← België

Arrest 160977 - - 05/07/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 juli 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.977 Rolnummer: A. 69645/XII-2255 Zaak: Arrest 160977 - - 05/07/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-09-25 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-30 23:47 Fiche Arrest nr 160.977 van 5 juli 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 160.977 van 5 juli 2006 in de zaak A. 69.645/XII-

  1. In zake : Dirk VAN HOOF, wonende te Tremelo, Veldonkstraat 39 tegen :
  2. de BURGEMEESTER VAN TREMELO,
  3. het VLAAMSE GEWEST. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Dirk Van Hoof op 2 juli 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Stedelijk Beleid en Huisvesting, genomen op 8 mei 1996, waarbij het besluit van de burgemeester van de gemeente Tremelo van 14 februari 1996, houdende het opleggen van de tuchtstraf van de schorsing voor de duur van drie weken aan verzoeker, wordt goedgekeurd; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur F. De Buel; Gelet op de beschikking van 25 september 1998 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 30 januari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 februari 2006; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; XII-2255-1/25 Gehoord de opmerkingen van advocaat F. Dieu, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat F. De Ketelaere, die loco advocaat F. Norman verschijnt voor de eerste verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd F. De Buel; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  5. Verzoeker, die sedert 1992 hoofdveldwachter is in de gemeente Tremelo, wordt bij brief van 4 december 1995 door de burgemeester van die gemeente uitgenodigd om vóór hem te verschijnen ten einde zich tuchtrechtelijk te verantwoorden omtrent tien welbepaalde feiten. Na verzoeker gehoord te hebben beslist de burgemeester op 14 februari l996 wat volgt : “De Burgemeester, Gelet op de oproepingsbrief van 4 december 1995, per drager tegen ontvangstbewijs afgegeven en gericht aan de heer Van Hoof Dirk, Hoofdveld- wachter, om gehoord te worden door de Burgemeester om tuchtredenen. Gelet op het hierover samengestelde tuchtdossier, aangevuld door de besluiten van de raadsman van de opgeroepene, de hr. Erik Vergauwen uit Heverlee. Gelet op het verhoor dd. 21 december 1995 en het proces-verbaal hierover van dezelfde datum, overhandigd tegen ontvangstbewijs aan de verschijner op 27 december 1995 en ondertekend door belanghebbende ‘voor kennisneming onder voorbehoud omtrent de juistheid, volledigheid gepreciseerd in bijlage (2 pag.)’ op 29 december
  6. Gelet op deze opmerkingen dd. 29 december 1995 vanwege belanghebbende over het proces-verbaal en genoemd : ‘Verweer betreffende de inhoud van het proces-verbaal’. Overwegende dat de betrokkene ten laste gelegd worden de volgende feiten opgesomd in de oproepingsbrief dd. 4 december 1995 als volgt :
  7. Op 11 januari 1995 verzocht ik u de brandveiligheid in diverse gelegenheden, voornamelijk feestzalen, te onderzoeken, hierover contact op te nemen met de bevoegde brandweercommandant en mij hierover een verslag uit te brengen. Op 17 januari 1995 gaf ik u mondeling opdracht de feestzalen Parochie- centrum Tremelo en Baal, zaal Paloma en zaal De Toekomst zo vlug mogelijk XII-2255-2/25 op gebied van brandveiligheid te laten onderzoeken en mij verslag uit te brengen, opdracht die ik hernieuwde per fax op 29 november
  8. Evenzo vroeg ik u een ontwerp van aangepast algemeen verkeersreglement op te stellen tegen 08 juni
  9. Zie hierover het verslag van de politievergadering dd. 11.01.
  10. Geen van beide gevraagde stukken bereikten mij en werden evenmin met mij besproken. De loutere overhandiging van de lijst der diverse te onderzoeken lokaties kan hiervoor hoegenaamd niet volstaan.
  11. Op 20 september 1995 verzocht ik u in een politievergadering (cfr. het verslag van deze vergadering) fotocopie van alle interne nota’s. Als Burgemeester wens ik hierover te zijn geïnformeerd. Tot op heden werd ik hiervan niet in het bezit gesteld.
  12. Op 20 september 1995, in dezelfde vergadering (cfr. het verslag van deze bespreking) wordt afgesproken dat u zal instaan voor de organisatie van de opleiding van zgn. gemachtigde opzichters. Ruim twee maanden later is het verzoek nog niet uitgevoerd.
  13. Op 20 september 1995, in dezelfde vergadering (cfr. het verslag hiervan) verzocht ik u om besprekingen te organiseren met het volledige politiekorps met het oog op briefing, planning, organisatie en mij hierover verslagen te bezorgen. Tot op heden heeft u mij geen enkel dergelijk verslag overhandigd.
  14. Op 1 en 2 oktober 1995 evenals in de nacht van 28 op 29 oktober 1995 vond een reeks inbraken plaats over het grondgebied van de gemeente, diefstallen die ik moest vernemen via krantenartikels. Op geen enkele manier werd ik hierover door u geïnformeerd.
  15. Het I.P.Z.-akkoord ging van start op 6 november
  16. Pas na uitdrukkelijk verzoek per telefax ontving ik de eerste informatie van u op 1 december
  17. Op 13 november 1995 kwam ik om 22.15 u. aan ter hoogte van het rond punt aan het gemeentehuis, wegens een bommelding waarover ik door de Rijkswacht was ingelicht en waarvoor ik u, de politiedienst en de gemeentesecretaris had opgeroepen. Hierbij heb ik niet eens de mogelijkheid gehad met u te overleggen, laat staan een gesprek te hebben aangezien u hals over kop in een combi bent verdwenen terwijl uw manschappen terplaatse achterbleven. Omstreeks 23.30 u., ogenblik van afblazen van het alarm, bleek u nog niet teruggekeerd te zijn, noch met mij terplaatse contact te hebben gezocht of overleg te hebben gepleegd.
  18. Op 14 november 1995 evenals op 20 en 21 november 1995 stelde ik vast dat u niet aanwezig was op het werk en dus in verlof was. Nochtans bereikte mij hierover geen aanvraag noch had ik hiertoe verlof toegestaan.
  19. In de nacht van 25 op 26 november 1995 greep een actie antibanditisme plaats op het gemeentelijk grondgebied. Ik werd van dit nachtelijk optreden van de gemeentepolitie door u niet verwittigd. Waarom heeft u als korpschef - met mij geen overleg gepleegd en mij niet ingelicht hoeveel manschappen waar, wanneer, hoe en waarom werden ingezet? - Mij op 29.11.1995 nog geen verslag werd overhandigd? De te hanteren discretie, die u aanvoert in uw faxnota dd. 29 november 1995 in deze aangelegenheid is hoegenaamd geen reden om de Burgemeester, van de gemeente op wiens grondgebied actie wordt gevoerd, verstoken te houden van informatie over de geplande actie en hem hierover verslag uit te brengen. Mijns inziens is de Burgemeester bij dergelijke acties de eerste persoon en instantie die hierbij moet betrokken worden.
  20. Op de gemeenteraadsvergadering dd. 3 oktober 1995 werd door een lid van de oppositie een document ‘Discussienota’ getiteld, getoond dat XII-2255-3/25 blijkens mijn informatie aan alle raadsleden werd bedeeld en van uw hand afkomstig zou zijn. Is het uw rol om dergelijke dossiers zonder enig overleg met mijzelf vlak voor een gemeenteraadsvergadering te bedelen en als het ware aan de gemeenteraadsagenda toe te voegen? Overwegende dat de hr. Vergauwen luidens het P.V. van verhoor (pagina 3) stelt dat er een tuchtverslag werd opgesteld door de Burgemeester. Overwegende dat, los van het feit dat er in de onderhavige procedure, ingezet door de Burgemeester, lastens de Hoofdveldwachter geen verslag moet voorhanden zijn, de oproepingsbrief enkel technische vaststellingen omvat die geen waardeoordeel inhouden. Overwegende enerzijds dat uit de behandeling van de zaak blijkt dat de tenlastelegging onder punt 1 is verjaard en verder niet kan weerhouden worden. Overwegende dat uit het P.V. van verhoor blijkt dat er inzake de tenlasteleg- ging onder punt 3, omstandigheden voorhanden waren die buiten de wil van de Hoofdveldwachter om tot de bewuste vertraging hebben kunnen leiden, en dientengevolge ook deze tenlastelegging niet moet weerhouden worden. Overwegende dat de Burgemeester wat de tenlastelegging onder punt 4 betreft, nooit, noch vooraf, noch nadien op de hoogte is gebracht over het al dan niet doorgaan van dergelijke besprekingen. Overwegende evenwel dat deze opdracht, blijkens het onderzoek ter zitting, nog in een aanvangsfase verkeert en hierdoor redenen voorhanden zijn om deze tenlastelegging niet te weerhouden en te laten vallen. Overwegende dat er wat de tenlastelegging onder punt 6 betreft, kan geoordeeld worden dat bij de start van een dergelijk ingrijpend nieuw initiatief de nodige ontplooiingstijd moet gegeven worden en dientengevolge dit feit niet verder weerhouden moet worden. Overwegende dat er wat de tenlastelegging onder punt 8 betreft, en na lezing van het P.V. van verhoor enkel de hoop kan worden uitgesproken dat de Hoofdveldwachter de Burgemeester in de toekomst vooraf inlicht over zijn verlof, en deze tenlastelegging niet moet weerhouden worden. Overwegende anderzijds, dat, wat de tenlastelegging onder punt 2 betreft, - uit het P.V. van verhoor blijkt dat de Hoofdveldwachter het heeft over zgn. ‘kattebellen’ en stelt ‘Nota’s aan het personeel zijn er wel, doch ik