← België

Arrest 161015 - - 05/07/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 juli 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.015 Rolnummer: A. 64643/IX-1094 Zaak: Arrest 161015 - - 05/07/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-08-02 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-07-01 00:01 Fiche Arrest nr 161.015 van 5 juli 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 161.015 van 5 juli 2006 in de zaak A. 64.643/IX-

  1. In zake : Alphons MARTENS, wonende te GENK, Zonneweeldelaan 17, bus 9 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, p/a de Federale politie Algemeen Commando DGP/DPS, gevestigd te BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Alphons MARTENS op 25 juli 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de ministeriële beslissing van 16 mei 1995 waarbij hem een tijdelijke ambtsontheffing door non-activiteit bij tuchtmaatregel voor een periode van één maand wordt opgelegd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 27 april 1998 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 24 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 juni 2006; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-1094-1/20 Gehoord de opmerkingen van adviseur E. VAN ROSSEM, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de gegevens van de zaak samengevat kunnen worden als volgt: 1.
  4. Verzoeker is lid van de rijkswacht sedert 30 maart
  5. Op 26 juni 1989 werd hij benoemd in de graad van adjudant-chef. Tot 21 februari 1994 was hij diensthoofd van de verkeerspost Houthalen. 1.
  6. Op 31 januari 1994 wordt ten laste van verzoeker een proces- verbaal van inlichtingen opgesteld wegens aanranding van de eerbaarheid van een schoonmaakster van de verkeerspost Houthalen. Het proces-verbaal wordt overgemaakt aan de krijgsauditeur te Brussel. 1.
  7. Dezelfde dag wordt ten laste van verzoeker een proces-verbaal opgesteld wegens het niet voldoen aan de inschrijvingsplicht bij de inverkeerstelling van een voertuig en het gebruik van een geschrapte nummerplaat van zijn vorige voertuig. Dit proces-verbaal wordt overgemaakt aan de procureur des Konings te Hasselt. Deze zaak leidt tot verzoekers tijdelijke ambtsontheffing voor een periode van twee weken op 21 september
  8. Deze beslissing maakt het voorwerp uit van een afzonderlijk annulatieberoep (zaak G/A.66.681/IX-1167). 1.
  9. Op 1 februari 1994 beslist de commandant van de territoriale groep provincie Limburg, in zijn hoedanigheid van korpscommandant, verzoeker wegens voormelde feiten over te plaatsen naar de staf van het district Genk. 1.
  10. Op 16 februari 1994 beslist de kolonel van de hoofddirectie van het personeel van de generale staf dat verzoeker op 21 februari 1994 in het belang van de dienst bij administratieve maatregel overgeplaatst wordt naar de brigade Beringen. IX-1094-2/20 1.
  11. Op 24 maart 1994 informeert de korpscommandant van verzoeker bij de krijgsauditeur te Brussel naar de stand van het gerechtelijk onderzoek in het dossier "aanranding van de eerbaarheid". Op 25 maart 1994 richt hij een gelijkaardige vraag aan de procureur des Konings te Hasselt in verband met het dossier "nummer- plaat". 1.
  12. Op 22 april 1994 wordt verzoeker in opdracht van het krijgsaudi- toraat verhoord in verband met de zaak "aanranding van de eerbaarheid". 1.
  13. Op 10 mei 1994 informeert de korpscommandant opnieuw naar de stand van het gerechtelijk onderzoek in de zaak "aanranding van de eerbaarheid". 1.
  14. Op 20 mei 1994 antwoordt het krijgsauditoraat dat de zaak op 9 mei 1994 zonder gevolg gerangschikt werd. 1.
  15. Op 1 augustus 1994 vraagt de korpscommandant aan de krijgsauditeur toelating om de stukken van het gerechtelijk dossier te mogen gebruiken teneinde eventuele maatregelen van interne of disciplinaire aard te kunnen te treffen. Hij krijgt die toestemming op 5 september
  16. 1.
  17. Op 13 september 1994 geeft de korpscommandant aan de eenheidscommandant opdracht een tuchtonderzoek in te stellen betreffende de door verzoeker gepleegde ongewenste intimiteiten. 1.
  18. Op 19 september 1994 geeft de eenheidscommandant opdracht om een voorafgaand onderzoek in te stellen. Dat voorafgaand onderzoek wordt afgesloten met een verslag van 23 september
  19. 1.
  20. Op 29 september 1994 stelt de commandant van het district Leopoldsburg ten laste van verzoeker een inleidend tuchtverslag op. Het wordt op 7 november 1994 aan verzoeker betekend. 1.14.
  21. Op 3 november 1994 wordt verzoeker opgeroepen om door zijn korpscommandant verhoord te worden. IX-1094-3/20 Met het oog op dat verhoor dient de raadsman van verzoeker op 15 november 1994 een lijst in met de namen van getuigen waarvan hij het verhoor wenst. Aan dat verzoek wordt gevolg gegeven. 1.14.
  22. Op 14 december 1994 dient de raadsman van verzoeker een verweerschrift in. Naar aanleiding hiervan beslist de korpscommandant dat bijkomende getuigenverhoren zullen worden afgenomen. Nadat verzoeker van deze bijkomende getuigenverklaringen in kennis gesteld is, dient zijn raadsman op 17 januari 1995, in het vooruitzicht van een verhoor door de korpscommandant, een aanvullend verweerschrift in. 1.14.
  23. Op 26 januari 1995 beslist de korpscommandant, na verhoor van verzoeker, om op 3 februari 1995, in aanwezigheid van verzoeker, een confrontatie te organiseren tussen getuigen die tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd. Na deze confrontatie wordt verzoeker opnieuw door de korpscommandant verhoord. 1.
  24. Op 7 februari 1995 neemt verzoeker kennis van de beslissing van de korpscommandant om de onderzoeksraad te adiëren met het voorstel tot het opleggen van een non-activiteit bij tuchtmaatregel van vier maanden, met als reden: "Heeft, als diensthoofd van de verkeerspost Houthalen, bij twee gelegenhe- den ongewenste aanrakingen gepleegd op de persoon van de schoonmaakster tijdens haar werkzaamheden in de verkeerspost, derwijze dat deze dame zich ernstig geraakt voelde in haar schaamtegevoel." 1.
