id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 juli 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.019 Rolnummer: A. 65287/IX-1159 Zaak: Arrest 161019 - - 05/07/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-08-02 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-07-01 00:03 Fiche Arrest nr 161.019 van 5 juli 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 161.019 van 5 juli 2006 in de zaak A. 65.287/IX-
- In zake : Stephan PUT, die woonplaats kiest bij het Nationaal Syndicaat van het Rijkswachtpersoneel (N.S.R.P.), thans het Nationaal Syndicaat voor het Politie- en Veiligheidsperso- neel (N.S.P.V.), gevestigd te BRUSSEL, G. Bernheimlaan 18-20 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, p.a. de Federale Politie Algemeen Commando DGP/DPS, gevestigd te BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Stephan PUT op 25 augustus 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : “
- (de) beslissing van 27 juni 1995 houdende mutatie bij ordemaatregel en inzetverbod, (...)
- de beslissing van 7 juni 1995 om het beloop en aard van de militaire tuchtstraf (van 30 maart 1995) te verminderen tot vijf dagen eenvoudig arrest en om de reden van de straf als volgt aan te passen: ‘heeft, met plantondienst grenscontrole bevolen, feitelijkheden gepleegd tegenover een teruggewezen vreemdeling, zonder dat die feitelijkheden in verhou- ding stonden tot de gebeurlijke weerspannigheid van deze laatste’,
- de beslissing van 30 maart 1995 tot het opleggen van een militaire tuchtstraf van vier dagen zwaar arrest met uitstel van twee jaar om volgende redenen : ‘Met plantondienst grenscontrole bevolen, over- dreven geweld te hebben gebruikt tegenover een teruggewezen vreemdeling, zonder dat nog sprake kon zijn van het aanwenden van de wettelijke toegestane dwangmiddelen’”; Gelet op het arrest nr. 58.190 van 19 februari 1996 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen worden verworpen; IX-1159-1/23 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 30 juni 1998 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 30 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 juni 2006; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van adviseur E. VAN ROSSEM, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt: 1.
- Op 29 maart 1976 wordt verzoeker opgenomen in de rijkswacht. Sedert 23 april 1979 maakt hij deel uit van het Veiligheidsdetachement van de Nationale Luchthaven te Zaventem. 1.
- Op 19 mei 1993 zendt het hoofd Grenscontrole een informatieverslag ten laste van verzoeker aan de commandant van het IX-1159-2/23 Veiligheidsdetachement (hierna : de eenheidscommandant). Hierin geeft hij het volgende "relaas van de feiten" : "a. Op 3 mei 93 verneem ik via Police de l'Air et des Frontières van LYON dat een Angolees onderdaan, die op 2 mei 1993 door Pers GK VDNL werd teruggedreven naar LYON, zich erover beklaagt 'mishandeld' te zijn geworden door dit Gd-Pers. b. (...) c. Uit de eerste verklaringen blijkt dat de Angolees, die uit Frankrijk diende gezet te worden en via BRUSSEL naar LUANDA diende te vertrekken, moeilijkheden heeft veroorzaakt bij de inscheping voor de vlucht naar LUANDA. d. Hierop werd een beroep gedaan op de Rijkswacht. 1WM VANDERSYPE en 1WM PUT begeven zich ter plaatse en brengen betrokken Angolees, die door de boordkommandant van de vlucht naar LUANDA geweigerd wordt, over naar de lokalen grenskontrole. Deze overbrenging gebeurt blijkbaar zonder problemen. e. In de lokalen GK aangekomen wordt betrokken Angolees door 1WM PUT ondergebracht in het cellencomplex. f. 1WM VANDERSYPE en WM INGELREST, die zich in de lokalen GK bevinden, horen plots geroep vanuit de cellen en begeven zich onmiddellijk naar deze cellen. Zij stellen vast dat 1WM PUT 'enkele slagen' toedient aan de Angolees (er is sprake van schoppen tegen het scheenbeen en slagen tegen het hoofd). Uit hun verklaringen, blijkt dat deze 'slagen' niet gewettigd waren, gezien de afwezigheid van enig verzet vanwege de Angolees. 1WM PUT daarentegen beweert gehandeld te hebben uit 'zelfverdediging' en met de bedoeling betrokken vreemdeling tot kalmte aan te manen. Uit het medisch rapport opgesteld te LYON, blijkt alleszins dat er geen zichtbare sporen van geweld zijn vastgesteld. g. Hoewel ik na het eerste onderzoek van de feiten de mening toegedaan ben dat de slagen waarvan sprake in de verklaringen van zowel 1WM VANDERSYPE als van WM INGELREST, enigszins dienen gerelativeerd te worden, ben ik toch van oordeel dat 1WM PUT niet vrijuit gaat in deze zaak." 1.
- Op 2 juni 1993 maakt de eenheidscommandant een inleidend tuchtverslag op waarbij verzoeker ten laste wordt gelegd dat hij : "(...) meerdere slagen toebracht aan de Angolees (schoppen tegen het scheenbeen, slagen op het hoofd en het lichaam). Gezien de getuigenverklarin- gen waren deze slagen niet gerechtvaardigd. De Angolees nam mogelijks een tartende houding aan, maar hij pleegde geen verzet." 1.
- Verzoeker dient op 11 juni 1993 een verweerschrift in. IX-1159-3/23 1.
- Op 17 juni 1993 maakt de eenheidscommandant het dossier over aan de commandant van de territoriale groep Provincie Brabant (hierna : de korpscommandant) met het voorstel om aan verzoeker een zware straf op te leggen. 1.
- Met een nota van 23 juni 1993 zendt de korpscommandant het dossier terug aan de eenheidscommandant met de mededeling dat de feiten ter kennis moeten gebracht worden van de procureur des Konings en de tuchtprocedure ingevolge het gerechtelijk onderzoek dient te worden opgeschort. 1.
- In de nacht van 20 op 21 juni 1993 ontsnappen drie personen uit de transitzone van de Nationale Luchthaven te Zaventem, waarvan er twee worden gevat door een ploeg van het Veiligheidsdetachement. Deze twee personen worden ondervraagd door twee leden van het Veiligheidsdetachement. Op een bepaald ogenblik zouden bepaalde leden van het Veiligheidsdetachement tegen beide ondervraagden "gewelddaden" hebben gepleegd. Twee andere personen die op de Nationale Luchthaven verbleven, dienden gerepatrieerd te worden naar Zaïre. In afwachting van een beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken werden ze in de cellen van de Dienst Grenscontrole ondergebracht. Deze personen zouden eveneens het slachtoffer van "geweldplegin- gen" geweest zijn. 1.
