id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 juli 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.014 Rolnummer: A. 63895/IX-529 Zaak: Arrest 161014 - - 05/07/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-08-03 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-07-01 00:01 Fiche Arrest nr 161.014 van 5 juli 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 161.014 van 5 juli 2006 in de zaak A. 63.895/IX-
- In zake : de VZW STOOMCENTRUM MALDEGEM, gevestigd te MALDEGEM, Stationsplein 8 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de VZW STOOMCENTRUM MALDEGEM op 3 april 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de ministeriële beslissing van 30 januari 1995 “tot terugvordering van de omkade- ringspremie van 179.991 frank, toegekend bij besluit van de Vlaamse Executieve van 19 december 1991 houdende toekenning van een omkaderingspremie aan werkgevers van gesubsidieerde contractuelen tewerkgesteld in aan risicogroepen voorbehouden projecten, meer in het bijzonder het project nr. 9484 ”; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur J. STEVENS; Gelet op de beschikking van 19 september 1996 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 24 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 juni 2006; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-529-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat A. CROONENBERGHS die, loco advocaat E. DE BOCK verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur L. VERMEIRE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt: 1.1 Op 19 december 1985 wordt verzoekster opgericht met als doel een stoommuseum uit te bouwen. 1.2.1 Met een brief van 23 januari 1992 wordt verzoekster in kennis gesteld van het ministerieel besluit van 19 december 1991, waarbij haar voor de periode van 22 augustus 1991 tot 31 december 1991 ten bedrage van maximaal 360533 BEF, -wat overeenkomt met 20% van de premie die voor de bedoelde periode wordt verleend voor de betaling van de gesubsidieerde contractuelen- een omkaderingspremie wordt toegekend voor de tewerkstelling van gesubsidieerde contractuelen. Deze brief vermeldt dat de omkaderingspremie als voorschot wordt uitgekeerd, dat de premie slechts “definitief verworven kan worden” ten bedrage van de bewezen uitgaven en mits naleving van een aantal voorwaarden ten aanzien van de uitvoering van de overeengekomen taken en van het overeengekomen begelei- dingsplan en ten aanzien van de overlegging van de bewijzen van de gedane uitgaven. 1.2.2 Ook voor het jaar 1992 wordt aan verzoekster een voorschot op de omkaderingspremie toegekend die eveneens 20% beloopt van de premies toegekend voor de betaling van de gesubsidieerde contractuelen. In de volgende jaren wisselen verzoekster en de verwerende partij brieven over de bewijzen van de uitgaven die de verwerende partij nodig acht om het definitief bedrag van de omkaderingspremie voor de jaren 1991 en 1992 te bepalen. 1.3 Op 30 januari 1995 neemt de Vlaamse minister van Tewerkstelling een beslissing over de omkaderingspremie die voor de jaren 1991 en 1992 definitief aan verzoekster wordt toegekend. Hij aanvaardt een bedrag van 942038 BEF. Rekening houdend met de uitbetaalde voorschotten (in totaal 1122029 BEF) stelt hij IX-529-2/6 vast dat verzoekster 179991 BEF aan het Vlaamse Gewest moet terugbetalen. Deze beslissing, die door verzoekster wordt bestreden in de mate zij haar tot terugbetaling van ontvangen subsidies verplicht, wordt haar medegedeeld met een brief van 2 februari
- Zij is als volgt gemotiveerd: “De maximale premie volgens bezetting, zoals uitbetaald door de VDAB, bedraagt 1.122.029 fr. De bewezen en aanvaarde kosten bedragen 942.038 fr. Het saldo terug te betalen door de promotor bedraagt 179.991 fr. Motivering : Ministerieel besluit van 19 december 1991 houdende toekenning van een omkaderingspremie aan werkgevers van gesubsidieerde contractuelen tewerkge- steld in aan risicogroepen voorbehouden projecten. Besluit van de Vlaamse regering van 3 juli 1991 tot veralgemening van het stelsel van gesubsidieerde contractuelen. Niet-aanvaarde kosten: - deel kosten begeleiding en toezicht : forfait administratiekosten (niet- gespecifieerde en onvoldoende bewezen kosten) en BTW (enkel verschuldigd op handels- en transportactiviteiten en niet op begeleidingskosten); - administratiekosten : forfait (onvoldoende bewezen en onvoldoende gespecifieerd). Opmerking: het project werd op basis van negatieve evaluatie stopgezet (beslissing ter zake betekend aan werkgever 29 maart 1993) daar de opleiding en begeleiding van de weer-werk-geco’s onvoldoende was.” In de kennisgeving wordt gesteld dat de beslissing het voorwerp kan uitmaken van een annulatieberoep bij de Raad van State. 