← België

Arrest 160867 - - 30/06/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.867 Rolnummer: A. 170956/X-12736 Zaak: Arrest 160867 - - 30/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-08-09 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-30 23:37 Fiche Arrest nr 160.867 van 30 juni 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 160.867 van 30 juni 2006 in de zaak A. 170.956/X-12.

  1. In zake :
  2. Joris HEYNDRICKX,
  3. Beatrix SMET, die woonplaats kiezen bij Advocaten M. FAURE en K. CRAUWELS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 210 a tegen :
  4. de gemeente BEVEREN, die woonplaats kiest bij Advocaat G. DE BOCK, kantoor houdende te 9100 SINT-NIKLAAS, Prins Boudewijnlaan 16,
  5. de Gouverneur van de provincie OOST-VLAANDEREN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Jozef HEYNDRICKX en Beatrix SMET op 13 maart 2006 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 27 september 2005 van de gemeenteraad van Beveren waarbij het ontwerp bijzonder plan van aanleg nummer 8, genaamd "Burggravenhoek en gedeeltelijke herziening BPA nr. 1-2 A. Van Puymbroecklaan", bestaande uit een toelichtingsnota, een plan met de weergave van de bestaande en juridische toestand, een bestemmingsplan met stedenbouwkundige voorschriften en een onteigeningsplan met lijst, voorlopig werd aangenomen, en van het besluit van de Gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen waarbij werd besloten tot de ongegrondheid van de door verzoekende partijen in het kader van het administratief toezicht opgeworpen bezwaren; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partijen de schorsing van de tenuitvoerlegging vorderen van hetzelfde besluit; Gezien het verslag over het beroep tot nietigverklaring opgemaakt door Auditeur A. EYLENBOSCH, op grond van artikel 93 van het besluit van de X-12.736-1/4 Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State; Gezien het verslag over de vordering tot schorsing opgemaakt door Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de beschikkingen van 29 mei 2006, houdende bevel tot neerlegging van het verslag over het beroep tot nietigverklaring en waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 juni 2006; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. CRAUWELS die voor de verzoekende partijen verschijnt, van Advocaat G. DE BOCK die voor de eerste verwerende partij verschijnt, en van Bestuurssecretaris M.-A. DE GEEST die voor de tweede verwerende partij verschijnt; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat om ontvankelijk te zijn het beroep tot nietigverklaring en a fortiori de vordering tot schorsing die er een accessorium van vormt, onder meer moeten zijn gericht tegen een uitvoerbare beslissing, d.i. een handeling waarbij wordt beoogd rechtsgevolgen in het leven te roepen of te beletten dat zij tot stand komen, m.a.w. waarbij wordt beoogd wijziging aan te brengen in een bestaande rechtsregel of rechtstoestand, dan wel zodanige wijziging te beletten; Overwegende dat krachtens artikel 2, § 1, eerste lid, juncto artikel 19, achtste lid, respectievelijk artikel 21, zevende en achtste lid, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, een gemeentelijk plan van aanleg slechts bindende kracht verkrijgt na te zijn goedgekeurd, respectievelijk geacht te zijn goedgekeurd door de Vlaamse regering; dat het bepaalde in artikel 43, § 2, vijfde lid, van hetzelfde decreet, dat de vergunning X-12.736-2/4 kan worden geweigerd of vernietigd om de enige reden dat de aanvraag onverenigbaar is met een voorlopig vastgesteld bijzonder plan van aanleg, niet tot gevolg heeft dat dit plan wel verbindend zou zijn; dat overigens krachtens artikel 43, § 5, eerste lid, van hetzelfde decreet, wanneer een vergunning wordt geweigerd of vernietigd om de enige reden dat de aanvraag onverenigbaar is met een voorlopig vastgesteld bijzonder plan van aanleg, de weigering of vernietiging vervalt indien dit plan geen bindende kracht heeft verkregen binnen drie jaar na de weigering of de vernietiging van de vergunning; dat de voorlopige aanneming van een gemeentelijk plan van aanleg door de gemeenteraad slechts een voorbereidende handeling is in de procedure van totstandkoming van dat plan en derhalve niet voor vernietiging vatbaar is; dat het beroep tot nietigverklaring en de vordering tot schorsing wat de eerste bestreden beslissing betreft kennelijk niet ontvankelijk zijn; Overwegende, wat het tweede bestreden besluit betreft, dat wanneer de met bestuurlijk toezicht belaste overheid zich onthoudt een beslissing te nemen in een geval waarin ze wettelijk niet verplicht is op treden, er geen beslissing voorhanden is in de zin van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat om deze reden de mededeling van de Gouverneur van de provincie Oost- Vlaanderen aan de verzoekende partijen om geen gevolg te geven aan hun bezwaarschrift ingediend in het kader van een niet-georganiseerde procedure waarin zij hem op grond van de erin uiteengezette argumenten verzoeken "gebruik te maken van (zijn) bevoegdheid tot schorsing c.q. vernietiging van de beslissing van de gemeenteraad van de gemeente Beveren van 27 september 2005, houden voorlopige vaststelling van het 'BPA Burggravenhoek' en de gedeeltelijke wijziging van het 'BPA Van Puymbroecklaan'" geen voor vernietiging vatbare handeling is; dat het beroep tot nietigverklaring en de vordering tot schorsing wat de tweede bestreden beslissing betreft, eveneens kennelijk niet ontvankelijk zijn; BESLUIT: Artikel
  6. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  7. De vordering tot schorsing wordt verworpen. X-12.736-3/4 Artikel
  8. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig juni 2006, door : de H. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. J. CAMU, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, J. CAMU. J. BOVIN. X-12.736-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.867 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.