← België

Arrest 161017 - - 05/07/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 juli 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.017 Rolnummer: A. 120122/IX-3305 Zaak: Arrest 161017 - - 05/07/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-08-01 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-01 00:02 Fiche Arrest nr 161.017 van 5 juli 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 161.017 van 5 juli 2006 in de zaak A. 120.122/IX-

  1. In zake : Jean-Paul PEELOS, die woonplaats kiest bij advocaat G. JASPAERT, kantoor houdende te LANDEN, Markt 2 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij de Federale Politie Algemeen Commando DGP/DPS, gevestigd te BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jean-Paul PEELOS op 22 april 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 19 februari 2002 van de directeur-generaal van de Algemene Directie Gerechtelijke Politie van de Federale Politie waarbij hem de tuchtstraf van de blaam wordt opgelegd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 20 oktober 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 30 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 juni 2006; IX-3305-1/12 Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat V. VANDUFFEL die, loco advocaat G. JASPAERT verschijnt voor de verzoekende partij, en van adviseur E. VAN ROSSEM, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  4. Verzoeker is commissaris van politie, tewerkgesteld bij de Gerechtelijke Dienst van het arrondissement Leuven (GDA Leuven). 1.
  5. Op 3 september 2001 stelt de gerechtelijk directeur ten laste van verzoeker een informatieverslag op wegens het onrechtmatig gebruik van een dienstvoertuig waarvan verzoeker om dienstredenen gebruik mocht maken. Aan verzoeker wordt ten laste gelegd dat hij de richtlijn om het voertuig tijdens het weekend binnen te brengen niet heeft nageleefd, aangezien hij : - het voertuig op 14 juli 2001 pas zaterdagochtend heeft binnengebracht; - het voertuig na het weekend van 21-22 juli 2001 pas op maandagochtend 23 juli 2001 heeft binnengebracht. Het tweede feit wordt door verzoeker betwist. Hij stelt dat hij het voertuig vrijdagavond 20 juli 2001 in de garage heeft geplaatst. 1.
  6. Op 14 september 2001 belast de directeur-generaal van de Algemene Directie Gerechtelijke Politie de Algemene Inspectie van de Federale Politie en van de Lokale Politie met een voorafgaand onderzoek “gezien het onderzoek naar de feiten wellicht zal gekoppeld worden aan de problematiek van de interne relaties en werksfeer”. IX-3305-2/12 1.
  7. Op 25 oktober 2001 zendt de Algemene Inspectie haar verslag aan de directeur-generaal van de Algemene Directie Gerechtelijke Politie. Dit verslag besluit als volgt : “Uit het tot op heden gevoerde onderzoek en de elementen die ter onzer beschikking staan, blijkt dat commissairs Jean-Paul PEELOS geen gebruik heeft gemaakt van zijn badge om zich via de poort toegang te verschaffen op vrijdag 20 juli 2001 en dit vanaf 17.00 uur tot 24.00 uur. Daarentegen is er een registratie op naam van betrokkene op maandag 23 juli 2001 om 07.36 uur. Voormelde gegevens, opgevraagd door de onafhankelijke technicus Wouter POOLS, staven het vermoeden van de gerechtelijke directeur REVIERS dat CP Jean-Paul PEELOS de dienstauto slechts op maandag 23 juli 2001 omstreeks 07.36 uur terug heeft gebracht. De door commissaris Jean-Paul PEELOS gesuggereerde manipulatie van het veiligheidssysteem is, gezien de uitleg van de technicus van de firma TELEBRE- VA, onmogelijk”. 1.
  8. Op 14 december 2001 maakt de directeur-generaal van de Algemene Directie Gerechtelijke Politie een inleidend verslag op, waarin wordt voorgesteld aan verzoeker een blaam op te leggen. Dat verslag wordt aan verzoeker ter kennis gebracht op 9 januari
  9. 1.
  10. Op 8 februari 2002 dient verzoeker een verweerschrift in, waarin hij nogmaals betwist dat hij het dienstvoertuig pas maandagochtend 23 juli 2001 in de garage zou hebben gestald. Hij vraagt dat zijn echtgenote als getuige zou worden gehoord, aangezien zij kan bevestigen dat hij op vrijdagavond 20 juli 2001 niet met het dienstvoertuig naar huis is gereden en dat zij samen op 23 juli 2001 met hun persoonlijk voertuig naar de kantoren te Leuven zijn gereden. Hij vraagt eveneens dat de collega’s Van Heuckelom, Van Malcot en Lefever zouden worden gehoord in verband met de slechte verstandhouding in de dienst. Ten slotte verzoekt hij om samen met zijn raadsman mondeling te worden gehoord. 1.