  25. Op 23 maart 1995 wordt verzoeker door de onderzoeksraad gehoord. Na beraadslaging adviseert de onderzoeksraad aan verzoeker een non-activiteit bij tuchtmaatregel voor een periode van twee maanden op te leggen, samen met een overplaatsing bij ordemaatregel en een inzetverbod in de provinciale verkeerseenheid Limburg. Het advies stelt vast dat het dossier “in staat van wijzen is”, waarbij de motivatie luidt als volgt: IX-1094-4/20 “Gelet op ons onderzoek van de middelen van de verdediging. Overwegende dat de Krijgsauditeur de zaak op het vlak van de strafvorde- ring zonder gevolg rangschikte op 9 mei
  26. Overwegende dat, ondermeer, uit de verklaring van Luitenant-kolonel VERGHOTE in het proceduredossier (stuk 16 van het proceduredossier) blijkt dat de tuchtprocedure kan verlopen zoals vastgesteld bij de wet van 24 juli 1992 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de rechtstoestanden van het personeel van het actief kader van de Rijkswacht. Overwegende dat de nieuwe tuchtprocedure slechts in werking werd gesteld op 1 juli 1994; dat voor deze datum een tuchtvordering niet kon worden ingesteld zolang de strafprocedure niet was afgelopen; dat in dit dossier derhalve de redelijke termijnen in acht werden genomen; Overwegende dat de middelen van de verdediging met betrekking tot de samenstelling van het dossier en de gevolgde procedure, geen afbreuk doen aan de geldigheid van de adiëring van de Onderzoeksraad; dat de beweerde vooringenomenheid in het onderzoek niet bewezen is en dat alleszins geen afbreuk werd gedaan aan de rechten van de verdediging; dat de verdediging bij de hoorzitting van 23 maart 1995 bevestigt dat zij geen voorbehoud maakt met betrekking tot de inhoud van het proces-verbaal van verhoor door de Korpscommandant a.i. (stuk 29 van het proceduredossier); dat de verdediging tijdens de hoorzitting van 23 maart 1995 zonder enige beperking haar verweermiddelen heeft kunnen uiteenzetten; gezien betrokkene en zijn verdediger zonder voorbehoud kennis namen van de inhoud van het proces-verbaal van de hoorzitting van 23 maart 1995;” Het advies vermeldt voorts, in de rubriek “uiteenzetting van de feiten”: “ADC MARTENS heeft, als diensthoofd van de verkeerspost HOUTHALEN, in dienstverband, de volgende feiten gepleegd in de lokalen van de verkeerspost : Feit A1 In september-oktober 1993 raakte hij opzettelijk met de hand het achterwerk van Mevrouw V. toen deze bezig was met koffiezetten aan de afwasbak van het lokaal. Feit A2 Op 18 januari 1994, omstreeks 14.00 uur, raakte hij opzettelijk met de hand het achterwerk van Mevrouw V. op het ogenblik dat zij in gebukte houding stond om een dweil uit te wringen naar aanleiding van een schoonmaakbeurt in de verkeerspost. Gelet op de talrijke tegenstrijdige verklaringen. Gelet op de moeilijke feitenvinding ingevolge de interne relaties tussen de personeelsleden van de verkeerspost en de verhoudingen tussen het vrouwelijk burgerpersoneel en de Rijkswachters van de verkeerspost. Gelet op de middelen van de verdediging in dit verband. Rekening houdend, in het bijzonder, met de verklaringen afgelegd tijdens het gerechtelijk onderzoek; oordeelt de Raad, bij stemming, dat de feiten A1 en A2 bewezen zijn.” IX-1094-5/20 Het advies stelt voorts dat de feiten “ten laste van verzoeker” gelegd worden en vervolgt in een rubriek “omschrijving van de feiten” en “voorgestelde straf”: “
  27. Tekortkoming aan de ambtsplichten Overwegende dat de goede werking van de Rijkswacht en het welslagen van haar acties vereisen dat haar personeelsleden de deontologische plichten en waarden inherent aan hun staat, onvoorwaardelijk naleven; dat de personeelsleden samen een positieve werksfeer moeten bevorderen; daar ongepaste intimiteiten zoals omschreven bij punt A van onderhavig advies ten opzichte van vrouwen op het werk niet kunnen geduld worden; oordeelt de Raad, bij stemming, dat de feiten A1 en A2 een tuchtvergrijp uitmaken.
  28. De ernst van de feiten Overwegende dat een rangschikking zonder gevolg door het Openbaar Ministerie niet belet dat de tuchtoverheid haar eigen bevoegdheid uitoefent; dat de ernst van de feiten eveneens moet gemeten worden aan de hand van de verstoring aan de goede werking van de Rijkswacht, die de feiten hebben veroorzaakt; dat de ongepaste intimiteiten, zoals omschreven, als ernstig moeten beschouwd worden. Overwegende dat ADC MARTENS, gezien zijn graad en zijn hoedanigheid van diensthoofd, een voorbeeldfunctie had en deze niet heeft waargemaakt; oordeelt de Raad, bij stemming, dat de tuchtvergrijpen ernstig zijn. DE VOORGESTELDE STRAF Gelet op het voorstel van de Korpscommandant dat een non-activiteit bij tuchtmaatregel voor een periode van vier maanden zou opgelegd worden. Rekening houdend met het advies van de Raad met betrekking tot de feiten en hun omschrijving en de gewone gemiddelde staat van dienst enerzijds, en de ernst van de feiten, zoals omschreven, anderzijds; oordeelt de Raad, bij stemming, dat een non-activiteit bij tuchtmaatregel voor een periode van twee maanden zou opgelegd worden.” 1.
  29. Op 16 mei 1995 beslist de minister van Binnenlandse Zaken, na kennisneming van het advies van de onderzoeksraad, verzoeker een non-activiteit bij tuchtmaatregel voor een periode van één maand op te leggen. Dit is de bestreden beslissing. Zij bevat volgende motivering: “(...) Na lezing van het advies van de onderzoeksraad wat de voorgestelde straf betreft, ben ik evenwel van oordeel, rekening houdend met het geheel van de door de onderzoeksraad sinds juli 1994 uitgebrachte adviezen, dat de door de onderzoeksraad voorgestelde periode van twee maanden dient te worden teruggebracht tot een periode van een maand. Bijgevolg leg ik AjdtChef MARTENS een tijdelijk ambtsontheffing door non-activiteit bij tuchtmaatregel voor een periode van een maand op.” IX-1094-6/20 2.1.