meen die niet te moeten bijhouden terwijl zijn raadsman opmerkt : ‘Ik blijf mij afvragen waarom mijn cliënt niet eerst ingebreke is gesteld’. - de Hoofdveldwachter duidelijk een fout heeft begaan door de gevraagde interne nota’s niet te overhandigen, de opdracht blijkbaar niet is nageleefd, en het bovendien niet aan de ondergeschikte is om de efficiëntie en de opportuniteit van een opdracht na te gaan en te beoordelen; - het voorstel waarover de hr. Vergauwen het in zijn citaat in het P.V. van verhoor, pagina 8, heeft, een opdracht was; - een opdracht, voor zover niet onwettig, per se moet uitgevoerd worden zonder dat de uitvoering ervan moet voorafgegaan of aangezwengeld worden door zgn. ingebrekestellingen, herinneringen of waarschuwingen; - uit de tussenkomst van de hr. Vergauwen overigens blijkt dat deze tenlaste- legging impliciet toegegeven wordt; - het niet naleven van een opdracht een tuchtrechtelijk sanctioneerbaar feit uitmaakt; wat de tenlastelegging onder punt 5 betreft, - er zoals uit de oproeping blijkt, in de loop van de maand oktober 1995 in Tremelo een abnormale diefstallenplaag woedde, diefstallen die de Burge- meester moest vernemen uit krantenartikels zonder hierover op enige manier geïnformeerd te zijn door de Hoofdveldwachter; - het aangewezen is uit het P.V. van verhoor volgende citaten van de Burgemeester aan te halen : ‘Ik weet heel zeker dat gans Tremelo hierover XII-2255-4/25 was geïnformeerd. De politie niet dus. Het gaat hier toch niet om een bagatel. U zegt dat u hiervan niet op de hoogte was. Komt het dan nooit hij u op om hierover te informeren bij de andere diensten?’ en ‘Het gaat hier over openbare orde en veiligheid’. evenals volgende citaten van de Hoofdveldwachter : ‘Ik heb het P.V.-register nagekeken waaruit blijkt dat er door ons geen inbraken werden vastgesteld’. en ‘Wij vernemen zoiets meestal een maand later’. - een diefstallenreeks waarover de politie, bij wie ook, geen informatie inwint gewoonweg verbijsterend voorkomt; - de gemeentelijke politie niet verondersteld wordt binnen 4 muren te leven, maar ook leest, hoort en zich informeert over wat er gaande is in de gemeente; - uit niets blijkt dat de Hoofdveldwachter enig initiatief heeft ontwikkeld om de Burgemeester te informeren; - dientengevolge zulk gebrek aan beroepsernst en beroepsplicht een tucht- rechtelijk sanctioneerbaar feit uitmaakt; wat de tenlastelegging onder punt 7 betreft : - uit het P.V. van verhoor blijkt dat de Hoofdveldwachter verklaart ‘buiten de normale diensturen’ door de Burgemeester te zijn opgebeld, dat hij veldwach- ter Ronny Prijck niet kon bereiken ‘omdat hij wist dat hij met zijn hobby bezig was’ en dat hij uiteindelijk besluit ‘In de toekomst zal ik dan maar niet meer in aktie treden’, stellingen die redelijkerwijze in geen enkel opzicht kunnen onderschreven worden; - dat de Burgemeester bij zijn aankomst ter hoogte van het gemeentehuis de Hoofdveldwachter hooguit één à twee minuten heeft gezien waarna deze halsoverkop met de politiecombi was vertrokken, de Burgemeester, de Gemeentesecretaris, de rijkswachtpatrouille en de overige leden van de politiekorps ter plaatse latend, daar waar de plaats van het ‘nakend onheil’ zich in de omgeving van het rond punt aan het gemeentehuis zou situeren - dat de Hoofdveldwachter in zijn bemerkingen aan het P.V. van verhoor stelt dat het zijn intentie was om ‘over te gaan tot de opsporingsactie’ en daarom in een combi was vertrokken; - dat het niet de taak was van de Hoofdveldwachter om zélf opsporingsacties te beginnen; - dat het inderdaad evident is dat de Hoofdveldwachter in zulke omstandig- heden leiding geeft en coördineert in de onmiddellijke omgeving en aan de zijde van de Burgemeester; - dat deze stelling overigens onderschreven wordt door zijn raadsman, die luidens het P.V. van verhoor opmerkte : ‘Ik vind het evident dat de Hoofdveldwachter de leiding zou nemen van zulke actie’; - dat de Hoofdveldwachter na zijn vertrek met de politiecombi de ganse nacht niet meer werd gezien en op het ogenblik van het afblazen van het alarm nog niet teruggekeerd bleek te zijn, noch met de Burgemeester contact te hebben gezocht of overleg gepleegd te hebben; - dat deze houding de stellige indruk wekte dat de Hoofdveldwachter zijn verantwoordelijkheid ontvluchtte en de Burgemeester trachtte te ontlopen; - dat deze tenlastelegging een ernstige tekortkoming uitmaakt in de beroeps- plichten van een leidinggevend politieman. wat de tenlastelegging onder punt 9 betreft, - een dergelijke actie vanzelfsprekend de volledige goedkeuring van de Burgemeester wegdraagt; - het normaal is dat de Burgemeester in zijn hoedanigheid van hoofd van de politie volledig op de hoogte is van de organisatie van een dergelijke actie; - dat het niet zo is dat, omdat er pas op 24 november 1995 in de namiddag correcte afspraken werden gemaakt met de rijkswacht, de Burgemeester als XII-2255-5/25 eerste instantie niet moet worden ingelicht i.v.m. plaats, begin en einde van de actie, aantal manschappen betrokken bij de actie; - dat bovendien de faxnota, behorend tot het tuchtdossier, vanwege de Hoofdveldwachter dd. 29.11.1995 omtrent deze aangelegenheid toch wel verbijsterend en onwaarschijnlijk klinkt waar hij stelt : ‘Pas op 24.11.1995 namiddag werden concrete afspraken vastgelegd en werd door de rijkswacht besloten geen openbaar gerucht te geven aan de actie’. - dat de Burgemeester hieruit moet besluiten dat de Hoofdveldwachter hem gewoonweg niet betrouwt; - dat het evident is dat de Burgemeester zwaar tilt aan de attitude van de Hoofdveldwachter in deze zaak, - dat het feit blijkens het P.V. van verhoor niet wordt ontkend door betrokkene of zijn raadsman; - dat de ganse houding van de Hoofdveldwachter in deze aangelegenheid ernstige tekortkomingen in de beroepsplicht vertoont die een tuchtrechtelijk sanctioneerbaar feit uitmaken; wat de tenlastelegging onder punt 10 betreft, - de Hoofdveldwachter het bewuste dokument, blijkens het P.V. van verhoor afdoet als een louter informatief document; - de bewuste omstandige nota meer dan informatief is, maar eerder een specifiek duidingsdocument, gericht en afgegeven aan elk der raadsleden en schepenen afzonderlijk, vlak voor een gemeenteraadsvergadering; - het niet de rol is van de Hoofdveldwachter om dergelijk dossier zonder enig overleg met de Burgemeester vlak voor een gemeenteraadsvergadering te bedelen en als het ware aan de gemeenteraadsagenda toe te voegen; - de uitdrukkelijke invulling van namen in de in het document uitgestippelde benoemingsronde op zijn zachtst uitgedrukt onwaarschijnlijk voorkomt; - dat de Hoofdveldwachter zich hier allerminst discreet heeft opgesteld naar het beleid toe, - uit het P.V. van verhoor blijkt (o.a. raadsman Vergauwen citerend : ‘Ik acht mijn cliënt wat ongelukkig in het formuleren van bepaalde zaken. Evenwel vind ik zijn gedrevenheid toch terug in dit punt. Anderzijds kan ik mij ook over bepaalde passages verwonderen waarbij misschien wat meer omzichtig- heid aan de dag had moeten worden gelegd’. - dat betrokkene dit feit niet ontkent maar zich uitput in het voordragen van verzachtende omstandigheden waaruit blijkt dat hij zich terdege bewust is en toegeeft dat hij hier te ver is gegaan; - dat dit feit een ernstige tekortkoming in de beroepsplichten uitmaakt. Overwegende dat de ernst van voornoemde ten laste gelegde en als bewezen geachte feiten aanzienlijk verzwaard wordt aangezien zij gepleegd werden door een hoofdveldwachter korpsoverste. Gelet op de gemeentewet inzonderheid de artikelen 171 bis, 172 en 295 §2 en titel XIV betreffende de tuchtregeling. Gelet op de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt inzonderheid art.
  21. Beslist Art. 1 Voor de tenlasteleggingen onder de punten 2, 5, 7, 9 en 10 uit de oproepingsbrief dd. 4 december 1995 de tuchtstraf van de schorsing voor drie weken op te leggen met ingang van 4 maart 1996 tot en met 24 maart
  22. Art. 2 Overeenkomstig het decreet van 24 juli 1991 houdende regeling, voor het Vlaamse Gewest, van het administratief toezicht op de handelingen betreffende tucht- en sommige ordemaatregelen genomen ten opzichte van het gemeente- personeel, bedoeld in de nieuwe gemeentewet kan de betrokkene tegen deze beslissing beroep aantekenen bij de Vlaamse Executieve binnen een termijn van dertig dagen vanaf de dag na de kennisgeving van het besluit houdende het opleggen van de tuchtstraf. XII-2255-6/25 Art. 3 Onderhavige beslissing wordt heden per drager tegen ontvangstbewijs overgemaakt aan de betrokkene en per aangetekende brief aan de Brigade- commissaris, aan de Provinciegouverneur van Vlaams-Brabant, aan de Vlaamse Executieve, aan de Minister van Binnenlandse Zaken en aan de Minister van Justitie. Art. 5 Het volledige tuchtdossier wordt heden nog aan de beroepsinstantie toegestuurd”. 1.
  23. Tegen die beslissing tekent verzoeker bij brief van 4 maart 1996 beroep aan bij de toeziende overheid. 1.
  24. Eveneens op 14 februari 1995 zendt de burgemeester een afschrift van zijn tuchtbesluit toe onder meer aan de brigadecommissaris, aan de gouverneur van de provincie Vlaams Brabant en aan de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie. 1.
