naar terminologie spreekt van de ‘opheffing’ van het besluit van 19 juli 1994, daarmee klaarblijkelijk de ‘intrekking’ van het besluit wordt bedoeld, nu het bestreden besluit ook met terugwerkende kracht gevolgen beoogt te hebben. Het bestreden besluit stelt immers impliciet doch in duidelijke bewoordingen: ‘dat door het herleven van de oorspronkelijke bepaling (datum van 30 juni 2005)’ (bedoeld wordt de verplichting tot het opmaken van een geluidsrap- port) ‘de exploitant thans, gelet op het verstreken zijn van deze datum, in de onmogelijkheid is nog aan deze voorwaarde te voldoen, zodat het aangewe- zen is deze uit het rechtsverkeer te verwijderen;’ (zie pag. 6 bestreden besluit);” 5.1.
  21. Overwegende dat de verwerende partij onder meer antwoordt : VII-35.241-8/17 “
  22. De intrekking is de impliciete of expliciete rechtshandeling waarbij een administratieve overheid een beslissing die zij heeft genomen ab initio teniet doet, ten gevolge waarvan de ingetrokken beslissing geacht wordt niet te hebben bestaan (MAST, A. en DUJARDIN J., Overzicht van het Belgisch administratief recht, 1999, nr 730). De opheffing van een administratieve rechtshandeling is de impliciete of uitdrukkelijke rechtshandeling waarbij een administratieve overheid aan de handeling die zij heeft verricht, voor de toekomst haar gelding ontneemt, zodat de rechtsgevolgen van die handeling voor het verleden blijven bestaan. De opheffing geschiedt, in tegenstelling tot de vernietiging en de uittrekking (sic), ex tunc, zij enkel geldt voor de toekomst (MAST, A. en DUJARDIN J., o.c., 730). De opheffing wordt eerder toelaatbaar geacht dan de intrekking (MAST, A. en DUJARDIN J., o.c., 731). Het al dan niet regelmatig karakter van de op te heffen handeling is voor MAST en DUJARDIN in tegenstelling tot wat in het kader van de theorie inzake de toelaatbaarheid van de intrekking het geval is, niet determinerend (MAST, A. en DUJARDIN J., o.c., 731). Aangezien de door het bestreden besluit opgeheven beslissing geen individuele rechten verleent aan verzoekende partijen, hebben zij geen belang bij de aanvechting van de opheffing ervan”; dat zij voorts poogt aan te tonen dat de tussenkomende partij tijdig een annulatiebe- roep heeft ingesteld tegen het door het bestreden besluit “opgeheven” besluit van 19 juli 2004 ; dat zij ter terechtzitting nog doet gelden dat dit besluit van 19 juli 2004 geen rechten verleent aan derden, zodat dit ten alle tijde kon worden ingetrokken of opgeheven; dat zij er tevens op wijst dat vergunningsvoorwaarden steeds ambtshalve kunnen worden gewijzigd ; 5.1.