  11. In een nota van 13 februari 2002 stelt de directeur-generaal van de Algemene Directie Gerechtelijke Politie dat het horen van verzoekers echtgenote niet nuttig is “vermits er steeds twijfels zullen blijven omtrent de objectiviteit van haar verklaring”. Wat het horen van verzoekers collega’s omtrent de slechte verstandhou- ding binnen de dienst betreft, is de directeur-generaal van oordeel dat de verstand- houding binnen de dienst van geen belang is in de procedure, aangezien zij “geen IX-3305-3/12 invloed (heeft) op de materialiteit van de feiten en (...) ook geen bron (kan) zijn van verzachtende of verzwarende omstandigheden”. 1.
  12. Met een nota van 18 februari 2002 deelt de hoofdcommissaris die met het verhoor van verzoeker was belast, aan de directeur-generaal van de Algemene Directie Gerechtelijke Politie mede dat hij op 13 februari 2002 getracht heeft verzoeker op zijn werk te bereiken, dat daar werd medegedeeld dat verzoeker met ziekteverlof was en dat verzoeker niet gereageerd heeft op zijn telefonische vraag om contact op te nemen. Aangezien de beslissing van de tuchtoverheid ten laatste op 24 februari 2002 aan verzoeker moet medegedeeld worden, vraagt hij van zijn opdracht tot het horen van verzoeker te worden ontheven. De hoofdcommissaris wordt dezelfde dag van zijn opdracht tot het horen van verzoeker ontheven. 1.
  13. Op 19 februari 2002 beslist de directeur-generaal van de Algemene Directie Gerechtelijke Politie aan verzoeker een blaam op te leggen. Dit is de thans bestreden beslissing; 2.
  14. Overwegende dat verzoeker in het eerste middel de schending aanvoert van de artikelen 29 en 36 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten (hierna : de tuchtwet) en van “de algemene beginselen van de hoorplicht, de rechten van verdediging en de zorgvuldigheidsplicht”, doordat -eerste onderdeel- artikel 29 van de tuchtwet voorziet in de mogelijkheid dat het betrokken personeelslid zich naar keuze laat bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat evenals in de verplichting om het personeelslid in te lichten over zijn recht om mondeling gehoord te worden, doordat -tweede onderdeel- artikel 36 van de tuchtwet bepaalt dat de tuchtoverheid op eigen initiatief of op verzoek van de betrokkene overgaat tot het verhoor van de getuigen die ze nodig acht en doordat -derde onderdeel- de tuchtoverheid bij de besluit- vorming zorgvuldig tewerk moet gaan, terwijl in dit geval hijzelf noch zijn raadsman gehoord zijn, er ook niet overgaan is tot het verhoor van de getuigen die in het verweerschrift waren aangeduid en de directeur-generaal aldus met onvoldoende kennis van zaken tot de eindbeslissing gekomen is; IX-3305-4/12 Overwegende dat verzoeker bij het middel de volgende toelichting verschaft : - eerste onderdeel : hijzelf, noch zijn raadsman, noch de getuigen die hij in zijn verweerschrift naar voren had geschoven, zijn door de verwerende partij gehoord; uit de nota van 18 februari 2002 van de hoofdcommissaris die met zijn verhoor was belast blijkt dat de verwerende partij wist dat hij met ziekteverlof was; de bestreden beslissing werd reeds op 19 februari 2002 getroffen, terwijl daarvoor minstens tot 24 februari 2002 ruimte was; - tweede onderdeel : de verwerende partij achtte het niet nuttig zijn echtgenote te horen omdat er steeds vragen zouden blijven bestaan bij de objectiviteit van haar verklaring, maar de directeur-generaal heeft zelfs geen moeite gedaan om haar te horen en daarmee geeft hij blijk van vooringenomenheid; wat de overige aangeboden getuigenverhoren betreft heeft de directeur-generaal zijn bevoegdhe- den te streng toegepast door principieel het verhoor van getuigen uit te sluiten op grond van het argument dat hun verklaring niets aan de feiten zou toevoegen; - derde onderdeel : door zonder deugdelijke reden een getuigenverhoor te weigeren beschikte de directeur-generaal over een onvolledig tuchtdossier; bovendien heeft hij slechts een deel van de relevante gegevens in rekening gebracht; met name heeft hij geen acht geslagen op het feit dat verzoeker precies kon aanwijzen waar hij het voertuig geparkeerd had en waar hij de sleutels had gehangen; een aanvullend onderzoek daarover had uitsluitsel kunnen geven; 2.