- Met een nota van 23 juni 1993 geeft de eenheidscommandant aan de korpscommandant het relaas van de feiten die plaats vonden in de nacht van 20 op 21 juni
- Eén van de ondervraagden verklaart dat hij door een rijkswachter gedurende de ganse nacht belet werd om te slapen : "Uit zijn beschrijving van de persoon kan afgeleid worden dat het waarschijnlijk gaat om 1WM PUT". In de nota wordt onder meer gesteld dat verzoeker de feiten ontkent en dat het parket van Brussel met betrekking tot verzoeker nog geen beslissing nam : "Men wacht het resultaat af van het onderzoek, dat op gerechtelijk vlak zal gestart worden, nopens het toebrengen van slagen aan een teruggedreven persoon op 2 mei 93". Met een tweede nota van 23 juni 1993 meldt de eenheidscommandant aan de korpscommandant onder meer dat verzoeker : "eveneens ongeoorloofd geweld heeft gebruikt (in dit geval het verhinderen dat één der slachtoffers zou inslapen). Er dient nog opgemerkt te worden dat op 2 mei 1993 1WM PUT eveneens ongeoorloofd geweld heeft gebruikt tegen een teruggedreven kleurling. Voor IX-1159-4/23 deze feiten, waarvoor reeds een tuchtonderzoek was gestart, zal nu eveneens PV opgesteld worden. 1WM PUT heeft duidelijk de deontologische regels van de Rijkswacht overtreden. Volgens onze mening is het onverantwoord hem nog langer diensten te laten uitvoeren in contact met het publiek. Een verwijdering uit het VDNL dringt zich bijgevolg op". De eenheidscommandant stelt voor om verzoeker te muteren naar een eenheid waar hij niet in contact komt met het publiek. 1.
- Op 24 juni 1993 beslist de korpscommandant dat verzoeker vanaf 28 juni 1993 voorlopig gedetacheerd wordt bij de territoriale groep Provincie Brabant. Hij vraagt voorstellen te formuleren tot mutatie bij administratieve maatregel en hem, door een omstandig verslag, de nodige elementen te bezorgen die hem moeten toelaten de gepaste statutaire maatregelen voor te stellen. 1.
- Met een nota van 30 juni 1993 meldt de eenheidscommandant aan de korpscommandant dat verzoeker het voorwerp uitmaakt van een gerechtelijk onderzoek. Hij wordt ervan verdacht "op 2 mei 93 en in de nacht van 20 op 21 juni 1993 ongeoorloofd geweld te hebben gebruikt tegenover terug te drijven kleurlingen". 1.
- Eveneens op 30 juni 1993 doet de eenheidscommandant met betrekking tot verzoeker een voorstel tot mutatie bij administratieve maatregel. Na een "uiteenzetting der feiten" doet hij het volgende voorstel : "a. 1WM PUT geeft, voor de feiten van 2 mei 1993, toe dat hij een aanval van MAYMONA afweerde door hem bij de keel te grijpen, hierbij kan hij zijn hoofd gestoten hebben aan de ligbank. Hij geeft toe mogelijk een trapbeweging te hebben gemaakt en in een reflex geslagen te hebben. Hij is zich daar echter niet van bewust. Twee rijkswachters hebben gezien dat PUT slagen toebracht aan MAYMONA. De feiten van 21 juni 1993 worden door 1WM PUT ontkend. b. Zelfs al bestaan er voor de feiten van 21 juni 1993 geen bewijzen, dan zijn de gebeurtenissen van 2 mei 1993 reeds voldoende om te besluiten dat 1WM PUT door zijn ongeoorloofde handelwijze flagrant de deontologische regels van het Korps heeft overtreden. Gezien deze feiten achten wij het onverantwoord deze OOffr nog langer diensten te laten uitvoeren in bestendig contact met het publiek. Wij zijn dan ook van mening dat betrokkene niet langer meer kan deel uitmaken van het VDNL. Een terugkeer van betrokkene zou trouwens bij het personeel de indruk kunnen wekken dat uiteindelijk toch niet zwaar aan dergelijke feiten wordt getild. c. Wij stellen voor 1WM PUT te muteren naar een andere eenheid." IX-1159-5/23 1.
- Met een brief van 10 maart 1994 vraagt de eenheidscommandant van het Veiligheidsdetachement aan de procureur des Konings te Brussel welk gevolg werd gegeven aan de zaak waarvan verzoeker wordt verdacht - op 2 mei 1993 en in de nacht van 20 op 21 juni 1993 ongeoorloofd geweld te hebben gebruikt tegenover terug te drijven personen -. 1.
- Op 6 mei 1994 noteert de procureur des Konings in de rand van de brief van 10 maart 1994 dat de zaak "zonder gevolg" gerangschikt werd en dat machtiging wordt verleend tot afschrift en inzage van het dossier. 1.
- Nadat verschillende getuigen zijn gehoord, vindt op 19 mei 1994 een confrontatie plaats tussen verzoeker en enkele getuigen. 1.
- Op 5 augustus 1994 beslist de korpscommandant dat ingevolge de inwerkingtreding van het nieuw tuchtstatuut op 1 juli 1994, de tuchtprocedure moet herbegonnen worden. 1.
- Op 20 september 1994 maakt de eenheidscommandant een informatieverslag op dat wordt overgemaakt aan de commandant van het district Brussel. 1.
- Op 5 oktober 1994 zendt de commandant van het district Brussel een ontwerp van inleidend verslag ten laste van verzoeker aan de korpscommandant. 1.
- Op 21 oktober 1994 maakt de korpscommandant een inleidend verslag op waarin aan verzoeker de feiten van 2 mei 1993 ten laste gelegd worden. 1.
- Verzoeker dient een verweerschrift in en wordt op 16 november 1994 door de korpscommandant gehoord. 1.
- Naar aanleiding hiervan beslist de korpscommandant dat de tuchtprocedure zal worden voortgezet op basis van het inleidend verslag van 2 juni
- 1.
- Op 8 december 1994 vraagt de eenheidscommandant aan de procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Brussel toestemming tot inzage van de gerechtelijke dossiers. IX-1159-6/23 Na een herinneringsschrijven op 19 januari 1995 antwoordt de procureur-generaal op 10 februari 1995 dat toestemming verleend wordt om de processen-verbaal die deel uitmaken van de gerechtelijke dossiers voor disciplinaire doeleinden te gebruiken. 1.
- Op 14 februari 1995 maakt de eenheidscommandant een verslag op waarbij de procedure op basis van het inleidend verslag van 2 juni 1993 wordt heropend. 1.
- Verzoeker dient een verweerschrift in. 1.
- Op 23 maart 1995 maakt de eenheidscommandant een overzendingsverslag op waarin een zware straf wordt voorgesteld. 1.
- Op 30 maart 1995 zendt de korpscommandant, na verzoeker gehoord te hebben, hem de volgende betekeningsnota van een straf : “ONDERWERP : Tucht Ref : ...