  23. Overwegende dat de tussenkomende partij dienaangaande onder meer betoogt : “(...) Verzoekende partij gaat er van uit dat het bestreden besluit een onwettige intrekking inhoudt, terwijl het gaat om een opheffing, van het besluit van minister Tavernier van 19 juli
  24. De verzoekende partij stelt dat de door haar ingeroepen beginselen geschonden worden doordat een (volgens verzoekende partij) aan haar rechtsverlenende beslissing wordt ingetrokken nadat de termijn verstreken is om tegen dat besluit een annulatieberoep in te dienen. A. Algemeen (...) De argumentatie van de verzoekende partij kan op twee punten niet gevolgd worden: a. de opgeheven beslissing verleent gen rechten aan de verzoekende partij, zodat te allen tijde de onwettige beslissing opgeheven kan worden; b. de termijn om een beroep in te dienen bij de Raad van State was niet verstreken. (...) Beide aspecten worden hieronder verder toegelicht. B De opgeheven beslissing verleent geen rechten aan de verzoekende partij, zodat te allen tijde de onwettige beslissing opgeheven kan worden. VII-35.241-9/17 (...) Vooreerst : er zijn essentiële verschillen tussen intrekken en opheffen. Verzoekende partij gaat uit van een ‘intrekking’ terwijl het een ‘opheffing’ betreft. (...) Bij de intrekkingsleer wordt van een dubbele vraagstelling uitgegaan, nl. die betreffende het al dan niet regelmatig karakter van de in te trekken handeling en die betreffende het rechtsverlenend of louter rechtserkennend karakter ervan. (...) Een administratieve rechtshandeling welk geen rechten heeft doen ontstaan ten voordele van derden kan steeds en ongeacht het regelmatig of onregelmatig karakter ervan worden ingetrokken wanneer de overheid oordeelt dat het algemeen belang zulks vereist. (...) Anders is het bij rechtshandelingen die wel rechten doen ontstaan. In dat geval kan een regelmatige administratieve rechtshandeling niet worden ingetrokken. Een onregelmatige bestuurshandeling kan worden ingetrokken onder bepaalde voorwaarden en binnen een bepaalde termijn. Het kan binnen de termijn van zestig dagen (waarna een besluit definitief wordt) of, wanneer het is aangevochten voor de Raad van State, tot aan de sluiting van de debatten over de vernietigingsvordering. Die vordering wordt dan zonder voorwerp. (...) In casu gaat het evenwel om een opheffing. Het verschil is dat een intrekking ex nunc werkt terwijl een opheffing ex tunc werkt, voor het toekomende (sic). Ze is een ‘zachtere’ maatregel. Er is hiervoor reeds herhaaldelijk aangehaald en aangetoond dat de opgeheven ‘maatregel’ van 19 juli 2004 geen definitieve maatregel was. De termijn van 60 dagen voor het aanvechten ervan met een annulatievordering was niet verstreken toen de maatregel gewijzigd werd door die van 25 augustus
  25. Er was geen definitieve onaantastbare constitutieve rechtshandeling. Er is aangetoond dat de rechtshandeling van 19 juli 2004 onregelmatig was. Ze kon derhalve worden ingetrokken. A fortiori kan ze dan ook worden opgeheven. (...) In een arrest van de Raad van State wordt uitspraak gedaan over de vraag of een milieuvergunning en de milieuvergunningsvoorwaarden rechten t.a.v. de vergunninghouder en/of derden doen ontstaan. (...) De Raad oordeelt dat de milieuvergunning essentieel rechtsscheppend is in hoofde van de vergunninghouder, in die zin dat eenmaal de vergunning bekomen is, de vergunninghouder het recht verworven heeft, mits inachtneming van de opgelegde voorwaarden, tot het uitbaten van een welbepaalde inrichting gedurende de in de vergunning gestelde termijn. (...)Derden kunnen evenwel ls zodanig geen rechtstreekse rechten putten uit die exploitatievergunning of milieuvergunning. De toekenning van de milieuvergun- ning doet in hoofde van derden slechts ‘afgeleide’ rechten ontstaan in die zin dat zij het gevolg zijn van de aan de exploitant opgelegde exploitatievoorwaarden, hetgeen die derde wel toelaat de naleving van die voorwaarden te eisen en eventueel af te dwingen, maar hem voor het overige niet toelaat enig recht op de vergunning zelf te doen gelden. (...) Besluitend oordeelde de Raad dat deze afgeleide rechten geen beletsel vormen wanneer men op rechtsgeldige wijze een onregelmatige vergunningsbe- slissing wenst in te trekken, zelfs wanneer de daartoe gestelde termijn verstreken is. (...) Uit het voorgaande blijkt dat het middel niet ontvankelijk is bij gebreke aan belang”; dat ook zij voorts poogt aan te tonen dat zij tijdig een annulatieberoep heeft ingesteld tegen het besluit van 19 juli 2004 ; dat zij ter terechtzitting nog argumenteert dat dit om diverse redenen onwettig is ; dat ook deze partij van mening is dat het opgeheven besluit van 19 juli 2004 geen rechten verleent aan derden, zodat dit ten alle tijde kon VII-35.241-10/17 worden ingetrokken of opgeheven en aanvoert dat vergunningsvoorwaarden steeds ambtshalve kunnen worden gewijzigd; dat zij ten slotte vraagt met toepassing van artikel 159 van de Grondwet dit besluit buiten toepassing te laten; 5.