  25. De Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Stedelijk Beleid en Huisvesting keurt op 8 mei 1996 de voornoemde tuchtbeslissing goed. Dit goedkeuringsbesluit luidt als volgt : “Ministerieel besluit houdende goedkeuring van het besluit van de burgemees- ter van Tremelo van 14 februari 1996 houdende het opleggen van de tuchtstraf van de schorsing voor de duur van drie weken aan de heer Dirk Van Hoof, hoofdveldwachter. De Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Stedelijk Beleid en Huisvesting, [...]; Gelet op het P.V. van verhoor van de betrokkene, bijgestaan door zijn raadsman meester Erik-J. Vergauwen, advocaat te Leuven, van 5 april 1996; Gelet op het P.V. van verhoor van de heer Louis Haegemans, burgemeester van de gemeente Tremelo, van 5 april 1996; Gelet op de besluiten en stukken, neergelegd ter zitting door de raadsman van de betrokkene; Overwegende dat de betrokkene tuchtrechtelijk werd vervolgd om reden dat hij :
  26. geen gevolg gaf aan een opdracht van de burgemeester van 11 januari 1995 en van 17 januari 1995 om de brandveiligheid in diverse lokalen te onderzoe- ken en hiervan verslag uit te brengen en evenmin aan de opdracht tegen 8 juni 1995 een aangepast algemeen verkeersreglement op te stellen;
  27. geen gevolg gaf aan een verzoek van de burgemeester van 20 september 1995 hem fotokopie te bezorgen van alle interne nota’s;
  28. geen gevolg gaf aan een opdracht van de burgemeester van 20 september 1995 in te staan voor de organisatie van de opleiding van de zgn. gemachtig- de opzichters;
  29. geen gevolg gaf aan een verzoek van de burgemeester van 20 september 1995 om besprekingen te organiseren met het volledige politiekorps met het oog op briefing, planning, organisatie en hiervan verslag uit te brengen aan de burgemeester; XII-2255-7/25
  30. geen melding maakte aan de burgemeester van een reeks van inbraken die plaatsvonden op het grondgebied van de gemeente in de nacht van 28 en 29 oktober 1995, zodat de burgemeester deze feiten moest vernemen uit de pers;
  31. pas op 1 december 1995, na uitdrukkelijk verzoek van de burgemeester, voor het eerst informatie verschafte omtrent de werking van het I.P.Z.- akkoord dat reeds op 6 november 1995 van start was gegaan;
  32. op 13 november 1995 omstreeks 22.15 uur, na door de burgemeester te zijn opgeroepen in verband met een bommelding in het centrum van de gemeente, hals over kop verdween met een politievoertuig, terwijl hij zijn manschappen en de burgemeester achterliet, en, bij het afblazen van het alarm omstreeks 23.30 uur nog steeds niet was teruggekeerd;
  33. op 14 november 1995, evenals op 20 en 21 november 1995, niet op het werk verscheen zonder aan de burgemeester zijn verlof te hebben gemeld of hiertoe een aanvraag te hebben ingediend;
  34. de burgemeester niet inlichtte omtrent een actie anti-banditisme die plaatsgreep in de nacht van 25 op 26 november 1995 op het grondgebied van de gemeente;
  35. op 3 oktober 1995, vlak voor de gemeenteraadszitting, een discussienota betreffende de intergemeentelijke politiesamenwerking en de overgangsmaat- regelen aangaande de overgang van landelijke naar stedelijke politie, verspreidde onder de gemeenteraadsleden zonder hieromtrent eerst de burgemeester, als hoofd van de politie, te hebben geraadpleegd of hem zelfs maar van zijn initiatief in kennis te hebben gesteld; Overwegende dat de burgemeester van de gemeente Tremelo bij het tuchtstrafbesluit van 14 februari 1996, waartegen beroep, ervan uitging dat de feiten onder 1, 3, 4, 6 en 8 niet voor sanctionering in aanmerking kwamen, en hij de betrokkene dan ook slechts sanctioneerde voor de tenlasteleggingen onder nummer 2, 5, 7, 9 en 10; dat het onderzoek in dit dossier zich dan ook kan beperken tot voornoemde tenlasteleggingen; Overwegende dat uit het dossier en uit het onderzoek ter zitting deze feiten als bewezen moeten worden beschouwd; Overwegende dat het echter past, alvorens omtrent de grond van de zaak te motiveren, te antwoorden op een aantal proceduremiddelen die door de raadsman van de betrokkene werden opgeworpen; Overwegende dat de betrokkene vooreerst van oordeel is dat de burgemees- ter in dit dossier niet had mogen optreden aangezien hij zelf het tuchtdossier heeft samengesteld en zijn optreden als tuchtoverheid derhalve een schending inhoudt van het beginsel ‘nemo iudex in causa sua’; Overwegende dat de betrokkene in dit verband onder meer verwijst naar de rechtspraak en de rechtsleer, meer bepaald naar het werk van mevrouw
  36. Opdebeeck, Tuchtrecht in de lokale besturen, Die Keure, 1192, p. 170 e.v.; [...] Overwegende dat de hierboven geciteerde passages perfect toepasselijk zijn op onderhavig dossier; dat immers de burgemeester zelf een tuchtbevoegdheid bezit, althans tot een bepaalde hoogte wat de strafmaat betreft, ten opzichte van de betrokkene en dus geenszins gehouden was, zoals de betrokkene suggereert, de zaak door te verwijzen naar een andere instantie (in casu de gouverneur) indien hij van mening was dat de sancties die hijzelf kon opleggen volstonden om de ten laste gelegde feiten naar behoren te sanctioneren; Overwegende, wat betreft de eventuele mogelijkheid dat de burgemeester niet, zonder gezichtsverlies te lijden, zou kunnen terugkomen op bepaalde handelingen die hij bij het vooronderzoek zou hebben gesteld, onderhavig dossier een schoolvoorbeeld is van het feit dat de burgemeester wel degelijk op bepaalde opinies die hij, voor de behandeling van het dossier, in verband met de XII-2255-8/25 feiten had, is teruggekomen en hij derhalve geenszins de vrees had hierdoor gezichtsverlies te lijden; Overwegende immers dat de burgemeester van de tien aanvankelijk aan de betrokkene ten laste gelegde feiten, er liefst vijf niet heeft weerhouden bij het opleggen van de sanctie; dat dit gegeven duidelijk aantoont dat de burgemeester zeker niet van partijdigheid of vooringenomenheid kan worden beschuldigd; Overwegende dat tenslotte, in verband met dit eerste middel, nog dient te worden vastgesteld dat, indien een tuchtstraf wordt opgelegd aan de hoofd- veldwachter of de enige veldwachter, geen voorafgaandelijk tuchtverslag dient te worden opgesteld; dat immers in de artikelen 294 e.v. die handelen over de mogelijkheid om tuchtstraffen op te leggen aan de leden van de landelijke politie, voor de hoofdveldwachter en de enige veldwachter er geen sprake is van een voorafgaandelijk tuchtverslag, en dat artikel 296 van de nieuwe gemeentewet enkel spreekt over een verslag wanneer een tuchtstraf wordt opgelegd aan de ‘andere leden van de landelijke politie’; dat onder de term andere leden dient te worden verstaan, andere dan de hoofdveldwachter en de enige veldwachter, aangezien de vorige artikelen betreffende de landelijke politie enkel betrekking hadden op die twee graden van landelijke politie; Overwegende dat de verwijzing door de betrokkene naar de ministeriële omzendbrief BA-G/92/12 van 09.09.1992 dan ook alleen kan betrekking hebben op de gevallen waarin, alhoewel zulks wettelijk niet hoeft, effectief een tuchtverslag wordt opgesteld; dat in casu echter van een tuchtverslag geen sprake is; dat de feiten die aan de betrokkene werden ten laste gelegd enkel, en zulks voor het eerst, werden geformuleerd in de brief van 4 december 1995 waarbij de betrokkene werd opgeroepen voor de hoorzitting; dat deze oproeping uiteraard niet kan beschouwd worden als een tuchtverslag; dat derhalve het eerste middel faalt; Overwegende dat, wat de grond van de zaak betreft, zoals reeds gesteld uit het onderzoek en uit het voorliggende dossier blijkt dat de feiten die door de burgemeester werden weerhouden als bewezen moeten worden beschouwd; dat trouwens alle tenlasteleggingen door de burgemeester zelf werden vastgesteld; dat er geen enkele reden is om te twijfelen aan de waarachtigheid van de vaststellingen van de burgemeester; Overwegende dat in dit verband kan worden verwezen naar de vaste rechtspraak van de Raad van State die, in verband met het zorgvuldigheids- beginsel, stelt dat een omstandige en concrete verklaring van een rechtstreekse getuige niet van onwaarde is en op zichzelf kan worden beschouwd als een voldoende bewijs, op voorwaarde echter dat zij niet is weerlegd door een andere, even geloofwaardige getuigenis (cfr. R.v.S., SCHOLIERS, nr. 31.245 van 27 oktober 1988); dat