- Ingevolge het inleidend verslag aangehaald in Ref, leg ik u vier
(04)dagen zwaar arrest op met uitstel van twee jaar om volgende redenen : ‘Met plantondienst grenscontrole bevolen, overdreven geweld te hebben gebruikt tegenover een teruggewezen vreemdeling, zonder dat nog sprake kon zijn van het aanwenden van de wettelijke toegestane dwangmiddelen’.
- (...)”. Dit is de derde bestreden beslissing. 1.
- Verzoeker stelt hiertegen beroep in. 1.
- Op 23 mei 1995 worden verzoeker en zijn verdediger gehoord door de chef van de generale staf. 1.
- Met een nota van 7 juni 1995 deelt de chef van de generale staf aan verzoeker en aan de commandant van het district Brussel het volgende mee : “ONDERWERP : Tuchtrechtspleging ...
- Met toepassing van de bepalingen van Art 37 van de wet in Ref 1, heeft u beroep ingesteld tegen de door de Comd Gp BRABANT-BRUSSEL opgelegde tuchtstraf van 04 dagen zwaar arrest met uitstel van 2 jaar. IX-1159-7/23
- Na grondige studie van het dossier en na uw verdediger op 231030 mei 95 te hebben gehoord, beslis ik : - gelet op de ‘feitelijkheden’ die toch gepleegd zijn geweest; - ermee rekening houdend dat het vast staat dat uw reactie niet in verhouding stond met de gebeurlijke weerspannigheid; - dat de redelijke termijn niet werd overschreden daar de tuchtprocedure slechts ten gronde een aanvang kon nemen in mei 1994, datum waarop het gerechtelijk dossier voor het eerst aan de tuchtrechtelijke bevoegde overheid werd medegedeeld; - gelet op de goede beoordelingen zoals blijkt uit uw IIB en op uw blanco strafblad; het beloop en de aard van de straf te verminderen tot vijf dagen eenvoudig arrest en de reden van de straf als volgt aan te passen : ‘heeft, met plantondienst grenscontrole bevolen, feitelijkheden gepleegd tegenover een teruggewezen vreemdeling, zonder dat die feitelijkheden in verhouding stonden tot de gebeurlijke weerspannigheid van deze laatste’.
- (...)”. Dit is de tweede bestreden beslissing. 1.
- Met een nota van 27 juni 1995 deelt de commandant van de rijkswacht, hoofddirecteur van het personeel, aan de commandant van het district Brussel het volgende mee : “Onderwerp : Mutatie bij ordemaatregel - inzetverbod Betreft : 1WM PUT Stephan (...)
- De feiten a. 1WM PUT maakte het voorwerp uit van tuchtrechtelijke vervolgingen wegens ongeoorloofde en niet verschoonbare handtastelijkheden en misbruik van gezag tijdens een politieverhoor. b. De feiten werden op strafrechtelijk vlak zonder gevolg geklasseerd. c. De Chef GSt Gd heeft supra vermelde feiten als bewezen beschouwd en ten laste van 1WM PUT gelegd. d. 1WM PUT is sedert 28 juni 1993 ten bewarende titel afgedeeld naar de Bde BRUSSEL.
- Beslissingen a. Gelet op het voorstel van de KorpsComd in Ref 3, waarbij ik mij aansluit, zal 1WM PUT op 3 juli 1995 bij ordemaatregel mutatie maken naar de Bde BRUSSEL als lid R
- Voor de berekening van de aanwezigheidstermijn zal de datum van 28 juni 1993 in aanmerking worden genomen. b. Gelet op het voorstel van de KorpsComd, wordt hem, overwegende dat een inzetting van 1WM PUT in het VDNL niet meer aangewezen is, in het belang van de dienst, een inzetverbod voor het VDNL opgelegd.
- (...)
- (...).” Dit is de eerste bestreden beslissing. IX-1159-8/23 1.
- Op 7 augustus 1995 dient verzoeker een verzoekschrift in bij de commandant van de rijkswacht om de nietigverklaring te vorderen van de tuchtstraffen wegens procedureredenen; 2.1.
- Overwegende dat, wat de ontvankelijkheid betreft, de verwerende partij in een eerste exceptie aanvoert dat een annulatieberoep tegen een militaire tuchtstraf opgelegd aan een lid van de rijkswacht niet ontvankelijk is, aangezien de demilitarisering sedert 1 januari 1992 de leden van de rijkswacht niet automatisch onttrokken heeft aan de op hen van toepassing zijnde wetten en reglementen, wat volgens haar blijkt uit artikel 17 van de wet van 18 juli 1991 tot wijziging van de wet van 2 december 1957 op de rijkswacht en van de wet van 27 december 1973 betreffende het statuut van het personeel van het actief kader van het operationeel korps van de rijkswacht en houdende demilitarisering van de rijkswacht (hierna: de wet van 18 juli 1991), hetwelk artikel 1 van de wet van 27 december 1973 betreffende het statuut van het personeel van het actief kader van het operationeel korps van de rijkswacht en houdende demilitarisering van de rijkswacht (hierna: de wet van 27 december 1973) heeft vervangen en bepaalt dat de leden van de rijkswacht onder de wetten en reglementen blijven vallen die van toepassing zijn op het personeel van de krijgsmacht, zoals die in voorkomend geval aangepast zijn aan hun bijzondere toestand en dat wijzigingen in voornoemde wetten en reglementen, na 1 januari 1992 aangebracht, slechts van toepassing zijn op de leden van de rijkswacht indien dit uitdrukkelijk is bepaald; dat bij de bespreking van de wet van 18 juli 1991 duidelijk gesteld is dat de realisatie van de regeringsbeslissingen inzake het disciplinair statuut van het rijkswachtpersoneel in een afzonderlijk wetsontwerp zou worden opgenomen, zodat bijgevolg de leden van de rijkswacht aan de “oude” tuchtregeling onderworpen bleven; dat het arrest van het Arbitragehof van 6 mei 1993 dat stelt dat het tijdelijk behoud van de bevoegdheid van de militaire gerechten ten aanzien van de leden van de rijkswacht geen discriminatie inhoudt, indien althans de nieuwe wetgeving houdende een aangepast disciplinair statuut binnen een redelijke termijn in werking treedt; dat deze visie bijgetreden werd bij de bespreking van de wet van 24 juli 1992 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de rechtstoestanden van het personeel van het actief kader van de rijkswacht (hierna: de wet van 24 juli 1992), waarbij vooreerst gesteld werd dat ten aanzien van alle tuchtstraffen de Raad van State bevoegd is, maar bij de inwerkingtreding ervan - op 1 juli 1994 - benadrukt werd dat enkel de administratieve tuchtmaatregelen voor de Raad van State aangevochten kunnen worden; dat volgens haar deze zienswijze meermaals bevestigd werd door de militaire gerechten, die zich nog bevoegd hebben verklaard voor de gedemilitariseerde leden van de rijkswacht in afwachting van de IX-1159-9/23 inwerkingtreding van het nieuwe stelsel; dat zij besluit dat verzoekers standpunt, gesteund op de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet wegens de voorlopig behouden toepasselijkheid van de militaire tuchtstraffen, bijgevolg faalt in rechte; Overwegende dat de verwerende