  26. Overwegende dat het bestreden besluit steunt op de volgende overwegingen : “Overwegende dat de heer Roger Luyckx op 29 november 2004 een vordering tot schorsing en tot nietigverklaring heeft ingesteld bij de Raad van State tegen het ministerieel besluit nr. AMV/00003097/1020 van 25 augustus 2004; dat de Raad van State van oordeel is dat (bepaalde onderdelen van) het bestreden besluit niet afdoende gemotiveerd zijn, of onduidelijk zijn; dat het ministerieel besluit van 25 augustus 2004 derhalve door de Raad van State vernietigd werd bij arrest nr. 150.456 van 20 oktober 2005, betekend op 4 november 2005; Overwegende dat derhalve het ministerieel besluit van 19 juli 2004 opnieuw geldingskracht heeft; overwegende echter dat de VZW TERLAMEN op haar beurt op 8 november 2005 een vordering tot schorsing en tot nietigverklaring heeft ingesteld vordering tot schorsing en tot nietigverklaring heeft ingesteld bij de Raad van State tegen dit ministerieel besluit; Overwegende dat het derhalve, teneinde duidelijkheid en rechtszekerheid te creëren, gepast voorkomt de wettigheid en wenselijkheid van het ministerieel besluit van 19 juli 2004 opnieuw te onderzoeken, mede in het licht van de wettigheidsbezwaren opgeworpen in de hangende procedure bij de Raad van State”; dat het vervolgens overgaat tot een analyse van het besluit van 19 juli 2004, en besluit dat die akte moet worden “opgeheven” daar ze aangetast is door diverse onwettigheden ; Overwegende dat, ondanks het gebruik van het begrip “ophef- fing”, uit de motivering van het bestreden besluit lijkt te moeten worden afgeleid dat dit besluit is geconcipieerd als een intrekking van het besluit van 19 juli 2004 ; dat dit prima facie blijkt uit de verwijzing naar het annulatieberoep dat werd ingesteld tegen dit besluit en naar de redenen van de “opheffing”, met name het beweerde aangetast zijn ervan door onwettigheden ; dat de verwerende en de tussenkomende partij bijgevolg niet dienstig kunnen inroepen dat het bestreden besluit geen intrekking inhoudt doch een opheffing voor de toekomst ; dat die partijen evenmin dienstig kunnen verwijzen naar de mogelijkheid om ambtshalve vergunningsvoorwaarden te wijzigen, vermits de desbetreffende procedure niet werd toegepast; dat, hoewel de verzoekende partijen niet de adressaten zijn van het door de bestreden beslissing opgeheven besluit, dit besluit prima facie wel rechten in hunnen hoofde creëerde, met name onder meer het recht dat op het betrokken circuit bepaalde geluidsnormen VII-35.241-11/17 worden gerespecteerd ; dat de leer van de intrekking in deze dus wel degelijk van toepassing lijkt te zijn ; dat met ‘s Raads arrest nr. 159.568, van 2 juni 2006, het annulatieberoep tegen het besluit van 19 juli 2004 wegens laattijdigheid werd verworpen ; dat dit besluit dan ook niet meer kan worden ingetrokken, vermits met gezag van gewijsde is komen vast te staan dat het niet tijdig was bestreden met een annulatieberoep ; dat dit besluit, met individuele strekking, dan ook niet buiten toepassing kan worden gelaten op grond van artikel 159 van de Grondwet, en de diverse onwettigheden die de tussenkomende partij ertegen aanvoert dan ook niet ter zake dienend zijn ; dat het middel ernstig is ; 6.1.