  30. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de “nietigheid van de gevoerde procedure”, de schending van de wet van 8 juni1978 tot wijziging van de wet van 27 december 1973 betreffende het statuut van het rijkswachtpersoneel van het actief kader en van sommige andere wetsbepalingen (hierna: de wet van 8 juni 1978) en de schending van de wet van 24 juli 1992 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de rechtstoestanden van het personeel van het actief kader van de rijkswacht (hierna: de wet van 24 juli 1992) aanvoert; dat hij betoogt dat alle nuttige vaststellingen en getuigenverklaringen betreffende de hem ten laste gelegde feiten reeds volledig gekend waren op 31 januari 1994, wat ook blijkt uit de hem reeds op 16 februari 1994 opgelegde bewarende maatregel van overplaatsing naar de brigade Beringen; dat met toepassing van de oude tuchtregels, voorzien bij de wet van 8 juni 1978, de krijgsauditeur de zaak toebedeeld kreeg en zonder gevolg rangschikte op 9 mei 1994, waarbij hij zeer duidelijk gebruik gemaakt heeft van zijn wettelijk keuzerecht, om de zaak niet op tuchtrechtelijk vlak voort te zetten, maar dat zijn oversten gewacht hebben tot na de inwerkingtreding, op 1 juli 1994, van de nieuwe tuchtregels voorzien bij de wet van 24 juli 1992, om vooralsnog een tuchtprocedure te voeren; dat verzoeker van oordeel is dat, zelfs indien de nieuwe tuchtwet van toepassing was, deze wet uitdrukkelijk voorziet in het onmiddellijk instellen van een tuchtprocedure en in een afhandeling van de zaak binnen een redelijke termijn, terwijl te dezen de korpscommandant slechts op 13 september 1994 opdracht gegeven heeft om een tuchtrechtelijk onderzoek in te stellen; 2.1.
  31. Overwegende dat de verwerende partij in het middel twee onder-delen onderkent, vooreerst de schending van de wetten van 8 juni 1978 en van 24 juli 1992, vervolgens de schending van de redelijke termijn doordat het tuchtonderzoek pas 3 maanden na de seponeringsbeslissing van de krijgsauditeur opgestart is; Overwegende dat zij met betrekking tot het eerste onderdeel antwoordt dat een seponeringsbeslissing, zonder uitdrukkelijke verwijzing naar de mogelijkheid van een tuchtrechtelijk onderzoek, zulk tuchtrechtelijk onderzoek niet uitsluit - artikel 44, §1, van de wet van 14 januari 1975 houdende het tuchtreglement van de Krijgsmacht (hierna: de wet van 14 januari 1975) bepaalt dat de krijgs- auditeur, die belast is met de vervolging van een misdrijf dat weinig ernstig schijnt te zijn, de verdachte militair naar diens korpscommandant mag verwijzen om hem krijgstuchtrechtelijk te doen straffen - en zij dienaangaande betoogt wat volgt: “In het voornoemd artikel is enkel sprake van de verwijzing van de ‘verdachte militair naar de korpscommandant’ en niet van ‘een verwijzing van IX-1094-7/20 de zaak naar de Corpstucht [...] om hem krijgsrechtelijk te doen straffen’ (verzoekschrift, p. 4). Aan dit laatste zinsdeel dient de waarde van een eventualiteit te worden gegeven (Memorie van toelichting bij de wet, Parl. St., Kamer 1971-72, 373/1, 9) zodat de modaliteit van de overzending naar de korpscommandant (advies voor tuchtrechtelijke behandeling of niet?) geen enkele bindende waarde heeft voor de bestuurlijke overheid. Deze stelling vindt trouwens steun in artikel 59, van het oude tuchtreglement van 1959, waarin uitdrukkelijk was opgenomen dat de overheid volledig vrij blijft in haar beoordeling (GILISSEN, J., ‘A propos du nouveau règlement de discipline des forces armées’, R.D.P., 1975-76, 345). De leden van het militair auditoraat beschikken over geen enkel injunctierecht ten aanzien van de tot straffen bevoegde hiërarchische meerderen van de verdachte militair, noch wordt door enige wettelijke of reglementaire bepaling, enig rechtsbeginsel of beginsel van behoorlijk bestuur kracht van gewijsde verleend aan een seponeringsbeslissing van het auditoraat of het parket (R.v.St., Nr. 47.493, CROSEMANS, 19 mei 1994)”; dat zij voorts duidt op het non bis in idem-beginsel voorzien bij artikel 42 van de wet van 14 januari 1975, dat bepaalt dat slechts indien een militair strafrechtelijk veroordeeld of onschuldig bevonden is, geen tuchtstraf meer kan worden opgelegd, zodat een seponering niet betekent dat geen tuchtprocedure meer mogelijk is; dat zij de inwerkingtreding van de nieuwe tuchtprocedure niet heeft afgewacht teneinde vooralsnog een tuchtonderzoek te kunnen instellen, omdat de nieuwe tuchtprocedure de situatie niet wijzigde, aangezien een seponeringsbeslissing van de procureur des Konings, net zoals voorheen, niet gebonden is aan de vormvereiste van uitdrukkelijk vermelding van het al dan niet mogelijk zijn van een tuchtprocedure; dat artikel 24/40 van de wet van 27 december 1973 betreffende het statuut van het personeel van het actief kader van het operationeel korps van de rijkswacht (hierna: de wet van 27 december 1973) dat bepaalt dat het openbaar ministerie de verdachte naar de rijkswachtcommandant mag verwijzen om tuchtrechtelijk gestraft te worden in geval van schijnbaar weinig ernstige feiten en zij aanvoert dat de memorie van toelichting bij de wet van 24 juli 1992 uitdrukkelijk vermeldt dat voornoemd artikel 24/40 ingevoerd werd in navolging van artikel 24 van het Wetboek van strafrechtspleging voor het leger, hetwelk inhoudelijk overeenstemt met het voornoemde artikel 44 van de wet van 14 januari 1975; Overwegende dat de verwerende partij betreffende de redelijke termijnvereiste, het tweede onderdeel van het middel, antwoordt dat er van een schending van de wet van 24 juli 1992 geen sprake is, aangezien verzoeker geen concrete wetsbepaling inroept en aangezien zij geen kennis heeft van een bepaling die de redelijke termijnvereiste in tuchtprocedures oplegt, maar zij wel de redelijke termijnvereiste in tuchtzaken erkent als beginsel van behoorlijk bestuur; dat de redelijke termijn