id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 juli 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.976 Rolnummer: A. 67033/XII-2509 Zaak: Arrest 160976 - - 05/07/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-07-20 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 23:47 Fiche Arrest nr 160.976 van 5 juli 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 160.976 van 5 juli 2006 in de zaak A. 67.033/XII-2509. In zake : Willy VANUYTRECHT, wonende teTessenderlo, Snelwegstraat 3 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Willy Vanuytrecht op 4 januari 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het ministerieel besluit van 13 november 1995 waarbij hij niet wordt gemachtigd het beroep van privé-detective uit te oefenen; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur J. Stevens; Gelet op de beschikking van 17 januari 1997 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de procedure van verzoeker en de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 30 januari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 februari 2006; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van attaché P. Cornette, die verschijnt voor de verwerende partij; XII-2509-1/8 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur J. Stevens; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De gegevens van de zaak. 1.1. Op 8 juli 1992 vraagt verzoeker de vergunning om het beroep van privé-detective uit te oefenen. Bij beslissing van 6 september 1993 wordt hem die vergunning geweigerd. 1.2. Op 20 januari 1995 dient verzoeker een nieuwe aanvraag in. Als nieuw element wordt het herstel in eer en rechten bij arrest van 6 oktober 1994 van het Hof van Beroep van Antwerpen aangebracht. Het advies van de minister van Justitie is ongunstig. 1.3. De bestreden beslissing is gemotiveerd als volgt : “Overwegende dat de Minister van Justitie op 19 juni 1995 een ongunstig advies heeft uitgebracht gemotiveerd als volgt : ‘Tussen 1956 en 1986 werden er eenendertig processen-verbaal tegen Willy Vanuytrecht opgesteld die resulteerden in vijf veroordelingen, ondermeer voor eerroof, beledigingen, slagen, bedreigingen, ...; Alhoewel sinds 1986 geen klachten meer werden geacteerd omschrijft de plaatselijke politie hem ‘als een persoon, waarmee men niet goed weet welke kant men uit moet, die reeds bij de eerste contacten vrijpostig wordt en onmiddellijk de familiaire toer opgaat, weinig discretie aan de dag legt en het doet voorkomen alsof hij in allerhande kringen relaties heeft waarop hij voor allerlei ‘diensten’ beroep zou kunnen doen;’ Overwegende dat de betrokkene in ere hersteld werd op 6 oktober 1994; Dat de andere elementen die door de minister van Justitie ingeroepen werden ter ondersteuning van zijn advies op geen enkel feitelijk gegeven steunen; Overwegende dat betrokkene het beroep van privé-detective niet meer uitoefende op 15 april 1991, daar hijzelf verklaard heeft zijn activiteiten te hebben stopgezet op 31 oktober 1990 en pas een nieuwe inschrijving in het handelsregister te hebben aangevraagd op 16 juni 1992; Overwegende dat hij niet voldoet aan de opleidingsvoorwaarde voorzien door artikel 3, 5/, van de voornoemde wet en dat hij er niet van vrijgesteld kan worden, vermits hij niet bewijst dat hij reeds op 15 april 1991 zijn activiteiten uitoefende als privé-detective; Overwegende bijgevolg dat de heer Willy Vanuytrecht niet voldoet aan alle voorwaarden vereist door voornoemde wet”; XII-2509-2/8 2. De gegrondheid van het beroep. 2.1. Overwegende dat de verzoeker in zijn inleidend verzoekschrift drie grieven aanbrengt; dat in een eerste grief wordt betoogd dat de minister van Binnenlandse Zaken bij het nemen van de bestreden beslissing zich niet had mogen steunen op het ongunstig advies van de minister van Justitie, gelet op het voormelde herstel in eer en rechten in strafzaken en in een tweede grief dat het tweede onderdeel van dat advies niet met de werkelijkheid overeenkomt, ten bewijze waarvan verzoeker twee verklaringen voorbrengt; dat de derde grief luidt als volgt : “Dat de beslissing vermeldt dat verzoeker het beroep van privé detective niet meer uitoefende sinds 15.4.1991 met de verklaring dat hij zijn aktiviteiten heeft stopgezet op 31.10.1990 en pas een nieuwe inschrijving in het handelsregister heeft aangevraagd en bekomen op 16.6.1992, zodat hij niet voldoet aan de voorwaarden van art. 3, 5 van de wet van 19.7.1991. Dat blijkbaar de bestreden beslissing opnieuw toepassing doet van art. 22 van dezelfde wet van 19.7.1991. Dat vertoger wijst naar de beslissing van het Arbitragehof die dergelijk art. 22 als ongrondwettelijk heeft beschouwd zodat het niet meer in aanmerking kan komen ter beoordeling van de aanvraag. Dat