← België

Arrest 160981 - - 05/07/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 juli 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.981 Rolnummer: A. 95257/XII-2755 Zaak: Arrest 160981 - - 05/07/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-07-20 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 23:49 Fiche Arrest nr 160.981 van 5 juli 2006 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 160.981 van 5 juli 2006 in de zaak A. 95.257/XII-2755. In zake : Rita DE SCHAUT, die woonplaats kiest bij advocaat B. Staelens, kantoor houdende te Brugge, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46, bus 1 tegen : de STAD BRUGGE. tussenkomende partij : Martine VAN NIEUWKERKE, wonende te Oostkamp, Joosstraat 18. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Rita De Schaut op 5 september 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 27 juni 2000 van de gemeenteraad van de stad Brugge waarbij Martine Van Nieuwkerke, Yvon Verougstraete, Dany Roosebrouck, Dirk Denys, Johan Van Brabandt en Peter Carly tot inspecteur van politie worden bevorderd; Gelet op het arrest nr. 92.236 van 16 januari 2001 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van 2 maart 2001 ingediend door verzoekster; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 20 april 2001; Gelet op de beschikking van 24 april 2001 die de tussenkomst van Martine Van Nieuwkerke toelaat; XII-2755-1/18 Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur H. Colin; Gelet op de beschikking van 20 mei 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 31 januari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 maart 2006; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. Colin; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De gegevens van de zaak. 1.1. Verzoekster is sedert 1 september 1991 in dienst bij de stedelijke politie van Brugge. 1.2. Ten tijde dat de bestreden beslissing genomen werd, bepaalde het “nieuw administratief statuut van het politiepersoneel van de stad Brugge” onder meer wat volgt : “Titel 2 - Hiërarchische loopbaan [...] Hoofdstuk 2 - Bevordering Afdeling I - Algemene bepalingen [...] Artikel 80 De gemeenteraad verklaart de betrekking bij bevordering vacant. Deze kan slechts in geval van vacature, binnen de grenzen van een door de bevoegde overheid goedgekeurd personeelskader geschieden, op advies van de burgemeester. De openverklaarde bevorderingsbetrekkingen worden door het College van Burgemeester en Schepenen bij dienstorder aan de personeelsleden medegedeeld. Het vermeldt de functiebeschrijving, de weddeschalen, de XII-2755-2/18 bevorderingsvoorwaarden, de proeven van het examen, de examenstof, de wijze en de uiterste datum voor het indienen van de kandidaatstellingen. De Personeelsdienst verwittigt schriftelijk de personeelsleden die in aanmerking komen”. Afdeling 2 - Bevorderingsvoorwaarden Artikel 81 Paragraaf 1 : Voor bevordering komen alleen in aanmerking, de personeelsleden die : 1) in vast verband benoemd zijn; 2) titularis zijn van een voltijds ambt; 3) voldoen aan de bevorderingsvoorwaarden; 4) zich in een administratieve toestand bevinden waarin zij hun aanspraken op bevordering kunnen doen gelden. [...] Artikel 83 Voor een bevordering van een lager naar een hoger niveau moet het personeelslid : 1. gunstig geëvalueerd zijn; de korpschef brengt advies uit in alle gevallen waar dit bij wet of koninklijk besluit uitdrukkelijk is vereist. 2. slagen voor het bevorderingsexamen waarvan het programma gelijkwaar- dig moet zijn aan het aanwervingsexamen, tenzij geen examen voorzien wordt zoals hierna bepaald; 3. voldoen aan de bijzondere bevorderingsvoorwaarden zoals hierna bepaald. Afdeling 3 - Bijzondere bevorderingsvereisten Artikel 84 A) Bevorderingen :

  1. a)inspecteur 1. Ten minste 6 jaar dienst als politieagent in vast verband tellen bij het politiekorps van de stad Brugge; 2. ofwel houder zijn van het getuigschrift van inspecteur van politie; ofwel houder zijn van het brevet van commissaris en adjunct-commis-saris van politie; ofwel houder zijn van het brevet van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings; ofwel op 31 december 1989 houder zijn van het getuigschrift van het 2e jaar van de Westvlaamse Politieschool dat beantwoordt aan de bepalingen van het koninklijk besluit van 13 juli 1989; 3. Ontslaging van bevorderingsexamen. 4. De rangorde wordt bepaald op datum van het behalen van het getuigschrift of brevet zoals voorzien onder punt 2 hierboven. Bij gelijke rangschikking van de kandidaten geldt eerst de datum van benoeming in vast verband als politieagent en vervolgens de hoogste leeftijd. Rekening houdend met het advies van de korpschef kan bij gemotiveerde beslissing van de rangorde worden afgeweken.” Bij wijze van overgangsbepaling bepaalt artikel 111, § 2, nog het volgende : “Bij het in werking treden van het nieuw administratief statuut primeert de bestaande rangorde voor bevordering tot inspecteur, mits de kandidaten over het vereiste brevet of getuigschrift beschikken. Rekening houdende met het advies van de korpschef kan bij gemotiveerde beslissing in die rangorde worden afgeweken”. XII-2755-3/18 1.3. Op 1 september 1998, 29 februari en 28 maart 2000 verklaart de gemeenteraad van de stad Brugge respectievelijk 1, 3 en 2 betrekkingen van inspecteur van politie vacant. 