← België

Arrest 160902 - - 04/07/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 juli 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.902 Rolnummer: A. 160712/X-12232 Zaak: Arrest 160902 - - 04/07/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-08-03 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 23:44 Fiche Arrest nr 160.902 van 4 juli 2006 - Beslissing : Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE.nr. 160.902 van 4 juli 2006 in de zaak A. 160.712/X-12.

  1. In zake : Sophia BOLLENS, die woonplaats kiest bij Advocaten R. BEEKEN en H. JANSSENS, kantoor houdende te 3390 TIELT-WINGE, Kraasbeekstraat 41 tegen :
  2. de stad AARSCHOT, die woonplaats kiest bij Advocaat B. VAN TONGELEN, kantoor houdende te 3200 AARSCHOT, Amerstraat 147/5,
  3. het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaat Ph. DECLERCQ, kantoor houdende te 3010 LEUVEN, Tiensesteenweg
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Sophia BOLLENS op 10 maart 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 30 december 2004 van het College van burgemeester en schepenen van de stad Aarschot waarbij aan Luc VERMUNICHT en Martha FREDERICKX de verkavelingsvergunning wordt verleend voor een perceel gelegen te Aarschot, Nachtegalenstraat, kadastraal bekend sectie A, nr. 220z4; Gelet op het arrest nr. 150.178 van 13 oktober 2005 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gelet op de kennisgeving van dit arrest aan de verzoekende partij op 26 oktober 2005; Gelet op de kennisgeving aan de verzoekende partij, op grond van artikel 15ter, § 1, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State; X-12.232-1/3 Gelet op het schrijven van de verzoekende partij van 8 december 2005, waarbij zij vraagt om te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 9 mei 2006, houdende oproeping van de partijen om te verschijnen op 23 juni 2006 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat W. GOOSSENS die loco Advocaten R. BEEKEN en H. JANSSENS voor de verzoekende partij verschijnt en van Advocaat B. VAN TONGELEN die voor de eerste verwerende partij verschijnt; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur S. DE TAEYE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de Hoofdgriffier bij de kennisgeving van het arrest houdende verwerping van de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit, aan de verzoekende partij melding heeft gemaakt van artikel 17, § 4ter, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, en van artikel 15ter, § 1, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State; Overwegende dat naar luid van voornoemd artikel 17, § 4ter, ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding geldt wanneer zij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement is afgewezen, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de kennisgeving van het arrest; dat dit vermoeden enkel kan worden weggenomen ingeval van overmacht of van een onoverkomelijke dwaling; Overwegende dat de verzoekende partij een verzoek tot voortzetting van de rechtspleging heeft ingediend buiten de termijn van dertig dagen na kennisgeving van het arrest waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoer- legging van de bestreden beslissing is verworpen; dat deze termijn verstreek op 25 november 2005; dat het verzoek tot voortzetting echter pas op 8 december 2005 en derhalve te laat werd ingediend; dat dit door de verzoekende partij niet wordt X-12.232-2/3 betwist; dat het door de raadsman van de verzoekende partij ter terechtzitting aangevoerde argument met name "ziekte" van zijn cliënte zonder hierover enige verduidelijking te verschaffen, geen overmacht of onoverkomelijke dwaling aantoont waardoor het verzoekende partij niet mogelijk was tijdig een verzoek tot voortzetting van de rechtspleging in te dienen die ertoe moet leiden dat het wettelijk vermoeden van gebrek aan belang ten deze niet kan worden toegepast; dat krachtens artikel 17, § 4ter, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, een vermoeden van afstand van het geding geldt ten aanzien van de verzoekende partij die niet op regelmatig wijze de voortzetting van de procedure heeft gevraagd; BESLUIT: Artikel
  5. De afstand van het geding wordt vastgesteld. Artikel
  6. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier juli 2006, door : de H. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. J. CAMU, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, J. CAMU. J. BOVIN. X-12.232-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.902 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.178 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.