afhankelijk is van de complexiteit van de zaak en de houding van IX-1094-8/20 verzoeker en van de gerechtelijke overheden, maar ook van de concrete omstandigheden van de zaak, zoals onder meer de mogelijkheid voor de overheid om over alle feitelijke gegevens, inlichtingen en adviezen te beschikken om tot een eindbeslissing te kunnen komen; dat te dezen de redelijke termijn niet manifest overschreden werd, aangezien op 31 januari 1994 een proces-verbaal werd opgesteld en toegezonden aan de krijgsauditeur, dat reeds op 24 maart 1994 de luitenant- kolonel naar de stand van zaken in het gerechtelijk dossier “aanranding van de eerbaarheid” vroeg, op 25 maart 1994 hij de procureur des Konings te Hasselt om hetzelfde verzocht betreffende het gerechtelijk dossier “nummerplaat”, op 6 mei 1994 de procureur des Konings meldt dat het gerechtelijk dossier “nummerplaat” aan de krijgsauditeur werd overgemaakt, op 10 mei 1994 de luitenant-kolonel opnieuw informeert naar het gerechtelijk dossier “aanranding van de eerbaarheid”, op 20 mei 1994 hij kennis krijgt van de seponering van dit dossier, op 21 juni 1994 verzoekers raadsman in kennis wordt gesteld van de overzending van het dossier “nummerplaat” aan de krijgsauditeur en van het feit dat dienaangaande nog geen enkele mededeling werd gedaan, dat ondanks de initiële bedoeling beide dossiers tuchtrechtelijk samen te behandelen, ze gesplitst werden wegens onvoldoende feitelijke elementen betreffende het dossier “nummerplaat”, bijgevolg op 1 augustus 1994 om toestemming verzocht werd aan de krijgsauditeur voor het gebruik van stukken uit het gerechtelijk dossier “aanranding van de eerbaarheid”, op 16 augustus 1994 deze vraag herhaald werd, op 5 september 1994 deze toestemming verleend werd en op 13 september 1994 de tuchtprocedure gestart, zodat, verwijzend naar de rechtspraak van de Raad van State waarbij een termijn van onder meer drieënhalf jaar en vier jaar als abnormaal lang werden gesanctioneerd, te dezen de redelijke termijn niet werd geschonden, te meer omdat de overheid voldoende initiatief nam voor een spoedige en coherente afhandeling van het dossier, wat blijkt uit de vele interventies bij de bevoegde instanties en de onmogelijkheid om de beide dossiers op grond van het vastgestelde verband samen te behandelen; 2.1.
  32. Overwegende dat de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord repliceert dat de loutere seponering door de krijgsauditeur, zonder enige verwijzing naar het instellen van een tuchtprocedure, slechts kan betekenen dat de krijgsauditeur oordeelde dat de feiten ofwel niet bewezen waren ofwel te dubieus waren om een vervolging in te stellen, zo niet zou de krijgsauditeur verwezen hebben naar een tuchtprocedure -wat te dezen niet gebeurde-, bijvoorbeeld indien hij de feiten weliswaar bewezen achtte, maar het misdrijf weinig ernstig leek; dat verzoeker betwist dat de verwijzing naar de korpscommandant om een tuchtonderzoek in te IX-1094-9/20 stellen geen enkele bindende waarde zou hebben voor het bestuur, aangezien onder het oude tuchtrecht het bestuur slechts na de beslissing van de gerechtelijke overheid een tuchtprocedure kon instellen, wat duidt op de afhankelijkheid van het optreden van de gerechtelijke overheid en wat niet in strijd is met de door de verwerende partij aangehaalde rechtspraak van de Raad van State in het arrest Crosemans, nr. 47.493 van 19 mei 1994, die slechts het principe bevestigt dat bijvoorbeeld bij een verwijzing door de krijgsauditeur naar de korpscommandant, deze laatste volledig vrij is al dan niet een tuchtprocedure in te stellen of al dan niet een tuchtmaatregel op te leggen; dat verzoeker betoogt dat de verwerende partij bezwaarlijk kan stellen dat er geen verschil bestaat tussen de nieuwe en de oude tuchtprocedure, aangezien het nieuwe tuchtreglement voorziet dat thans niet meer gewacht dient te worden op een beslissing van de gerechtelijke overheid om een tuchtprocedure in te stellen; Overwegende dat, wat de redelijke termijnvereiste betreft, verzoeker aanvoert dat reeds op 18 februari 1994 het onderzoek werd afgesloten en overgemaakt aan het parket te Hasselt, de krijgsauditeur met een brief van 20 mei 1994 de luitenant-kolonel in kennis stelt van de seponeringsbeslissing van 9 mei 1994 en pas op 13 september 1994 de luitenant-kolonel opdracht geeft de tuchtprocedure in te stellen, steunend op het oude tuchtreglement, meer bepaald de wet van 8 juni 1978, zodat er gedurende vier maanden voorafgaand aan het instellen van de tuchtprocedure niets meer gebeurde; dat op 13 september 1994 de nieuwe tuchtwet reeds in werking was getreden, meer bepaald sedert 1 juli 1994, zodat een tuchtprocedure steunend op een oude, op het ogenblik van het instellen van de procedure niet meer van kracht zijnde regelgeving, als nietig beschouwd moet worden; dat hij “ten zeerste verwonderd is” dat de verwerende partij voor het eerst in haar memorie van antwoord de initiële bedoeling vermeldt om beide dossiers - “nummerplaat” en “ongewenste intimiteiten”- samen tuchtrechtelijk te behandelen, aangezien dit onjuist is en niet met de werkelijkheid overeenstemt; dat de samenvoeging van beide dossiers niet onmogelijk was, aangezien de tuchtoverheid de feiten betreffende het dossier “nummerplaat” reeds sedert januari 1994 kende, aangezien in het kader van de op 1 juli 1994 in werking getreden nieuwe tuchtregels, de tuchtoverheid op 13 september 1994 niet meer de mogelijkheid had om tot een afzonderlijke behandeling te besluiten en aangezien het door de verwerende partij aangehaalde argument, dat zij op 13 september 1994 nog geen kennis had van de beslissing van de gerechtelijke overheid in het dossier “nummerplaat”, onterecht is, omdat de nieuwe tuchtregels, in werking getreden op 1 juli 1994, niet meer voorzien in het afwachten van een beslissing van de gerechtelijke overheid; IX-1094-10/20 2.1.