1.4. Met een memo, 18/2000 van 30 maart 2000, worden die vacatures aan het politiepersoneel bekendgemaakt. In die memo wordt gesteld dat de algemene en bijzondere bevorderingsvoorwaarden van het voormelde statuut van toepassing zijn, wordt de tekst overgenomen van de artikelen 84, A, a en 111, §2, van het nieuw administratief statuut voor het politiepersoneel en wordt er op gewezen dat er daarenboven een gunstige evaluatie vereist is, aangevuld met het advies van de korpschef. Vervolgens vermeldt de memo het volgende : “Rangorde voor bevordering (overeenkomstig artikel 84 van het nieuw administratief statuut voor het politiepersoneel) : Kandidaten Datum brevet/getuigschrift Datum vast verband 1. Van Nieuwkerke Martine 10/09/1980 01/10/1979 2. De B(...) Rudy 19/06/1984 01/10/1983 3. Verougstraete Yvon 19/06/1984 01/10/1983 4. Roosebrouck Dany 19/06/1984 01/10/1983 5. Denys Dirk 10/06/1986 01/07/1983 6. Van Brabandt Johan 10/06/1986 01/10/1985 7. Carly Peter 10/06/1986 01/10/1985 ...................... (de functiebeschrijving voor inspecteur van politie ligt ter inzage in de Personeelsdienst) De schriftelijke kandidaatstellingen voor bewuste bevordering zijn tegen ontvangstbewijs in te dienen bij de Personeelsdienst van de stad Brugge, Blinde Ezelstraat 1 te 8000 Brugge, uiterlijk op 10 april 2000 te 12 uur”. Volgens de verklaring van de verwerende partij wordt de memo “enkel nog eens individueel verstuurd naar de effectief in aanmerking komende kandidaten, zijnde de volgens de statutaire rangorde nuttig gerangschikten, plus de eerstvolgende daarop”. Volgens de verklaring van verzoekster, hierin niet tegengesproken door de verwerende partij, gebeurt de mededeling van de openverklaarde bevorde- ringsbetrekkingen aan de overige personeelsleden door uithanging van de betrokken memo. XII-2755-4/18 1.5. Achttien personeelsleden dienen een kandidaatstelling in voor de bevordering tot inspecteur van politie, met name : - de zeven personeelsleden die met naam vermeld worden in de memo 18/2000 en die, blijkens de door de verwerende partij neergelegde “lijst rangorde poli- tie-inspecteur vanaf 85-86”, de eerste tot en met de zevende plaats bekleden in die rangorde van 59 personen; - zes personeelsleden, onder wie verzoekster als zesde, die eveneens zijn opgenomen in de rangordelijst; verzoekster bekleedt in die rangorde de 49ste plaats; - vijf personeelsleden die niet in de voormelde rangordelijst zijn opgenomen maar in een bijkomende lijst waarop is vermeld dat zij niet meer in aanmerking zouden komen omdat hun getuigschrift van het tweede jaar van de West-Vlaamse Politieschool niet zou beantwoorden aan de bepalingen van het koninklijk besluit van 13 juli 1989 betreffende de opleiding en de bevordering tot de graad van inspecteur van politie. 1.6. Op 6 mei 2000 geeft de korpschef een met reden omkleed advies over de kandidatuur van verzoekster. Dat advies luidt als volgt : “De Schaut Rita maakt deel uit van ons Brugs politiekorps sedert 01.09.1991. Zij voldoet aan de statutaire voorwaarden voor bevordering tot inspecteur van politie, ten gevolge van het behalen van het brevet van officier van politie aan de Oostvlaamse Politieacademie. Rita De Schaut heeft een goed gedrag en een goede wijze van dienen zodanig dat ik een gunstig advies geef voor bevordering tot inspecteur”. Van de overige elf door de verwerende partij neergelegde adviezen zijn er tien, althans wat betreft de wijze van dienen, inhoudelijk identiek aan dat van verzoekster. Voor elke kandidaat wordt nagegaan of hij, op grond van het door hem behaalde brevet of getuigschrift, al dan niet voldoet aan de statutaire voorwaarden voor bevordering tot inspecteur van politie. Voor het overige geeft de korpschef voor alle kandidaten een gunstig advies voor bevordering tot inspecteur, ook voor de vijf kandidaten die niet in de “rangorde”-lijst voorkomen. Enkel het door de verwerende partij neergelegd advies over de kandidatuur van Rudy De B(...) -die in de rangorde de tweede plaats bekleedt- wijkt van de overige neergelegde adviezen af, in die zin dat de korpschef, na te hebben vastgesteld dat deze kandidaat aan de statutaire voorwaarden voldoet om te kunnen XII-2755-5/18 worden bevorderd, gedetailleerd ingaat op diens wijze van dienen die “niet onbespro- ken” is. Daarbij komt hij tot een ongunstig advies. 