  27. Overwegende, wat de tweede schorsingsvoorwaarde betreft, dat de verzoekende partijen aanvoeren : “Bij verzoekschrift van 29 november 2004 diende eerste verzoekende partij reeds een annulatieberoep en een schorsingsverzoek in tegen het ministerieel besluit van 25 augustus 2004 houdende wijziging van het ministerieel besluit van 19 juli 2004 (A.157 .935/VII-33 .206). Toen werd reeds op de impact gewezen van het aan de exploitant vrij overlaten van de bepaling wanneer er al dan niet regionale (geluidsbeperkte) activiteiten kunnen plaatsvinden, omdat daarmee de exploitant terug naar zijn vroegere praktijk zal grijpen om zonder meer alle activiteiten op donderdagen als internationale Anactiviteit te bestempelen. Heel eenvoudig gesteld, het besluit van 19 juli 2004 beperkte de geluidshinder op donderdagen tot 105 db(A), daar waar ten gevolge van de bestreden beslissing de exploitant terug zelf zal kunnen bepalen wanneer er al dan niet geluidsbeperking geldt, hetgeen in de praktijk zonder twijfel zal leiden tot de algemene praktijk van het organiseren van A-activiteiten zonder geluidsbeper- king op alle donderdagen. Dat een toename van het aantal dagen met onbeperkt lawaai voor de omwonenden -waaronder verzoekende partijen - als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel moet worden aangenomen, werd reeds door uw Raad in vorige gelijkaardige procedures van de omwonenden aanvaard: ‘Overwegende wat de tweede voorwaarde betreft, dat de verzoekende partij, die blijkens het door haar toegevoegde kadasterplan op ongeveer 200 meter van de omloop woont, erop wijst (samengevat) dat de in artikel 5.32.10.2, § 4 van Vlarem II vervatte regeling haar per 1 januari 1996 gedurende minstens twee weekeinden per maand enige verademing garandeerde van de hinder (lawaai, verkeerschaos, parkeerproblemen, zwerfvuil, ...) die de omloop in kwestie -welke 750.000 bezoekers per jaar aantrekt- met zich mee brengt, dat het thans bestreden besluit ‘zonder meer een verdubbeling toelaat van de overlast ten aanzien van hetgeen reglementair gewaarborgd werd’, terwijl ‘het nalaat gelijkwaardige voorwaarden op te leggen die het nadeel van het verlies van het recht op rust en de beperkingen van milieuschade moeten compenseren.’(R.v.St., Jacobs, nr. 62.894, 31 oktober 1996) ‘dat daarenboven, de zware hinder die verzoeker reeds ten gevolge van de reglementaire afwijking moet gedogen tot gevolg heeft dat elke bijkomende hinder als des te erger kan worden ervaren; dat verzoeker voldoende aannemelijk maakt dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden VII-35.241-12/17 beslissing hem een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen’ (R.v.St., Jacobs, nr. 65.694, 27 maart 1997) en ‘dat ten opzichte van de bestaande regeling kan worden aangenomen dat door de verbreking van het weekendevenwicht de hinder voor de omwonenden substantieel zal toenemen; dat daarbij niet kan voorbijgegaan aan de vaststelling dat de betrokken omloop die in de onmiddellijke omgeving van verzoekers woonplaats is gelegen, reeds geniet van een afwijking op de principiële verbodsbepalingen van artikel 5.32.10.2, §1 van Vlarem II die voorschrijven dat de exploitatie van een omloop die niet voldoet aan de in dat artikel opgesomde afstandsregels niet mag worden geëxploiteerd; dat aan de voorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is voldaan.’ (R.v.St., Jacobs, nr. 80.018, 29 april 1999) Ten gevolge van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing zal de vroegere toestand van tijdens de initiële basismilieuvergunning terug van kracht worden, doch met dit essentieel verschil dat thans geweten is en ervaren werd dat de bijzondere voorwaarde van het beperken van de geluidsemissie van regionale A-activiteiten op donderdagen, dode letter is gebleken, zodat het moeizaam bereikte evenwicht doorbroken is en de omwonenden dan ook te maken zullen krijgen met een aanzienlijke vermindering van de kwaliteit van de leefomgeving in vergelijking met hetgeen zij konden verhopen op het ogenblik van het verlenen van de initiële basismilieuvergunning van 7 januari
  28. Daar waar het besluit van 19 juli 2004 ervoor zorgde dat de hinder in de geest van de milieuvergunning van 2000 verder zou worden teruggedrongen, zal tengevolge van de bestreden beslissing de geluidsoverlast toenemen in een mate waarmee geen rekening werd gehouden bij de vaststelling van de milieuvergun- ningsvoorwaarden in
  29. De bestreden beslissing werkt de praktijk van de exploitant houdende toename van de activiteiten zonder geluidsbeperking dan ook in de hand, meer zelfs legitimeert ze. In die mate creëert de bestreden beslissing een toestand die meer hinder mogelijk maakt dan initieel de bedoeling was binnen het kader van de basisvergunning van 7 januari