in casu de betrokkene de hem ten laste gelegde feiten weliswaar ontkent, maar geen enkel objectief gegeven bijbrengt waardoor de eigen vaststellingen van de burgemeester worden ontkracht; Overwegende derhalve dat de motivering van het tuchtstrafbesluit van de burgemeester in verband met de tenlasteleggingen die hij weerhield om de betrokkene een tuchtsanctie op te leggen, volledig kunnen worden onderschre- ven; Overwegende immers dat in verband met de tenlastelegging onder punt 2, met name het niet meedelen, ondanks het verzoek hiertoe van de burgemeester, van alle interne nota’s, de burgemeester terecht stelde dat het niet aan een ambtenaar is om de opportuniteit van een hem gegeven opdracht te beoordelen en dat hij gehouden is de opdracht uit te voeren, voor zover deze niet onwette- lijk is; dat men moeilijk de vraag van de burgemeester om hem alle interne nota’s die in het politiekorps circuleren, mee te delen, als onwettig kan beschouwen; dat het bovendien volkomen logisch is dat een burgemeester, in zijn hoedanig- heid van hoofd van politie, op de hoogte wenst te blijven van de gang van zaken in zijn korps; dat trouwens uit het onderzoek ter zitting in graad van beroep is XII-2255-9/25 gebleken dat de bedoelde nota’s, na het inzetten van de huidige tuchtprocedure, wel regelmatig worden meegedeeld, zodat het verzoek van de burgemeester klaarblijkelijk toch niet zo abnormaal was; Overwegende dat, wat betreft de tenlastelegging onder punt 5, met name het niet informeren van de burgemeester in verband met een abnormale dief- stallenplaag in de gemeente, de burgemeester terecht stelde dat, zelfs wanneer de vaststellingen van deze diefstallen niet door de politie van de gemeente werden vastgesteld, het toch niet meer dan normaal is dat de politie, die inderdaad “niet verondersteld wordt binnen 4 muren te leven” zich informeert en dat deze informatie wordt doorgespeeld naar het hoofd van de politie, met name de burgemeester; Overwegende dat wat punt 7 betreft, met name de houding van de betrokke- ne bij het bomalarm in het centrum van de gemeente, evenmin kan worden vergoelijkt; dat de burgemeester terecht stelt dat het de taak is van de korpso- verste in dergelijke omstandigheden de leiding van de acties zal nemen; dat het feit dat hij de plaats van het onheil verliet om ‘opsporingsonderzoeken’ te gaan verrichten, moeilijk kan aangezien worden als het ‘leiden en coördineren van de acties’; dat de burgemeester dan ook terecht de indruk kon opdoen dat de betrokkene zijn verantwoordelijkheid ontvluchtte en hem trachtte te ontlopen; Overwegende dat, wat betreft de tenlastelegging onder punt 9, met name het niet informeren van de burgemeester omtrent een anti-banditisme-actie op het grondgebied van de gemeente Tremelo, terecht door de burgemeester werd ervaren als een tekortkoming aan de beroepsplichten; dat het maar evident is dat de burgemeester, als hoofd van de politie, op de hoogte wordt gehouden van de organisatie en het verloop van een dergelijke actie; dat de reden waarom dat niet gebeurde, met name het feit dat de rijkswacht besloten had dat geen ruchtbaar- heid aan de actie zou worden gegeven, door de burgemeester dan ook terecht kon worden geïnterpreteerd als een gebrek aan vertrouwen in de burgemeester in hoofde van de betrokkene; dat het feit dat de burgemeester zijn toestemming zou hebben gegeven om bepaalde materialen aan te kopen voor de actie, nog niet hoeft te betekenen dat hij geacht wordt daardoor op de hoogte geweest te zijn van plaats, datum, tijdstip en duur van de actie; Overwegende tenslotte dat wat de tenlastelegging onder punt 10 betreft, met name het verspreiden door de betrokkene, van een discussienota onder de gemeenteraadseden, eveneens moeilijk aanvaardbaar is; dat het maar evident lijkt dat deze nota, die dan toch handelde over de reorganisatie van het politiekorps, voorafgaandelijk zou worden besproken met de hoofdverantwoordelijke voor dit korps, met name de burgemeester; dat, door te doen zoals de betrokkene deed, en de nota zonder voorafgaandelijk overleg met de burgemeester aan de gemeenteraadsleden mee te delen, de betrokkene duidelijk, minstens deontolo- gisch, in de fout ging; Overwegende dat de betrokkene, als laatste en ondergeschikt middel, de onevenredigheid inroept van de strafmaat; dat in dit verband kan verwezen worden naar de vaste rechtspraak van de Raad van State die stelt dat, zo het evenredigheidsbeginsel inhoudt dat de straf die wordt opgelegd in een redelijke verhouding moet staan tot de begane fout, het de Raad van State, en dus evenmin de toezichthoudende overheid, niet toekomt zich bij het beoordelen van die strafmaat in de plaats te stellen van de tuchtoverheid; dat hij enkel een kennelijk in wanverhouding tot de feiten staande straf onwettig kan bevinden, dat wil zeggen een straf waarvan het in redelijkheid ondenkbaar is dat enige met de uitoefening van het tuchtrecht belaste overheid die straf zou opleggen voor feiten van die aard en die ernst, hetgeen in casu duidelijk niet het geval is; Overwegende dat bij de bepaling van de strafmaat de overheid bovendien niet alleen rekening kan houden met de persoonlijke situatie van de betrokken ambtenaar, maar ook en vooral, met het belang van de dienst waarvoor zij instaat; dat de redelijkheid van een tuchtstraf dan ook in de eerste plaats moet XII-2255-10/25 beoordeeld worden in haar relatie met het belang van de dienst; dat ter zake dit belang niet uitsluitend en zelfs niet in de eerste plaats worden gemeten aan het financiële verlies dat de dienst heeft geleden maar veeleer aan de verstoring van de goede werking die de feiten hebben veroorzaakt waarbij onder meer rekening kan worden gehouden met de verbroken vertrouwensrelatie tussen de overheid en haar ambtenaar en dergelijke meer (R.V.S., Moors, nr. 39.771 van 23 juni 1992); dat in casu de burgemeester terecht rekening hield met het feit dat de ernst van feiten nog werd verzwaard nu ze gepleegd zijn door een hoofdveld- wachter; Overwegende dat de Raad van State verder nog stelt in verband met het evenredigheidsbeginsel dat, wanneer een betrokken personeelslid geen enkel element aanbrengt dat een schending van artikel 6 van de Grondwet insluit die niet tevens een schending zou zijn van het proportionaliteitsbeginsel, het voor het onderzoek van de zaak volstaat dat wordt nagegaan of dit proportionaliteits- beginsel geëerbiedigd werd; dat de toetsing van de Raad van State in verband met het evenredigheidsbeginsel marginaal is, d.w.z. dat de Raad, en dus eveneens de toezichthoudende overheid, slechts mag optreden wanneer het bestuursorgaan op evidente wijze een onjuist gebruik van zijn beleidsvrijheid, heeft gemaakt, m.a.w. wanneer het bestuur kennelijk onredelijk heeft gehandeld; Overwegende dat het proportionaliteitsbeginsel niet betekent dat tuchtstraffen ‘in verhouding’ moeten zijn tot tuchtfeiten; dat over die verhouding de tuchtoverheid discretionair oordeelt; dat het proportionaliteitsbeginsel, als concrete toepassing van het redelijkheidsbeginsel, enkel die discretionaire bevoegdheid beperkt doordat het niet duldt dat een tuchtstraf in kennelijke wanverhouding staat tot de tuchtfeiten; Overwegende dat, door voor een bepaalde sanctie te kiezen, de tuchtoverheid over de verhouding tussen de tuchtstraf en de tuchtfeiten oordeelt; dat het proportionaliteitsbeginsel de rechter niet toestaat dat oordeel van de tuchtover- heid over te doen, maar enkel dat oordeel onwettig te bevinden wanneer het tegen alle redelijkheid ingaat, wanneer de door de tuchtoverheid geponeerde ‘verhouding’, tussen tuchtfeit en tuchtstraf in werkelijkheid volkomen ontbreekt en wanneer er in werkelijkheid een kennelijke wanverhouding is (R.v.S., nr. 26.600 van 3 juni 1986 (Van Rompaey/Gem. Oudergem & Belg. Staat); Overwegende dat, om al deze redenen, het besluit van de burgemeester van de gemeente Tremelo, houdende het opleggen van een tuchtsanctie aan de betrokkene, kan worden goedgekeurd; dat de gehanteerde strafmaat bovendien in evenredigheid kan geacht worden met de ten laste gelegde feiten, Besluit : Enig artikel. Het besluit van de burgemeester van de gemeente Tremelo van 14 februari 1996, houdende het opleggen van de tuchtstraf van de schorsing voor de duur van drie weken aan de heer Dirk Van Hoof, hoofdveldwachter, wordt goedgekeurd;”.
