← België

Arrest 160974 - - 05/07/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 juli 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.974 Rolnummer: A. 81688/XII-2253 Zaak: Arrest 160974 - - 05/07/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-07-20 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-30 23:46 Fiche Arrest nr 160.974 van 5 juli 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 160.974 van 5 juli 2006 in de zaak A. 81.688/XII-

  1. In zake : Raymond MAES, die woonplaats kiest bij advocaat Chr. Coen, kantoor houdende te Antwerpen, Mechelsesteenweg 210 A tegen : de GEMEENTE MOL, die woonplaats kiest bij advocaat S. Van den Brande, kantoor houdende te Lommel, Lepelstraat
  2. tussenkomende partij : Leona KEYSERS, wonende te Mol, Hoogeind
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- --- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Raymond Maes op 22 december 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “
  4. De beslissing van de gemeenteraad van Mol dd. 7 september 1998 Leona Maria Christiane Keysers wordt bevorderd tot administratief hoofdmedewerker, specialiteit personeelszaken.
  5. De beslissing van dezelfde datum waarbij de kandidatuur van verzoeker dd. 31 oktober 1997 en bevestigd op 3 december 1997 en 3 september 1998, niet [in] aanmerking wordt genomen.”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verzoek tot tussenkomst van 4 augustus 1999; Gelet op de beschikking van 7 oktober 1999 die de tussenkomst van Leona Keysens toelaat; XII-2253-1\10 Gezien het verslag opgemaakt door auditeur D. Mareen; Gelet op de beschikking van 14 januari 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker; Gelet op de beschikking van 26 april 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 juni 2006; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. Deridder, die loco advocaat Chr. Coen, verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat J. Janssen, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; De gegevens van de zaak Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : Verzoeker is sedert 1 juli 1982 in dienst bij de gemeente Mol. Op 12 december 1991 neemt verzoeker deel aan het bevorderings- examen van onderbureelhoofd, waarin hij slaagt. Ingevolge dit bevorderingsexamen wordt hij met ingang van 1 januari 1994 bevorderd tot onderbureauchef. Op 19 december 1994 neemt de gemeenteraad van de gemeente Mol een besluit aan met betrekking tot het bepalen van gelijkwaardigheid en gelijkaardigheid van examens afgelegd voor het van kracht worden van het nieuwe gemeentelijk administratief statuut. XII-2253-2\10 Op 17 maart 1997 hecht de gemeenteraad zijn goedkeuring aan het nieuwe statuut voor, onder anderen, het gemeentelijk administratief personeel en besluit hij ook “[h]et besluit van de gemeenteraad d.d. 19 december 1994 betreffende de deelbeslissingen te bekrachtigen”. Het voorheen bestaande statuut wordt met hetzelfde raadsbesluit opgeheven. Op 13 oktober 1997 verklaart de gemeenteraad van Mol vier functies open van administratief hoofdmedewerker (C4) bij bevordering. Onder de “bijzondere voorwaarden” wordt de kandidaten gevraagd, onder meer, te “slagen voor een bevorderingsexamen, specifiek gericht naar de dienst”. Verzoeker stelt zich kandidaat voor de vier vacatures. Bij brief van 28 november 1997 deelt het college van burgemeester en schepenen aan verzoeker het volgende mee: “In zitting van 24 november 1997 onderzocht het c.b.s. uw sollicitatie voor de graad van administratief hoofdmedewerker (C4). U voldoet aan de gestelde bevorderingsvoorwaarden vermeld in art. 104 van het administratief statuut. Over art. 105 van datzelfde statuut wil het c.b.s. een opmerking maken over de onder nr. 6 vermelde voorwaarde: 'slagen voor een bevorderingsexamen waarvan het programma in bijlage 3 is vastgesteld.' Het college van burgemeester en schepenen wenst de overgangsmaatregelen zoals beschreven in art. 120 van het statuut betreffende examens te volgen; Het provinciebestuur heeft een andere visie en deelde mondeling mee dat het examen door u afgelegd op 12 december 1991, voor de functie van onderbu- reauchef, niet in aanmerking komt voor de bevordering tot administratief hoofdmedewerker. Op basis van deze feiten is het college van mening dat u zelf dient te oordelen of u al dan niet aan de examens voor de door u gekozen specialiteiten zult deelnemen. De datum van het examen zal u tijdig worden meegedeeld. Graag vernamen wij van u een week na deze mededeling welk besluit u hebt getroffen.”