1.7. Op 15 mei 2000 tekent verzoekster het met redenen omkleed advies over haar kandidatuur voor ontvangst, met de vermelding dat zij zich benadeeld acht en dat zij commentaar wenst in te dienen. Op 22 mei 2000 richt zij een brief aan de korpschef, waarin zij het volgende meedeelt : “Mijnheer de Hoofdcommissaris, In goede orde ontving ik op tien mei tweeduizend een niet gedateerd en niet ondertekend advies. Als zodanig heb ik er natuurlijk geen bezwaar tegen dat U mededeelt dat ik ‘een goed gedrag en een goede wijze van dienen heb’, zodanig dat U een gunstig advies geeft voor bevordering tot inspecteur. Op grond van Uw advies, dat een bijzonder belangrijk stuk uit het administra- tief dossier vormt, moet het de benoemende overheid echter mogelijk zijn om rekening te houden met de verschillende bekwaamheden en verdiensten. Enkel en alleen als de benoemende overheid op grond van een gedegen dossier rekening kan houden met de diverse bekwaamheden en verdiensten, kunnen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, waarbij iedereen gelijke kansen moet hebben op benoeming en bevordering, gerespecteerd worden. Als er adviezen worden verleend zonder enige differentiatie wordt de waarde van een advies natuurlijk compleet uitgehold. Dit is bijzonder jammer gezien U als Korpschef precies het best geplaatst bent om met gedifferentieerde adviezen de diverse bekwaamheden en verdiensten aan de benoemende overheid uiteen te zetten. Het is mijn standpunt dat de opleidingen en studies die ik heb gevolgd meebrengen, dat mijn bekwaamheid om te fungeren als inspecteur groter is geworden. Opleiding moet natuurlijk tot grotere bekwaamheid leiden. Gezien Uw advies daaromtrent niet met redenen is omkleed, acht ik mij door dit advies eigenlijk benadeeld. Het is natuurlijk van groot belang voor mijn kandidatuur dat de benoemende overheid mede aan de hand van uw met redenen omkleed advies kan nagaan in welke mate mijn opleidingen, mijn bekwaamheden en kundes hebben verhoogd. Specifiek denk ik daaromtrent aan volgende elementen namelijk de ervaring dewelke ik opgedaan heb in de interventieploegen bij de Brugse politie waar zowel het bestuurlijk aspect als het gerechtelijk aspect een specifieke afhandeling kent; Tevens het volgen van de studies aan de R.U.G., Faculteit Rechts- geleerdheid, de richting Criminologische Wetenschappen, waarbij onder- getekende met een minimum aan faciliteiten deze studies volgt, volledig op eigen initiatief en steunend op persoonlijke motivatie. Ondergetekende is bovendien kandidate in de Criminologische Wetenschappen en volgt momenteel de tweede licentie”. De korpschef tekent die brief “voor gezien” op 22 mei 2000. XII-2755-6/18 1.8. Met een brief van 23 mei 2000 bezorgt de korpschef de dossiers van de personeelsleden die zich kandidaat hebben gesteld voor bevordering tot inspecteur van politie, tezamen met zijn advies en de eventueel daarop ingediende commentaar door de kandidaten, aan de personeelsdienst. In die brief deelt hij mee dat hij, wat betreft de rangorde voor bevordering, de statutair vastgelegde rangorde wenst te behouden, behoudens wat betreft de kandidatuur van Rudy De B(...), dat alle andere kandidaten een gunstig advies bekwamen, “ongeacht indien ze statutair al of niet in aanmerking komen”, dat de -onder meer door verzoekster- ingediende commentaren betrekking hebben “op de statutaire bepalingen voor bevordering tot inspecteur, de geldigheid van de behaalde attesten, getuigschriften en brevetten en of de verdiensten en bekwaam- heden waarover zij menen te beschikken”, en dat door niemand van de in de brief opgesomde kandidaten die commentaar indienden “ten gronde bezwaar” werd ingediend tegen het door hem uitgebracht gunstig advies voor bevordering. 1.9. Bij besluit van 27 juni 2000 van de gemeenteraad van de stad Brugge worden Martine Van Nieuwkerke, Yvon Verougstraete, Dany Roosebrouck, Dirk Denys, Johan Van Brabandt en Peter Carly bevorderd tot inspecteur van politie. Dat besluit, dat het voorwerp uitmaakt van het voorliggende beroep, luidt als volgt : “-Niet-Openbare vergadering- De Gemeenteraad, Gezien zijn beslissingen dd. 1 september 1998, 29 februari en 28 maart 2000 houdende vacantverklaring van zes betrekkingen van inspecteur, t.r.m. 1 juli 2000; Gelet op memo 18/2000 (voorheen genaamd dienstorder) dd. 30 maart 2000 waarbij de openverklaarde bevorderingsbetrekkingen aan de personeelsleden werden medegedeeld, overeenkomstig artikel 80 van het nieuw administratief statuut voor het politiepersoneel; Gezien de ingediende kandidaatstellingen; Overwegende dat voor de bevordering tot inspecteur -overeenkomstig artikel 111-par. 2 van het statuut van het politiepersoneel- de bestaande rangorde primeert, mits de kandidaten over het vereiste brevet of getuigschrift beschikken dat beantwoordt aan de bepalingen van het koninklijk besluit van 13 juli 1989; dat, rekening houdend met het advies van de korpschef bij de gemotiveerde beslissing van die rangorde kan worden afgeweken; Overwegende dat voormelde rangorde als volgt is vastgesteld : • Van Nieuwkerke Martine • De Backere Rudy • Verougstraete Yvon • Roosebrouck Dany • Denys Dirk XII-2755-7/18 • Van Brabandt Johan en • Carly Peter, beiden gelijkgerangschikt; Overwegende dat bij gelijke rangschikking van de kandidaten eerst de datum van benoeming in vast verband als politieagent geldt en vervolgens de hoogste leeftijd; Gelet op de rangorde vastgelegd bij artikel 84-A-a van het nieuw administratief statuut van het politiepersoneel; Gelet op de gunstige evaluatie op naam van betrokkenen aangevuld met het gunstig advies van de korpschef, ter uitzondering wat betreft de h. Rudy De B.[...]; Gelet op de door de korpschef uitgebrachte met redenen omkleed adviezen wat betreft de bevorderingen tot inspecteur van politie; Overwegende dat de korpschef op 23 mei 2000 voorstelt om, enkel wat betreft de h. Rudy De B.