vertoger nog eens herhaalt dat hij sinds jaren het beroep van detective uitoefent. Dat hij hiervoor een inschrijving nam in het handelsregister te Hasselt onder het nummer 75.354 op 28.2.1990 met uitdrukkelijke opgave van het beroep van detective. Dat hij voordien reeds vele jaren het beroep heeft uitgeoefend van detective vanaf 1973. Dat het merkwaardig is dat dit feit niet werd onderzocht door de Minister van Binnenlandse Zaken alhoewel dit in het verzoekschrift vermeld staat. Dat deze feiten vrij eenvoudig konden nagetrokken worden gezien verzoeker diverse personen en zaken kan citeren waarin hij zijn diensten als privé detective heeft verleend sinds 1973. Dat voor zoveel als nodig verzoeker nog eens aanbod doet met getuigen om deze feiten te bewijzen. Het enkel feit dat vertoger zijn inschrijving onder het nummer 75.354 heeft laten doorhalen, verandert niets aan zijn hoedanigheid van detective, temeer daar hij een nieuwe inschrijving heeft genomen in het handelsregister te Hasselt onder het nummer 81.013 en dit op 16.6.1992. Dat vertoger eveneens aanbod doet dat hij sinds 1973 onafgebroken het beroep van detective heeft uitgeoefend tot aan de inschrijving in het handelsregister op 16.6.1992. Dat de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken dan ook onjuist is door nu voor te houden dat ‘hij (verzoeker) niet bewijst dat hij reeds op 15.4.1991 zijn aktiviteiten uitoefende als privé detective’. Dat dit in strijd is met het verzoekschrift van vertoger gezien dit bepaalt ‘dat verzoeker doet gelden dat hij sinds vele jaren het beroep heeft uitgeoefend van detective, minstens vanaf 1973. Dat dit kan bevestigd worden door diverse getuigenissen, voor zover deze vereist zijn’. Dat verzoeker tussen het neerleggen van zijn verzoek bij de Minister van Binnenlandse Zaken tot aan diens beslissing op geen ogenblik gevraagd werd bijkomende stukken of bewijsstukken neer te leggen om zijn aktiviteit van detective sinds 1973 te bewijzen of aan te tonen. Dat verzoeker niet weet of de Minister van Binnenlandse Zaken hieromtrent een onderzoek heeft ingesteld. Dat dit blijkbaar niet gebeurd is gezien hijzelf de bewijslast legt bij vertoger. Dat XII-2509-3/8 de Minister van Binnenlandse Zaken derhalve zelf niets ondernomen heeft, zodat hij de afwijzing van het verzoek niet kan funderen door de bewijslast te leggen op verzoeker, die dat ook wenste te doen, indien hierom werd gevraagd. Dat aldus een belangrijk element van de rechten van de verdediging ter beoordeling van deze zaak werd miskend zodat dan ook de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 13.11.1995 dient vernietigd te worden.”; Overwegende dat verzoeker betreffende de derde grief in de memorie van wederantwoord nog nader uiteenzet hetgeen volgt : “Aan verzoekende partij wordt het bewijs gevraagd te leveren om te voldoen aan de bepalingen van art. 22, nl. dat hij op datum van 15.4.1991 reeds aktiviteiten als privé detective uitoefende. Dat de Minister van Binnenlandse Zaken niet betwist en ook niet ontkent dat verzoeker al sedert vele jaren het beroep van detective uitoefende. Dat dit destijds geschiedde zonder handelsregister omdat hier onenigheid over bestond in de rechtspraak. Dat hij wel een inschrijving heeft genomen in het handels- register te Hasselt onder het nummer 75.354 op 28.2.1990 met uitdrukkelijke opgave van het beroep van detective. Dat in werkelijkheid verzoeker reeds detective is vanaf 1973. Dat de Minister van Binnenlandse Zaken zich beperkt in zijn memorie van antwoord dat verzoekende partij geen schriftelijke bewijzen bijbrengt waaruit zou blijken dat hij op datum van 15.4.1991 werkzaam was als privé detective. Dat ten onrechte door de tegenpartij er wordt vanuit gegaan dat verzoeker Vanuytrecht niet ingeschreven was in het handelsregister op vermelde datum en derhalve automatisch het bewijs is geleverd dat hij op dat ogenblik geen aktiviteiten als detective uitoefende.... Dat derhalve men van tegenzijde zich enkel en alleen steunt op schriftelijke stukken. Dat verzoeker nog eens herhaalt dat hij in zijn aanvraag bij de Minister van Binnenlandse Zaken uitdrukkelijk heeft gesteld : ‘Dat verzoeker doet gelden dat hij sinds vele jaren het beroep heeft uitgeoefend van detective, minstens vanaf 1973. Dat dit kan bevestigd worden door diverse getuigenissen voor zoveel deze vereist zijn.’ Dat eigenlijk moet worden vastgesteld dat de Minister van Binnenlandse Zaken hieromtrent zo goed als geen verweer voert. Dat wel zijn handelswijze om tot een beoordeling te komen niet geschiedt volgens de juiste regels van het recht van verdediging en het voorbrengen van stukken. Dat immers de Minister van Binnenlandse Zaken twee mogelijkheden had :
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.