. Op 3 december 1997 schrijft verzoeker aan het college, te noteren dat het college “de overgangsmaatregelen zoals beschreven in artikel 120 van het administratief statuut wenst te volgen en te bevestigen”, dat de opmerking van het provinciebestuur “naast de kwestie” is, dat immers het door hem afgelegde examen is “opgenomen in de vrijstellingslijst van examens (overgangsmaatregelen) bij gemeenteraadsbeslissing van 19.12.1994” en dat hij “derhalve perfect [voldoet] aan alle voorwaarden”. XII-2253-3\10 Verzoeker wordt op 19 januari 1998 uitgenodigd voor het schriftelijk examen administratief hoofdmedewerker C4 voor de door hem gekozen specialiteiten. De schepen van personeel vraagt over het probleem ondertussen advies aan de gouverneur en, met name, of iemand die destijds geslaagd is in het bevorderingsexamen van onderbureauchef, nu, onder het nieuwe statuut, kan worden vrijgesteld van het bevorderingsexamen voor administratief hoofdmedewerker. Haar wordt met schrijven van 23 januari 1998 geantwoord : “[...] dat dit geenszins het geval kan zijn. Het slagen in het bevorderingsexamen heeft destijds immers geleid tot : - ofwel, de bevordering tot onderbureauchef, wat zou geresulteerd hebben in een inschakeling in de nieuwe weddeschaal C3; - ofwel, de toekenning van een selectieschaal (2.50), wat dan een inschake- ling in de nieuwe weddeschaal C2 als resultaat zou hebben gehad. Daarmee is het effect van dit bevorderingsexamen volledig uitgeput. Op basis hiervan kan geen bevordering tot administratief hoofdmedewerker meer worden toegekend.” Op 21 februari 1998, dag van het examen, neemt verzoeker er niet aan deel. Tussenkomende partij legt het examen af, met goed gevolg. Op 19 mei 1998 legt het college de problematiek, “die blijft aanleiding geven tot heel wat betwistingen in de Gemeente”, voor advies voor aan de Vlaamse minister van binnenlandse aangelegenheden. Met een 1 juli 1998 gedateerd schrijven antwoordt men namens de minister dat het aanvaardbaar is dat wervingsexamens, niveau-overschrijdende bevorderingsexamens en bevorderings- examens voor verhoging in graad gevalideerd worden voor graden in het nieuwe stelsel die overeenstemmen met oude graden en dat deze validering in overgangsre- geling mag voorzien worden : “Dit betekent concreet dat het bevorderingsexamen voor bestuurschef bij overgang kan gevalideerd worden voor de bevordering naar de enige bevorde- ringsgraad in het niveau C. De examenresultaten voor graden die verdwijnen (zoals bvb. onderbureauchef) geven echter geen rechten meer voor de toekomstige loopbaan. Het bevorderingsexamen van 12 december 1991, zoals opgenomen in het gemeenteraadsbesluit van 19 december 1994, dat met goed gevolg afgelegd werd als vastbenoemd opsteller om in aanmerking te komen voor een hogere graad in niveau c, betreft vermoedelijk een bevorderingsexamen naar de graad van onderbureauchef, en kan dus niet gevalideerd worden. XII-2253-4\10 Indien het een bevorderingsexamen naar de graad van bestuurschef betrof, kan wel vrijstelling verleend worden voor het huidig bevorderingsexamen naar de graad van administratief hoofdmedewerker. Dit is echter alleen mogelijk als het betrokken personeelslid reeds benoemd was in de graad van onderbureauchef ”. Op 3 september 1998 deelt verzoeker de gemeente mee dat hij zijn kandidatuur wenst te handhaven. Bij het thans bestreden gemeenteraadsbesluit van 7 september 1998 wordt de tussenkomende partij bevorderd tot administratief hoofdmedewerker, specialiteit personeelszaken. Over verzoeker overweegt het raadsbesluit onder meer dat hij “niet aan het examen deelnam omdat hij meende van vrijstelling te kunnen genieten op basis van een examen afgelegd op 12 december 1991” en dat hij “niet aan de gestelde voorwaarden voldoet en niet als kandidaat kan gehandhaafd worden”; De ontvankelijkheid van het beroep
  6. Overwegende dat de tussenkomende partij als exceptie opwerpt dat verzoeker geen belang heeft bij het beroep, omdat hij niet voldoet aan de voorwaarden om voor de bevordering in aanmerking te komen, te weten het slagen in het bevorderingsexamen; 3.