[...], af te wijken van de statutair vastgelegde rangorde omdat betrokkene momenteel intrinsiek nog niet over de mogelijk-heden beschikt om te kunnen bevorderen tot inspecteur van politie; Overwegende dat het met redenen omkleed advies van de korpschef dd. 15 mei 2000, wat betreft de h. De B.[...], als volgt werd geformuleerd : ‘...Het gedrag en de wijze van dienen van betrokkene zijn niet onbesproken. Op dit ogenblik presteert hij sinds de maand oktober 1999 in het district Zeebrugge op een net bevredigende wijze in een functie van bureelagent waar hij met onmiddellijke begeleiding van zijn chef en zonder grote werkdruk langzamerhand terug een normaal niveau bereikt, nadat hij in de functie van districtswerker te Sint-Andries duidelijk ondermaats presteerde als gevolg van regelmatig alcoholmisbruik. Er werden met betrokkene in het verleden verscheidene functioneringsgesprekken gehouden, om hem op het juiste pad te brengen en tot minimale prestaties te brengen. De mutatie naar het district Zeebrugge tenslotte lijkt een geleidelijke gunstige invloed uit te oefenen zodat hij na verloop van geruime tijd nog tot hogere prestaties en all round uitvoering van de dienst zal moeten komen. Slechts dan zal hij kunnen bevorderen tot inspecteur omdat hij intrinsiek wel over de mogelijkheden beschikt’; Overwegende dat de h. De B.[...] op 16 mei 2000 kennis nam van het advies van de korpschef en op 16 mei 2000 en bij brief dd. 18 mei 2000 hierop zijn commentaar formuleerde; Gelet op de bepalingen van het nieuw administratief statuut van het politiepersoneel, inzonderheid de artikelen 84 en 111-par. 2; Op voorstel van de heer Burgemeester; In acht genomen artikel 92-1/ en 149 van de nieuwe gemeentewet; Gaat over tot de zes afzonderlijk gehouden geheime stemmingen waaraan telkens 35 leden deelnemen en die telkens de volgende uitslag geeft : Van Nieuwkerke Martine, Verougstraete Yvon, Roosebrouck Dany, Denys Dirk, van Brabandt Johan en Carly Peter bekomen alle stemmen; Besluit : T.r.m. 1 juli 2000 worden Van Nieuwkerke Martine, Verougstraete Yvon, Roosebrouck Dany, Denys Dirk, Van Brabandt Johan en Carly Peter, politie- agenten-hoofdbrigadier, bevorderd tot inspecteur van politie”. 1.10. Met een brief van 6 juli 2000 wordt aan verzoekster meegedeeld dat zij, bij toepassing van de statutair vastgestelde rangorde, momenteel niet in aanmerking komt voor een bevordering in de graad van inspecteur van politie. XII-2755-8/18 Op 5 september 2000 heeft verzoekster haar beroep tot nietigverklaring ingediend; 2. De ontvankelijkheid. 2.1. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie in een exceptie verzoekster belang ontzegt bij haar beroep, omdat ze, eensdeels, “onder het nieuwe statuut van de geïntegreerde politie inmiddels minstens één nieuwe gelegenheid [heeft] gehad om een bevordering te bekomen tot hoofdinspecteur van politie (nieuwe graadbenaming voor de vroegere inspecteurs van politie)” maar zij niet heeft deelgenomen aan de centrale kaderproef die daartoe door het nieuwe statuut is vereist en, anderdeels, omdat uit een gebeurlijke nietigverklaring van de bestreden beslissing voor het bestuur geen rechtsplicht zou voortvloeien om haar meteen te bevorderen; 2.2. Overwegende dat luidens artikel 27 van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, dat in werking is getreden op 1 januari 2001, de benoemings- en bevorderingsprocedures in de gemeentelijke politiekorpsen die in uitvoering zijn op de datum van inwerkingtreding van deze wet voortgezet en afgehandeld worden overeenkomstig de van kracht zijnde bepalingen daags vóór de inwerkingtreding van de wet, het benoemde of bevorderde personeelslid van rechtswege benoemd of bevorderd wordt in het gemeentelijk politiekorps of de lokale politie waar de procedure loopt, de benoeming of bevordering die volgt uit de toepassing van dat artikel van rechtswege gebeurt in de nieuwe graad vastgesteld bij de rechtspositieregeling van het personeel van de politiediensten, en de Koning het ogenblik bepaalt waarop de benoemingsprocedures in uitvoering worden geacht; dat artikel 10 van het koninklijk besluit van 26 maart 2001 tot uitvoering van onder meer artikel 27 van de voormelde wet van 27 december 2000, zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 20 november 2001, bepaalt dat de benoemingsprocedure wordt geacht in uitvoering te zijn voor het personeelslid van het operationeel korps van de gemeentepolitie dat vóór 1 juni 2001 een akte van kandidaatstelling tot benoeming heeft ingediend; dat te dezen de kandidaturen voor de bevordering tot inspecteur van politie ingediend zijn vóór 1 juni 2001; dat zoals de Raad van State reeds in zijn arrest “Voortmans”, nr. 146.732 van 27 juni 2005 heeft geoordeeld, artikel 27 van de wet van 27 december 2000 dan ook van toepassing is in de voorliggende zaak; dat bij een gebeurlijke nietigverklaring van het bestreden besluit, verzoekster dus, op XII-2755-9/18 grond van het voormelde artikel 27, alsnog bevorderd kan worden in de nieuwe graad van hoofdinspecteur van politie, hetgeen als dusdanig trouwens door de verwerende partij niet wordt betwist; dat verzoekster aldus nog steeds een actueel belang heeft bij de nietigverklaring van de thans bestreden beslissing; dat, in tegenstelling tot hetgeen de verwerende partij betoogt dat belang niet verloren is gegaan om reden van het feit dat verzoekster geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om onder het nieuwe statuut tot hoofdinspecteur van politie bevorderd te worden; dat de exceptie niet wordt aanvaard; 3. De gegrondheid. 