  30. De bestreden beslissing strekt verzoekende partijen dan ook tot een moeilijk te herstellen ernstig nadeel”; 6.1.
  31. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt : “Er dient gesteld dat verzoekende partij ten onrechte de situatie gaat vergelijken met deze sedert de wijziging van 19 juli
  32. Deze wijziging heeft in de praktijk trouwens nooit uitwerking gehad omdat: 1) ze nog voor het verstrijken van de termijn van bekendmaking (van 09 augustus t/m 07 september 2004) van het besluit werd gewijzigd door het besluit van 25/08/2004; 2) de activiteitenkalender voor de periode juli-augustus-september 2004 reeds op 31/03/2004 werd ingediend en goedgekeurd door de afdeling Milieuvergun- ningen Limburg. Er is dus hoegenaamd geen toename van de hinder voor de omwonenden. Ten gevolge van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing zal de vroegere toestand van tijdens de initiële basismilieuvergunning van 07 januari 2000 van kracht blijven, regeling die nooit aangevochten werd en die sedertdien voor een evenwicht tussen leefmilieu en economie zorgt”; 6.1.
  33. Overwegende dat de tussenkomende partij doet gelden : VII-35.241-13/17 (...) Verzoekende partijen stellen dat de vroegere toestand van de initiële basismilieuvergunning ten gevolge van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing terug van kracht zou worden, doch met dit verschil dat thans geweten is en ervaren werd dat de bijzondere voorwaarde van het beperken van de geluidsemissie van regionale A-activiteiten op donderdagen, dode letter is gebleken, zodat het moeizaam bereikte evenwicht doorbroken is en de omwonenden dan ook te maken zullen krijgen met een aanzienlijk vermindering van de kwaliteit van de leefomgeving in vergelijking met hetgeen zij konden verhopen op het ogenblik van het verlenen van de initiële basismilieuvergunning van 7 januari
  34. (...) Het moeilijk te herstellen ernstig nadeel ligt (uitsluitend) in ‘de toename van het aantal dagen met onbeperkt lawaai’. Uit de derde alinea van de uiteenzetting over het moeilijk te herstellen ernstig nadeel in het inleidend verzoekschrift blijkt duidelijk dat ook verzoekende partij oordeelt, in tegenstelling blijkbaar tot de minister die de wijziging doorvoerde waardoor er ‘in se niks fundamenteels gewijzigd (wordt)’, dat de toen (met miskenning van het hoorrecht) doorge- voerde wijziging een fundamentele en essentiële wijziging is van de basismilieu- vergunning van 7 januari
  35. Het evenwicht tussen leefmilieu en economie uit de basisvergunning wordt met één pennentrek teniet gedaan terwijl men tracht voor te houden niks te wijzigen. Verzoekende partij bevestigt hiermee de stelling van tussen komende partij over het karakter van de wijziging. (...) Er moet worden opgemerkt dat het besluit van 19 juli 2004 niet terug van kracht wordt zoals wordt voorgehouden. Het is niet van kracht geweest. Het is gewijzigd door het besluit van de bevoegde minister van 25 augustus 2004, voorafgaand aan het verstrijken van de termijn van 60 dagen voor de aanvech- ting ervan met een annulatievordering bij de Raad van State. (...) Uit de uiteenzetting van de verzoekende partijen blijkt duidelijk dat zij de basismilieuvergunning ervaren als een ‘moeizaam bereikt even wicht’, waarin zij zich in principe kunnen terugvinden. Dit blijkt uit het feit dat zij in het verleden tegen deze basisvergunning van 7 januari 2000 nooit beroep hebben ingesteld. Het blijkt ook op diverse plaatsen in hun verzoekschrift waar zij dit onomwonden stellen, o.m. op p. 10, laatste alinea, waarin verzoekende partijen duidelijk stellen dat ‘in de basismilieuvergunning een evenwicht werd bereikt tussen leefmilieu en economie (reden waarom de omwonenden geen beroep aantekenden tegen de milieuvergunning van 2000'. Een terugkeer naar de toestand waarin de evenwichtige voorwaarden van de milieuvergunning van 7 januari 2000 gelden (om reden waar van men geen beroep bij de Raad van State heeft aangetekend), kan dan ook alleszins niet aanzien worden als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Het nadeel is minstens niet ernstig. Dat blijkt uit het eigen