  33. Overwegende dat, wat de redelijke termijnvereiste betreft, verzoeker in zijn laatste memorie het auditoraatsverslag betwist, waar dit aanvaardt dat het abnormaal lang wachten met het inleiden van de tuchtprocedure gerechtvaardigd wordt door het wachten van de tuchtoverheid op mededeling van stukken uit het strafdossier; dat de tuchtoverheid reeds over voldoende informatie beschikte om zelfs vóór 20 mei 1994, de datum van de seponeringsbeslissing, de tuchtprocedure in te leiden, dat krachtens de nieuwe tuchtregels, in werking getreden op 1 juli 1994, de tuchtoverheid niet diende te wachten op enige beslissing van de krijgsauditeur en dat het argument, dat de initiële bedoeling van de tuchtoverheid het samenvoegen van beide dossiers was, uitsluitend berust op een verklaring van de tuchtoverheid zelf, die tegengesproken wordt door het feit dat de tuchtoverheid de dossiers uiteindelijk toch apart behandelde, terwijl zij beide dossiers perfect samen had kunnen behandelen in één procedure, had zij dit werkelijk gewild; dat verzoeker van oordeel is dat de verklaring van de tuchtoverheid voor het lange wachten in de tuchtprocedure er enkel een is “pour les besoins de la cause” en zelfs duidelijk in strijd is met de feiten en de werkelijkheid; 2.1.
  34. Overwegende dat artikel 44 van de wet van 14 januari 1975, artikel 24 van de wet van 15 juni 1899 houdende titel I van het Wetboek van militaire strafvordering vervangen heeft en luidt als volgt: “(...) Artikel
  35. §
  36. Het gewone of het militair openbaar ministerie, de kamer van inbeschuldigingstelling of de raadkamer, de rechterlijke commissie bij het Militair Gerechtshof of bij een krijgsraad en elke strafrechtbank die wordt belast met de vervolging van een misdrijf dat weinig ernstig schijnt te zijn, mogen de verdachte militair naar diens korpscommandant verwijzen om hem krijgstuchtelijk te doen straffen. (...)”; dat de wet van 24 juli 1992 in de wet van 27 december 1973 een nieuw tuchtstatuut invoegt, dat, krachtens het koninklijk besluit van 17 juni 1994 betreffende de inwerkingtreding van bepalingen van de wet van 24 juli 1992 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de rechtstoestanden van het personeel van het actief kader van de rijkswacht en tot wijziging van het koninklijk besluit van 25 april 1979 betreffende het ambt en de ambtsontheffing van het personeel van het operationeel korps van de rijkswacht (hierna: het koninklijk besluit van 17 juni 1994), in werking is getreden op 1 juli 1994; dat artikel 24/40 van de wet van 27 december 1973, zoals ingevoegd bij artikel 5 van de wet van 24 juli 1992, luidt als volgt: IX-1094-11/20 “Iedere strafrechtsmacht die belast wordt met de vervolging van een misdrijf dat weinig ernstig schijnt te zijn, mag het personeelslid-verdachte naar de commandant van de rijkswacht verwijzen om tuchtrechtelijk te worden gestraft. Dezelfde bevoegdheid wordt verleend aan het openbaar ministerie, alsmede aan de raadkamer en aan de kamer van inbeschuldigingstelling.”; dat bij de parlementaire voorbereiding van de wet van 24 juli 1992 gesteld werd dat artikel 24/40 ingevoerd werd “in navolging van wat artikel 24 van het wetboek van strafrechtspleging voor het leger thans bepaalt”; dat noch uit voornoemd artikel 44 noch uit voornoemd artikel 24/40 volgt dat de beslissing van de krijgsauditeur om de zaak te seponeren het bestuur belet een tuchtvordering in te stellen; dat de beslissing van het openbaar ministerie om een zaak te seponeren de tuchtoverheid niet verhindert om, wat ook de reden van de seponering mag geweest zijn, de zaak tuchtrechtelijk te onderzoeken, de inbreuk op de tucht bewezen te achten en te besluiten dat er redenen zijn om een tuchtstraf op te leggen; dat de opportuniteitsredenen die het openbaar ministerie in aanmerking neemt om tot strafrechtelijke seponering te besluiten in beginsel niet gelden bij de uitoefening van de tuchtrechtelijke bevoegdheid en dat de beslissing tot seponering geen gezag van gewijsde heeft; dat de omstandigheid dat het openbaar ministerie de zaak heeft geseponeerd niet betekent dat de feiten als niet bestaande moeten worden beschouwd en evenmin dat de beoordelingsbevoegdheid van de tuchtoverheid op het stuk van de strafmaat beperkt wordt; dat bijgevolg de seponering door de krijgsauditeur in dit geval de verwerende partij niet de bevoegdheid ontnomen heeft om een tuchtvordering in te stellen, ongeacht de vraag of de zaak onder de oude dan wel de nieuwe tuchtwet valt; Overwegende dat, wat de redelijke termijnvereiste betreft, uit het voorgaande blijkt dat de tuchtoverheid niet genoodzaakt was de inwerkingtreding van de nieuwe tuchtwet op 1 juli 1994 af te wachten om een tuchtprocedure in te leiden; dat, gezien voornoemd artikel 44 en voornoemd artikel 24/40 gelijkluidend zijn, de tuchtoverheid bezwaarlijk de toepassing van de oude tuchtregels ontweken kan hebben; dat de vertraging van de tuchtprocedure, na de mededeling van de seponering door de krijgsauditeur op 20 mei 1994, te wijten is aan het feit dat er op dat ogenblik nog geen beslissing was genomen door de gerechtelijke overheid in het dossier “nummerplaat” terwijl de tuchtoverheid initieel de gezamenlijke behandeling van de dossiers “nummerplaat” en “aanranding van de eerbaarheid” beoogde, zoals blijkt uit de verklaring van de luitenant-kolonel op 28 december 1994; dat verzoeker niet aantoont dat de verwerende partij geen reden had om, zolang het strafrechterlijk onderzoek lopende was, op tuchtrechtelijk vlak geen initiatieven te nemen; dat, naar IX-1094-12/20 aanleiding van het uitblijven van een beslissing van de gerechtelijke overheid in het dossier “nummerplaat”, de luitenant-kolonel de behandeling van beide dossiers opsplitste en op 1 augustus 1994 hij de krijgsauditeur om toestemming verzocht stukken te kunnen raadplegen uit het gerechtelijk dossier “aanranding van de eerbaarheid”, wat hij herhaalde op 16 augustus 1994 en waarvoor hij de toestemming kreeg op 5 september 1994, om zo op 13 september 1994 opdracht te geven de tuchtprocedure in te leiden; dat te dezen, voor zover zulks binnen de toetsingsbevoegdheid van de Raad van State valt, vastgesteld wordt dat aldus de redelijke termijn niet overschreden is; dat het middel in geen van zijn onderdelen gegrond is; 2.2.