3.1. Overwegende dat verzoekster in een tweede middel, dat onder meer ontleend is aan de schending van artikel 5 (lees : 6) van het koninklijk besluit van 13 juli 1999 (lees : 1989) betreffende de opleiding en de bevordering tot de graad van inspecteur van politie, en van het gelijkheidsbeginsel, onder meer aanvoert wat volgt : het gelijkheidsbeginsel bij bevorderingen impliceert dat, omwille van de gelijke toegang tot het openbaar ambt, de overheid de titels en de verdiensten van de kandidaten moet onderzoeken en vergelijken op basis van objectieve en pertinente criteria, hetgeen inhoudt dat de benoemende overheid in staat moet zijn om te oordelen aan de hand van deze objectieve criteria; het met redenen omklede advies van de korpschef is daarbij van cruciaal belang bij een bevordering tot inspecteur van politie, vermits de benoemende gemeenteraadsleden niet in staat zijn om de verdiensten van elke kandidaat die wil worden bevorderd zelf te kennen en te onderzoeken; het met redenen omkleed advies van de korpschef moet dus een substantieel element in de debatten kunnen brengen; als dit advies beperkt wordt tot het verlenen van een “groenlicht” of een “oranjelicht” voldoet dit advies niet; te dezen zijn de adviezen die verzoekster bekend zijn alle identiek: er wordt vermeld dat er voldaan wordt aan de statutaire voorwaarden, dat er een goed gedrag en een goede wijze van dienen is en dat er dus een gunstig advies kan worden gegeven; verzoekster is uiteraard niet ontevreden dat er over haar wordt gesteld dat zij een goed gedrag heeft en een goede wijze van dienen, maar een dergelijk advies volstaat niet : op grond van gedetailleerde adviezen moet er een differentiatie kunnen gemaakt worden waarbij de verdiensten kunnen worden afgewogen; door te voorzien in een algemene motivering, wordt de waarde van een dergelijk advies als richtinggevend differentiatiecriterium volledig uitgehold; de waarde van een advies mag niet beperkt worden tot het risico dat er enig voorbehoud wordt gemaakt; XII-2755-10/18 3.2. Overwegende dat de verwerende partij hierop repliceert als volgt : luidens artikel 6 van het koninklijk besluit van 13 juli 1989 betreffende de opleiding en de bevordering tot de graad van inspecteur van politie, dient door de korpschef een met redenen omkleed advies gegeven te worden over de kandidaturen; het besluit preciseert echter niet op welke aspecten of elementen de motivering van het advies betrekking moet hebben; de draagwijdte van de motivering van het advies van de korpschef moet bijgevolg gezien worden in het licht van de toe te passen gemeentelijk-statutaire bevorderingsvoorschriften; voor het Brugse politiepersoneel zijn de bevorderingsvoorwaarden en het bevorderingssysteem nader uitgewerkt in de artikelen 81 en volgende van het statuut, met een overgangsregeling in artikel 111; die regeling is aldus dat, om te bepalen welke van de kandidaten die aan de bevorderingsvoorwaarden voldoen concreet bevorderd worden, gesteund wordt op een rangorde met als criterium de datum van het behalen van het minimaal vereiste getuigschrift of brevet, dat bij gelijke rangschikking van de kandidaten eerst de datum van benoeming in vast verband als politieagent geldt en vervolgens de hoogste leeftijd, en dat bij gemotiveerde beslissing van de statutaire rangorde kan worden afgeweken, rekening houdend met het advies van de korpschef; voor de toepassing van die statutaire bevorderingsregeling is het niet noodzakelijk dat de korpschef - geheel abstractie makend van de statutaire rangorde- voor de ganse groep kandidaten een zodanig gedifferentieerd advies maakt dat daaruit een rangschikking van al de kandidaten naar titels en verdiensten zou blijken, ongeacht hun plaats in de statutaire rangorde, vermits de rangschikking van degenen die aan de bevorderingsvereisten voldoen statutair niet rechtstreeks op algemene titels en verdiensten is gebaseerd, maar in eerste instantie en in principe op de respectieve data van het behalen van het minimaal vereiste getuigschrift of brevet; ook voor de adviserende korpschef is de statutaire rangorde de vertrekbasis; enkel voor een afwijking van de statutaire rangorde -voornamelijk om een volgens de rangorde in aanmerking komende kandidaat toch niet te bevorderen- zou het advies van de korpschef daartoe een bijzondere specifieke motivering moeten bieden; te dezen is zulks gebeurd, vermits de korpschef voor de tweede kandidaat volgens de rangorde een omstandig gemotiveerd negatief advies gegeven heeft en er ook in het bestreden gemeenteraadsbesluit een specifieke motivering werd opgenomen voor diens niet-bevordering, niettegenstaande zijn plaats in de normale rangorde; voor de andere kandidaten, waarvoor hij geen bijzondere redenen zag tot afwijking van de statutaire rangorde en waarvoor hij aan het stadsbestuur adviseerde om die te behouden, kon de korpschef zijn met redenen omklede individuele adviezen wettig beperken tot een XII-2755-11/18 verwijzing naar het voldoen aan de bevorderingsvereisten, naar het goed gedrag en de goede wijze van dienen; 3.3. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst het volgende laat gelden : enerzijds kan er niet ontkend worden dat het advies van de korpschef inzake de bevordering tot inspecteur van politie een substantiële vorm is waarvan de schending tot de vernietiging van de doorgevoerde bevordering kan leiden, anderzijds kan er evenmin worden ontkend dat dit advies geen eensluidend advies is, zodat de benoemende overheid er niet door gebonden is : het gemeentelijk politiestatuut legt een rangorde voor de bevordering tot inspecteur van politie vast zonder dat het de gemeenteraad elke discretionaire bevoegdheid ontneemt, vermits de gemeenteraad bij gemotiveerde beslissing van die rangorde kan afwijken op basis van het advies van de korpschef; volgens de vaste rechtspraak van de Raad van State moet de benoemende overheid niet zelf overgaan tot een nieuw onderzoek van de titels en verdiensten van de kandidaten, wanneer zij kennis heeft genomen van het gemotiveerd advies van de bevoegde adviserende overheid en zij instemt met dat advies; wanneer de benoemende overheid het advies volgt en naar geen andere gegevens verwijst, moet bovendien worden aangenomen dat de benoemende overheid met dat advies instemt; een verzoekende partij die betwist dat de benoemende overheid zonder kennis van zaken haar beslissing heeft genomen, moet daarvan uiteraard het bewijs leveren, minstens elementen aanreiken die de schijn daarvan kunnen opwekken, hetgeen te dezen niet het geval is; uit de aanhef van de bestreden bevorderingsbeslissing blijkt ondubbelzinnig dat de korpschef wel is overgegaan tot een onderzoek van de titels en de verdiensten van de kandidaten, vermits hij heeft voorgesteld om af te wijken van de rangorde die overeenkomstig het politiestatuut in beginsel wordt gehanteerd om de bevorderingen door te voeren; 3.4. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord daartegenover stelt : de gemeenteraad kan de verdiensten en de aanspraken van de kandidaten vergelijken op grond van het dossier, waarbij het advies van de korpschef, zijnde degene die het best kan oordelen over de prestaties en capaciteiten van de kandidaten, primordiaal is; het zou de benoemende overheid dus moeten mogelijk zijn aan de hand van een concrete, gedetailleerde adviesverlening, met kennis van zaken de diverse aanspraken te vergelijken; nu de gemeenteraad dit niet kan omdat er identieke adviezen zijn verleend op één na, is het evident dat de benoemende overheid niet met afdoende kennis van zaken kon vergelijken; er mag ook niet van uitgegaan worden dat er een impliciete en informele kennis bij de gemeenteraadsleden XII-2755-12/18 zou bestaan, nu het in een middelgrote stad als Brugge evident onmogelijk is dat elk gemeenteraadslid de capaciteiten van alle kandidaten van een groot politiekorps zou kennen; bovendien dient het materieel motief van een benoemingsbeslissing te blijken uit het voorgelegde dossier, zodat toetsing en controle mogelijk is; te dezen is toetsing van vergelijking van aanspraken tussen de diverse kandidaten op grond van het dossier zoals het voorligt evidentelijk onmogelijk; de verwerende partij zet zelf uiteen dat het om reden van de statutaire bevorderingsregeling niet noodzakelijk was dat de korpschef voor de ganse groep kandidaten een gedifferentieerd advies maakt, dat in principe de respectievelijke data van het behalen van het minimaal vereiste getuigschrift of brevet determinerend is en dat dit gegeven voor de adviserende korpschef de vertrekbasis is geweest; de korpschef heeft er zich dus toe beperkt aan te geven of iemand uit de rangorde zou worden verwijderd; aldus geeft de verwerende partij toe -en is het niet voor betwisting vatbaar- dat er geen advies is gegeven in de zin van artikel 6 van het koninklijk besluit van 13 juli 1989 : voornoemd artikel geeft allerminst aan dat dit advies enkel en alleen ernstig zou moeten worden gegeven met betrekking tot statutaire rangordes; dat advies dient integendeel met betrekking tot iedere kandidatuur te worden gegeven; 3.5. Overwegende dat de tussenkomende partij nog het volgende laat gelden : verzoekster toont nergens aan dat de toepasselijke prioriteitsregels zelf onwettig zouden zijn; het standpunt volgens hetwelk het advies van de korpschef moet neerkomen op een concrete, gedetailleerde en uitgewerkte adviesverlening opdat de gemeenteraad met kennis van zaken de diverse aanspraken zou kunnen vergelijken kan te dezen dan ook niet bijgevallen worden, temeer daar artikel 60 van het gemeentelijk politiestatuut uitdrukkelijk voorschrijft dat de korpschef zich voor zijn advies steunt op het evaluatiedossier van de betrokken personeelsleden en dat hij een tussentijdse en bijkomende evaluatie kan