id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 juli 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.016 Rolnummer: A. 66681/IX-1167 Zaak: Arrest 161016 - - 05/07/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-08-02 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-07-01 00:02 Fiche Arrest nr 161.016 van 5 juli 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 161.016 van 5 juli 2006 in de zaak A. 66.681/IX-
- In zake : Alphons MARTENS, wonende te GENK, Zonneweeldelaan 17, bus 9 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, p/a de Federale Politie Algemeen Commando DGP/DPS, gevestigd te BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Alphons MARTENS op 1 december 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 21 september 1995 van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij hem een tijdelijke ambtsontheffing door non-activiteit bij tuchtmaatregel voor een periode van twee weken wordt opgelegd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 30 juni 1998 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting en de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 30 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 juni 2006; IX-1167-1/14 Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van adviseur E. VAN ROSSEM, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Verzoeker is lid van de rijkswacht sedert 30 maart
- Op 26 juni 1989 werd hij benoemd in de graad van adjudant-chef. Tot 21 februari 1994 was hij diensthoofd van de verkeerspost Houthalen. 1.
- Op 31 januari 1994 wordt ten laste van verzoeker een proces- verbaal van inlichtingen opgesteld wegens het niet voldoen aan de inschrijvingsplicht bij de inverkeerstelling van een voertuig en het gebruik van een geschrapte nummerplaat. Het proces-verbaal wordt overgemaakt aan de procureur des Konings te Hasselt. 1.
- Dezelfde dag wordt ten laste van verzoeker een proces-verbaal opgesteld wegens aanranding van de eerbaarheid op de persoon van een schoonmaakster van de verkeerspost Houthalen. Het proces-verbaal wordt overgemaakt aan de krijgsauditeur te Brussel. 1.
- Op 1 februari 1994 beslist de commandant van de territoriale groep provincie Limburg, in zijn hoedanigheid van korpscommandant, verzoeker wegens voormelde feiten over te plaatsen naar de staf van het district Genk. 1.
- Op 16 februari 1994 beslist de kolonel van de hoofddirectie van het personeel van de generale staf dat verzoeker op 21 februari 1994 in het belang van de dienst bij administratieve maatregel overgeplaatst wordt naar de brigade Beringen. IX-1167-2/14 1.
- Op 24 maart 1994 informeert de korpscommandant bij de krijgsauditeur te Brussel naar de stand van het gerechtelijk onderzoek in het dossier "aanranding van de eerbaarheid". Op 25 maart 1994 richt hij een gelijkaardige vraag aan de procureur des Konings te Hasselt met betrekking tot het dossier "nummerplaat". Op 6 mei 1994 antwoordt de procureur des Konings dat het dossier werd overgemaakt aan de krijgsauditeur te Brussel. 1.
- Op 10 mei 1994 informeert de korpscommandant opnieuw naar de stand van het gerechtelijk onderzoek in de zaak "aanranding van de eerbaarheid". Op 20 mei 1994 antwoordt het krijgsauditoraat dat de zaak op 9 mei 1994 zonder gevolg gerangschikt werd. 1.
- Op 7 juli 1994 wordt verzoeker in opdracht van het krijgsauditoraat verhoord in verband met de zaak "nummerplaat". Op 20 juli 1994 wordt overgegaan tot het verhoor van bijkomende getuigen en op 27 juli 1994 tot het inwinnen van inlichtingen bij de Directie Inschrijving Voertuigen te Brussel. 1.
- Op 1 augustus 1994 vraagt de korpscommandant aan de krijgsauditeur toelating om de stukken van het strafdossier "aanranding van de eerbaarheid" te mogen gebruiken teneinde eventuele maatregelen van interne of disciplinaire aard te kunnen treffen. Na een heraanvraag op 16 augustus 1994 verleent de krijgsauditeur hiervoor toestemming op 5 september
- Op 13 september 1994 geeft de korpscommandant aan de eenheidscommandant opdracht een tuchtonderzoek in te leiden met betrekking tot de door verzoeker gepleegde ongewenste intimiteiten. Deze procedure leidt uiteindelijk tot de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 16 mei 1995 waarbij aan verzoeker een tijdelijke IX-1167-3/14 ambtsontheffing door non-activiteit bij tuchtmaatregel voor een periode van één maand wordt opgelegd. Die beslissing maakt het voorwerp uit van een afzonderlijk vernietigingsberoep (zaak G/A.64.643/IX-1094). 1.