  37. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel machtsafwending aanvoert, doordat de tuchtoverheid getalmd heeft om alzo de tuchtprocedure te kunnen inleiden na de inwerkingtreding van de nieuwe tuchtregels op 1 juli 199; 2.2.
  38. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de Raad van State reeds meerdere malen het principe van machtsafwending gedefinieerd heeft; dat zij voorts betoogt dat, ongeacht de vraag of verzoeker gegevens aanbrengt die wijzen op machtsafwending, dat middel subsidiair is en enkel in aanmerking genomen wordt indien geen middelen geput worden uit het principe van machtsoverschrijding, en enkel de algemene vergadering van de afdeling administratie van de Raad van State bevoegd is; dat, indien het middel alsnog in aanmerking genomen wordt, zij verwijst naar hetgeen zij inzake het eerste middel betoogde; 2.2.
  39. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord repliceert dat, gezien de gegevens van het dossier en de houding van de tuchtoverheid, er wel degelijk sprake is van machtsoverschrijding en zeker van machtsafwending; dat hij betoogt dat de onderzoeksraad op 23 maart 1995 ten onrechte vastgesteld heeft dat de nieuwe tuchtprocedure gevolgd kon worden, aangezien die op 13 september 1994 ingeleid werd steunend op de oude tuchtwet van 8 juli 1978, zoals uitdrukkelijk door de tuchtoverheid werd vermeld, terwijl op 1 juli 1994 het oude tuchtreglement buiten werking is getreden en er na 13 september 1994 geen nieuwe tuchtprocedure, steunend op de nieuwe tuchtwet, werd ingeleid; dat de verwerende partij ten onrechte stelt dat de tuchtprocedure onder de oude tuchtwet niet zomaar vanaf de kennisgeving van de seponering op 20 mei 1994 ingeleid kon worden, maar eerst het gerechtelijk dossier diende aangevraagd te worden, aangezien het onmogelijk is in augustus 1994, op het ogenblik dat sedert 1 IX-1094-13/20 juli 1994 de nieuwe tuchtwet van toepassing was, zich nog te steunen op een niet meer van kracht zijnde tuchtwet; dat de verwerende partij ten onrechte betoogt dat de beide dossiers gesplitst werden met het oog op het naleven van de redelijke termijnvereiste, aangezien op 13 september 1994 de nieuwe tuchtwet reeds in werking was getreden en deze voorziet dat de tuchtoverheid niet meer zoals voorheen dient te wachten op de beslissing van de gerechtelijke overheid en daarentegen alle bekende feiten in één tuchtprocedure dient te behandelen; dat volgens hem dit alles, samen met het feit dat de tuchtoverheid reeds in februari 1994 volledige kennis had van alle informatie inzake het dossier “nummerplaat”, gezien zij zelf het hele onderzoek voerde en processen-verbaal opstelde, aantoont dat er wel degelijk sprake is van machtsoverschrijding, subsidiair machtsafwending; 2.2.
  40. Overwegende dat uit het onderzoek van het eerste middel blijkt dat de visie, dat de tuchtoverheid de inwerkingtreding van de nieuwe tuchtwet heeft afgewacht omdat onder de oude tuchtwet geen tuchtvordering mogelijk was, ongegrond is; dat er bijgevolg geen sprake is van machtsafwending; dat het middel ongegrond is; 2.3.
  41. Overwegende dat verzoeker in een derde middel machtsoverschrijding aanvoert, meer bepaald het steunen op onjuiste of op juridisch onaanvaardbare motieven, aangezien de bestreden beslissing steunt op het advies van 23 maart 1995 van de onderzoeksraad, dat ten onrechte stelt dat de tuchtprocedure gevolgd kon worden zoals voorzien bij de nieuwe tuchtwet, alsook ten onrechte stelt dat voor 1 juli 1994 geen tuchtprocedure kon worden ingeleid zolang de strafprocedure niet was beëindigd, terwijl de seponering reeds dateerde van 9 mei 1994 en bovendien eerst stelt dat het tuchtdossier steunt op “talrijke tegenstrijdige verklaringen”, om vervolgens te stellen dat de feiten bewezen zijn; 2.3.
  42. Overwegende dat de verwerende partij, wat verzoekers stelling betreft dat de onderzoeksraad ten onrechte vaststelde dat de nieuwe tuchtprocedure kon worden toegepast, verwijst naar haar uiteenzetting bij het eerste middel; dat zij betwist dat de kennisgeving van de seponering door de krijgsauditeur op 20 mei 1994 volstond om de tuchtprocedure in te leiden, aangezien de tuchtoverheid initieel de bedoeling had beide dossiers samen te behandelen, zoals blijkt uit de verklaring van de luitenant-kolonel op 28 december 1994 en waarvan verzoekers raadsman reeds in kennis gesteld was met de brief van 21 juni 1994 en waarbij deze nooit enig voorbehoud maakte, maar met het oog op het naleven van de redelijke IX-1094-14/20 termijnvereiste genoodzaakt werd beide dossiers te splitsen en aangezien krachtens de verplichtingen voorzien bij artikel 125 van het koninklijk besluit van 28 december 1950 houdende het algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken op 1 en 16 augustus 1994 toestemming gevraagd werd om de stukken uit het strafdossier te gebruiken teneinde iedere onwettigheid bij de feitenvinding uit te sluiten, die pas verleend werd op 5 september 1994; dat zij, wat verzoekers stelling inzake de “tegenstrijdige verklaringen” betreft, verwijst naar de bespreking van het vierde middel; 2.3.
  43. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord, wat het derde middel betreft, hetzelfde aanvoert als bij het tweede middel; 2.3.
  44. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie aanvoert dat het auditoraatsverslag correct vermeldt dat het inleidend verslag hem op 7 november 1994 betekend werd, maar ten onrechte stelt dat de onderzoeksraad op 23 maart 1995 terecht geoordeeld heeft dat de tuchtprocedure diende te verlopen volgens de nieuwe tuchtwet, aangezien op 13 september 1994 de tuchtprocedure werd ingeleid steunend op de oude tuchtwet, zoals de luitenant-kolonel uitdrukkelijk vermeldde, terwijl de oude tuchtwet buiten werking was getreden op 1 juli 1994 en er na 13 september 1994 geen nieuwe tuchtprocedure meer ingeleid werd, steunend op de op dat ogenblik van kracht zijnde nieuwe tuchtwet; 2.3.