vragen indien hij dit noodzakelijk acht om zijn advies uit te brengen; het standpunt volgens hetwelk artikel 6 van het koninklijk besluit van 13 juli 1989 niet aangeeft dat het advies van de korpschef enkel en alleen zou moeten worden gegeven met betrekking tot statutaire rangordes is uiteraard correct maar in feite naast de kwestie, vermits die bepaling een algemene bepaling is die geldt voor de bevorderingen in alle gemeentelijke politiekorpsen; vraag is hoe die bepaling te dezen -dat wil zeggen, in het kader van het gemeentelijk politiestatuut- moest of mocht worden toegepast, met andere woorden, hoe de korpschef zijn adviezen moest uitbrengen in de procedure die tot het voorliggende annulatieberoep heeft geleid; gelet op het feit dat de adviezen van de korpschef gesteund waren op de evaluatiedossiers kon de korpschef er zich terecht toe XII-2755-13/18 beperken een gunstig of ongunstig advies te geven, rekening houdend met de evaluatiedossiers van de betrokken personeelsleden; 3.6.1. Overwegende dat het grondwettelijk beginsel van de gelijke toegang tot het openbaar ambt impliceert dat, indien een oproep tot mogelijke kandidaten werd gedaan, alle personen die zich op ontvankelijke wijze kandidaat hebben gesteld en voldoen aan de statutaire voorwaarden om de functie te bekleden het recht hebben om hun titels en verdiensten door de benoemende overheid onderzocht en vergeleken te zien; dat naar luid van artikel 81, § 1, van het te dezen toepasselijk administratief statuut van het politiepersoneel van de stad Brugge (hierna : het statuut) voor bevordering alleen in aanmerking komen, de personeelsleden die in vast verband benoemd zijn, titularis zijn van een voltijds ambt, voldoen aan de bevorderingsvoorwaarden en zich in een administratieve toestand bevinden waarin zij hun aanspraken op bevordering kunnen doen gelden; dat wat betreft de bij artikel 81 bedoelde bevorderingsvoorwaarden, artikel 83 van het statuut voorschrijft dat, voor een bevordering van een lager naar een hoger niveau, het personeelslid gunstig moet zijn geëvalueerd en moet voldoen aan de bijzondere bevorderingsvoorwaarden zoals bepaald in artikel 84, meer in het bijzonder, wat betreft de bevordering tot inspecteur van politie, ten minste zes jaar dienst als politieagent in vast verband tellen bij het politiekorps van de stad Brugge en houder zijn van één van de in artikel 84, A), a), punt 2, opgesomde getuigschriften of brevetten; dat ambtenaren die niet voldoen aan één van de hiervoor opgesomde bevorderingsvoorwaarden via die voorwaarden op voorhand worden uitgesloten voor bevordering, met andere woorden, en naar luid van artikel 81 van het statuut voor bevordering niet in aanmerking komen, zodat, indien zij zich kandidaat hebben gesteld, hun overige titels en verdiensten niet nader door de benoemende overheid moeten -of zelfs mogen- onderzocht worden, laat staan vergeleken met die van andere kandidaten; Overwegende dat artikel 84, A), a), punt 4 van het statuut ten slotte bepaalt dat de voor bevordering in aanmerking komende kandidaten worden gerangschikt op grond van de datum van het behalen van het minimaal vereiste getuigschrift of brevet, met dien verstande dat de benoemende overheid bij gemotiveerde beslissing van de aldus bepaalde rangorde kan afwijken “rekening houdend met het advies van de korpschef”; dat, gelet op de discretionaire bevoegdheid waarover de benoemende overheid beschikt om van de statutair vastgelegde rangorde af te wijken, -in tegenstelling tot hetgeen geldt voor de XII-2755-14/18 hiervoor reeds opgesomde bevorderingsvoorwaarden die zijn opgenomen in de artikelen 81, § 1, 83 en 84, A), a)- via die rangorde geen personen op voorhand voor bevordering kunnen worden uitgesloten; dat met andere woorden, alle personen die aan voornoemde bevorderingsvoorwaarden voldoen, ongeacht de plaats die zij in de rangorde bekleden in principe “voor bevordering in aanmerking” komen; dat zulks te dezen inhoudt dat niet alleen de zes personeelsleden die de eerste tot en met de zesde plaats bekleedden in de rangorde, maar ook de zeven andere personeelsleden -onder wie verzoekster- die zich op ontvankelijke wijze kandidaat hadden gesteld en die aan de statutaire “uitsluitingsvoorwaarden” voldeden, het recht hadden om hun titels en verdiensten door de benoemende overheid onderzocht en vergeleken te zien opdat die overheid met kennis van zaken kon oordelen of er al dan niet reden was om af te wijzen van de rangorde; 3.6.2. Overwegende dat luidens artikel 83 van het statuut het personeelslid voor een bevordering van een lager naar een hoger niveau gunstig moet geëvalueerd zijn -zijnde een “uitsluitingsvoorwaarde”- en de korpschef advies uitbrengt in alle gevallen waar dit bij wet of koninklijk besluit uitdrukkelijk is vereist; dat het te dezen nog toepasselijk koninklijk besluit van 13 juli 1989 betreffende de opleiding en de bevordering tot de graad van inspecteur van politie, in zijn artikel 6, eerste lid, de voorwaarden vaststelt die ten minste moeten vervuld zijn voor de bevordering tot inspecteur van politie; dat luidens artikel 6, tweede lid, zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 