  7. Overwegende dat verzoeker niet betwist dat artikel 105 van het nieuwe, op 17 maart 1997 door de gemeenteraad goedgekeurde administratief statuut op hem van toepassing is en, wat de begeerde betrekking betreft, als een van de bevorderingsvoorwaarden het slagen vermeldt in een bevorderingsexamen; Overwegende dat verzoeker evenmin betwist dat hij niet heeft deelgenomen aan het speciaal daartoe op 21 februari 1998 afgenomen examen, dat tussenkomende partij dat wel heeft gedaan en dat zij in het bedoelde bevorderingsexamen is geslaagd; 3.
  8. Overwegende dat verzoeker wel meent zich met goed gevolg te mogen beroepen op overgangsmaatregelen en op het door hem op 12 december 1991 met succes afgelegde bevorderingsexamen; dat verzoeker daarvoor een beroep doet op, eensdeels, het gemeenteraadsbesluit van 19 december 1994 en, anderdeels, op artikel 120 van het nieuwe statuut en de bijlage 5 waarnaar dit artikel verwijst; dat XII-2253-5\10 hij nog opmerkt dat het raadsbesluit van 19 december 1994, waar hij zijn voordeel uit put, “zijnde het behoud van de rechten voortvloeiende uit het examen van 12 december 1991”, in 1997 “volledig werd bekrachtigd” en “zonder meer rechtsgeldig van toepassing bleef in het nieuwe personeelsstatuut”; dat verzoeker nog argumenteert dat de in bijlage 5 te lezen tekst “Het bevorderingsexamen met goed gevolg afgelegd op 12.12.1991 (...) verliest zijn bevorderingswaarde (...)” nergens voorkomt in de notulen van de gemeenteraad van 17 maart 1997 en dat de ware bijlage 5 dus de tekst moet zijn van het oorspronkelijke raadsbesluit van 19 december 1994, waarvan nergens blijkt dat het later ooit zou zijn gewijzigd; dat volgens hem “bijgevolg de gemeenteraad van Mol in 1994 heeft beslist dat verzoekende partij de voordelen van het met gunstig gevolg afgelegde examen van 12 december 1991 kon behouden; dat hiervan in 1997 niet is afgeweken” en dat “bijgevolg nergens uit blijkt dat [hij zijn] voordelen uit het voormelde examen zou zijn verloren”;
  9. Overwegende dat de tekst die de gemeenteraad op 19 december 1994 heeft goedgekeurd voor het “bepalen van gelijkwaardigheid en gelijkaardigheid van examens afgelegd vóór het van kracht worden van het nieuwe gemeentelijk administratief statuut” luidt : “Goedkeuring te hechten aan volgende lijst van examens die voor verlenging van behoud van de uitslag en gelijkstelling met examens voorgesteld in het nieuw nog goed te keuren statuut:
  10. Het examen met goed gevolg afgelegd op 25.03.1992 om opsteller, later administratief medewerker te worden.
  11. Het bevorderingsexamen met goed gevolg afgelegd op 12.12.1991 als vastbenoemd opsteller, nieuwe benaming administratief medewerker, niveau C, om in aanmerking te komen voor een hogere graad in niveau C.
  12. Het bevorderingsexamen met goed gevolg afgelegd op 14.06.1979 om bestuurschef (niveau 2) later administratief hoofdmedewerker (C4) te worden.
  13. Het bevorderingsexamen met goed gevolg afgelegd op 27.09.1979 om afdelingshoofd (niveau 1) later afdelingshoofd (A4) te worden.
  14. Het bevorderingsexamen met goed gevolg afgelegd op 06.11.1991 om secretaris te worden (wettelijke graad) komt in aanmerking voor afdelingschef.