standpunt. (...)Als nadeel voeren de verzoekende partijen een louter hypothetisch nadeel aan. Op basis van wat verzoekende partijen zouden ‘weten’ en ‘ervaren hebben’ in het verleden, maken zij prognoses en hypotheses voor de toekomst. Zij verliezen uit het oog dat ‘tegen wat ze “weten” en “ervaren hebben” in het verleden’, zij geen bezwaar hebben ingediend, omdat die toestand een uitbating met significant minder hinder realiseerde via de vergunning van 7 januari 2000 dan de toestand onder de voorgaande vergunning, en evenmin sedertdien klacht hebben ingediend wegens de miskenning van de in 2000 opgelegde voorwaar- den. Zij stellen dat in het verleden de bijzondere voorwaarde van het beperken van geluidsemissie van regionale A-activiteiten op donderdagen, dode letter is gebleken. Dit is onjuist. Het blijkt uit het eigen verzoekschrift, p. 3, 4de alinea, 1ste gedachtenstreep dat zij de vergunning van 2000 wel degelijk op dezelfde wijze lezen als verzoekende partij in tussenkomst. Circuit Zolder heeft in het verleden steeds alle voorwaarden correct nageleefd. Er werden ook geen klachten geuit en geen PV’s opgemaakt. Hieruit blijkt dat de uitbating conform was aan de vergunningvoorwaarden. Naast het feit dat de loutere, niet VII-35.241-14/17 gefundeerde stelling onjuist is, worden er ook hypothetische conclusies aan verbonden, nl. dat ‘de omwonenden dan ook te maken zullen krijgen met een aanzienlijke vermindering van de kwaliteit van de leefomgeving in vergelijking met hetgeen zij konden verhopen op het ogenblik van het verlenen van de initiële basismilieuvergunning van 7 januari 2000'. Er is geen vermindering van kwaliteit. De kwaliteit die er was onder de vergunning van 2000, die door hen aanvaard wordt als een evenwicht tussen leefmilieu en economie, reden waarom er geen vordering bij de Raad van State tegen werd ingediend, wordt verder gehandhaafd zonder dat er daarin op enig ogenblik een wijziging is aangebracht. Het nadeel dat ze voorhouden zou voortvloeien uit de vergunning van 7 januari 2000 die ze nooit aanvochten maar waarvan ze blijkbaar een foutieve perceptie hadden. Het vloeit niet voort uit de aangevochten rechtshandeling. Verzoeken de partijen gaan er vanuit dat Circuit Zolder de voorwaarden uit de basisvergun- ning in de toekomst niet zou naleven. In het verleden heeft ze dat nochtans altijd gedaan. Overigens is er voor een niet naleving van voorwaarden de handhaving. Waarop is deze louter hypothetische bewering gebaseerd? Dit nadeel is louter hypothetisch, doch vindt bovendien zijn rechtstreekse oorzaak niet in de bestreden beslissing. Het nadeel volgt niet uit de uitvoering van de opheffings- beslissing, doch uit een puur hypothetische niet uitvoering door Circuit Zolder van de basisvergunning van 7 januari
  36. Indien Circuit Zolder zich per hypothese niet zou houden aan de vergunningsvoorwaarden, kan uiteraard handhavend opgetreden worden. Het voorgehouden nadeel volgt niet uit de bestreden beslissing maar zou volgen uit de basismilieuvergunning. (...) Het kan niet betwist worden dat de opgeheven voorwaarden van de vergunning van 19 juli 2004 nooit uitvoerbaar zijn geweest. Dit volgt zowel uit de reeds eerder genoemde besluiten van25 augustus 2004 als van 9 november
  37. Hieruit blijkt dat de redenering van verzoekende partij louter hypothetisch is. Zij beroepen zich op een ‘beweerd’ voordeel dat het gevolg zou zijn van een onwettig besluit van 19 juli 2004 dat nooit uitvoerbaar was. Van het ‘beweerd’ voordeel erkennen ze evenwel impliciet zelf dat het een onwettig karakter heeft gezien het gaat om een essentiële wijziging aan de basisvergunning doorgevoerd op niet regelmatige wijze. Ze vermag zich niet te steunen op een onrechtmatig voordeel om daaruit een nadeel voor te houden. (...) Besluit: Het aangevoerde nadeel mag niet louter hypothetisch zijn en dient zijn rechtstreekse oorzaak te vinden in de bestreden beslissing. Aan geen van beide vereisten is in casu voldaan. Gezien teruggekeerd wordt naar de basisvergunning van 2000 die ook door verzoekende partijen wordt erkend als een moeizaam bereikt evenwicht, is het nadeel zeker niet ernstig”; 6.