partij voorts aanvoert dat de memories van toelichting van de wet van 18 juli 1991 en van de wet van 24 juli 1992 geen voorlopig onderscheid maken tussen militaire tuchtstraffen opgelegd aan militairen of aan leden van de rijkswacht; dat ook bij de bespreking van de wet van 24 juli 1992 gesteld werd dat slechts de militaire tuchtsancties, zoals voorzien in artikel 24/13 van deze wet, en niet de militaire tuchtstraffen het voorwerp van een annulatieberoep kunnen uitmaken; dat het de facto verkrijgen van een “burgerlijk karakter” van de rijkswacht op zich niet van die aard is om een nieuwe tuchtprocedure in werking te stellen; dat een voor vernietiging vatbare handeling een administratieve rechtshandeling moet zijn in de zin van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, terwijl de Raad van State reeds geoordeeld heeft dat uit de parlementaire voorbereiding van de organieke wet op de Raad van State blijkt dat zaken van zuiver militaire tucht niet het voorwerp van een annulatieberoep kunnen uitmaken, omdat tuchtstraffen, in tegenstelling tot de maatregelen bedoeld in de wetten en besluiten die het statuut van de rijkswachter vaststellen, geen administratieve rechtshandelingen zijn in de zin van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, alsook reeds geoordeeld heeft dat militaire tuchtstraffen maatregelen van inwendige orde zijn en bijgevolg niet vatbaar voor vernietiging en bovendien reeds gesteld heeft dat de beoordeling van aan militairen opgelegde tuchtstraffen, die uitsluitend de tucht beogen, in tegenstelling tot tuchtmaatregelen, die niet uitsluitend met de tucht, maar ook met de administratieve toestand van de betrokkene verband houden, niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort; dat de verwerende partij betoogt dat te dezen verzoeker een tuchtstraf opgelegd kreeg die uitsluitend tot de militaire tucht behoort en dus zijn administratief statuut niet raakt; dat zij duidt op het feit dat te dezen enkel toepassing gemaakt wordt van de “kleine tucht”, zonder deze te combineren met de “grote statutaire tucht”, zodat volgens haar in de onderhavige zaak enkel de dominante rechtsleer en vaste rechtspraak van de Raad van State moet worden toegepast; dat zij van oordeel is dat het verzoekschrift bijgevolg niet ontvankelijk is; 2.1.
- Overwegende dat verzoeker antwoordt dat militaire tuchtstraffen wel degelijk administratieve rechtshandelingen zijn vatbaar voor een annulatieberoep; dat hij betoogt dat, in geval de Raad van State onbevoegd is, zulks een schending IX-1159-10/23 uitmaakt van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet; dat hij dienaangaande verwijst naar de verduidelijking gegeven in zijn verzoekschrift en vraagt dat de Raad van State desgevallend aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag zou stellen over de schending van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel wanneer aangenomen wordt dat de gecoördineerde wetten op de Raad van State het de Raad niet mogelijk maken toezicht uit te oefenen op een tuchtstraf opgelegd aan een lid van de rijkswacht; dat hij er in dat verband ook op wijst dat het Arbitragehof reeds geoordeeld heeft dat het gelijkheidsbeginsel geschonden wordt in de mate dat de griffiers van de rechterlijke orde, in tegenstelling tot de overige ambtenaren, voor bepaalde tuchtstraffen geen toegang hebben tot de rechter; dat hij tenslotte ook nog betoogt dat de Franse Conseil d’Etat de ontvankelijkheid van een annulatieberoep tegen een militaire tuchtstraf reeds aanvaardde, dat deze zienswijze wordt bijgetreden binnen de rechtsleer en binnen de rijkswacht zelf, alsook steun vindt in het arrest Laemont van 24 november 1995; 2.1.
- Overwegende dat in de memorie van toelichting bij het wetsontwerp dat de wet van 24 juli 1992 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de rechtstoestanden van het personeel van het actief kader van de rijkswacht geworden is, bevestigd werd dat voortaan alle tuchtstraffen het voorwerp kunnen uitmaken van een beroep bij de Raad van State (Gedr. St. Senaat, 1990-1991, nr. 1428-1, blz. 2 en 4); dat naar luid van artikel 3 van het Gerechtelijk Wetboek de wetten op de rechterlijke organisatie, de bevoegdheid en de rechtspleging van toepassing zijn op hangende rechtsgedingen; dat de onmiddellijke toepasselijkheid van de wetten op de bevoegdheid, als een algemeen rechtsbeginsel kan beschouwd worden (Cas. 17 mei 1973, Arr. Cass. 1973, 898); dat bijgevolg, wat de bevoegdheid van de Raad van State betreft, geen onderscheid moet worden gemaakt naargelang het gaat om vernietigingsberoepen tegen tuchtstraffen die vóór of na de inwerkingtreding van de wet van 24 juli 1992 werden ingediend; dat met andere woorden, zelfs indien zou worden aangenomen dat de Raad van State vóór de inwerkingtreding van de wet van 24 juli 1992 ter zake niet bevoegd was, de Raad van State zich thans bevoegd dient te verklaren ten aanzien van alle hangende annulatieberoepen die door personeelsleden van de rijkswacht tegen tuchtstraffen werden ingesteld; dat de exceptie niet opgaat; 2.2.
- Overwegende dat de verwerende partij in een tweede exceptie de onontvankelijkheid aanvoert “in de mate dat verzoeker de schending van de redelijke termijn, verlopen sedert het arrest van het Arbitragehof dd. 6 mei 1993, inroept zodat de voorlopige verdere toepassing van het ‘oude tuchtstelsel’ een schending zou IX-1159-11/23 uitmaken van het gelijkheidsbeginsel”; dat zij vaststelt dat verzoeker nagelaten heeft alle wettelijke mogelijkheden uit te putten teneinde vlugger de toepassing van de wet van 24 juli 1992 te verkrijgen; dat zij voorts betoogt dat bezwaarlijk gesteld kan worden dat de termijn voor de inwerkingtreding van de nieuwe tuchtprocedure manifest de grenzen van het redelijke heeft overschreden, aangezien tussen 24 december 1992 - datum van overzending van de adviezen van het ministerie van Justitie inzake het uitvoeringsbesluit - en 28 juni 1994 - datum van publicatie van het koninklijk besluit van 17 juni 1994 - de onderhandelingen met de syndicale organisaties plaatsvonden, de afdeling wetgeving van de Raad van State tweemaal zijn spoedadvies gaf over het ontwerp en de adviezen van het ministerie van Justitie opnieuw ingewonnen werden; dat de verwerende partij erop wijst dat, zelfs bij een eventuele schending van de redelijke termijn, verzoeker nalaat aan te tonen in welke mate deze laattijdigheid in zijn hoofde een schending van het gelijkheidsbeginsel uitmaakt; 2.2.