- Op 21 december 1994 informeert verzoekers eenheidscommandant bij het krijgsauditoraat naar de stand van zaken met betrekking tot het dossier "nummerplaat". Op 23 december 1994 wordt geantwoord dat het dossier op 1 augustus 1994 zonder gevolg gerangschikt werd. 1.
- Op 23 januari 1995 vraagt de eenheidscommandant de mededeling van het gerechtelijk dossier. Het dossier wordt hem op 6 februari 1995 toegezonden. 1.
- Op 23 januari 1995 wordt een voorafgaand onderzoek ingesteld. Hierover wordt verslag uitgebracht op 24 februari
- 1.
- Op 2 maart 1995 maakt de eenheidscommandant ten laste van verzoeker een inleidend verslag op. Dit wordt hem op 21 maart 1995 betekend. 1.
- Op 7 april 1995 wordt verzoeker door de korpscommandant gehoord. De korpscommandant beslist dat bijk o mende onderzoeksverrichtingen noodzakelijk zijn. 1.
- Op 10 mei 1995 wordt verzoeker nogmaals door de korpscommandant gehoord. 1.
- Op 11 mei 1995 beslist de korpscommandant de onderzoeksraad te adiëren met het voorstel tot het opleggen van een non-activiteit bij tuchtmaatregel voor een periode van twee maanden, om volgende reden : "Heeft als rijkswachter en als verantwoordelijk hoofdonderofficier van een verkeerspost zijn integriteit en onkreukbaarheid in zeer ernstige mate geschonden door : - Ondanks het feit dat hij, uit hoofde van zijn functie als specialist in verkeersmateries zeer goed op de hoogte moet zijn van zijn verplichtingen terzake, bewust nagelaten de wettelijke plichten inzake inschrijving van een privévoertuig na te leven en aldus gedurende ongeveer vijf maanden met een wagen, voorzien van een geschrapte nummerplaat, rondgereden. Deze wettelijke plichten zijn het gevolg van het feit dat hij gebruiker was van dat IX-1167-4/14 voertuig, ten overstaan van hetwelk hij zich in een toestand van zaakwaarneming bevond. Deze handelwijze was voldoende gekend bij de personeelsleden waarover hij het commando voerde zodat hij niet meer over de vereiste autoriteit noch moreel gezag beschikte. - Aan de verzekeringsmaatschappij opgave te doen van een fictieve inschrijving van het voertuig, teneinde de dekking van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid te garanderen". 1.
- Op 28 juni 1995 wordt verzoeker door de onderzoeksraad gehoord. Na beraadslaging adviseert de onderzoeksraad aan verzoeker een non-activiteit bij tuchtmaatregel voor een periode van twee weken op te leggen. 1.
- Op 21 september 1995 beslist de minister van Binnenlandse Zaken dat aan verzoeker een non-activiteit bij tuchtmaatregel voor een periode van twee weken wordt opgelegd. Dit is de thans bestreden beslissing; 2.1.1 Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van de wet van 8 juni 1978 tot wijziging van de wet van 27 december 1973 betreffende het statuut van het rijkswachtpersoneel van het actief kader en van sommige andere wetsbepalingen (hierna: de wet van 8 juni 1978), alsook de schending van de wet van 24 juli 1992 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de rechtstoestanden van het personeel van het actief kader van de rijkswacht (hierna: de wet van 24 juli 1992); dat hij betoogt dat de verwerende partij bezwaarlijk kan stellen dat zij bij het inleiden van de tuchtprocedure “aanranding van de eerbaarheid” op 13 september 1994 niet op afdoende wijze kennis had van de feiten in de zaak “nummerplaat”, aangezien die feiten reeds geseponeerd werden op 1 augustus 1994 en de overheid bekend waren, wat volgens hem blijkt uit de hem reeds op 16 februari 1994 opgelegde mutatie bij bewarende maatregel naar de brigade Beringen vanaf 21 februari 1994; dat artikel 24/13 van de wet van 27 december 1973 betreffende het statuut van het personeel van het actief kader van het operationeel korps van de rijkswacht (hierna: de wet van 27 december 1973), ingevoerd door de wet van 24 juli 1992 en bijgevolg in werking getreden op 1 juli 1994, bepaalt dat tegen een personeelslid slechts één procedure wordt ingeleid die slechts aanleiding kan geven tot één tuchtstraf, wanneer het personeelslid meer dan één niet verjaard feit wordt toegerekend, zodat volgens hem op 13 september 1994 IX-1167-5/14 de