  37. De gegrondheid van het beroep. 2.1.
  38. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert “van het algemeen rechtsbeginsel nemo judex in causa sua. Niemand kan rechter in eigen zaak zijn”; dat hij daartoe onder meer betoogt hetgeen volgt : “De heer burgemeester heeft zelf een tuchtdossier opgesteld en heeft, evenwel na verhoor van verzoeker, zelf de tuchtstraf opgelegd. XII-2255-11/25 Inhoudelijk betreffen bovendien de aan verzoeker ten laste gelegde feitelijk- heden enkel en alleen de relatie tussen hemzelf enerzijds en de burgemeester anderzijds. Dit betekent concreet dat in het volledig verloop van de tuchtprocedure er maar één partij is geweest dewelke is tussengekomen en dat is de burgemeester. Het algemeen rechtsbeginsel dat niemand rechter in eigen zaak kan zijn impliceert dat de schijn van partijdigheid de wettigheid van een administratieve rechtshandeling evenzeer aantast als de bewezen partijdigheid. Personen die tijdens het vooronderzoek reeds een mening hebben gevormd over de tuchtzaak, in die mate dat zij niet meer op hun vroegere mening kunnen terugkomen zonder gezichtsverlies te lijden, hebben een rechtstreeks moreel belang bij de zaak en kunnen geen deel nemen aan de besluitvorming. Aangezien het hier om een persoonlijke aangelegenheid gaat tussen de heer burgemeester en verzoeker waar geen andere personen werden bij betrokken is het duidelijk dat de burgemeester niet kon terugkomen op zijn tenlasteleggingen zonder gezichtsverlies te lijden. Het uiteindelijk resultaat van de gevoerde procedure moest hoe dan ook een tuchtstraf met zich mee brengen. [...] Voor verzoeker betreft het wel degelijk verslagen, rapporten berustend op de eigen rechtstreekse bevindingen van de burgemeester, dewelke dan nog zelf uitspraak heeft gedaan over het opleggen van een tuchtstraf, en waarbij het blijkbaar een persoonlijke vete betreft tussen beiden. [...] Indien de burgemeester hem reeds zou moeten onthouden om zitting te hebben in de gemeenteraad indien hij persoonlijk was betrokken bij de feiten die tot de tuchtvordering hebben geleid, temeer is hier het principe van rechter en partij geschonden indien de burgemeester degene is die persoonlijk bij de feiten was betrokken, er worden geen andere feiten ten laste gelegd, en hij degene is die alleen heeft beslist omtrent het opleggen van de tuchtsanctie. Volgens de rechtspraak van uw hoog rechtscollege moet in tuchtzaken het beginsel worden gerespecteerd dat diegenen die een beschuldiging hebben ondersteund niet mogen deelnemen aan de beraadslaging. [...] Verzoeker kan zich volledig bij deze zienswijze aansluiten doch dit betekent nog niet dat indien de burgemeester als enige persoon optreedt in een tuchtpro- cedure vanaf de aanvang tot en met de beslissing tot het opleggen van tuchtsanctie, er geen sprake zou zijn van de schending van het beginsel van de onpartijdigheid. Bovendien stelt verzoeker vast dat nooit eerder opmerkingen werden geformuleerd over de wijze waarop hij zijn functie uitoefent. Het feit dat de burgemeester wel kon terugkomen op bepaalde opinies die hij, voor de behandeling van het dossier had, zou moeten blijken doordat hij van de tien aanvankelijk aan de betrokkene ten laste gelegde feiten, er liefst vijf niet heeft weerhouden bij het opleggen van de sanctie. Er waren echter duidelijk elementen aanwijsbaar zoals het gebrek aan bewijs en de bestaande verjaringstermijn waardoor de ten laste gelegde feiten niet konden weerhouden worden, maar bovendien leed de burgemeester daardoor geen gezichtsverlies daar het uiteindelijk resultaat hetzelfde bleef. Een zwaarder straf opleggen was niet mogelijk gelet op zijn beperkte bevoegdheid terzake. Indien de burgemeester het tuchtverslag opstelt en ook zou overwegen als tuchtoverheid op te treden dient hij zich te laten vervangen op grond van artikel 308 van de nieuwe gemeentewet dewelke uitdrukkelijk voorziet: XII-2255-12/25 ‘Wanneer de provinciegouverneur en de burgemeester als tuchtoverheid optreden, dienen zij de verbodsbepaling bedoeld in artikel 92, eerste lid, 1/, na te leven. In voorkomend geval dienen zij zich te laten vervangen’ Artikel 92, eerste lid, 1/ bepaalt : ‘Het is elk gemeenteraadslid en de burgemeester verboden : 1/ tegenwoordig te zijn bij een beraadslaging of besluit over zaken waarbij hij een rechtstreeks belang heeft, hetzij persoonlijk, hetzij als gelastigde, voor of na zijn verkiezing, of waarbij zijn bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad een persoonlijk en rechtstreeks belang hebben’. Krachtens artikel 295 van de nieuwe gemeentewet kan de gouverneur eveneens aan de hoofdveldwachter de tuchtstraffen opleggen die vermeld zijn in artikel 283 van diezelfde wet.”; Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord reageert op de memories van antwoord en betoogt hetgeen volgt : “[...] Wanneer inderdaad kan gesteld worden dat de rechtspraak van de Raad van State niet duidelijk is voor wat betreft het beginsel dat diegenen die een beschuldiging hebben ondersteund, niet mogen deelnemen aan de beraadslaging is hier zelfs van een beraadslaging geen sprake. Indien eventueel kan aanvaard worden dat degene die de tuchtprocedure op gang heeft gezet, zitting heeft in het collegiaal tuchtorgaan is dit omdat hij zijn stem onvoldoende kan doordrukken voor wat het nemen van de uiteindelijke beslissing betreft. Anders is het gesteld wanneer degene die de tuchtprocedure op gang heeft gezet ook de uiteindelijke beslissing neemt zelfs zonder tussenk- omst van een derde. De gemeenteraad is hier zelfs niet in kennis gesteld, alle handelingen werden verricht door één en dezelfde persoon in casu de burgemeester. Bovendien betreft het hier wel degelijk een persoonlijke vete tussen de verzoeker en de burgemeester aangezien allen ten laste gelegde feiten werden vastgesteld door de persoon van de burgemeester zonder aanwezigheid van derden getuigen. Krachtens het Kb van22 november 1991 omtrent de algemene principes van het administratief en geldelijk statuut van de rijksambtenaren, hetgeen uitdrukke- lijk van toepassing is verklaard op het personeel van de Executieven en van de publiekrechtelijke personen die ervan afhangen, meer bepaald artikel 34 wordt gesteld dat ‘De overheid die de tuchtstraf uitspreekt mag niet dezelfde zijn als die welke haar voorstelt’. In het verslag aan de Koning wordt omtrent dit artikel gezegd dat ‘De ambtenaren ontvangen stevige waarborgen van bescherming tegen elke onrechtmatige maatregel’. Dit artikel wijst toch duidelijk op de belangrijkheid van het door verzoeker opgeworpen beginsel, dat zeker restrictief dient geïnterpreteerd te worden. Zelfs krachtens het Gerechtelijk Wetboek kan een rechter gewraakt worden wanneer hij belang heeft bij de afloop van het geschil of wanneer hij reeds vroeger van het geschil heeft kennis genomen. Van het tuchtorgaan mag men op zijn minst verwachten dat het persoonlijk onpartijdig zou zijn en dit valt in de praktijk dikwijls samen met het verbod om tegelijk rechter en partij te zijn. Volgens dat verbod mag niemand aan een disciplinaire beslissing deelnemen, die persoonlijk bij de ten laste gelegde feiten betrokken was of is. Dit was hier zeker het geval. XII-2255-13/25 Er bestaat nog altijd het rechtsbeginsel dat niemand rechter en partij kan zijn in eigen zaak. Er bestaan geen redenen waarom een tuchtrechtelijk vervolgd ambtenaar minder waarborgen zou genieten dan een strafrechtelijk vervolgd persoon. De schijn van partijdigheid tast de wettigheid van een administratieve rechtshan- deling evenzeer aan als een bewezen partijdigheid. De personen die tijdens het vooronderzoek reeds een mening hebben gevormd over de tuchtzaak, in die mate dat zij niet meer op hun vroegere mening kunnen terugkomen zonder gezichtsverlies te lijden, zodat het voor hen moreel onmogelijk is om dit te doen, hebben een rechtstreeks moreel belang bij de zaak. Schending van de verbodsbepaling van artikel 92, eerste lid, 1/.”; Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie bijkomend nog doet gelden : “Alle partijen zijn het er over eens dat het algemeen rechtsbeginsel, naar luid waarvan niemand rechter in eigen zaak kan zijn, ook van toepassing is op de organen van het actief bestuur, althans in de mate dat het beginsel verenigbaar is met de eigen aard en in het bijzonder met de eigen structuur van de admini- stratie. Ten onrechte menen de verwerende partijen, en met hen blijkbaar de eerste auditeur, dat dergelijke onverenigbaarheid zich voordoet, wanneer de burge- meester zijn tuchtbevoegdheid t.a.v. de hoofdveldwachter, welke hem door art. 295 § 2 van de nieuwe gemeentewet verleend wordt, uitoefent op grond van gegevens die hij zelf heeft vastgesteld, en dat het algemeen rechtsbeginsel in dergelijk geval bijgevolg geen toepassing kan vinden. De eerste auditeur meent zelfs dat er anders over oordelen erop zou neerkomen dat de normale door de burgemeester uit te oefenen, gezagsfunctie, waaronder de tuchtbevoegdheid zou te begrijpen zijn, onmogelijk zou worden. Niets is uiteraard minder waar, vermits vooreerst de tuchtbevoegdheid in alle gevallen onverkort blijft bestaan, t.a.v. gegevens welke door anderen dan de burgemeester zijn vastgesteld (hetgeen ongetwijfeld in de meeste gevallen zo zal zijn). Het verbod om tegelijk als rechter en partij op te treden is een algemeen rechtbeginsel, dat slechts één grens kan kennen : de toepassing van het beginsel mag er niet toe leiden dat het nemen van een regelmatige beslissing onmogelijk wordt. De hoogste overheid in een bepaalde gezagshiërarchie kan niet de bevoegdheid ontzegd worden disciplinair op te treden. Deze grens wordt in casu zeker niet overschreden, zodat er geen enkele reden kan bestaan om het onpartijdigheidsbeginsel te verwerpen. Krachtens art. 295, § 1 van de nieuwe Gemeentewet beschikt de Provinciegouverneur over de bevoegdheid om alle tuchtstraffen op te leggen aan de hoofdveldwachter, ook de lagere tuchtstraffen waarvoor de burgemeester (mede)bevoegd is. Desgeval- lend had bij toepassing van art. 14 van de nieuwe Gemeentewet zelfs de eerste schepen als tuchtoverheid kunnen optreden. Het is dus zeker niet zo dat een regelmatige beslissing onmogelijk geweest was, indien de burgemeester niet als tuchtoverheid was opgetreden. De burgemeester was immers onbetwistbaar betrokken partij bij de ten laste gelegde feiten. Zo goed als alle ten laste gelegde feiten, minstens deze welke weerhouden werden, betreffen immers beweerde tekortkomingen aan de gehoorzaamheid t.o.v. de burgemeester en/of de plicht tot informering van de burgemeester. Wanneer een overheid rechtstreeks uit hoofde van de ingeroepen feiten benadeelde partij is, dient het verbod van partijdigheid ten volle te gelden. Ook XII-2255-14/25 Uw Raad aanvaardde reeds in het bijzonder een schending van het onpartijdig- heidsbeginsel, wanneer een ambtenaar precies oneerbiedig gedrag of insubordi- natie verweten wordt tegen een overheid die tevens een essentiële rol speelt in de tuchtprocedure (vgl. R.v.S. arrest nr. 38.412 dd. 23 december 1991). Daarbij dient uiteraard rekening te worden gehouden met het feit dat niet de partijdigheid, maar reeds de schijn van een gebrek aan onpartijdigheid dient gesanctioneerd te worden (vgl. R.v.S., arrest nr. 35.924 dd. 4 december 1990). Waar in casu de burgemeester zowel is opgetreden als aangever van de feiten, onderzoeker, procureur en rechter, is op zich al moeilijk te aanvaarden dat er geen schijn van partijdigheid zou zijn (of zelfs meer algemeen dat nog sprake is van een tuchtRECHT). Wanneer dan blijkt dat omzeggens alle ten laste gelegde feiten precies betrekking hebben op de verhouding tussen de burgemeester en de tuchtrechtelijk vervolgde, zodat de burgemeester ook onbetwistbaar betrokken partij is, is minstens de schijn van partijdigheid evident. Vermits tezelfdertijd vaststaat dat een regelmatige beslissing mogelijk was gebleven, zelfs wanneer de burgemeester zich als tuchtoverheid had teruggetrok- ken, is het eerste middel dat verzoeker heeft ingeroepen wel degelijk gegrond”; 2.1.