  45. Overwegende dat de wet van 24 juli 1992 krachtens het koninklijk besluit van 17 juni 1994 in werking is getreden op 1 juli 1994; dat artikel 27, § 2,1/, van de wet van 24 juli 1992 bepaalt dat de wet van 14 januari 1975 en het koninklijk besluit van 19 juni 1980 betreffende de militaire tuchtprocedure van toepassing blijven “op de tuchtrechtsplegingen ten laste van de personeelsleden van de rijkswacht waarin het inleidend verslag aan de betrokken personeelsleden reeds ter kennis is gebracht op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet”; dat in de onderhavige zaak het inleidend verslag aan verzoeker betekend werd op 7 november 1994, zodat de onderzoeksraad bijgevolg terecht oordeelde dat de tuchtprocedure diende te verlopen volgens de nieuwe tuchtwet van 24 juli 1992; dat de onderzoeksraad ook terecht oordeelde dat voor 1 juli 1994 geen tuchtprocedure kon worden ingeleid zolang de strafprocedure niet was beëindigd, hoewel het dossier “aanranding van de eerbaarheid” reeds op 9 mei 1994 geseponeerd werd, aangezien de tuchtoverheid de initiële bedoeling had beide dossiers samen te behandelen, maar een gerechtelijke beslissing in het dossier “nummerplaat” uitbleef, zoals besproken IX-1094-15/20 bij het eerste middel; dat, wat de “tegenstrijdige getuigenverklaringen” betreft, verwezen wordt naar de bespreking van het vierde middel; dat het middel, onder dat voorbehoud, ongegrond is; 2.4.
  46. Overwegende dat verzoeker in een vierde middel de schending aanvoert van “de wet” en van “de rechten van verdediging”; dat hij betoogt dat zowel hijzelf uitvoerig tijdens het tuchtonderzoek, als de onderzoeksraad, door in haar advies van 23 maart 1995 te verwijzen naar “talrijke tegenstrijdige verklaringen”, gewezen heeft op “de talrijke onjuistheden, tegenstrijdigheden en duidelijke onwaarheden, zowel in de verklaringen afgelegd door de verschillende beweerde getuigen der feiten als door het beweerde slachtoffer zelf”; dat desondanks en in strijd met de objectieve gegevens van het dossier, de onderzoeksraad oordeelde dat de feiten “als bewezen” dienen te worden beschouwd; dat zijn rechten van verdediging ook tijdens het tuchtonderzoek op het niveau van de korpscommandant voortdurend geschonden werden, aangezien, telkens hij opmerkte dat bepaalde getuigen of het beweerde slachtoffer duidelijke onwaarheden of tegenstrijdigheden naar voren brachten, de tuchtprocedure opgeschort werd teneinde deze personen toe te laten in bijkomende verklaringen die onwaarheden of tegenstrijdigheden te wijzigen of te herroepen, al dan niet na voorafgaandelijk overleg; 2.4.
  47. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat volgens vaste rechtspraak van de Raad van State het deze niet toekomt een onderzoek te voeren naar het bewezen zijn van de feiten, maar enkel na te gaan of het tuchtonderzoek behoorlijk verricht is en uitgaande van de gegevens de overheid in alle redelijkheid de beslissing kon nemen, zonder zich bij de beoordeling van de concrete gegevens in de plaats te mogen stellen van het bestuur; dat verzoeker veeleer een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel opwerpt dan een schending van de rechten van verdediging en zij zich terzake zal verdedigen zoals zij het meent begrepen te hebben; dat, wat de “opschorting” van de procedure betreft, zij met een “maximaal respect” voor de rechten van verdediging een verweerschrift steeds heeft doen volgen door een bijkomend onderzoek teneinde tot een uiterst zorgvuldige feitenvinding te komen betreffende tegenstrijdigheden en deze “opschortingen” precies gericht waren op de bescherming van door verzoeker als geschonden beschouwde rechten, zodat volgens haar, verzoeker niet het bewijs levert van enig belang of enige belangenschade terzake; dat verzoeker tijdens zijn eerste gerechtelijk verhoor de feiten, zoals vermeld in de bestreden beslissing -“aanraken van het achterwerk”-, in dezelfde bewoordingen heeft bekend en de latere nuanceringen, aangebracht door de vele verklaringen en IX-1094-16/20 verweerschriften, minstens overeenstemmende vermoedens zijn die een voldoende bewijs opleveren; dat de Raad van State wel minstens kan vaststellen, steunend op de stukken van het dossier, dat verzoeker in zijn verweerschriften op niet afdoende wijze de hem ten laste gelegde feiten heeft weerlegd, zodat de verwerende partij redelijkerwijze kon concluderen dat de in de bestreden beslissing vermelde feiten plaatsvonden; 2.4.