enige tuchtprocedure had moeten worden ingeleid, waarin de feiten “aanranding van de eerbaarheid” en de feiten “nummerplaat” samengevoegd hadden moeten worden, teneinde slechts één tuchtstraf voor beide zaken op te leggen; dat hij van oordeel is dat het inleiden van een afzonderlijke tuchtprocedure in de zaak “nummerplaat” begin 1995, steunend op reeds in januari 1994 aan de tuchtoverheid bekend zijnde feiten, voornoemd artikel 24/13 schendt; 2.1.2 Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat bij gebrek aan concrete aanduiding van enige bepaling van de wet van 8 juni 1978, dit onderdeel van het middel onontvankelijk is; dat de seponering op 9 mei 1994 van het dossier “aantasting van de eerbaarheid” reeds op 20 mei 1994 door de gerechtelijke overheid aan haar werd medegedeeld, wat volgens haar aantoont dat de procedure niet bewust gesplitst werd; dat de volgens verzoeker geschonden bepaling -artikel 24/13, § 2, eerste lid, van de wet van 27 december 1973- te dezen niet van toepassing is, gezien deze bepaling veronderstelt dat ab initio een inleidend verslag kan worden opgesteld met betrekking tot alle tuchtrechtelijk vervolgbare feiten, die niet noodzakelijk enige samenhang dienen te vertonen, maar die wel betrokkene moeten kunnen worden toegerekend, waarmee bedoeld wordt hem verweten en als een tekortkoming beschouwd, terwijl te dezen het intern administratief onderzoek in het dossier “nummerplaat” pas kon voortgezet worden vanaf 6 februari 1995, de datum van de overzending van het gerechtelijk dossier, zoals voorzien bij artikel 24/38, § 2, tweede lid, van de wet van 27 december 1973 dat bepaalt dat de strafvordering de tuchtvordering schorst tot op het ogenblik van de overzending van het gerechtelijk dossier door de gerechtelijke overheid, behalve wanneer de strafprocedure de tuchtprocedure niet schorst ten gevolge van bekentenissen of het bewezen zijn van de feiten door een intern administratief onderzoek; dat volgens haar bijgevolg dit onderdeel van het middel niet ontvankelijk is; dat zij voorts betoogt dat te dezen artikel 24/13, § 2, tweede lid, van de wet van 27 december 1973 wel van toepassing is, zodat, naar aanleiding van de gespreide overzending door het krijgsauditoraat van beide gerechtelijke dossiers -op 5 september 1994 en op 6 februari 1995-, een nieuwe tuchtprocedure kon ingeleid worden, zonder de lopende procedure te moeten stuiten of krachtens het eerste lid van deze bepaling te moeten heropstarten; dat ten aanzien van de feiten in het dossier “nummerplaat”, overeenkomstig artikel 24/27, § 1, tweede lid, van de wet van 27 december 1973, pas op 2 maart 1995 een inleidend verslag kon worden opgesteld, aangezien pas vanaf de overzending van het gerechtelijk dossier op 6 februari 1995 die feiten verzoeker effectief konden worden toegerekend; dat haar keuze voor de toepassing van voornoemd artikel 24/13, § 2, IX-1167-6/14 tweede lid, slechts onrechtmatig is wanneer ze manifest onredelijk is; dat de redelijke termijnvereiste beoordeeld wordt in het licht van de concrete omstandigheden, zoals de aard van de zaak, de handelwijze van de overheid en de houding van de betrokkene, maar ook in het licht van de houding van de gerechtelijke overheden en de mogelijkheid voor de overheid om over alle gegevens en adviezen te beschikken; dat zij initieel beoogde beide dossiers tuchtrechtelijk samen te behandelen -waarvan verzoekers raadsman in kennis gesteld werd- maar dat met het oog op de redelijke termijnvereiste de procedure diende gesplitst te worden, in afwachting dat de feiten inzake het dossier “nummerplaat” konden worden toegerekend aan verzoeker; dat zij, krachtens artikel 125 van het koninklijk besluit van 28 december 1950 houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken, op 1 en 16 augustus 1994 om inzage van het strafdossier “aanranding van de eerbaarheid” verzocht heeft, dewelke verleend werd op 5 september 1994, zodat, volgens haar, wegens de lange periode tussen de seponering van het dossier “aanranding van de eerbaarheid”op 9 mei 1994 en de overzending ervan op 5 september 1994, zij er redelijkerwijze vanuit