  39. Overwegende dat verzoeker met zijn betoog de schending poogt aan te tonen van het onpartijdigheidsbeginsel; dat dit algemeen beginsel van behoorlijk bestuur in beginsel van toepassing is op tuchtoverheden, ten minste in zoverre zulks verenigbaar is met de eigen aard en in het bijzonder met de eigen structuur van de tuchtoverheid; Overwegende dat verzoeker te dezen zijn grief toesnijdt op een “persoonlijke vete” tussen hem en de burgemeester en op het gegeven dat de tuchtfeiten enkel door de burgemeester zouden zijn vastgesteld; dat te dezen echter uit het administratief dossier niet kan worden afgeleid en verzoeker evenmin aannemelijk maakt dat de burgemeester zich tegenover verzoeker vijandig zou hebben gedragen of van een ongehoorde animositeit zou hebben getuigd; dat het gegeven dat de feiten inderdaad door de burgemeester zijn vastgesteld, evenmin volstaat om de schending van het onpartijdigheidsbeginsel te dezen als grond tot nietigverklaring te aanvaarden; Overwegende tenslotte dat verzoeker ten onrechte suggereert dat de burgemeester te dezen onder het verbod zou vallen van artikel 92, eerste lid, 1/ van de nieuwe gemeentewet dat, naar de letter genomen, bedoeld is voor vergaderingen van de gemeenteraad; dat voorts de mogelijkheid voor de gouverneur om op grond van het te dezen nog toepasselijke artikel 295, § 1, van de nieuwe gemeentewet ook de tuchtstraffen van artikel 283 van diezelfde wet op te leggen nog niet betekent dat hij zulks te dezen diende te doen in de plaats van de burgemeester, nu de voornoemde vijandigheid of animositeit bij de burgemeester niet blijkt uit XII-2255-15/25 gegevens van het dossier en dienvolgens niet bewezen is; dat het middel niet gegrond is; 2.2.
  40. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert “van artikel 295, § 2 van de nieuwe gemeentewet”; dat hij daartoe betoogt wat volgt : “De burgemeester kan aan de hoofdveldwachter en aan de enige veldwachter de tuchtstraffen waarschuwing, berisping, inhouding van wedde en schorsing voor een termijn van ten hoogste één maand opleggen. Binnen vierentwintig uur stelt hij de brigadecommissaris, de provincie- gouverneur, de Minister van Binnenlandse Zaken en de Minister van Justitie in kennis van zijn beslissing. Aan deze verplichting tot informeren werd in casu geenszins voldaan”; Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord nog betoogt : “Volgens de gemeente zouden de brigadecommissaris, de provincie- gouverneur, de Minister van Binnenlandse Zaken en de Minister van Justitie wel degelijk in kennis gesteld geweest zijn van de genomen beslissing. De verweerder laat echter na hiervan het nodige bewijs te leveren. Bovendien stelt de Omzendbrief POL 43 van 24 maart 1992 ter toelichting van de tuchtregeling van de agenten van de gemeentepolitie dat de burgemeester die op de hoogte is van een feit dat aanleiding kan geven tot een tuchtstraf, op zijn beurt onmiddellijk (binnen vierentwintig uur) de provinciegouverneur en de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken hiervan dient op de hoogte te brengen. De verplichting tot kennisgeving bestaat dus niet alleen achteraf maar ook voorafgaandelijk tot het nemen van een beslissing. Dit is hier niet gebeurd.”; 2.2.
  41. Overwegende dat, ongeacht de al dan niet voorhanden zijnde feitelijke grondslag ervan, het middel niet kan leiden tot de beoogde nietigverklaring van de bestreden beslissingen; dat het immers steunt op gebreken in de kennisgeving aan derden; dat deze kennisgeving geen vormvereiste is die de rechtmatigheid van de beslissing zelf aantast; dat het middel niet wordt aanvaard; 2.3.
  42. Overwegende dat verzoeker in een derde middel aanvoert dat de feiten niet bewezen zijn; dat hij daartoe betoogt wat volgt : “Een tuchtstraf gebaseerd op onbestaande of onvoldoende bewezen feiten is onwettig. Volgens het goedkeuringsbesluit blijkt uit het dossier dat de feiten die door de burgemeester werden weerhouden als bewezen moeten worden beschouwd; dat alle tenlasteleggingen door de burgemeester zelf werden vastgesteld; en dat XII-2255-16/25 er geen enkele reden is om te twijfelen aan de waarachtigheid van de vast- stellingen van de burgemeester. Een concrete verklaring van een rechtstreekse getuige is niet van onwaarde en kan op zichzelf worden beschouwd als een voldoende bewijs, op voorwaarde dat zij niet is weerlegd door een andere, even geloofwaardige getuigenis, dat in casu de verzoeker de hem ten laste gelegde feiten ontkent, maar geen enkel objectief gegeven bijbrengt waardoor de eigen vaststellingen van de burge- meester worden ontkracht. Het tegendeel is waar. Verzoeker ontkent wel degelijk de tenlastegelegde feiten. Verzoeker verwijst hierbij naar zijn besluiten opgesteld voor de gehoorzitting van 3 april 1996 voor de ambtenaar bij het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap de heer Rudy Janssens. Voor de volledigheid van het verzoekschrift worden deze hieronder op- genomen; 1) de tenlastelegging onder punt 2 - Het verslag van de vergadering dd. 20/09/1995 vermeldt mbt. dit punt onder punt 7 : Mededelingen door de Burgemeester : ‘Graag copies van de interne nota’s’. - Op te merken valt dat geen verder commentaar werd verstrekt laat staan duidelijke instructies gegeven. - Na de vergadering van 20/09 ontving verzoeker nooit enige commentaar. - Ter zitting bleek zelfs dat de burgemeester de dienstnota’s wel degelijk ontving ! - Het verslag dd. 20/09/1995 vermeldt dat een volgende vergadering voorzien is februari 1996... In het licht hiervan zou men er zich veeleer aan verwachten dat de Burgemeester van die gelegenheid gebruik zou maken om de toestand te evalueren en, zonodig, preciezere afspraken te maken... - Deze tenlastelegging werd overigens nooit toegegeven. - De ‘opdracht’ werd wel degelijk uitgevoerd. - Dit feit is dan ook niet bewezen. 2) de tenlastelegging onder punt
  43. Vast staat dat de diefstallen niet werden vastgesteld door de politie. Vast staat evenzeer dat in de periode tussen de twee diefstallen verzoeker nooit werd geïnterpelleerd door de Burgemeester, die naderhand wel verwijten richt aan het aan het adres van verzoeker. Zoals de Burgemeester kreeg verzoeker slechts nadien kennis van de diefstallen. Dit feit is dan ook niet bewezen. 3) de tenlastelegging onder punt
  44. - Het staat vast dat verzoeker werd opgeroepen buiten de diensturen en dat hij zich onmiddellijk met zijn korps ter plaatse heeft begeven. - Het staat evenzeer vast dat hij in dezen ‘veldwerk’ verricht heeft en derhalve initiatief heeft genomen. - Het staat evenzeer vast dat er radiocontact mogelijk was met de Burgemeester. - Het staat evenzeer vast dat de Burgemeester van deze mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt om verzoeker op welk ogenblik dan ook te contacteren. Dit feit is evenmin bewezen. 4) de tenlastelegging onder punt
  45. De Burgemeester werd wel degelijk op de hoogte gebracht van de voor- genomen actie, meer nog hij gaf zelfs toestemming om politiematerialen aan te kopen dienend voor deze actie... XII-2255-17/25 Naderhand blijkt dat hij verwachtte dat er nog verder overleg zou gepleegd worden met hem, hetgeen niet gebeurd is. Een en ander berust op een misverstand. Dit feit is dan ook niet bewezen. 5) de tenlastelegging onder punt
  46. In dit punt worden we geconfronteerd met een ‘politiek’ incident. Terloops wijst verzoeker erop dat zijn echtgenote gemeenteraadslid is, doch van een andere politieke kleur dan deze van de Burgemeester. Het betwiste document werd gewetensvol opgesteld door verzoeker en beoogde een overgang van de landelijke naar de stedelijke politie. De ergernis van de Burgemeester op dit punt toonde eens te meer zijn persoonlijke, ditmaal ‘politieke’ betrokkenheid bij de zaak. De burgemeester beschouwt het feit zelfs als een ernstige tekortkoming in de beroepsplichten. Dit feit is dan ook niet bewezen. Het middel is dan ook gegrond.”; Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord betoogt : “Verzoeker ziet niet goed in welke objectieve gegevens hij zou kunnen aanbrengen om de tenlasteleggingen van de burgemeester te weerleggen wanneer deze zelf niet op objectieve vaststellingen zijn gebaseerd. Het is een schending van het recht van verdediging wanneer de overheid niet bewijst dat het personeelslid een tuchtvergrijp beging, maar wanneer het personeelslid moet bewijzen dat hij de ten laste gelegde feiten niet heeft gepleegd. De bewijslast mag niet worden omgekeerd in hoofde van het personeelslid zoals hier is gebeurd door de burgemeester. Bij ontkenning van de feiten door het personeelslid impliceert de zorgvuldigheidsplicht dat de tuchtoverheid zich niet uitsluitend kan steunen op de klacht van één persoon of op een versie afkomstig van een getuige uit de tweede hand, maar dat zij moet overgaan tot een onderzoeksmaatregel, zoals