- Overwegende dat verzoeker antwoordt dat de exceptie onduidelijk is en het hem niet toekomt de uitvoering van de wet te verzekeren; dat de overheid getalmd heeft bij de uitvoering van de nieuwe wet, zodat de oude tuchtwet zeker niet langer van toepassing was; dat zijn belang bij het overschrijden van de redelijke termijn gelegen is in het feit dat hij geen “oude” tuchtstraf meer kan krijgen, omdat de oude tuchtwet niet langer van toepassing was en in elk geval zijn tuchtstraf onder de nieuwe tuchtwet wel het voorwerp van een annulatieberoep zou kunnen uitmaken; 2.2.
- Overwegende dat verzoeker geen middel aanvoert met de in de exceptie vermelde inhoud; dat hij ook niet verantwoordelijk kan worden gesteld voor een eventuele vertraging bij de uitvoering van de wet; dat de exceptie niet gegrond is; 2.3.
- Overwegende dat de verwerende partij in een derde exceptie een gebrek aan belang aanvoert in hoofde van verzoeker om de derde bestreden beslissing aan te vechten, gezien het devolutief karakter van het hoger beroep; dat, wat de tweede bestreden beslissing betreft, het beroep bij de commandant van de rijkswacht een georganiseerd administratief beroep vormt dat door verzoeker diende te worden uitgeput teneinde een definitieve beslissing te verkrijgen; dat zij erop wijst dat ook de straf reeds uitgevoerd is; 2.3.
- Overwegende dat verzoeker antwoordt dat hij wel degelijk belang heeft bij de nietigverklaring van de derde bestreden beslissing omdat in geval van IX-1159-12/23 vernietiging van de tweede bestreden beslissing de derde bestreden beslissing herleeft; dat het beroep bij de commandant van de rijkswacht een willig beroep is dat geen wettelijke grondslag heeft; dat hij in zijn laatste memorie ook nog stelt dat de commandant van de rijkswacht geen beslissing genomen heeft inzake het verzoekschrift tot nietigverklaring van 7 augustus 1995 en dat het administratief dossier dienaangaande geen preciseringen bevat, zodat de tuchtstraf vatbaar is voor een annulatieberoep en dat hij wel aanvaardt dat hij geen belang heeft om de derde bestreden beslissing aan te vechten, wanneer een vernietiging van de tweede bestreden beslissing de derde bestreden beslissing niet doet herleven, zoals het auditoraatsverslag stelt; 2.3.3.
- Overwegende dat, wat de derde bestreden beslissing betreft, wanneer de wet voorziet in een georganiseerd administratief beroep, in principe enkel tegen de in laatste aanleg genomen beslissing een annulatieberoep kan worden ingesteld; dat te dezen verzoeker overeenkomstig artikel 15 van het koninklijk besluit van 19 juni 1980 tegen de derde bestreden beslissing hoger beroep heeft ingesteld bij de chef van de generale staf; dat ingevolge het devolutief karakter van dat hoger beroep de tweede bestreden beslissing in de plaats is gekomen van de derde bestreden beslissing, zodat deze laatste geen rechtsgevolgen heeft; dat, in strijd met verzoekers zienswijze, de vernietiging van de tweede bestreden beslissing niet tot gevolg zal hebben dat de in eerste aanleg genomen beslissing herleeft, maar wel dat de hogere overheid zich opnieuw over verzoekers beroep zou moeten uitspreken; dat de verwerende partij bijgevolg terecht aanvoert dat het annulatieberoep tegen de derde bestreden beslissing onontvankelijk is; 2.3.3.
- Overwegende dat, wat de tweede bestreden beslissing betreft, een annulatieberoep in principe slechts ontvankelijk is op voorwaarde dat verzoeker de georganiseerde administratieve beroepen uitgeput heeft; dat wanneer echter geen uitspraak volgt over de beslissing waartegen de betrokkene beroep heeft aangetekend, deze die beslissing rechtstreeks kan aanvechten voor de Raad van State, zonder de afwikkeling van het administratief beroep te moeten afwachten; dat te dezen verzoeker op 7 augustus 1995 bij de commandant van de rijkswacht “een verzoekschrift tot vernietiging” heeft ingediend, waarin hij overeenkomstig artikel 29 van het koninklijk besluit van 19 juni 1980 onder meer verzoekt de tweede bestreden beslissing wegens procedureredenen te vernietigen; dat de commandant van de rijkswacht echter geen uitspraak heeft gedaan over dit beroep; dat in die omstandigheden en voor zover het beroep bij de commandant van de rijkswacht wel als een echt georganiseerd beroep moet worden aangemerkt, verzoeker het tweede IX-1159-13/23 bestreden besluit rechtstreeks voor de Raad van State kan aanvechten; dat het reeds volledig uitgevoerd zijn van de beslissing verzoeker niet tegengeworpen kan worden, aangezien het belang bij een annulatieberoep niet tenietgaat door het enkele feit dat de bestreden beslissing uitgevoerd is en dus reeds haar effect gehad heeft; dat de exceptie niet gegrond is in de mate dat zij betrekking heeft op het annulatieberoep tegen de tweede bestreden beslissing; 2.4.
- Overwegende dat de verwerende partij in een vierde exceptie aanvoert dat verzoeker geen belang heeft bij de annulatie van de eerste bestreden beslissing; dat verzoekers verdediger tijdens de tuchtprocedure uitdrukkelijk stelde dat verzoeker niet wou terugkeren naar Zaventem en dat hij zijn periode van detachering van bij het begin wou omgezet zien in een mutatie, wat hem toeliet een eenheid aan te vragen die overeenstemde met zijn wensen en dat hij dergelijke mutatie ook gekregen heeft; dat zij voorts aanvoert dat verzoeker tot op heden geen gebruik maakte van de door artikel 21, b,
(3), van het reglement van inwendige orde houdende de maatregelen van inwendige orde en de specifieke maatregelen die kunnen worden genomen t.a.v. de leerlingen van een rijkswachtschool (hierna: het reglement van inwendige orde) voorziene herzieningsaanvraag; 2.4.
- Overwegende dat verzoeker antwoordt dat hij wel degelijk over het rechtens vereiste belang beschikt bij de annulatie van de eerste bestreden beslissing, aangezien hem een mutatie bij ordemaatregel werd opgelegd en hem dus geen mutatie op aanvraag werd verleend, zodat er volgens hem sprake is van een bijzondere smet op zijn voortreffelijk rijkswachterscurriculum; dat hij voorts betoogt dat zijn latere mutatie naar de brigade van zijn keuze op 29 januari 1996 evenmin dat belang doet tenietgaan en dat de door het reglement van inwendige orde voorziene herzieningsaanvraag slechts geldt inter partes en ex nunc, terwijl een annulatieberoep ex tunc en erga omnes geldt; 2.4.
- Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie aanvoert dat een mutatie op aanvraag de enige maatregel is waarbij zijn instemming relevant en bindend is; dat er slechts sprake was van een mutatie op aanvraag op 29 januari 1996, terwijl tijdens de tuchtprocedure op 23 mei 1995 zijn verdediging enkel stelde dat hij wenste te blijven waar hij was, mits omzetting van zijn detachering in een mutatie van bij het begin van de detachering, zulks omdat hij vond dat de lokale hiërarchie te Zaventem hem geen voldoende vertrouwen meer inboezemde; dat hij enkel akkoord is gegaan met een vrijwillige retroactieve mutatie op aanvraag en niet met de mutatie als ordemaatregel; dat op 30 juni 1993 de eenheidscommandant uitdrukkelijk gesteld IX-1159-14/23 heeft dat verzoeker “door zijn ongeoorloofde handelswijze flagrant de deontologische regels van het korps heeft overtreden” en daarom niet langer deel kan uitmaken van het korps, waarna de eenheidscommandant voorgesteld heeft hem te muteren; dat op 27 juni 1995 de commandant van de rijkswacht de mutatie bij ordemaatregel opgelegd heeft, zich daarbij uitdrukkelijk steunend op de als bewezen beschouwde en ten laste van verzoeker gelegde feiten, zodat de mutatie bij ordemaatregel de facto dermate met de formele tuchtstraf verweven is dat zijn eventuele voorafgaandelijke instemming met een retroactieve mutatie op aanvraag te dezen zijn belang bij het annulatieberoep niet kan ontnemen; 2.4.
- Overwegende dat de mutatie bij ordemaatregel en het inzetverbod, door de eerste bestreden beslissing aan verzoeker opgelegd, krachtens artikel 24/13, § 3, van de wet van 27 december 1973 en het reglement van inwendige orde, maatregelen zijn die enkel het waarborgen of herstellen van de goede werking van de eenheid en een goede organisatie van de dienst mogen beogen en die derhalve fundamenteel verschillen van een tuchtstraf, die bedoeld is om de betrokkene te bestraffen wegens schuldig gedrag; dat op 23 mei 1995, naar aanleiding van de beroepsprocedure in tweede aanleg, verzoekers verdediger gesteld heeft dat verzoeker niet wenste “terug te keren naar de luchthaven Zaventem, maar (...) wel te blijven waar hij is, zij het dat zijn periode van detachering dient omgezet te worden in een mutatie van bij het begin zodat hij de mogelijkheid heeft om onmiddellijk een eenheid te kunnen aanvragen naar zijn wensen”; dat verzoekers verdediger dan ook gevraagd heeft om “de vernietiging van de straf en (...) dat betrokkene voorlopig kan blijven waar hij is met dien verstande dat hij de vrijheid heeft om een eenheid aan te vragen, zelfs in bovental”; dat de eerste bestreden beslissing, die verzoeker bij ordemaatregel naar de brigade Brussel muteert, voor de berekening van de verplichte aanwezigheidstermijn bepaalt dat de datum van 28 juni 1993 zal worden in aanmerking genomen; dat met ingang van 29 januari 1996 verzoeker op eigen aanvraag naar de brigade Hasselt gemuteerd werd; dat verzoeker er zelf mee heeft ingestemd niet naar het Veiligheidsdetachement van de Nationale Luchthaven te Zaventem terug te keren en dat hij, wat zijn mutatie naar een andere eenheid betreft, voldoening heeft gekregen; dat hij er geen belang bij heeft zijn mutatie aan te vechten, aangezien hij met die maatregel ingestemd heeft; dat hij evenmin belang heeft bij de vernietiging van het inzetverbod, aangezien hij niet naar het detachement te Zaventem wenst terug te keren; dat, aangezien de ordemaatregel niet de bestraffing van schuldig gedrag beoogt, maar wel de goede werking van de dienst, dienaangaande bezwaarlijk gesproken kan worden van een “smet” op zijn loopbaan; dat hij niet op afdoende wijze verduidelijkt hoe de problematiek van de stuiting van IX-1159-15/23 de verjaringstermijn verband houdt met de onderhavige zaak; dat het pas opleggen van een ordemaatregel na de straf- en tuchtprocedure te dezen verantwoord wordt door het feit dat die maatregel de facto een retroactieve regularisatie is van een bestaande toestand, waarmee verzoeker instemde; dat de exceptie gegrond is;
- Overwegende dat het annulatieberoep enkel ontvankelijk is in de mate dat het gericht is tegen de tweede bestreden beslissing, zodat, wat de gegrondheid van de zaak betreft, enkel het eerste middel onderzocht dient te worden; 3.1.
- Overwegende dat verzoeker in een eerste onderdeel van het eerste middel de schending aanvoert van artikel 42 van de wet van 14 januari 1975 houdende het tuchtreglement van de krijgsmacht (hierna: de wet van 14 januari 1975) dat bepaalt dat de tuchtvordering één jaar na het vergrijp verjaart en dat elke disciplinaire of gerechtelijke procedureakte deze verjaring stuit; dat hij betoogt dat de hem ten laste gelegde feiten dateren van 2 mei 1993, dat de laatste disciplinaire of gerechtelijke procedureakte gesteld in de eerste termijn van één jaar de beslissing van 7 maart 1994 tot gerechtelijke seponering is en dat het bestaan van deze beslissing door verzoeker onmiddellijk aan zijn hiërarchie werd gemeld, zodat ambtshalve en voorafgaandelijk de verjaring had moeten worden opgeworpen; dat voor de feiten waarvan hij beschuldigd wordt, namelijk “feitelijkheden” zoals bedoeld in artikel 563, 3/, van het Strafwetboek, op strafrechterlijk vlak een verjaringstermijn geldt van zes maanden; 3.1.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat, met betrekking tot de feiten van 2 mei 1993, de seponeringsbeslissing en de toelating tot de inzage van het gerechtelijk dossier gegeven werden op 10 februari 1994 (lees: 1995); dat zij ook van oordeel is dat verzoeker bezwaarlijk de strafrechtelijke verjaring kan inroepen, aangezien die geen verband houdt met de tuchtrechtelijke verjaring; 3.1.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord nog stelt dat hij reeds op 10 maart 1994 zijn eenheidscommandant in kennis stelde van de seponering; dat bezwaarlijk kan worden gesteld dat pas op 10 februari 1995 de seponering en de inzage van het gerechtelijk dossier verleend werden, aangezien de verjaringstermijn aanvangt na de laatste geldige stuitingsakte - op 7 maart 1994 - en niet na de laattijdige mededeling van deze stuitingsakte - op 10 februari 1995 - en aangezien minstens drie inleidende verslagen werden betekend sedert 2 juni 1993; dat de aantijgingen “feitelijkheden, slagen en verwondingen, geweld” van strafrechtelijke IX-1159-16/23 aard zijn, zodat volgens hem ook de strafrechtelijke verjaring ambtshalve dient vastgesteld te worden; 3.1.
- Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie het auditoraatsverslag betwist waar dit stelt dat “een gerechtelijke procedure zowel de tuchtprocedure als de verjaring (zou) opschort(en)” en bepaalt dat elke tijdige disciplinaire of gerechtelijke akte de verjaringsdatum telkens opnieuw stuit en verlengt, aangezien het “oude” militaire tuchtstelsel, waarvan de verwerende partij zelf de toepassing verkoos, geen zulke wetsbepaling kent die de tuchtvordering schorst, in tegenstelling tot de nieuwe tuchtwet van 27 december 1973 zoals gewijzigd door de wet van 24 juli 1992 en aangezien artikel 42 van de wet van 14 januari 1975 slechts een stuiting van de verjaringstermijn toelaat binnen de eerste termijn van één jaar na 2 mei 1993, zodat volgens hem de laatste nuttige disciplinaire of gerechtelijke akte de seponering was van 7 maart 1994, die de verjaringstermijn eenmalig verlengde tot op 7 maart 1995, datum waarna de bestreden beslissingen pas plaatsvonden en bijgevolg kennelijk verjaard zijn; 3.1.
- Overwegende dat, op het ogenblik dat de aan verzoeker ten laste gelegde feiten gepleegd zijn, er op het tuchtrechtelijk vlak rekening moest worden gehouden met artikel 42 van de wet van 14 januari 1975, naar luid waarvan het recht om tuchtstraffen op te leggen verjaart één jaar na het vergrijp met dien verstande dat de verjaring gestuit wordt door elke tijdig gestelde disciplinaire of gerechtelijke procedureakte; dat, betrokken op de onderhavige zaak waarin reeds op 23 juni 1993 een strafrechtelijk onderzoek is opgestart, zulks betekent dat de termijn voor de uitoefening van de tuchtvordering tegen verzoeker op dat ogenblik gestuit is en dat die stuiting heeft geduurd tot 6 mei 1994, datum van de kennisgeving van de seponering; Overwegende dat uit de gegevens van het dossier blijkt dat op geen enkel ogenblik van de afhandeling van de tuchtprocedure een jaar verlopen is zonder dat een gerechtelijke of disciplinaire procedureakte werd verricht waarbij de verjaring werd gestuit; dat aldus gewezen kan worden op wat volgt: de feiten die aan verzoeker werden ten laste gelegd hebben zich voorgedaan op 2 mei 1993; op 2 juni 1993 wordt een inleidend tuchtverslag opgemaakt; op 23 juni1993 worden de feiten ter kennis gebracht aan de procureur des Konings; op 6 mei 1994 wordt aan de eenheidscommandant ter kennis gebracht dat de zaak door het Parket zonder gevolg gerangschikt werd; op 5 augustus 1994 beslist de korpscommandant dat de tuchtprocedure volgens de nieuwe tuchtprocedure moet herbegonnen worden; op IX-1159-17/23 21 oktober 1994 stelt de korpscommandant een inleidend verslag op; op 16 november 1994 beslist de korpscommandant de procedure verder te zetten op basis van het inleidend tuchtverslag van 2 juni 1993; op 8 december 1994 vraagt de eenheidscommandant aan de procureur-generaal toestemming tot inzage van de gerechtelijke dossiers; de toestemming wordt verleend op 10 februari 1995; op 14 februari 1995 maakt de eenheidscommandant een verslag op om de tuchtprocedure op basis van het inleidend verslag van 2 juni 1993 te heropenen; op 23 maart 1995 maakt de eenheidscommandant een overzendingsverslag op, waarin een zware straf wordt voorgesteld; op 30 maart 1995 legt de korpscommandant aan verzoeker vier dagen zwaar arrest op met uitstel van twee jaar; op 7 juni 1995 beslist de chef van de Generale Staf, in hoger beroep, de straf te verminderen tot vijf dagen eenvoudig arrest; Overwegende dat een eventuele strafrechtelijke verjaring van de feiten niet tot gevolg heeft dat geen tuchtstraf meer kan worden opgelegd; dat het eerste onderdeel van het middel niet gegrond is; 3.2.
- Overwegende dat verzoeker in een tweede onderdeel van het eerste middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 juncto artikel 6 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: de wet van 29 juli 1991), aangezien een militaire tuchtstraf, opgelegd aan een rijkswachter, een eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking is en omdat de tweede bestreden beslissing niet op afdoende wijze zijn bezwaren met betrekking tot de verjaring weerlegt door enkel te stellen “dat de redelijke termijn niet werd overschreden daar de tuchtprocedure slechts ten gronde een aanvang kon nemen in mei 94, datum waarop het gerechtelijk dossier voor het eerst aan de tuchtrechtelijke bevoegde overheid werd medegedeeld”; 3.2.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de tweede bestreden beslissing op afdoende wijze gemotiveerd is in de zin van artikel 8, § 2, van het koninklijk besluit van 19 juni 1980 betreffende de militaire tuchtrechtspleging (hierna: het koninklijk besluit van 19 juni 1980), aangezien verzoeker in staat was de regelmatigheid en de gegrondheid van die beslissing te beoordelen met het oog op het uitputten van de bestaande rechtsmiddelen; dat het uitdrukkelijk preciseren van de verjaringstermijn geen verplichting is die voortvloeit uit het koninklijk besluit van 19 juni 1980 en dat uit de motivering blijkt welke feiten ten grondslag liggen van de beslissing in de zin van de wet van 29 juli 1991; IX-1159-18/23 3.2.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord repliceert dat hij de regelmatigheid van de tweede bestreden beslissing niet terdege kan beoordelen; dat hij betoogt dat de omschrijving van de weerhouden feiten niet afdoende is, gelet op de eventuele verjaring van de tuchtstraf -een ambtshalve op te werpen grief-; dat hij van oordeel is dat de overheid ambtshalve dient te vermelden welke stuitingsakte in aanmerking genomen werd, alsook expliciet dient te verklaren waarom ze “zo laat is opgetreden”, wat niet gebeurd is; 3.2.