kon gaan dat het aan verzoeker “toerekenen” van de feiten “nummerplaat”, in de zin van de opname ervan in een inleidend verslag, niet samen zou kunnen gebeuren met het opstellen van het inleidend verslag in het dossier “aanranding van de eerbaarheid”, aangezien het krijgsauditoraat in juli 1994 nog bijkomende onderzoeksverrichtingen had bevolen inzake het dossier “nummerplaat”; dat bijgevolg de loutere kennis van de feiten uit beide dossiers op 13 september 1994, niet afdoende was om de feiten uit het dossier “nummerplaat” reeds te kunnen “toerekenen” aan verzoeker in de zin van voornoemd artikel 24/13, § 2, wat, volgens haar, de onderzoeksraad rechtmatig bevestigd heeft; dat, waar verzoeker wijst op de mutatie ten bewarende titel als bewijs van haar kennis van de feiten “nummerplaat” op het ogenblik van het inleiden van de eerste procedure, een ordemaatregel is, die erop gericht is de goede werking van de dienst te vrijwaren en een tuchtmaatregel de sanctionering van een foutieve gedraging beoogt, zodat, volgens haar, voor bepaalde feiten een ordemaatregel kan worden opgelegd, zonder dat het schuldig gedrag van de betrokkene als motief dient of zonder dat die feiten hem kunnen worden toegerekend; dat te dezen het opleggen van een ordemaatregel inzake het dossier “nummerplaat” geenszins betekende dat dienaangaande een tuchtprocedure kon worden ingeleid; 2.1.3 Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord stelt dat hij wel degelijk verduidelijkt welke schending van de wet hij aanvoert, aangezien hij uitdrukkelijk voornoemd artikel 24/13, § 2, vermeldt, waarmee hij IX-1167-7/14 zowel het eerste als het tweede lid van deze bepaling bedoelt, in samenlezing met zijn gedetailleerde uiteenzetting van de feiten; dat de verwerende partij, bij verkeerde lezing of bij opzettelijke verdraaiing van de tekst, ten onrechte aanvoert dat hij zelf in zijn verzoekschrift zou gesteld hebben dat de overheid, bij het aanvangen van het tuchtonderzoek in het dossier “aanranding van de eerbaarheid” op 13 september 1994, niet of niet op afdoende wijze op de hoogte was van de feiten in het dossier “nummerplaat”, zodat, volgens hem, ten onrechte de verwerende partij zou kunnen aantonen dat hij zijn bewering, dat de procedure bewust werd opgesplitst, ontkracht; dat de verwerende partij het begrip “toerekenen” omschrijft als “de feiten die aan het personeelslid worden verweten als een tekortkoming beschouwen”, zodat volgens hem, op het ogenblik van het inleiden van de tuchtprocedure in het dossier “aanranding van de eerbaarheid”, de feiten “nummerplaat” hem reeds onbetwistbaar konden worden “toegerekend”; dat hij verwijst naar het administratief dossier waaruit dit op afdoende wijze blijkt; dat hij het standpunt van de verwerende partij, dat zij onmogelijk het intern onderzoek inzake het dossier “nummerplaat” kon voortzetten en bijgevolg beide dossiers geenszins samen in één tuchtrechtelijke procedure kon behandelen, betwist, aangezien volgens hem het tegendeel blijkt uit de stukken en de voorafgaande procedures en daaruit besluit dat de overheid manifest onredelijk gehandeld heeft; dat de verwerende partij ten onrechte de redelijke termijnvereiste aanvoert als reden van de onmogelijkheid om beide dossiers in één tuchtprocedure te behandelen; dat, waar de verwerende partij stelt bij de beoordeling van de redelijke termijn rekening te moeten houden met de mogelijkheid voor de overheid om over alle gegevens, inlichtingen en adviezen te beschikken, uit de stukken van het dossier op afdoende wijze blijkt dat zij over meer dan voldoende inlichtingen en gegevens beschikte om de gezamenlijke tuchtrechtelijke behandeling van beide dossiers, alsook de redelijke termijnvereiste, te respecteren; dat, gezien zij zelf het volledig onderzoek voerde, éénduidig blijkt dat de feiten “nummerplaat” reeds in detail bekend waren bij de tuchtoverheid in januari-februari 1994, maar pas een jaar later de nieuwe tuchtprocedure ingeleid werd, zodat volgens hem de redelijke termijn geschonden werd; dat de verwerende partij ten onrechte en in strijd met de stukken van het dossier stelt dat zij