  15. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt wat volgt : - eerste onderdeel : aan verzoeker is medegedeeld dat hij kon vragen om gehoord te worden en dat hij de identiteit van zijn verdediger kon melden; hij is met het oog op zijn verhoor twee keer gecontacteerd, maar heeft geen enkele keer gereageerd; rekening houdend met de korte termijnen waarbinnen de tuchtover- heid een beslissing moet nemen mocht verzoeker niet verwachten dat de tuchtoverheid tot de laatste dag zou wachten om hem te horen; - tweede onderdeel : de tuchtoverheid is niet verplicht om de voorgestelde getuigen te horen; uit het administratief dossier blijkt waarom de overheid van oordeel was dat er geen getuigenverhoor diende te gebeuren; naar analogie met het strafrecht is de directeur-generaal van oordeel geweest dat de getuigenis van de echtgenote van verzoeker niet objectief zou zijn; de andere getuigen werden niet gehoord omdat zij niets over de feiten te verklaren hadden, maar enkel iets konden zeggen over de verhoudingen binnen het korps; IX-3305-5/12 - derde onderdeel : de tuchtoverheid moet geen rekening houden met gegevens die door de verzoeker zonder nader bewijs worden aangebracht; 2.
  16. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord, wat het eerste onderdeel van het middel betreft, beklemtoont dat zijn raadsman een algemeen mandaat bezat maar dat de tuchtoverheid geen poging gedaan heeft om hem te contacteren en dat hij herhaalt dat tot 24 februari 2002 een tuchtstrafbesluit getroffen kon worden zodat er nog ruim tijd was om zijn raadsman te contacteren; dat hij wat het tweede onderdeel van het middel betreft, herhaalt dat van een objectieve en onpartijdige tuchtoverheid verwacht had mogen worden dat zij een zeer grondig onderzoek zou voeren naar de slechte werksfeer in de dienst en dat zij de voorgestelde getuigen zou horen -ook L. FONTEYN over de werking van het toegangssysteem-, en daar aan toevoegt dat zijn echtgenote in het kader van een strafrechtelijk onderzoek wel degelijk ondervraagd zou kunnen worden, zelfs onder eed; Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie nog stelt, aangaande het eerste onderdeel van het middel, dat uit zijn verweerschrift blijkt dat hij gevraagd heeft om zich door een advocaat te laten bijstaan, dat zijn raadsman een algemeen mandaat had en hij dus voor alle procedurehandelingen opgeroepen moest worden, zeker nu het bestuur wist dat verzoeker met ziekteverlof was; dat hij ook blijft betwisten dat hij op 14 februari 2002 telefoon gekregen zou hebben van hoofdcommissaris STEVENS en voorts van oordeel is dat hij, gelet op zijn ziektetoestand -griep uitgegroeid tot asthmatische bronchitis met complicaties-, schriftelijk uitgenodigd had moeten worden voor een verhoor; dat hij, aangaande het tweede onderdeel van het middel, betoogt dat zijn echtgenote getuige was van de feiten en dat haar verklaring dus onontbeerlijk was om tot een objectieve en zorgvuldige feitenvinding te komen, dat haar verklaring ook van belang was omdat in het politiekorps waar hij deel van uitmaakt de feiten altijd in het nadeel van de personeelsleden worden uitgelegd, hetgeen precies een reden had moeten zijn om de werksfeer binnen het korps bij het tuchtonderzoek te betrekken; 2.4.
