id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 juli 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.998 Rolnummer: A. 171431/XII-4683 Zaak: Arrest 160998 - - 05/07/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-07-12 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 23:55 Fiche Arrest nr 160.998 van 5 juli 2006 - Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 160.998 van 5 juli 2006 in de zaak A. 171.431/XII-
- In zake : Michaël VAN POELVOORDE, die woonplaats kiest bij advocaat A. Stuckens, kantoor houdende te Sint-Pieters-Leeuw, Meibloemstraat 51 tegen :
- de BRUSSELSE HOOFDSTEDELIJKE DIENST VOOR BRANDWEER EN DRINGENDE MEDISCHE HULP,
- het BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST, dat woonplaats kiest bij advocaat B. Lombaert, kantoor houdende te Brussel, Louizalaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Michaël Van Poelvoorde op 27 maart 2006 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 9 februari 2006 waarmee de minister van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest belast met Tewerkstelling, Economie, Wetenschappelijk Onderzoek, Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp zijn besluit van 21 september 2005 om eerstgenoemde de tuchtstraf van de afzetting op te leggen, bevestigt; Gezien de nota van de tweede verwerende partij; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur B. Thys; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 7 juni 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 juni 2006; XII-4683-1/7 Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. Stuckens, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat I. Van Geel, die loco advocaat B. Lombaert verschijnt voor de verwerende partijen; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur B. Thys; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat verzoeker, brandweerman bij de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp, op 1 juli 2001 betrokken is bij een incident aan de ingang van een privé-club; dat de staatssecretaris bevoegd voor brandbestrijding en dringende medische hulp hem op 3 augustus 2001 in het belang van de dienst in zijn ambt van brandweerman schorst; dat de rechtbank van eerste aanleg te Brussel verzoeker op 4 februari 2005 schuldig bevindt aan het toebrengen van opzettelijke, maar zonder het oogmerk om te doden, slagen of verwondingen, die toch de dood hebben veroorzaakt; dat verzoeker, mede gelet op de staat van wettelijke herhaling waarin hij zich bevindt, tot een gevangenisstraf van achttien maanden wordt veroordeeld; dat hij tegen de veroordeling beroep instelt; Overwegende dat verzoeker met een brief van 10 juni 2005 door de officier tweede in bevel wordt opgeroepen om in het kader van een tuchtrechtelijke procedure te worden gehoord “over volgende feiten: Veroordeling door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel, rechtdoende in strafzaken, vonnis van 4 februari 2005 wegens om op 1 juli 2001 opzettelijk, maar zonder het oogmerk om te doden, slagen of verwondingen te hebben toegebracht aan L[...] H[...], die toch de dood hebben veroorzaakt”; dat verzoeker er tijdens het verhoor van 23 juni 2005 onder meer op wijst dat hij tegen de veroordeling hoger beroep heeft aangetekend en dat hij het slachtoffer niet heeft aangeraakt; Overwegende dat de officier tweede in bevel met een brief van 22 juli 2005 aan verzoeker kennis geeft van het voorstel aan de minister bevoegd voor brandbestrijding en dringende medische hulp om hem wegens de veroordeling af te zetten; dat de minister bij besluit van 21 september 2005 het voorstel bijvalt en verzoeker met ingang van 3 augustus 2001 de tuchtstraf van de afzetting oplegt; dat hij overweegt : XII-4683-2/7 “Gelet op de veroordeling door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel, rechtsprekend in strafzaken, met vonnis van 4 februari 2005, omdat hij op 1 juli opzettelijk, maar zonder het oogmerk om te doden, slagen of verwondingen te hebben toegebracht die de dood hebben veroorzaakt; Overwegende dat op die manier op ernstige wijze is tekort geschoten in zijn plicht tot waardigheid en de verplichting om buiten de uitoefening van zijn ambt elke handelswijze te vermijden die het vertrouwen van het publiek in zijn dienst kan aantasten; Overwegende dat de veroordeling door de rechtbank dermate zwaarwichtig is dat een ernstige tuchtstraf zich opdringt; Overwegende dat van een ambtenaar kan worden verwacht dat hij zich in alle omstandigheden gedraagt zoals van hem kan worden verwacht, d.w.z. met waardigheid en zonder aanleiding te geven tot enigerlei reden die het vertrouwen van de bevolking in een dienst zoals de Brandweer kan schaden; Overwegende dat de integriteit en de geloofwaardigheid van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp, een dienst