redelijkerwijze besloten heeft dat beide dossiers niet samen aan verzoeker konden worden toegerekend, alsook dat zij ten onrechte aanvoert dat zij op 13 september 1994, datum van het inleiden van de eerste tuchtprocedure, slechts “kennis” had van alle feiten van beide dossiers, aangezien volgens hem uit het dossier duidelijk blijkt dat op dat ogenblik die feiten op afdoende wijze onderzocht en bekend waren en hem “toerekenbaar” waren; dat, zoals zelfs de verwerende partij stelt, zowel een ordemaatregel als een tuchtmaatregel op een IX-1167-8/14 “gedraging” van een personeelslid steunt; dat, wanneer naar aanleiding van een gedraging een drastische ordemaatregel van onmiddellijke mutatie wordt opgelegd, zulke gedraging als een ernstige inbreuk dient beschouwd te worden, die een “vaststaande ernstige misdraging” is die in aanmerking komt voor minstens het instellen van een tuchtonderzoek; dat de verwerende partij bezwaarlijk, naar aanleiding van de niet-inschrijving van een voertuig door een commandant van een post Verkeerspolitie, een drastische mutatie bij ordemaatregel kan opleggen, om dan pas een jaar later dienaangaande te overwegen eventueel een tuchtprocedure in te leiden; 2.1.4 Overwegende dat verzoeker geen verduidelijking geeft hoe de bestreden beslissing de wet van 8 juni 1978 schendt; dat dit onderdeel van het middel niet ontvankelijk is; Overwegende dat artikel 24/13, § 2, eerste en tweede lid, van de wet van 27 december 1973 luidt als volgt: “Wanneer aan een personeelslid meer dan één niet verjaard feit wordt toegerekend, wordt tegen dat personeelslid slechts één procedure aangespannen die slechts aanleiding kan geven tot één enkele tuchtstraf. Wanneer aan het personeelslid in de loop van een tuchtprocedure een nieuw feit wordt toegerekend, kan wegens dat feit een nieuwe procedure worden aangespannen, zonder dat de lopende procedure daardoor gestuit wordt”; dat artikel 24/38, § 2, tweede lid, van de wet van 27 december 1973 luidt als volgt: “Behalve wanneer het betrokken personeelslid de feiten erkent als vaststaand of wanneer die door een intern administratief onderzoek bewezen kunnen worden, schorst de strafvordering de tuchtvordering tot op het ogenblik van de ontvangst van het dossier overgezonden door de gerechtelijke overheden”; Overwegende dat de vaststelling dat de feiten aan de betrokkene kunnen worden toegerekend, het ogenblik is waarop de bevoegde overheid over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikt om met kennis van zaken een tuchtvordering tegen het betrokken personeelslid op te starten; dat in dit geval, waarin in beide dossiers het administratief onderzoek samenviel met het strafrechtelijk onderzoek, die bewijskrachtige gegevens slechts beschikbaar waren op het ogenblik dat het bestuur van de procureur des Konings de toelating verkreeg om, na de seponering van het strafrechtelijk onderzoek, de gegevens uit het strafdossier in de tuchtzaak te betrekken; dat, wat het dossier “aanranding van de eerbaarheid” betreft, de krijgsauditeur op 20 mei 1994 aan de korpscommandant de IX-1167-9/14 seponering van 9 mei 1994 meegedeeld heeft en op 5 september 1994 toestemming verleend heeft om gebruik te maken van de stukken van het gerechtelijk dossier; dat, wat het dossier “nummerplaat” betreft, de eenheidscommandant op 21 december 1994 aan de krijgsauditeur de stand van zaken gevraagd heeft, de krijgsauditeur op 23 december 1994 geantwoord heeft dat de zaak geseponeerd werd en op 6 februari 1995 het gerechtelijk dossier werd overgezonden; dat het bijgevolg onmogelijk was op 7 november 1994 een inleidend verslag aan verzoeker te betekenen waarin hem naast de feiten “aanranding van de eerbaarheid” ook de feiten “nummerplaat” ten laste gelegd zouden worden; dat beide zaken dus geenszins samengevoegd konden worden in één tuchtprocedure; dat de tuchtoverheid, overeenkomstig voornoemd artikel 24/13, § 2, tweede lid, voor de feiten ‘nummerplaat” een nieuwe tuchtprocedure kon inleiden, zonder dat de lopende tuchtprocedure in het dossier “aanranding van de eerbaarheid” hierdoor gestuit werd; dat het middel niet gegrond is; 2.2.1 