  48. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord repliceert dat de verwerende partij onmogelijk in alle redelijkheid de bestreden beslissing kon nemen, rekening houdend met de gegevens waarover zij op dat ogenblik beschikte, aangezien de bestreden beslissing steunt op het advies van de onderzoeksraad van 23 maart 1995, dat eerst stelt dat het tuchtdossier “talrijke tegenstrijdige verklaringen” bevat, om daarna zonder meer te stellen dat de feiten “als bewezen” dienen geacht te worden en aangezien uit het tuchtdossier eenduidig blijkt dat de tegenstrijdigheden zich niet voordoen tussen de verklaringen van verzoeker zelf enerzijds en het beweerde slachtoffer en de getuigen anderzijds, maar wel tussen de verklaringen van het beweerde slachtoffer zelf en de getuigen en tussen de verklaringen van de getuigen onderling, wat door verzoeker in detail werd uiteengezet in zijn opeenvolgende besluiten en gestaafd wordt door de stukken; dat, indien er geen sprake kan zijn van een schending van de rechten van verdediging, dit alles minstens een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel is; dat hij aanvoert dat het “nogal ongeloofwaardig en zelfs als tergend overkomt” wanneer de verwerende partij spreekt van een “maximaal respect” voor de rechten van verdediging inzake de opschorting van de procedure teneinde het slachtoffer en de getuigen toe te laten hun tegenstrijdige verklaringen na overleg te “herstellen” of “aan te passen”; dat de stelling van de verwerende partij, dat hij de feiten -“aanraken van het achterwerk”- bekend zou hebben, strijdig is met de objectieve gegevens van het onderzoek, aangezien hij in zijn verklaring van 22 april 1994 op het gerechtelijk detachement te Brussel immers letterlijk gesteld heeft: “Ik zou V. dan in het voorbijgaan in de gang, met mijn hand op het achterwerk aangeraakt hebben ... . Ik kan mij dit voorval, met de beste wil van de wereld niet meer herinneren ...” en “verder in zijn verklaring specifieert dat, indien dit al mocht gebeurd zijn, dit feit zonder enige bijbedoeling van zijnentwege moet hebben plaatsgevonden” en hij dienaangaande duidt op het “Tuchtstatuut versie Korpscommandant dd. 15/06/1994” volgens hetwelk “de beoordeling van de objectieve en de subjectieve gegevens, eigen aan het vergrijp, de persoonlijkheid van de dader etc... evenveel criteria zijn die de overheid moeten leiden bij de uitoefening van haar discretionaire bevoegdheid”, wat te dezen niet IX-1094-17/20 gebeurd is; dat hij, waar de verwerende partij stelt dat hij “niet genoegzaam de onwaarachtigheid van de hem ten laste gelegde feiten aantoont”, stelt dat hij dit wel degelijk heeft gedaan in zijn opeenvolgende besluiten, gestaafd door de stukken van het tuchtdossier, maar dat het anderzijds hem niet toekomt, ook niet in een tuchtprocedure, om zijn onschuld te bewijzen via omdraaiing van de bewijsprincipes, wat meestal vanzelfsprekend onmogelijk is; 2.4.
  49. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie aanvoert dat het auditoraatsverslag ten onrechte stelt dat de tuchtoverheid naar recht en redelijkheid heeft geoordeeld dat de hem ten laste gelegde feiten bewezen zijn; dat, aangezien het tuchtonderzoek steunt op ongewenste seksuele intimiteiten op het werk, zijn verklaringen geïnterpreteerd dienen te worden in het licht van de aard en de specificiteit van de hem ten laste gelegde feiten en deze feiten beoordeeld moeten worden in het licht van zijn intentie, bedoelingen en opzet, zodat volgens hem in deze context niet kan aanvaard worden dat hij de hem ten laste gelegde feiten niet zou ontkend hebben, maar enkel geminimaliseerd, zoals gesteld wordt in het auditoraatsverslag; dat hij in zijn verklaringen ontegensprekelijk gesteld heeft dat enige aanraking met de poetsvrouw slechts een spontane reactie van hem was zonder enige bijbedoeling, zowel wat betreft de feiten daterend van september-oktober 1993 als die van 18 januari 1994; dat hij dienaangaande nogmaals verwijst naar het “tuchtstatuut, versie korpscommandant dd. 15 juni 1994”; dat bezwaarlijk aangenomen kan worden dat de verwerende partij in deze omstandigheden redelijkerwijze de bestreden beslissing nam, rekening houdend met de gegevens waarover zij op dat ogenblik beschikte; dat er niet eerst kan vastgesteld worden dat het dossier steunt op “talrijke tegenstrijdige verklaringen”, om daarna zonder meer te stellen dat de feiten bewezen zijn en om dan ter rechtvaardiging daarvan zijn verklaringen betreffende de feiten uit hun context te halen en compleet fout te interpreteren als zijnde een poging tot het minimaliseren ervan en zelfs een bekentenis; 2.4.
  50. Overwegende dat wanneer de feiten betwist worden, de Raad van State niet als rechter in hoger beroep dient uit te maken wat naar zijn oordeel als de juiste toedracht van de aan de tuchtsanctie ten grondslag liggende feiten moet worden beschouwd; dat hij echter wel dient na te gaan of de tuchtoverheid naar recht en redelijkheid tot haar voorstelling van de feiten is gekomen, meer bepaald of die overheid de zorgvuldigheidsplicht bij de feitenvinding heeft in acht genomen; dat het feit dat de getuigen in de onderhavige zaak tegenstrijdige verklaringen hebben IX-1094-18/20 afgelegd, niet bewijst dat de tuchtoverheid niet naar recht en redelijkheid tot haar voorstelling van de feiten is gekomen; dat er bezwaarlijk kan aangenomen worden dat het feit, dat die verklaringen tot bijkomende verhoren aanleiding hebben gegeven, een schending van het recht van verdediging zou kunnen inhouden; dat daarentegen een tuchtoverheid een gebrek aan zorgvuldigheid zou kunnen verweten worden indien zij, naar aanleiding van die tegenstrijdigheden, niet tot een bijkomend onderzoek zou zijn overgegaan; dat bovendien de onderzoeksraad bij haar beoordeling in het bijzonder rekening gehouden heeft met de verklaringen afgelegd tijdens het gerechtelijk onderzoek; dat verzoeker daarbij volgende verklaring aflegde met betrekking tot de feiten daterend van september-oktober 1993: “Ik kan me dit voorval met de beste wil niet herinneren. Het zal wel gebeurd zijn dat ik haar in het voorbij gaan met de hand op het achterwerk aangeraakt heb, doch ik wil hier terug aanstippen dat dit zeker zonder enige bijbedoeling gebeurd is” en volgende verklaring met betrekking tot de feiten daterend van 18 januari 1994: “In de gang bemerkte ik de kuisvrouw V., zij was op dat ogenblik de dweil aan het uitwringen. Gezien zij zich normaal ook bezighoudt met de bedeling van koffie tikte ik haar met mijn hand op haar achterwerk en vroeg haar om ons een tas koffie te bezorgen. Dit was een spontane reaktie zonder enige bijbedoeling”; dat verzoeker de feiten bijgevolg niet ontkent, maar ze wel minimaliseert; dat dus de tuchtoverheid naar recht en redelijkheid heeft kunnen oordelen dat de aan verzoeker ten laste gelegde feiten - “aanraking van het achterwerk”- bewezen zijn, ongeacht de intentie van verzoeker; dat het onderzoek naar de intentie van verzoeker bij -of de juiste toedracht van- de feiten, niet aan de Raad van State toekomt; dat het middel ongegrond is, IX-1094-19/20 BESLUIT: Artikel
  51. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  52. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf juli 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. L. HELLIN. IX-1094-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.015 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.