die instaat voor de veiligheid van personen en goederen, ten allen tijde moeten gevrijwaard worden, en dat de aanwezigheid van de heer Michaël Van Poelvoorde met dergelijke veroordeling in het korps hiermee onverzoenbaar is”; Overwegende dat verzoeker met een schrijven van 29 november 2005 tegen de afzetting beroep instelt bij de gemeenschappelijke raad van beroep voor de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest; dat verzoeker onder meer opmerkt dat tegen het vonnis van 4 februari 2005 beroep is ingesteld, en er zijn verbazing over uitspreekt dat “slechts melding wordt gemaakt van de veroordeling en de weerhouden kwalificatie zonder enige nuancering, zonder rekening te houden met de specifieke omstandigheden en evenmin met het feit dat cliënt de feiten formeel betwist”; dat, na verzoeker te hebben gehoord, de gemeenschappelijke raad van beroep op 17 januari 2006 adviseert “dat de in eerste aanleg opgelegde tuchtstraf tot afzetting [...] dient te worden weerhouden”; dat gemotiveerd wordt : “Overwegende dat de feiten die zich hebben voorgedaan van die aard zijn dat de overheid terecht van oordeel is dat het langer in dienst houden van de heer Van Poelvoorde een verkeerd signaal zou zijn ten overstaan van het publiek in het algemeen en de overige personeelsleden van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp in het bijzonder; Overwegende dat de feiten van die aard zijn dat het imago van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor brandweer en Dringende Medische Hulp in ernstige mate werd geschaad en dat de overheid hierop op gepaste manier wenst te reageren; Overwegende dat Art. 279, alinea 2, van het BBHR van 26 september 2002 houdende het statuut van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest als volgt luidt : ‘Vrijspraak door de strafrechter is voor de overheid geen beletsel om een tuchtstraf uit te spreken, op voorwaarde dat de motivering van de straf het gezag van gewijsde niet aantast. De overheid is bovendien niet gebonden door de wijze waarop de rechtbanken het gedrag van de ambtenaar hebben beoordeeld omtrent de hem ten laste gelegde feiten’”; XII-4683-3/7 Overwegende dat op 9 februari 2006 de minister bevoegd voor brandbestrijding en dringende medische hulp zijn besluit van 21 september 2005 om verzoeker af te zetten, bevestigt;
- Overwegende dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest vreemd is aan de bestreden beslissing, die louter is toe te schrijven aan de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp, zijnde een afzonderlijke rechtspersoon; dat er bijgevolg reden is, eensdeels, om alleen de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp als verwerende partij aan te wijzen en, anderdeels, om het Brussels Hoofdstedelijk Gewest buiten de zaak te stellen en diens nota uit de debatten te weren;
- Overwegende dat verwerende partij betwist dat de bestreden beslissing voor vernietiging en schorsing vatbaar is, en tegenwerpt dat verzoeker zonder belang is; Overwegende dat de bestreden ministeriële beslissing uitspraak doet over het beroep dat verzoeker op grond van het besluit van 26 september 2002 van de Brusselse hoofdstedelijke regering houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest heeft ingesteld tegen zijn afzetting van 21 september 2005; dat het op het eerste gezicht alleen aan de ministeriële beslissing van 9 februari 2006 is, en niet aan het advies van de gemeenschappelijke raad van beroep, dat het rechtsgevolg van de verwerping van het beroep vastzit; dat het eventueel bindend karakter van het advies niet de constitutieve aard van de ministeriële beslissing tegenspreekt; dat de beslissing voor vernietiging, en ook schorsing, vatbaar is; Overwegende, in verband met verzoekers belang, dat de verwerende partij ervan uitgaat dat het advies van de gemeenschappelijke raad van beroep bij gebrek aan een annulatieberoep ertegen onaantastbaar is geworden en dat bijgevolg, aangezien het advies bindend is, de minister in geval van vernietiging van zijn beslissing verplicht zal zijn dezelfde beslissing te nemen; dat de verwerende partij zich evenwel vergist; dat het advies voorbereidend is ten opzichte van de ministeriële beslissing van 9 februari 2006, en het verstrijken van de beroepstermijn ertegen niet uitsluit dat het advies alsnog in het kader van het beroep tegen die ministeriële beslissing in het gedrang kan komen; dat er geen reden is om verzoeker a priori het vereiste belang te ontzeggen; XII-4683-4/7 Overwegende dat de excepties ongegrond zijn;
- Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen;
