← België

Arrest 160837 - - 29/06/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.837 Rolnummer: A. 123154/X-11027 Zaak: Arrest 160837 - - 29/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-07-06 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 23:29 Fiche Arrest nr 160.837 van 29 juni 2006 - Beslissing : Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 160.837 van 29 juni 2006 in de zaak A. 123.154/X-11.

  1. In zake :
  2. de vzw NATUURPARK "HET BROEK", gevestigd te 2830 WILLEBROEK, Tisseltsesteenweg 104,
  3. Peter CALLAERTS, wonende te 2830 WILLEBROEK, Mechelsesteenweg 16,
  4. Dina WATTEZ, wonende te 2830 WILLEBROEK, Westzavelland 42 tegen :
  5. de gemeente WILLEBROEK, die woonplaats kiest bij Advocaat G. BERVOETS, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Frans Halsvest 33, bus 1,
  6. het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaat J. CLAES, kantoor houdende te 2550 KONTICH, Mechelsesteenweg
  7. tussenkomende partij : de nv EXAGOON, die woonplaats kiest bij Advocaat S. VAN DER HOFSTADT, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Jan Van Rijswijcklaan 1-
  8. ----------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Peter CALLAERTS en Dina WATTEZ op 28 juni 2002 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 12 maart 2002 van het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Willebroek, waarbij aan de nv EXAGOON de steden- bouwkundige vergunning wordt verleend voor het bouwen van een X-11.027-1/5 appartementsgebouw en een winkel op een perceel gelegen te Willebroek, Mechelsesteenweg 8, kadastraal bekend sectie C, nrs. 446w, 443s2, 449p4; Gelet op het arrest nr. 113.384 van 6 december 2002 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gelet op de kennisgeving van dit arrest aan de eerste verzoekende partij op 28 januari 2003; Gelet op de kennisgeving aan de eerste verzoekende partij, op grond van artikel 15ter, § 1, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State; Gelet op het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van 16 januari 2003 ingediend door Peter CALLAERTS; Gelet op het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van 16 januari 2003 ingediend door Dina WATTEZ; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 25 april 2003 ingediend door de nv EXAGOON; Gelet op de beschikking van 27 mei 2003 die de tussenkomst van de nv EXAGOON toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur P. BARRA; Gelet op de beschikking van 23 maart 2005, die de neerlegging ter griffie van dat verslag en van het dossier gelast; X-11.027-2/5 Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de tweede en aan de derde verzoekende partij op respectievelijk 18 en 28 april 2005; Gelet op de kennisgeving aan de tweede en aan de derde verzoekende partij, op grond van artikel 14quater, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State; Gelet op het schrijven van de tweede verzoekende partij van 28 juni 2005, waarbij zij vraagt om te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 8 mei 2006, houdende oproeping van de partijen om te verschijnen op 23 juni 2006 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat G. BERVOETS die voor de eerste verwerende partij verschijnt, van Advocaat J. CLAES die voor de tweede verwerende partij verschijnt en van Advocaat P. BOS die loco Advocaat S. VAN DER HOFSTADT voor de tussenkomende partij verschijnt; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur S. DE TAEYE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de Hoofdgriffier bij de kennisgeving van het arrest houdende verwerping van de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit, aan de verzoekende partij melding heeft gemaakt van artikel 17, § 4ter, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, en van artikel 15ter, § 1, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State; Overwegende dat naar luid van voornoemd artikel 17, § 4ter, ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding geldt X-11.027-3/5 wanneer zij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement is afgewezen, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de kennisgeving van het arrest; Overwegende dat de eerste verzoekende partij geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging heeft ingediend binnen de termijn van dertig dagen na kennisgeving van het arrest waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing is verworpen; dat te haren aanzien een vermoeden van afstand van geding geldt; Overwegende dat in het auditoraatsverslag de verwerping van het beroep wordt voorgesteld; dat de Hoofdgriffier bij de kennisgeving van het auditoraatsverslag aan de verzoekende partijen melding heeft gemaakt van artikel 21, zesde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, en van artikel 14quater, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State; Overwegende dat de tweede en derde verzoekende partijen binnen de termijn van dertig dagen, bepaald in voornoemd artikel 21, zesde lid, geen verzoek tot voortzetting van de procedure hebben ingediend; dat dit door hen niet wordt betwist; dat krachtens die wetsbepaling te hunnen aanzien een vermoeden van afstand van het geding geldt; dat, op grond van artikel 14quater, § 1, van voornoemd besluit van de Regent, de kamer de afstand van geding zal uitspreken, tenzij de verzoekende partij binnen een termijn van 15 dagen vraagt om te worden gehoord; Overwegende dat de derde verzoekende partij niet heeft gevraagd om te worden gehoord; Overwegende dat de tweede verzoekende partij, die gevraagd had te worden gehoord, niet ter terechtzitting is verschenen; dat dienvolgens niets de toepassing van artikel 21, zesde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State in de weg staat; X-11.027-4/5 BESLUIT: Artikel
  9. De afstand van het geding wordt vastgesteld. Artikel
  10. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 525 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de tweede en derde verzoekende partij, elk voor de helft. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig juni 2006, door : de H. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. J. CAMU, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, J. CAMU. J. BOVIN. X-11.027-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.837 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.113.384 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.