2.1 Overwegende dat de auditeur-verslaggever in zijn verslag ambtshalve vastgesteld heeft dat een betwisting over de afrekening van subsidies, over het deugdelijk bewijs van gedane uitgaven en over het in aanmerking komen voor subsidiëring volgens vastgestelde en overeengekomen criteria niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort; 2.2 Overwegende dat verzoekster in haar laatste memorie stelt dat het auditoraatsverslag geen enkele motivering bevat of verwijzing naar wetgeving, reglementering, rechtspraak of rechtsleer ter staving van de onbevoegdheid van de Raad van State; dat zij voorts betoogt dat de betekening van de bestreden beslissing uitdrukkelijk de bevoegdheid van de Raad van State vermeldt, zodat zowel verzoekster als de verwerende partij in elk geval deze bevoegdheid erkennen; dat verzoekster van oordeel is dat het geschil geen loutere afrekening van subsidies betreft, maar de “enige echte” beslissing vormt tot definitieve toekenning van de omkaderingspremies, die ook de rechtsgronden formuleert waarop zij steunt en die IX-529-3/6 duidelijk een administratieve rechtshandeling is, vatbaar voor een annulatieberoep; 2.3.1 Overwegende dat de verwerende partij harerzijds in haar laatste memorie stelt dat in zoverre het annulatieberoep beperkt is tot “een afrekening van kosten” en dat de Raad van State niet bevoegd is omdat het beroep dan betrekking heeft op een vraag tot herberekening; dat zij daar wel aan toevoegt dat het ministerieel besluit van 30 januari 1995 “een aantal beslissingen” inzake toekenning of afwijzing van premies bevat die op hun wettigheid getoetst moeten kunnen worden en dat, om die reden, in de kennisgeving melding gemaakt is van de mogelijkheid om bij de Raad van State beroep in te stellen; 2.3.2 Overwegende dat artikel 4, § 8, van het besluit van de Vlaamse Executieve tot veralgemening van het stelsel van gesubsidieerde contractuelen bepaalt wat volgt: “De Gemeenschapsminister kent een omkaderingspremie toe aan de werkgever van een project, zoals bedoeld in § 2, 3/, die jaarlijks een begelei- dingsplan indient dat door de Gemeenschapsminister wordt aanvaard en die zich ertoe verbindt de betrekkingen van gesubsidieerde contractueel enkel te laten bekleden door personen die begeleid worden in het kader van de Weer- werkactie. Het begeleidingsplan moet een overzicht bevatten van de inspanningen die de werkgever zich voorneemt op het vlak van begeleiding en/of opleiding van de gesubsidieerde contractuelen. De omkaderingspremie bedraagt maximaal 20% van de voor de gesubsidieer- de contractuelen verschuldigde premiebedragen, maar kan slechts verworven worden ten bedrage van de bewezen omkaderingsuitgaven en in zoverre het begeleidingsplan uitgevoerd werd. De werkgever maakt, op straffe van terugvordering, de bewijzen van de omkaderingsuitgaven van ieder kalenderjaar over aan de administratie vóór 31 januari van het daarop volgende kalenderjaar, indien een overeenkomst van onbepaalde duur gesloten werd, en vóór de laatste dag van de maand, volgend op de beëindiging van het project, indien een overeenkomst van bepaalde duur gesloten werd;” Overwegende dat de Gemeenschapsminister van Tewerkstelling overeenkomstig die bepaling de verplichting heeft om de omkaderingspremie toe te kennen wanneer de voorwaarden daartoe vervuld zijn; dat aldus de minister met zijn beslissing van 19 december 1991 het recht op de premie voor het jaar 1991 erkend heeft en dat niet betwist wordt dat hij ook voor het jaar 1992 dergelijke beslissing genomen heeft; dat de omstandigheid dat het uiteindelijk bedrag waarop verzoekster recht heeft slechts vastgesteld kan worden nadat bewijzen zijn aangebracht van daadwerkelijk gedane uitgaven en van de uitvoering van het beleidsplan en dat het bestuur die bewijzen moet aanvaarden - waarbij het niet over een discretionaire IX-529-4/6 beoordelingsbevoegdheid beschikt - niet belet dat verzoekster een subjectief recht heeft op de omkaderingspremie; Overwegende dat de verwerende partij, wanneer zij van verzoekster omkaderingspremies terugvordert omdat de kosten niet voldoende bewezen of gespecifieerd of omdat zij niet verschuldigd waren, ook geen gebruik maakt van een eigen discretionaire bevoegdheid, maar enkel vaststelt dat volgens haar de voorwaarden niet vervuld zijn waaronder het door het ministerieel besluit van 19 december 1991 ingestelde recht op omkaderingspremies ten volle ontstaat of behouden blijft; dat zij evenmin gebruik maakt van een eigen discretionaire bevoegdheid bij de vaststelling van de bedragen die teruggevorderd worden; Overwegende dat met het onderhavige beroep verzoekster wil beletten dat de verwerende partij het recht dat zij haar had toegekend, vermindert; dat tussen de partijen aldus een betwisting bestaat over de omvang van het subjectief recht van verzoekster; dat zij evenwel niet aantoont dat de wetgever de Raad van State bevoegd heeft gemaakt om kennis te nemen van dergelijk geschil over een subjectief recht; dat de bevoegdheid van de judiciële rechter om van dergelijk geschil kennis te nemen, de bevoegdheid van de Raad van State uitsluit; 2.3.3 Overwegende dat de verwerende partij betwist dat zij, door aan verzoekster mee te delen dat tegen het bestreden besluit een annulatieberoep ingediend kon worden, verzoekster in dwaling gebracht heeft en dat daarom de kosten van het geding te haren laste zouden kunnen gelegd worden; dat evenwel, als hiervoor gesteld, elke terugvordering van gelden in het kader van een eerder toegekende omkaderingspremie, buiten de bevoegdheid van de Raad van State valt; dat in die zin de verwerende partij met haar mededeling verzoekster wel degelijk in dwaling gebracht heeft; dat het daarom past de kosten van het geding te haren laste te leggen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. IX-529-5/6 Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf juli 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. L. HELLIN. IX-529-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.014 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.