- Overwegende, met betrekking tot de eerste voorwaarde, dat verzoeker in een derde middel onder meer de schending aanvoert van “het beginsel volgens hetwelk elke administratieve beslissing op rechtens juiste en deugdelijke motieven moet zijn gesteund en het zorgvuldigheidsbeginsel”; dat hij toelicht dat hij reeds bij zijn verhoor op 23 juni 2005 signaleerde dat hoger beroep werd aangetekend tegen het vonnis van de rechtbank, dat de overheid daar abstractie van maakt en aanneemt dat definitief vaststaat dat verzoeker op 1 juli 2001 opzettelijke slagen en verwondingen heeft toegebracht zonder het oogmerk om te doden, maar met de dood tot gevolg, dat de feitelijke gegevens en argumenten die verzoeker aanvoerde en die er op neerkomen dat hoogstens onopzettelijke slagen en verwondingen werden toegebracht “niet ernstig en zelfs helemaal niet werden onderzocht”; Overwegende dat wat aan verzoeker ten laste wordt gelegd, specifiek de veroordeling bij vonnis van 4 februari 2005 van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel is, niet de aan deze veroordeling ten grondslag liggende feiten; dat het ook voor die veroordeling is dat de minister hem op 21 september 2005 de tuchtstraf van de afzetting oplegt, meer bepaald omdat ze zodanig zwaar weegt dat ze een ernstige tuchtstraf noodzakelijk, en zelfs zijn aanwezigheid in de dienst onmogelijk, maakt; Overwegende dat evenwel tegen de veroordeling hoger beroep is ingesteld; dat verzoeker daar tijdens zijn verhoor van 23 juni 2005 uitdrukkelijk op gewezen heeft; dat dit hoger beroep op het eerste gezicht meebrengt dat de veroordeling niet uitvoerbaar is en, gelet op het arrest van 26 mei 1972 van het Hof van Cassatie (Arr. Cass., 1972, 907), geen volledig gezag van gewijsde verkrijgt aangezien de strafvordering nog niet beëindigd is; dat niettemin de minister, in zijn beslissing van 21 september 2005, aan het hoger beroep zonder meer geen enkele aandacht schenkt, laat staan nog verantwoordt waarom hij er totaal aan voorbijgaat; XII-4683-5/7 Overwegende dat dit euvel op het eerste gezicht ook niet wordt goedgemaakt in het kader van het administratief beroep tegen de ministeriële beslissing van 21 september 2005; dat de gemeenschappelijke raad van beroep, op wiens advies de minister zich baseert om de in eerste aanleg opgelegde afzetting te bevestigen, het hoger beroep tegen de veroordeling van 4 februari 2005, noch de veroordeling zelf, in zijn advies zelfs maar vermeldt; dat, meer nog, de gemeenschappelijke raad van beroep, gelet op zijn verwijzing naar “Art. 279, alinea 2, van het BBHR van 26 september 2002 houdende het statuut van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest”, lijkt te suggereren dat het oordeel van de strafrechter voor zijn beoordeling niets of slechts weinig ter zake doet; dat dit bezwaarlijk kan worden aangenomen, aangezien de strafrechtelijke veroordeling het ten laste gelegde feit zelf uitmaakt; dat, bovendien, als de gemeenschappelijke raad van beroep zich niet op het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel heeft gesteund, de vraag rijst op welke grond hij dan wel tot zijn advies is gekomen om de afzetting te “weerhouden”; dat in de huidige stand van de procedure alleszins niet blijkt dat de raad van beroep tot een eigen onderzoek en afweging van de feitelijke gegevens en elementen van het dossier is overgegaan; Overwegende dat uit het voorgaande vooralsnog wordt geconcludeerd dat de aangevochten afzetting op een onvoldoende vaststaande grondslag berust; dat het middel in die mate ernstig is;
- Overwegende, met betrekking tot de tweede schorsingsvoorwaarde, dat verzoeker uiteenzet ten gevolge van de bestreden beslissing onoverkomelijke financiële problemen te vrezen en op manifeste wijze in zijn eer te worden gekrenkt; Overwegende dat de bestreden beslissing verzoeker afzet; dat een dergelijke beslissing in principe van aard is voor de betrokkene het risico van een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel mee te brengen, zowel op moreel als materieel vlak; dat niet is aangetoond dat het te dezen anders is, tenminste niet wat het moreel nadeel of de oneer betreft ten gevolge van de afzetting; dat derhalve ook aan de tweede schorsingsvoorwaarde is voldaan, BESLUIT: Artikel
- Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt buiten de zaak gesteld. XII-4683-6/7 Artikel
- Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 9 februari 2006 waarmee de minister van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest belast met Tewerkstelling, Economie, Wetenschappelijk Onderzoek, Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp zijn besluit van 21 september 2005 om Michaël Van Poelvoorde de tuchtstraf van de afzetting op te leggen, bevestigt. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf juli 2006, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-4683-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.998 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.215 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.