  17. Overwegende dat artikel 29 van de tuchtwet bepaalt : “In elke stand van de procedure mag het betrokken personeelslid zich naar keuze laten bijstaan of vertegenwoordigen tegelijk door een advocaat, een personeelslid en een lid van een erkende vakorganisatie, hierna aangeduid met de term ‘verdediger’. IX-3305-6/12 Geen enkele straf mag worden uitgesproken zonder dat betrokkene ingelicht werd over het recht om mondeling gehoord te worden. De betrokkene en de getuigen worden door de bevoegde tuchtoverheid of de door hem aangewezen overheid gehoord. De tuchtoverheid of, naargelang het geval, de tuchtraad, kan evenwel de persoonlijke verschijning bevelen.” 2.4.
  18. Overwegende dat verzoeker in zijn verweerschrift tegen het inleidend verslag, ingediend op vrijdag 8 februari 2002 -dit is laatste dag van de termijn die artikel 35 van de tuchtwet bepaalt- gevraagd heeft om “samen met zijn raadsman mondeling gehoord te worden”; dat hoofdcommissaris STEVENS van DPMD-Gent, die op 13 februari 2002 door de tuchtoverheid was aangeduid om verzoeker te horen, in zijn nota van 18 februari 2002 -erop wijzend dat de tuchtoverheid een uitspraak moet doen binnen de vijftien dagen na afloop van de termijn voor het indienen van het verweer, in dit geval op 24 februari 2002- het volgend relaas geeft : “(...) Op 13 februari heb ik getracht met betrokkene contact op te nemen op zijn gewone plaats van het werk. Er werd mij meegedeeld dat hij met ziekteverlof was en ‘s anderendaags de dienst zou hernemen. Op 14 februari nam ik terug contact met zijn eenheid die mij meedeelde dat betrokkene opnieuw voor elf dagen vrijgesteld was van dienst. Op mijn vraag hoe ik betrokkene kon bereiken deelden zij mij zijn GSM-nummer mee. Zij beschikten over geen ander telefoonnummer. Op 14 februari om 10.18 uur belde ik het GSM-nummer van CP Peelos op. Ik kreeg de mededeling dat ik verbonden was met de mailbox van de heer Peelos. Er werd mij gevraagd mijn boodschap in te spreken. Ik vroeg hem contact met mij op te nemen en deelde mee dat het door hem gevraagde mondeling verhoor ten laatste op maandag 18 februari moest doorgaan gezien de bij de wet vastgelegde termijnen. Tot op heden 18 februari reageerde betrokkene niet. (...)” 2.4.
  19. Overwegende dat verzoeker betwist dat hij van hoofdcommissaris STEVENS een telefonische oproep gekregen heeft; dat hij bovendien stelt dat, zeker nu hij in ziekteverlof was, zijn raadsman voor het verhoor opgeroepen had moeten worden; dat hij van oordeel is dat daarvoor zeker nog ruimte was tussen 19 en 24 februari 2002; 2.4.
  20. Overwegende, wat het bewijs van de telefonische oproep betreft, dat verzoeker de inhoud van de nota van 18 februari 2002 van hoofdcommissaris STEVENS niet betwist en dat hij dat stuk ook niet van valsheid beticht heeft; dat uit die verklaring blijkt dat de hoofdcommissaris, wegens het dreigend verval van de IX-3305-7/12 tuchtprocedure, duidelijk bekommerd was om zijn opdracht zo spoedig mogelijk uit te voeren; dat zulks aannemelijk maakt dat hij verzoeker telefonisch opgeroepen heeft; dat verzoeker slecht geplaatst is om het gebrek aan formele bewijzen aangaande zijn oproeping aan de kaak te stellen, nu hij zelf door tot het laatste ogenblik te talmen met het indienen van zijn verweerschrift, verantwoordelijk is voor de spoed waarmee de verwerende partij de tuchtzaak moest afhandelen; dat om dezelfde reden verzoeker ook niet dienstig kan aanvoeren dat zijn raadsman had moeten verwittigd worden van het verhoor en dat er tussen 19 en 24 februari 2002 nog voldoende tijd was om een verhoor te organiseren van hemzelf met zijn raadsman; dat het eerste onderdeel van het middel niet gegrond is; 2.4.
  21. Overwegende dat artikel 36, eerste lid, van de tuchtwet de tuchtoverheid de mogelijkheid biedt over te gaan tot het verhoor van de getuigen die zij met het oog op een zorgvuldige besluitvorming nuttig acht; dat de wet de tuchtoverheid toelaat discretionair te beslissen of zij, in het kader van een behoorlijke feitenvinding, getuigen zal verhoren; dat zij niet verplicht is om in te gaan op een vraag om bepaalde getuigen te verhoren; 2.4.6.