Overwegende dat verzoeker in een tweede middel machtsafwending aanvoert, meer bepaald het in acht nemen door de overheid van bepaalde pleegvormen maar met een ander oogmerk dan dit waarvoor haar bevoegdheid dient; dat hij betoogt dat de overheid bewust de feiten “nummerplaat” niet heeft opgenomen in haar inleidend verslag van 13 september 1994, terwijl die feiten haar reeds bekend waren sedert januari 1994, terwijl zij reeds steunend op die feiten verzoeker een mutatie had aanbevolen in februari 1994 en terwijl reeds op 1 augustus 1994 het strafrechtelijk onderzoek geseponeerd werd; dat de korpscommandant op 13 september 1994 bij het inleiden van de tuchtprocedure “aanranding van de eerbaarheid” opdracht gaf, in strijd met de feiten en de waarheid, de feiten “nummerplaat” niet in de tuchtvordering te betrekken, om de zogenaamde reden dat die feiten “nog steeds in onderzoek zouden zijn bij de gerechtelijke autoriteiten en derhalve (nog) niet in aanmerking zouden komen voor onderzoek op tuchtvlak”, terwijl die feiten op 1 augustus 1994 reeds geseponeerd werden; dat dit gebeurde, steunend op onjuiste gegevens en in strijd met artikel 24/13, § 2, van de wet van 27 december 1973, met als enige oogmerk verzoeker het voordeel van het opleggen van slechts één tuchtstraf voor alle feiten te ontnemen en een nieuwe tuchtprocedure te kunnen voeren voor de feiten “nummerplaat”; 2.2.2 Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat, ongeacht het onderzoek naar enig ongeoorloofd oogmerk in hoofde van de overheid, het middel van machtsafwending subsidiair is en enkel in aanmerking kan worden IX-1167-10/14 genomen wanneer geen middelen, geput uit machtsoverschrijding, in aanmerking worden genomen; dat zij, voor zover het middel alsnog in aanmerking moet worden genomen, verwijst naar haar bespreking van het eerste middel; dat zij verzoekers uiteenzetting betwist in zoverre die stelt dat de feiten reeds op 1 augustus 1994 geseponeerd zouden zijn, terwijl volgens haar dit reeds op 9 mei 1994 gebeurd was, wat haar ter kennis werd gebracht op 20 mei 1994 en wat wijst op een “‘bewuste’ keuze uit hoofde van redelijkheidsoverwegingen met het oog op een vlotte en gelijktijdige afhandeling van ‘het’ dossier”; 2.2.3 Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord stelt dat uit de stukken van het dossier wel degelijk blijkt dat er sprake is van machtsoverschrijding, subsidiair van machtsafwending en hij dienaangaande verwijst naar zijn verzoekschrift; 2.2.4 Overwegende dat uit de bespreking van het eerste middel volgt dat het middel niet gegrond is; 2.3.1 Overwegende dat verzoeker in een derde middel, in samenlezing met het tweede middel, machtsoverschrijding aanvoert, meer bepaald het steunen op onjuiste of juridisch onaanvaardbare motieven; dat hij betoogt dat de bestreden beslissing steunt op het advies van de onderzoeksraad van 28 juni 1995, hetwelk ten onrechte stelt dat “op het ogenblik van het inleidend verslag van 29 september 1994 (zaak V.), het tweede feit, voorwerp van huidig advies, geweten was of kon geweten zijn, maar nog niet kon toegerekend worden in de zin van artikel 24/13 paragraaf 2 van de statutaire wet”; dat deze redenering in strijd is met de geest van voornoemd artikel 24/13, § 2, alsook in strijd met de werkelijkheid, meer bepaald het ten onrechte door de korpscommandant op 13 september 1994 aangevoerde motief dat de strafvordering met betrekking tot de bewuste feiten nog lopende was; 2.3.2 Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord verwijst naar haar bespreking van het eerste en het tweede middel, wat verzoekers stelling betreft dat de onderzoeksraad ten onrechte besloten zou hebben dat “het tweede feit, voorwerp van het huidig advies, geweten was of kon geweten zijn, maar nog niet kon worden toegerekend”; dat zij betoogt dat de bestreden beslissing verwijst naar het in rechte aanvaardbaar advies van de onderzoeksraad; IX-1167-11/14 2.3.3 Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord stelt dat uit de stukken van het dossier wel degelijk blijkt dat er sprake is van machtsoverschrijding, subsidiair van machtsafwending