juni 1993, de korpschef een met redenen omkleed advies geeft over de kandidaturen; Overwegende dat het door de bevoegde regelgever uitdrukkelijk opgelegd advies van de korpschef bij de bevorderingsprocedure tot inspecteur een wezenlijk onderdeel is van die procedure, in die zin dat de korpschef door de regelgever het best geplaatst wordt geacht om de benoemende overheid voor te lichten over de geschiktheid van de kandidaten, zodat die overheid, op grond van de door de korpschef uitgebrachte adviezen, met kennis van zaken een keuze kan doen onder die kandidaten; dat het dan ook logisch is dat de regelgever uitdrukkelijk voorschrijft dat het advies dat de korpschef over elke kandidaat geeft “met redenen omkleed” moet zijn, dat wil zeggen, dat het niet enkel een eindbeoordeling “gunstig” of “ongunstig” mag bevatten, maar ook op een voldoende gedetailleerde wijze alle relevante beoordelingselementen moet aangeven die tot deze eindbeoordeling hebben geleid; dat het feit dat het gemeentelijk politiestatuut te dezen een rangorde voor de bevordering tot inspecteur van politie vaststelt aan de draagwijdte van de motivering XII-2755-15/18 van het advies van de korpschef over de ingediende kandidaturen geen afbreuk kan doen, vermits de benoemende overheid de discretionaire bevoegdheid behoudt om van die rangorde af te wijken, en datzelfde statuut -volledig in de lijn trouwens van hetgeen de regelgever voor ogen stond- uitdrukkelijk bepaalt dat de benoemende overheid, bij het uitoefenen van die discretionaire bevoegdheid, rekening houdt met het advies van de korpschef; 3.6.3. Overwegende dat de korpschef zich te dezen in zijn advies over twaalf van de dertien voor bevordering in aanmerking komende kandidaten, onder wie verzoekster, beperkt heeft tot de vaststelling dat deze kandidaten “een goed gedrag en een goede wijze van dienen hebben zodanig dat hij een gunstig advies geeft voor bevordering tot inspecteur”; dat deze adviezen -waaronder dat over verzoekster- aldus niet voldoen aan het vereiste van artikel 6, tweede lid, van het koninklijk besluit van 13 juli 1989; dat meteen de benoemende overheid op grond van die twaalf adviezen over geen enkele inlichting beschikte die haar in staat had moeten stellen de titels en verdiensten van de twaalf betrokken kandidaten ten aanzien van elkaar te vergelijken en af te wegen en met kennis van zaken te oordelen of er, na het doorvoeren van een dergelijk vergelijkend onderzoek, aanleiding bestond om van de statutair vastgelegde rangorde af te wijken; dat voor het overige uit het bestreden besluit nergens blijkt, en als dusdanig ook door de verwerende partij niet wordt beweerd, dat de benoemende overheid, wat betreft het vergelijkend onderzoek van de titels en verdiensten van deze kandidaten, meer heeft gedaan dan, “gelet op de door de korpschef uitgebrachte met redenen omklede adviezen wat betreft de bevorderingen tot inspecteur van politie”, in te stemmen met diens voorstel van 23 mei 2000 om, enkel wat betreft de h. Rudy De B(...), af te wijken van de statutair vastgestelde rangorde “omdat betrokkene momenteel intrinsiek nog niet over de mogelijkheden beschikt om te kunnen bevorderen tot inspecteur van politie”; dat uit de brief van 23 mei 2000 van de korpschef waarin hij zijn wens, de voornoemde uitgezonderd, uitdrukt “de statutair vastgelegde rangorde te behouden”, al evenmin blijkt dat de korpschef zelf een vergelijkend onderzoek van de titels en verdiensten van de voor bevordering in aanmerking komende kandidaten heeft doorgevoerd, alvorens tot zijn voorstel van 23 mei 2000 te komen; dat hij zich in dat voorstel immers beperkt tot de mededeling, wat betreft de andere kandidaten dan Rudy De B(...), “dat alle andere kandidaten een gunstig advies van de korpschef bekwamen voor bevordering tot politie-inspecteur, ongeacht indien ze statutair al of niet in aanmerking komen”, dat de -onder meer door verzoekster- ingediende commentaren onder meer betrekking hebben “op de verdiensten en bekwaamheden waarover de XII-2755-16/18 kandidaten menen te beschikken” en dat door geen enkele kandidaat “ten gronde bezwaar werd ingediend” tegen het door hem uitgebracht gunstig advies voor bevordering; Overwegende dat aldus het tweede middel, in zoverre het ontleend is aan de schending van artikel 6 van het koninklijk besluit van 13 juli 1989 betreffende de opleiding en de bevordering tot de graad van inspecteur van politie en van het gelijkheidsbeginsel, in de beschreven mate gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van 27 juni 2000 van de gemeenteraad van de stad Brugge waarbij Martine Van Nieuwkerke, Yvon Verougstraete, Dany Roossebrouck, Dirk Denys, Johan Van Brabandt en Peter Carly tot inspecteur van politie worden bevorderd. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. XII-2755-17/18 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf juli 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2755-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.981 Gerelateerde publicatie(
  2. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2001:ARR.92.236 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.