  38. Overwegende dat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel van de verzoekende partijen -waarvan niet wordt betwist dat het omwonenden van het circuit zijn- moet worden beoordeeld in het licht van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit ; dat, zoals hoger met betrekking tot het belang gesteld, dit besluit tot gevolg heeft dat op het circuit op alle donderdagen als internationaal gekwalifi- ceerde activiteiten plaats mogen vinden waarvoor geen enkele beperking van het geluidsvolume geldt, daar waar op grond van het door het bestreden besluit “opgeheven” besluit de vrije trainingen op donderdag steeds worden gecatalogeerd als regionale activiteiten met een maximum toegelaten geluidsniveau van 105 dB(A); dat ook hier weze herhaald dat de wettigheid van het besluit van 19 juli 2004 niet meer in vraag mag worden gesteld ; dat het bestreden besluit tot gevolg heeft dat de VII-35.241-15/17 door de omwonenden te verdragen geluidslast dermate toeneemt dat hun woon- en leefklimaat in ernstige mate wordt aangetast ; dat dit nadeel ernstig is en moeilijk te herstellen ;
  39. Overwegende dat de tussenkomende partij ter terechtzitting in ondergeschikte orde vraagt aan belangenafweging te doen ; dat zij er in dit verband op wijst dat de schorsing van de bestreden beslissing tot gevolg zal hebben dat zij een aantal contracten niet zal kunnen naleven, dat de sluiting van haar inrichting dreigt met gevolgen voor de tewerkstelling van 280, vaak laaggeschoolde, personen, en dat de verzoekende partijen in de omgeving zijn komen wonen nadat het circuit reeds jaren bestond ; Overwegende dat op dit verzoek niet kan worden ingegaan ; dat de ingeroepen contracten niet worden voorgelegd ; dat ook niet concreet wordt aangetoond dat de sluiting van de inrichting dreigt ten gevolge van het moeten respecteren van een geluidsnorm van 105 dB(A) op donderdagen, gedurende de beperkte termijn voor het vellen van een arrest over het bodemgeschil nadat de schorsing is bevolen ; dat de premissen waarop de vraag berust niet zijn aangetoond, zodat niet moet worden afgewogen of de belangen van de tussenkomende partij primeren op die van de verzoekende partijen, BESLUIT: Artikel
  40. Het verzoek tot tussenkomst van de v.z.w. TERLAMEN in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel
  41. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 9 november 2005 waarbij het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking van 19 juli 2004 houdende VII-35.241-16/17 ambtshalve wijziging van de bijzondere vergunningsvoorwaarden met betrekking tot de permanente omloop voor motorvoertuigen die de v.z.w. TERLAMEN exploiteert te Zolder-Terlamen, wordt opgeheven. Artikel
  42. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het geschorste besluit. Artikel
  43. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig juni tweeduizend en zes, door : de H. R. STEVENS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. R. STEVENS. VII-35.241-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.831 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.648 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.