  15. De examens met goed gevolg afgelegd op 01.06.1971 en 22.09.1977 als meesterknecht 3e klasse, nieuwe benaming meesterknecht niveau C, door twee personen en de examens op 05.05.1981, 21.10.1989 en 23.03.1989 als meesterknecht 2e klasse, nieuwe benoeming eveneens meesterknecht niveau C, door zes personen, blijven geldig voor alle niveaus tussen dit van meesterknecht (inbegrepen) en het niveau dat het personeelslid bij de inschakeling zal bekleden en waarvoor een bevorderingsexamen is vereist. Deze niveaus kunnen dus zijn : Dl - stielman D4 - ploegbaas Cl - meesterknecht. XII-2253-6\10 De kandidaten moeten buiten het geldig blijvend bevorderingsexamen uiteraard bij mogelijke bevordering steeds voldoen aan de andere vastgestelde bevorderingsvoorwaarden”; Overwegende dat artikel 120 van het nieuwe statuut stelt wat volgt : “Het personeelslid dat geslaagd is voor een bevorderingsexamen voor verhoging in graad in hetzelfde niveau of voor een graad van een hoger niveau, waarvan volgens zijn vorig statuut de gunstige uitslag onbeperkt geldt, behoudt zijn aanspraken op bevordering. De overeenstemmende betrekkingen en examens worden/werden door de gemeenteraad uitdrukkelijk bepaald bij afzonderlijk gemeenteraadsbesluit dd. 19.12.1994 (bijlage 5).”; Overwegende dat de bijlage 5 ten slotte luidt, voor wat het administratief personeel betreft en zoals overgelegd in het administratief dossier : “De in artikel 120 van dit statuut bedoelde examens die geldig blijven zijn: voor het administratief personeel
  16. Het examen met goed gevolg afgelegd op 25.03.1992 door één vastbe- noemd klerk, nieuwe benaming administratief bediende, die slechts in het bezit was van het diploma van lager middelbaar en door het afleggen van, en het slagen voor het examen. eveneens in aanmerking komt voor de functie van opsteller, nieuwe benaming administratief medewerker, mits hij voldoet aan de andere opgelegde voorwaarden om te bevorderen van administratief bediende naar administratief medewerker. Het examen geeft dus een persoon met L.S. onderwijs de rechten van een persoon met 1-I.S. voor wat betreft de genoemde functie.
  17. Het bevorderingsexamen met goed gevolg afgelegd op 12.12.1991 door twee personen toen tewerkgesteld als vastbenoemd opsteller, nieuwe benaming administratief medewerker, niveau C, dat in aanmerking kwam voor bevordering tot onderbureelhoofd, nieuwe benaming eveneens administratief medewerker niveau C, verliest zijn bevorderingswaarde omdat de functionele loopbaan in niveau C (van C 1 naar C3) geen examen vereist.
  18. Het bevorderingsexamen met goed gevolg afgelegd op 14.06.1979 door vier personen. toen tewerkgesteld als vastbenoemd opsteller, nieuwe benaming administratief medewerker niveau C, dat in aanmerking kwam voor bevordering tot bestuurschef, nieuwe benaming administratief hoofdmedewerker C
  19. Het bevorderingsexamen met goed gevolg afgelegd op 27.09.1979 door één persoon, toen tewerkgesteld als vastbenoernd bureelhoofd, nieuwe benaming bestuurssecretaris niveau A dat in aanmerking kwam voor bevordering tot afdelingshoofd, nieuwe benaming afdelingschef A
  20. Het bevorderingsexamen met goed gevolg afgelegd in 1991 door één persoon, toen tewerkgesteld als vastbenoemd bureelhoofd, nieuwe benaming bestuurssecretaris niveau A, dat in aanmerking kwam voor bevordering tot gemeentesecretaris, komt in aanmerking voor de examens die moeten afgelegd worden voor alle functies tussen deze van gemeentesecretaris en bestuurssecretaris niveau A. XII-2253-7\10 De kandidaten moeten buiten het geldig blijvend bevorderingsexamen uiteraard bij mogelijke bevordering steeds voldoen aan de andere vastgestelde bevorderingsvoorwaarden.”; Overwegende dat verzoeker bij de memorie van wederantwoord als stuk nr. 16 een zogenaamde “correcte bijlage 5” voegt, waarin evenwel woordelijk hetzelfde is te lezen;