  22. Overwegende dat verzoeker in zijn verweerschrift gevraagd heeft om zijn echtgenote in een getuigenverhoor te horen bevestigen dat hij op vrijdag 20 juli 2001 met de trein naar huis ging en dat zij met hun persoonlijk voertuig op 23 juli 2001 samen naar Leuven reden om een dossier uit de dienstwagen te nemen en naar zijn kantoor te brengen; dat hij daarin ook vroeg om drie collega’s te horen aangaande de slechte verstandhouding binnen de dienst; 2.4.6.
  23. Overwegende dat de directeur-generaal het verhoor van de echtgenote van verzoeker geweigerd heeft omdat er “steeds twijfels zullen blijven omtrent de objectiviteit van haar verklaring”; dat verzoeker geen enkel gegeven voorlegt op grond waarvan besloten zou kunnen worden dat het getuigenis van zijn echtgenote meer had kunnen zijn dan een zuiver eenzijdige verklaring van harentwe- ge, waarvan de juistheid niet gecontroleerd kon worden; dat de directeur-generaal terzake een redelijk standpunt ingenomen heeft; 2.4.6.
  24. Overwegende dat de directeur-generaal het verhoor van collega’s van verzoeker geweigerd heeft omdat hun verklaring betrekking zou hebben op de verstandhouding binnen de dienst, maar dat dit geen wezenlijk verband vertoont met de feiten die aan verzoeker ten laste werden gelegd; dat ook die opstelling redelijk IX-3305-8/12 is; dat niet valt in te zien welk impact de werksfeer binnen de dienst kan hebben op het bestaan of de beoordeling van de feiten die aan verzoeker ten laste werden gelegd en dat verzoeker zeker niet aanduidt welke concrete verklaringen de betrokkenen in zijn voordeel hadden kunnen afleggen; dat de omstandigheid dat het personeel aan de dienstchef verwijt dat hij maatregelen die betrekking hebben op de veiligheid -met name het inchecken bij aankomst in het gebouw- gebruikt om de personeelsleden te controleren, helemaal niet betekent dat het aanwenden van de betreffende gegevens de tuchtprocedure onwettig maakt; 2.4.6.
  25. Overwegende dat verzoeker in de onderhavige procedure voor de Raad van State wel aanvoert dat ook hoofdcommissaris FONTEYN gehoord had moeten worden aangaande de mogelijkheden om het toegangssysteem te manipuleren; dat hij evenwel in de loop van de tuchtprocedure niet om dat verhoor gevraagd heeft, terwijl uit het administratief dossier blijkt dat de tuchtoverheid zich terdege heeft laten voorlichten over de mogelijkheden van manipulatie van het systeem van toegang tot de gebouwen, zodat zij zich op dat vlak voldoende voorgelicht achtte zonder nog hoofdcommissaris FONTEYN als getuige te verhoren; dat het tweede onderdeel van het middel niet gegrond is; 2.4.
  26. Overwegende, wat het derde onderdeel van het middel betreft, dat de tuchtoverheid uit de resultaten van het onderzoek dat zij heeft ingesteld, het bewijs heeft kunnen halen dat verzoeker in de avond van 20 juli 2001 niet door het controlesysteem aan de garagepoort of de slagboom geregistreerd werd, terwijl de mogelijkheid van manipulatie van het controlesysteem voor één enkele beweging uitgesloten was; dat zij daarin terecht het bewijs gevonden heeft dat verzoeker die avond het dienstvoertuig niet teruggebracht heeft; dat zij, met die bewijzen in de hand, niet meer hoefde na te gaan of de uitleg die verzoeker haar gegeven had om te bewijzen dat hij het voertuig wel degelijk op vrijdagavond had teruggebracht -over de plaats waar hij de autosleutels gedeponeerd had en de plaats waar hij het voertuig geparkeerd had- niet met de waarheid overeenstemde; dat het derde onderdeel van het middel niet gegrond is; 3.