het horen van rechtstreekse getuigen en/of collega’s. (o.a. arresten Kloeck, nr. 13.978, 25 februari 1970; De Smet, nr.16.739, 27 november 1974; Lenaerts, nr.37.512, 5juli 1991). Dit is het uitgangspunt en niet omgekeerd zoals verweerder tracht te bewijzen. Voor enkele tenlasteleggingen bestond er geen enkele onderrichting, voor andere waren ze heel onduidelijk. Nooit werden door de burgemeester precieze uitvoeringsmodaliteiten bepaald, zodat bepaalde tenlasteleggingen inbreuken zijn op verplichtingen waarvan de ambtenaar niet op de hoogte kon zijn. Feiten die niet tuchtrechtelijk kunnen worden gesanctioneerd zijn inbreuken op verplichtingen waarvan de ambtenaar niet op de hoogte kon zijn. Hij moet in ieder geval op de hoogte kunnen zijn van wat van hem verwacht wordt. De tenlastegelegde feiten hebben bovendien, op zich, nooit de goede werking van de dienst verstoord. Er is geen enkel objectief gegeven waarmee kan worden aangetoond dat de politiedienst, hoe dan ook, voor of na de tucht-procedure slecht funktioneerde of de bevelen van de burgemeester niet werden opgevolgd. In het verslag van de vergadering van 20 september 1995, waarop de burgemeester zich steunt voor de tenlasteleggingen, staat letterlijk vermeld dat de onderrichtingen van de burgemeester positief werden opgevolgd. Waarover beklaagt hij zich dan? 1) de tenlastelegging onder punt
  47. Mededelingen door de Burgemeester : XII-2255-18/25 - graag copies van de interne nota’s. Kan deze mededeling worden gelijkgesteld met een duidelijk omschreven opdracht? In het algemeen is deze tenlastelegging gebaseerd op artikel 171 bis N. Gemeentewet; ‘de korpschef brengt de burgemeester op de hoogte van al wat betrekking heeft op het gemeentelijk politiekorps...’ Het hoeft geen betoog dat de uitvoeringsmodaliteiten van dit artikel kunnen verschillen van gemeente tot gemeente, volgens plaatselijke gebruiken en instructies, waarbij de houding van de burgemeester ten opzichte van zijn politiekorps een alles bepalend factor is. Hij diende dan ook de nodige onderrichtingen te geven omdat verzoeker met goed gevolg kon voldoen aan hetgeen van hem verwacht werd. Verzoeker blijft erbij te hebben voldaan aan zijn beroepsplichten. In bijlage een assortiment uit de aan de burgemeester overgemaakte nota’s. De briefwisseling aan de burgemeester is echter zeer uitgebreid vb. voorbereiding politiereglementen, toelatingen voor wedstrijden, evenementen, adviesverslagen, tussenkomsten in de gemeente...Op de vergadering bedoelde de burgemeester op toekomstige dienstregelingen (uurroosters), die hij heeft ontvangen. Evenals alles wat de werking van de intergemeentelijke samen- werking aangaat. Niet tengevolge van de tuchtprocedure, zoals de burgemeester en de minister laten uitschijnen, maar met de start van de intergemeentelijke samenwerking op 6 november 1995 is de hoeveelheid briefwisseling aan de burgemeester aanzienlijk toegenomen (vergaderingen, interventies, acties). Verzoeker werd nooit enige nadere toelichting verschaft. Daar waar er duidelijk kan sprake zijn van een misverstand, en waar men zou verwachten dat men aan zijn ondergeschikten zou uitleggen wat van hen verwacht wordt, wordt aan verzoeker onmiddellijk een tuchtsanctie opgelegd. Bovendien kan hem moeilijk slechte wil verweten worden daar waar hem voordien nog nooit een opmerking laat staan een tuchtsanctie werd opgelegd. 2) de tenlastelegging onder punt
  48. De burgemeester verwijt verzoeker dat hij hem had moeten informeren over gebeurtenissen waarvan verzoeker zelf geen kennis had. De burgemeester zelf heeft hierover nooit enige kennisgeving gedaan aan de verzoeker, noch verzoeker hierover geïnterpelleerd. Pas lang nadat de feiten zich hebben voorgedaan besluit de burgemeester dan maar om dit aan te grijpen als een tuchtredenen. In het tijdsgebeuren en de tijdsruimte waaruit de burgemeester zijn tuchtredenen put werd de gemeentepolitie veelal niet geïnformeerd door het rijkswachtkorps. Om hieraan te verhelpen werden bij het begin van de interzonale werking hieromtrent regels vastgelegd. Vanaf dan dient bij het beëindigen van de dagtaak elke interventie te worden doorgeseind. Deze overeenkomst werd door de rijkswacht niet nageleefd. Na herhaalde opmerkingen hierover vanuit de gemeentepolitie verstuurde de rijkswacht op 5 september 1996 een kort faxbericht met de belofte ‘de polities van de betrokken gemeenten in te lichten over de recentste gebeurtenissen’. Het is echter niet de bedoeling om verwijten te richten aan de rijkswacht, doch wel om aan te tonen, door middel van uittreksels uit politieverslagen, dat de verdediging van de verzoeker omtrent de door de burgemeester genoemde ‘abnormale diefstallenplaag’ (2 feiten) niet onterecht is. 3) tenlastelegging onder punt
  49. In het proces-verbaal van de vaststellingen, ter zitting voorgelegd aan de minister, is het de bevinding van de burgemeester ‘dat het hoogst waarschijnlijk een grap betreft’. De tweede bommelding waarnaar de minister in zijn verhoor verwijst vond plaats onder totaal andere omstandigheden nl. tijdens de kantooruren, wanneer alle diensten hun dagtaak verrichten. XII-2255-19/25 Er werd gemeld ‘bom Tremelo centrum’, zonder verdere voorwaarden of aanduidingen. Verzoeker is zo snel mogelijk ter plaatse gekomen na oproep door de burgemeester, die de verzoeker de instructie had gegeven om patrouilles te vormen en die geen enkele melding maakte om met verzoeker samen te komen om verder te overleggen. Aan verzoeker wordt door de burgemeester verweten dat hij geen leiding heeft genomen, terwijl hij aan het politiepersoneel de nodige instructies had gegeven en de operaties door hem constant werden opgevolgd wat leiding en coördinatie inhoud betreft. Verzoeker heeft de plaats van het onheil nooit verlaten en heeft nooit zijn verantwoordelijkheid ontvlucht, noch getracht de burgemeester te ontlopen, wat door deze laatste wordt gesuggereerd. In kleine politiekorpsen, zoals hier het geval is, is de korpschef dikwijls genoodzaakt om het leiden en coördineren van acties te combineren met veldwerk, al of niet op bevel van de burgemeester. De enige bedoeling van de verzoeker was dan ook om met het beschikbaar personeel, hemzelf incluis, te trachten het onheil te voorkomen. Zijn inzet voor de goede zaak wordt in deze tenlastelegging unfair afgestraft. 4) tenlastelegging onder punt
  50. Het betrof een actie, die gepland was door de rijkswacht, waarvoor de medewerking van de gemeentepolitie werd gevraagd en toegezegd in het bijzijn van de burgemeester. Voordien kreeg hij reeds een copy van de dienstregeling voor de eindejaarscampagne
  51. Hij gaf ook reeds zijn toestemming tot het aankopen van politiematerieel dienend voor de actie banditisme. De materialen werden gefactureerd op 4 december
  52. Tot dan had de rijkswacht aan de gemeentepolitie geen verder details bekendgemaakt. De rijkswacht had besloten om geen openbaar gerucht te geven aan deze actie. In dit kader werden de operatie-technieken pas net voor de aanvang van de actie bekendgemaakt bij operatie-order. Toch werd er een nota opgemaakt door verzoeker, waarvan hij zich niet bewust was dat deze als bewijsmateriaal zou moeten dienen, daardoor ontbreken op deze nota de nodige vormvereisten en is er geen enkel bewijs van verzending of ontvangst. Diende deze kennisgeving te gebeuren bij aangetekende zending? Deze nota kan dan ook niet dienen als tegenbewijs voor de beweringen van de burgemeester, hoewel die feitelijk toch ook tegenstelbaar zouden moeten zijn, tenzij aan de verklaringen van de burgemeester een bijzondere bewijskracht wordt toegekend? Bovendien wil verzoeker opmerken dat de heer burgemeester vooraf om geen enkele bijkomende inlichting heeft verzocht, hoewel de actie aan hem toch was aangekondigd. In zijn faxnota beweert hij ‘Is het waar dat er tijdens de nacht van zaterdag op zondag een politieactie heeft plaatsgegrepen op het grondgebied Tremelo?’ Daarbij laat hij uitschijnen niet de minste informatie te hebben ontvangen, terwijl er toch ten minste het bewijs is dat hij een bestelbon voor deze actie goedkeurde. 5) tenlastelegging onder punt
  53. De heer burgemeester laat in zijn motivering uitschijnen alsof de in het kwestieuze document behandelde materie nooit eerder aan hem zou zijn bericht. Nochtans blijkt uit bijgevoegde dokumenten, dat deze materie herhaaldelijk werd aangekaart bij de burgemeester, maar zonder gevolgen bleef, zodat verzoeker, uit sociale bewogenheid en bekommernis om de goede werking van het korps, met het oog op een zeer nakende 24u-permanentie, na korpsoverleg, besloot niet alleen de burgemeester, maar ook de overige leden van de gemeenteraad in te lichten. Bedoeling was de raadsleden een duidelijke voorstelling te geven van de verschillende mogelijkheden. XII-2255-20/25 Het middel is dan ook gegrond.”; 2.3.