  21. Overwegende dat verzoeker bij herhaling stelt de voordelen van het met gunstig gevolg afgelegde examen van 12 december 1991 te mogen behouden; dat het van belang is die “voordelen” correct te bepalen, om te weten op wat hij aanspraak maakt te “behouden”; Overwegende dat tot de voordelen die uit het eertijds op 12 december 1991 door verzoeker afgelegd bevorderingsexamen voortvloeiden, niet was te rekenen om tot bestuurschef -de graad die thans is gelijkgeschakeld met administratief hoofdmedewerker C4- te kunnen worden bevorderd, maar enkel tot onderbureauchef; dat verzoeker overigens op basis van het slagen in het bevorderingsexamen van 12 december 1991 effectief is bevorderd tot onderbureauchef met ingang van 1 januari 1994; dat onder gelding van het oude statuut voor de bevordering tot bestuurschef vervolgens was vereist, een bepaald aantal dienstjaren als “onderbureelhoofd”, een diplomavereiste en het “lukken in een beroepsmaturiteitsexamen”, waarvoor een ander examenprogramma gold; Overwegende dat het raadsbesluit van 19 december 1994 aan verzoeker inderdaad, met zijn woorden, hem “het behoud van de rechten voortvloeiende uit het examen van 12 december 1991” garandeert, maar ook niets méér; dat het hiervoor geciteerde raadsbesluit van 19 december 1994 niet bepaalt dat door het slagen in het examen waarmee opstellers zich bekwaam tonen voor een bevordering tot onderbureauchef, de betrokkene voortaan plots wél voor zulke bevordering tot bestuurschef of de daar in het nieuwe statuut mee gelijk te stellen graad in aanmerking komt; dat het enkel het specifieke bevorderingsexamen afgelegd op 12 december 1991 om in aanmerking te komen voor een hogere graad in niveau C -met name: de hogere graad van onderbureauchef- opsomt, naast een reeks andere even specifiek aangewezen examens zoals dat afgelegd op 25 maart 1992 om opsteller te worden, of dat afgelegd op 14 juni 1979 om bestuurschef te worden, enzovoort, om zo te komen tot een lijst van de examens waarvan de geslaagden de “verlenging van behoud van de uitslag” kunnen genieten en de “gelijkstelling met XII-2253-8\10 examens voorgesteld in het nieuw nog goed te keuren statuut”; dat, met andere woorden, de datum van het examen en het doel ervan slechts worden vermeld om het desbetreffende examen correct te kunnen situeren en identificeren; dat overigens ook de andere stukken die verzoeker overlegt -zoals notulen van een raadszitting van 7 september 1998- slechts de stelling onderschrijven dat de betrokkene ingevolge het raadsbesluit van 19 december 1994 “zijn aanspraken behoudt”, niet dat hem er nieuwe worden gegeven; dat die gelijkstelling van de examens van de zogenaamde “vrijstellingslijst” met examens “voorgesteld in het nieuw nog goed te keuren statuut” dan ook enkel kan gelden voor de examens die in voorkomend geval vereist worden voor bevordering tot de overeenstemmende graden, ongeacht de er aan te geven benamingen; Overwegende dat het artikel 120 van het nieuw goedgekeurde statuut en de bijlage 5 vervolgens die beslissing uit 1994 niet ongedaan maken; dat zij integendeel bevestigen over het personeelslid dat geslaagd is, dat het “zijn aanspraken op bevordering”, “behoudt”; dat ook de bijlage 5 daar geenszins op terugkomt waar het bij de opsomming ook, conform het raadsbesluit van 19 december 1994, het bevorderingsexamen van 12 december 1991 vermeldt “dat in aanmerking kwam voor bevordering tot onderbureelhoofd”; dat de tekst van bijlage 5 voorts daaraan slechts de vaststelling koppelt dat deze overgangsmaatregel zonder nuttig effect is (“verliest zijn bevorderingswaarde”) nu voor de bedoelde bevorderingen in de overeenstemmende nieuwe graden van C1 naar C3 waarvoor het vroeger afgelegde examen mocht worden ingeroepen, het examenvereiste is geschrapt; dat het teloor gaan van de bevorderingswaarde met andere woorden geen “regel” is die in de bedoelde bijlage 5 wordt toegevoegd, laat staan dat daarmee het eerdere raadsbesluit van 19 december 1994 wordt ingetrokken, opgeheven of gewijzigd;
  22. Overwegende dat verzoeker zich er gezien wat voorafgaat, niet dienstig op kan beroepen op 12 december 1991 met goed gevolg een bevorderingsexamen te hebben afgelegd om tot onderbureauchef bevorderd te worden, om vrijstelling te krijgen voor het slagen in het bevorderingsexamen voor de benoeming tot administratief hoofdmedewerker; dat verzoeker bijgevolg niet voldoet aan al de gestelde benoemingsvoorwaarden en, nu hij in geen van zijn annulatiemiddelen aanvoert dat ook tussenkomende partij niet aan de voorwaarden zou voldoen, dan ook zonder belang is om de benoeming van tussenkomende partij aan te vechten; dat de exceptie gegrond is, XII-2253-9\10 BESLUIT: Artikel
  23. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  24. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf juli 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2253-10\10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.974 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.