  27. Overwegende dat verzoeker in het tweede middel de schending aanvoert van artikel 27 van de tuchtwet, van zijn rechten van verdediging en van het zorgvuldigheidsbeginsel, doordat artikel 27 bepaalt dat de tuchtoverheid, in geval er ernstige redenen bestaan om een onderzoek niet aan de hiërarchische meerdere toe te vertrouwen, een beroep kan doen op de Algemene Inspectie, doordat in dit geval IX-3305-9/12 de directeur-generaal van de Algemene Directie Gerechtelijke Politie de Algemene Inspectie met een onderzoek belast heeft, maar dat de ambtenaar, die de opdracht gekregen heeft geen onderzoek gedaan heeft naar de interne relaties en de werksfeer binnen de dienst hoewel de directeur-generaal daar in zijn opdracht duidelijk melding van had gemaakt; 3.
  28. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de directeur- generaal het onderzoek omwille van de slechte verhoudingen binnen de dienst toevertrouwd heeft aan de Algemene Inspectie, maar dat de opdracht van de directeur-generaal geen betrekking had op de werkomstandigheden binnen de dienst; 3.
  29. Overwegende dat verzoeker repliceert dat het bewijs van de materialiteit van de feiten niet noodzakelijk tot een tuchtstraf moest leiden, maar dat het zover gekomen is omdat de sfeer binnen de dienst verziekt was; 3.4.
  30. Overwegende dat artikel 27 van de tuchtwet ten tijde van het bestreden besluit luidde als volgt : “Indien de tuchtoverheid of de tuchtraad van oordeel is dat er ernstige redenen zijn om een onderzoek of het opstellen van een inleidend verslag, onder andere in het raam van de procedures bedoeld in de artikelen 26, 32, 38 en 49, derde lid, niet toe te vertrouwen aan de hiërarchische overheid, kan zij daarvoor een beroep doen op de algemene inspectie van de federale en lokale politie. ” Overwegende dat, blijkens de parlementaire voorbereiding van die bepaling, de tuchtoverheid op de Algemene Inspectie een beroep kan doen wanneer “de aard van de feiten, de omstandigheden, de personen die in de zaak betrokken zijn (zulks verantwoorden) of (wanneer) kan worden gevreesd dat de overheid die de tuchtrechtelijke taken normaliter uitvoert, niet onpartijdig zou zijn” (Parl. St. Kamer, 1998-1999, nr. 1965/1, p. 14); 3.4.
  31. Overwegende dat de directeur-generaal die het onderzoek tegen verzoeker opgestart heeft in zijn nota van 14 september 2001 verwezen heeft naar de omstandigheid dat “het onderzoek naar de feiten wellicht zal gekoppeld worden aan de problematiek van de interne relaties en de werksfeer”; dat die opdracht de Algemene Inspectie er niet toe verplichtte de slechte werksfeer in de dienst te onderzoeken, maar enkel die omstandigheid te betrekken bij het onderzoek van de feiten ten laste van verzoeker; dat zij, in dat kader, nagegaan is of iemand het veiligheidssysteem gemanipuleerd zou kunnen hebben teneinde verzoeker een IX-3305-10/12 tuchtvergrijp ten laste te leggen dat hij niet gepleegd zou hebben en dat dit onderzoek haar tot het besluit gebracht heeft dat zulks niet het geval was; dat de Algemene Inspectie daarmee de haar toevertrouwde opdracht terdege nagekomen is; dat het middel niet gegrond is; 4.
  32. Overwegende dat verzoeker aan de Raad van State vraagt om een onafhankelijk onderzoek te voeren naar de werksfeer binnen de GDA Leuven omdat die medebepalend is geweest voor de tuchtstraf die hem opgelegd is; dat hij meer bepaald een getuigenverhoor wenst van zijn collega’s die hij reeds in het kader van het tuchtonderzoek verhoord wenste te zien, evenals van hoofdcommissaris FONTEYN; 4.
  33. Overwegende dat de Raad van State in het kader van zijn wettigheidsonderzoek van de aan verzoeker opgelegde tuchtstraf niet in de plaats van het bestuur mag oordelen; dat hij enkel mag nagaan of het bestuur de tenlastelegging voor terdege bewezen kon houden en of het geen kennelijk onredelijke beslissing genomen heeft; dat de Raad van State uit het hem voorgelegde dossier en zonder dat daarvoor nog een verder onderzoek uitgevoerd moet worden, kan opmaken dat de verwerende partij haar beoordelingsbevoegdheid niet te buiten gegaan is, BESLUIT: Artikel
  34. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  35. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. IX-3305-11/12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf juli 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. L. HELLIN. IX-3305-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.017 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.