  54. Overwegende dat, wat het eerste ten laste gelegde tuchtfeit betreft, namelijk het geen gevolg geven aan het verzoek van de burgemeester hem een kopie te bezorgen van de interne nota’s, uit de gegevens van de zaak blijkt dat dit verzoek door de burgemeester werd geformuleerd tijdens een op 20 september 1995 gehouden vergadering met het veldwachterskorps; dat uit het verslag van die vergadering niet blijkt, en evenmin uit enig ander gegeven, dat het verzoek om kopies van de interne nota’s voor verzoeker onduidelijk was; dat het verzoeker dan ook niet staat om voor de toeziende overheid en ook nog voor de Raad van State aan te voeren dat bij dit verzoek “geen verder commentaar werd verstrekt laat staan duidelijke instructies gegeven”; dat voorts uit verzoekers verhoor door de burgemeester onmiskenbaar blijkt dat verzoeker in wezen de gegrondheid van die tenlastelegging niet ontkent; dat verzoeker toen immers verklaarde, wat volgt : ...“Ik beloofde u een afschrift van alle nieuwe nota’s. Diverse nota’s moeten niet bewaard blijven, sommige hebben een tijdelijke inhoud. Het is niet werkbaar om elke kattebel door te geven aangezien het gaat om loutere organisatie”[...] “Alles wat ik tot nu toe aan het personeel heb meegedeeld komt nu te vervallen gelet op de nakende aanvang van de I.P.Z.”[...] Nota’s aan het personeel zijn er wel doch ik meen die niet te moeten bijhouden”; dat uit dit verhoor tevens blijkt dat verzoeker de bewering van de burgemeester als zou hij slechts “sinds heel kort” een afschrift gekregen hebben van de dienstnota’s niet heeft tegengesproken; dat in de gegeven omstandigheden de burgemeester en op haar beurt, de toeziende overheid dit feit bewezen mochten achten; Overwegende, wat het tweede ten laste gelegde tuchtfeit betreft, namelijk het niet informeren van de burgemeester dat er in de maand oktober 1995 een reeks inbraken plaats had op het grondgebied van de gemeente, dat vooreerst moet worden vastgesteld dat verzoeker dit gegeven niet ontkent; dat de vraag dus niet is of het bestaan van dit feit voor betwisting vatbaar is doch wel of dit feit hem kan worden toegerekend; dat verzoeker zich te dezen poogt te verweren door te doen gelden dat zijn korps ter zake geen processen-verbaal heeft opgesteld, dat in het verleden de rijkswacht hem weigerde hierover inlichtingen te verstrekken, dat hij, “in de periode tussen de twee diefstallen [...], nooit werd geïnterpelleerd door de Burgemeester”, dat hij “zoals de Burgemeester slechts nadien kennis [kreeg] van de diefstallen” en dat hem met andere woorden niets kan worden verweten; dat een dergelijk verweer geen adequaat antwoord is op de overwegingen, in de bestreden beslissing van de burgemeester, naar luid waarvan “de gemeentelijke politie niet XII-2255-21/25 verondersteld wordt binnen 4 muren te leven, maar ook leest, hoort en zich informeert over wat er gaande is in de gemeente; uit niets blijkt dat de Hoofdveldwachter enig initiatief heeft ontwikkeld om de Burgemeester te informeren; dientengevolge zulk gebrek aan beroepsernst en beroepsplicht een tuchtrechtelijk sanctioneerbaar feit uitmaakt”; Overwegende, wat het derde ten laste gelegde tuchtfeit betreft, namelijk verzoekers optreden naar aanleiding van de bommelding van 13 november 1995, dat hij als korpschef niet de taak heeft zelf opsporingsacties te doen doch leiding moet geven aan zijn korps, hetgeen veronderstelt dat hij samen met de burgemeester ter plaatse blijft en dus niet verdwijnt om de opsporingsacties te coördineren; dat verzoeker zijn verzuim niet ontkent; dat hij bovendien nog steeds geen verklaring blijkt te kunnen verstrekken waarom hij, na het afblazen van het alarm, niet is teruggekeerd, noch met de burgemeester contact heeft gezocht en overleg heeft gepleegd; dat voor zoveel als nog nodig hierbij kan worden aangestipt dat het in dergelijke omstandigheden redelijkerwijze niet aan de burgemeester is om contact te zoeken met zijn korpschef, doch wel dat het vanzelfsprekend is dat de korpschef de burgemeester contacteert; Overwegende, wat het vierde ten laste gelegde tuchtfeit betreft, namelijk het niet inlichten van de burgemeester in verband met een geplande politieactie in de nacht van 25 op 26 november 1995, dat in de eerste plaats ook hier dient te worden vastgesteld dat dit gegeven niet betwistbaar is; dat immers toen de burgemeester verzoeker op 29 november 1995 vroeg of er inderdaad in de nacht van 25 op 26 november 1995 een politieactie had plaatsgegrepen op het grondgebied van de gemeente en hem tevens vroeg waarom verzoeker met hem geen overleg had gepleegd betreffende het aantal betrokkenen, de plaats en het tijdstip waarop politiepersoneel zou worden ingezet en waarom hem nog geen verslag omtrent die actie was overhandigd, verzoeker dezelfde dag antwoordde dat “pas op 24/11/95 concrete afspraken werden vastgelegd en door de RW besloten werd geen openbaar gerucht te geven aan de actie”; dat uit verzoekers antwoord derhalve onmiskenbaar blijkt dat verzoeker de burgemeester niet heeft geïnformeerd omtrent de concrete omstandigheden waaronder die politieactie zou plaatsgrijpen; dat te dezen de omstandigheid dat de burgemeester op de hoogte zou zijn geweest dat, op initiatief van de rijkswacht, een politieactie gepland was in de nabije toekomst en dat hij zijn toestemming zou hebben verleend voor het aankopen van politiemateriaal dienend voor de actie banditisme, aan de voormelde vaststelling niets afdoet; XII-2255-22/25 Overwegende, wat het vijfde ten laste gelegde tuchtfeit betreft, namelijk het ronddelen aan de gemeenteraadsleden van een “discussienota” betreffende een voorstel tot omschakeling van een landelijk naar een stedelijk politiekorps, dat ook hier dient te worden vastgesteld dat verzoeker niet het bestaan van dit feit maar het tuchtrechtelijk karakter ervan in vraag blijkt te stellen; dat het te dezen kan volstaan -om dat karakter aan te nemen- te verwijzen, zoals de bestreden burgemeestersbeslissing dit doet, naar het verweer van verzoekers raadsman, waarin deze zelf toegeeft dat verzoeker meer omzichtigheid aan de dag had moeten leggen; dat aldus het derde middel niet gegrond is; 2.4.
  55. Overwegende dat verzoeker in het vierde middel “de oneven- redigheid tussen de feiten en de straf” aanklaagt; dat hij daartoe doet gelden wat volgt : “In tuchtzaken moet de straf in een redelijke verhouding staan tot de feiten. Hoewel uw hoog rechtscollege terzake slechts beschikt over een marginaal toetsingsrecht is het volkomen ondenkbaar dat enige tuchtoverheid, in redelijkheid beslissende, er zou toe besluiten tegen verzoeker voor dergelijke banale tenlasteleggingen, waarvan het bestaan nog niet eens is bewezen, een tuchtschorsing van drie weken op te leggen. Dat de redelijkheid van de tuchtstraf moet beoordeeld worden in haar relatie met het belang van de dienst, namelijk dat de goede werking van de dienst werd verstoord door de gepleegde feiten. In dit geval werd de goede werking van de dienst geenszins verstoord. Het feit dat verzoeker hoofdveldwachter is, is niet op zichzelf een ver- zwarende omstandigheid, dit zou alleen het geval zijn indien daardoor de goede werking van de dienst werd verstoord en dit is hier zeker niet gebeurd. De vordering tot annulatie is dan ook gegrond.”; Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord dit betoog ten dele herhaalt, en in zijn laatste memorie daaraan nog toevoegt : “Bovendien kan de eerste auditeur niet gevolgd worden, waar deze t.a.v. dit middel meent zich te kunnen aansluiten bij verweer van de verwerende partijen, en in het bijzonder dat van de toeziende overheid. Uit de bestreden beslissing blijkt immers dat deze toeziende overheid in casu van oordeel was dat zij m.b.t. de strafmaat, zoals in principe Uw Raad, enkel kon overgaan tot een marginale toetsing aan het redelijkheidsbeginsel. Daarbij ging de toeziende overheid volkomen voorbij aan het feit dat hij in casu over een goedkeuringstoezicht beschikte, waarbij de voogdijoverheid onbetwistbaar een gelijke discretionaire bevoegdheid heeft als de lagere overheid. Waar de overheid bij een schorsings- of vernietigingstoezicht enkel de kennelijke onredelijkheid van de strafmaat zou mogen sanctioneren, dient de overheid, die over een goedkeuringstoezicht beschikt, zich bijgevolg zelf een oordeel te vormen over de verhouding tussen de tuchtstraf en de tuchtfeiten. XII-2255-23/25 Dit is in casu, zoals uit de bewoordingen van het bestreden besluit blijkt, evident niet gebeurd. Het verweer van de toeziende overheid kan dan ook geenszins bijgetreden worden.”; 2.4.
  56. Overwegende dat, gelet op de aard van de in aanmerking genomen tuchtfeiten en op verzoekers functie van korpschef, de opgelegde tuchtstraf niet in een dergelijke wanverhouding staat met de tuchtfeiten dat daardoor het evenredigheidsbeginsel zou zijn geschonden; dat de argumentatie van verzoeker betreffende de beoordelingsbevoegdheid van de toeziende overheid dienvolgens, zo daarin al geen nieuw en niet ontvankelijk middel moet worden gelezen, niet ter zake doet; dat de toeziende overheid immers een tuchtstraf goedkeurde die de toets der evenredigheid doorstaat; dat het middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
  57. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  58. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van verzoeker. XII-2255-24/25 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf juli 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2255-25/25 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.977 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.