en hij dienaangaande verwijst naar zijn verzoekschrift; 2.3.4 Overwegende dat uit de bespreking van het eerste middel volgt dat het middel niet gegrond is; 2.4.1 Overwegende dat verzoeker in een vierde middel de schending van de rechten van verdediging aanvoert, aangezien de onderzoeksraad op 28 juni 1995 geweigerd heeft zijn verzoek tot samenvoeging van beide dossiers in te willigen, om reden dat het lopende tuchtdossier voldoende gegevens bevatte om een advies te kunnen verstrekken inzake de geldigheid van de procedure; dat hij betoogt dat, om met kennis van zaken zowel het verzoek tot voeging van beide dossiers als de excepties van nietigheid op grond van een schending van artikel 24/13 van de wet van 27 december 1973 te kunnen beoordelen, de onderzoeksraad in elk geval kennis had moeten kunnen nemen van alle gegevens van het dossier “aanranding van de eerbaarheid”; 2.4.2 Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord verwijst naar haar bespreking van de vorige middelen, wat de schending van voornoemd artikel 24/13, § 2, betreft; dat, ongeacht het feit dat de rechten van verdediging geenszins impliceren dat op elk argument van verzoeker uitdrukkelijk geantwoord dient te worden, in de loop van de procedure voorafgaand aan de bestreden beslissing dit toch tweemaal gebeurd is, meer bepaald werd volgens haar, nadat verzoeker op 7 april 1995 gehoord werd en de schending van voornoemd artikel 24/13, § 2, aangevoerd werd, hierop uitgebreid ingegaan en hem zo de mogelijkheid geboden zich desbetreffend te verdedigen en bovendien werd volgens haar, voor de onderzoeksraad op 28 juni 1995, dienaangaande nogmaals geargumenteerd, wat geleid heeft tot het afwijzend advies van de onderzoeksraad; 2.4.3 Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord stelt dat de verwerende partij ten onrechte aanvoert dat hij zou beweerd hebben dat in de loop van de procedure niet al zijn argumenten beantwoord werden; dat hij betoogt dat de schending van de rechten van verdediging echter wel gelegen is in het feit dat de onderzoeksraad op de zitting van 28 juni 1995 geweigerd heeft zijn verzoek tot samenvoeging van beide dossiers in te willigen, dat de voeging van beide IX-1167-12/14 zaken onontbeerlijk was om de onderzoeksraad met kennis van zaken te laten oordelen, zowel over het verzoek tot voeging, als over de excepties van nietigheid op grond van schending van voornoemd artikel 24/13, en dat de bestreden beslissing, die het advies van de onderzoeksraad bevestigt, eveneens de rechten van verdediging schendt, aangezien dit advies genomen werd zonder kennisname van de chronologische en inhoudelijke gegevens van het tuchtdossier “aanranding van de eerbaarheid”, zodat volgens hem een gemotiveerd oordeel over de aangevoerde excepties van nietigheid onmogelijk was; 2.4.4 Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker de schending van voornoemd artikel 24/13, § 2, een eerste maal heeft aangevoerd bij het verhoor door de korpscommandant op 7 april 1995, met als gevolg dat deze bijkomende onderzoeksverrichtingen heeft bevolen; dat in uitvoering daarvan de eenheidscommandant, op 11 april 1995, en de korpscommandant, op 25 april 1995, schriftelijke verklaringen hebben afgelegd inzake het chronologisch verloop van beide tuchtdossiers; dat die verklaringen, waarvan de juistheid door verzoeker niet wordt betwist, deel uitmaken van het tuchtdossier dat aan de onderzoeksraad werd voorgelegd; dat de onderzoeksraad bijgevolg over alle gegevens beschikte om met kennis van zaken over de door verzoeker aangevoerde schending van voornoemd artikel 24/13, § 2, te kunnen oordelen; dat de rechten van verdediging dus niet geschonden werden door het niet inwilligen door de onderzoeksraad van verzoekers vraag tot samenvoeging van beide dossiers; dat het middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf juli 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : IX-1167-13/14 de HH. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. L. HELLIN. IX-1167-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.016 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.