- Overwegende dat de formele motiveringsplicht, in de zin van de wet van 29 juli 1991, de betrokkene in staat moet stellen de concrete redenen te achterhalen die de overheid tot de beslissing hebben aangezet; dat in tuchtzaken zulks betekent dat de betrokkene moet kunnen achterhalen welke feiten de overheid weerhouden heeft, waarom die feiten een inbreuk vormen op de tucht en waarom zij de uiteindelijk opgelegde straf rechtvaardigen; dat de tweede bestreden beslissing ruimschoots aan die vereisten voldoet; dat de formele motiveringsplicht geenszins de verplichting inhoudt te antwoorden op de argumenten die de betrokkene in de loop van de tuchtprocedure heeft aangevoerd; dat bijgevolg de tuchtoverheid in haar beslissing niet diende te vermelden waarom de zaak niet verjaard was; dat bovendien de tweede bestreden beslissing uitdrukkelijk vermeldt dat “de tuchtprocedure slechts ten gronde een aanvang kon nemen in mei 94, datum waarop het gerechtelijk dossier voor het eerst aan de tuchtrechtelijk bevoegde overheid werd medegedeeld”, zodat verzoeker bijgevolg geacht kon worden te achterhalen waarom de tuchtoverheid de zaak niet als verjaard beschouwde; dat het tweede onderdeel van het eerste middel niet gegrond is; 3.3.
- Overwegende dat verzoeker in een derde onderdeel van het eerste middel aanvoert dat de tuchtprocedure de redelijke termijn schendt, aangezien de tweede bestreden beslissing genomen werd meer dan twee jaar na de feiten en verzoeker niet verantwoordelijk is voor het talmen van de overheid; dat hij in zijn conclusies reeds aangevoerd heeft dat de redelijke termijn kan verstrijken lang voor de verjaring is ingetreden en dat de motivering van de bestreden beslissing die grief niet afdoende weerlegt; dat hij van oordeel is dat de strafprocedure de tuchtprocedure enkel stuit wanneer dit uitdrukkelijk is voorzien in de wet; dat het afwachten van een strafrechtelijke uitspraak de redelijke termijn schendt wanneer dit abnormaal lang duurt en de gegevens van het administratief dossier afdoende zijn om een tuchtstraf op te leggen; dat, zelfs indien de strafprocedure in principe de tuchtprocedure zou stuiten, de overheid sinds 7 maart 1994, en in ieder geval sinds 6 mei 1994 over alle nuttige gegevens beschikte om de zaak te beslechten, te meer IX-1159-19/23 nu de strafrechtelijke aard van de aantijgingen geen getalm toeliet; dat de redelijke termijnvereiste voorzien bij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: het E.V.R.M.) ook geldt voor tuchtprocedures wanneer “uit de aard zelf van de inbreuk of uit de aard of de ernst van de mogelijke sanctie een strafrechtelijk kenmerk van de vervolging blijkt”, terwijl te dezen er sprake is van “geweld en feitelijkheden”, misdrijven voorzien in het Strafwetboek en de tuchtsancties vrijheidsberovend of -beperkend zijn; dat artikel 6 E.V.R.M. geschonden werd, nu hij pas op 8 augustus 1995 in kennis gesteld werd van het feit dat hem geen tijdelijke ambtsontheffing door non-activiteit bij tuchtmaatregel opgelegd werd; dat de overheid onredelijk gehandeld heeft door het opstellen van een inleidend verslag op 14 februari 1995, wat sedert maart of mei 1994 reeds had moeten gebeuren; dat volgens hem de verwerende partij bezwaarlijk kan stellen dat zij de officiële toelating tot inzage van het strafdossier diende af te wachten; 3.3.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat het non bis in idem-beginsel voorzien bij artikel 43 van de wet van 14 januari 1975 een “remmende” werking heeft die de tuchtoverheid verplicht de strafprocedure af te wachten; dat de kennisgeving van de seponering op 6 mei 1994 haar niet toeliet de tuchtprocedure te beslechten, wat wel mogelijk werd op 10 februari 1995 naar aanleiding van de nieuwe kennisgeving en waarbij volgens haar een eventuele vertraging van de procedure te wijten is aan de gerechtelijke overheid; dat de mogelijkheid om een zaak te beslechten bepaald wordt door de mogelijkheid om over alle feitelijke gegevens, inlichtingen en adviezen te beschikken, wat afhankelijk is van de complexiteit van de zaak, maar ook van de houding van verzoeker en de gerechtelijke overheid; dat bezwaarlijk gesteld kan worden dat zij “getalmd” heeft, gezien het chronologisch overzicht gegeven door verzoekers eenheidscommandant in diens overzendingsrapport, gezien de problemen betreffende het non bis in idem- beginsel, gezien het kiezen voor de oude of de nieuwe tuchtprocedure, gezien het tijdsverlies voor het verkrijgen van inzage in het correcte strafdossier en gezien het uitvoerig verweer van verzoeker; dat volgens vaste rechtspraak artikel 6 E.V.R.M. niet van toepassing is in tuchtzaken; dat het zich laten inspireren door strafrechtelijke kwalificaties, zonder enige bedoeling de feiten te beoordelen op grond van die kwalificaties, er geenszins toe leidt dat strafrechtelijke principes van toepassing worden in tuchtzaken; dat de bestreden beslissingen geenszins een strafrechtelijke kwalificatie vermelden, maar enkel spreken van “feitelijkheden” en “ongeoorloofde handtastelijkheden en misbruik van gezag”; dat de verwijzing, op verzoekers initiatief, naar het Strafwetboek geenszins aantoont dat zij de termen in een strafrechtelijke betekenis zou hebben gebruikt; IX-1159-20/23 3.3.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord repliceert dat de verwerende partij wel degelijk over alle nuttige gegevens beschikte, aangezien ze driemaal de tuchtprocedure heeft ingeleid; dat de verwerende partij wel degelijk getalmd heeft bij het afwachten van een “werkbare kennisgeving” van het strafdossier, aangezien hij haar reeds een jaar voordien in kennis stelde van de seponering en aangezien zij in haar memorie van antwoord zelf stelt dat de feiten “voor een directe en eenvoudige constatatie vatbaar” zijn; dat hij betreffende de toepassing van het E.V.R.M. naar zijn verzoekschrift verwijst; 3.3.
- Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie het auditoraatsverslag betwist waar dit stelt dat de vertraging niet te wijten was aan een gebrek aan belangstelling van de overheid en waar dit stelt dat de redelijke termijn niet overschreden werd, omdat er “geen ontoelaatbare hiaten” geweest zijn; dat hij erop wijst dat het Arbitragehof op 6 mei 1993 benadrukt heeft dat de wet van 24 juli 1992, met name het nieuwe tuchtstatuut voor leden van de rijkswacht, in werking diende te treden binnen een redelijke termijn; dat het koninklijk besluit van 17 juni 1994 betreffende de inwerkingtreding van bepalingen van de wet van 24 juli 1992 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de rechtstoestanden van het personeel van het actief kader van de rijkswacht en tot wijziging van het koninklijk besluit van 25 april 1979 betreffende het ambt en de ambtsontheffing van het personeel van het operationeel korps van de rijkswacht, verwijst naar de dringende noodzakelijkheid, omdat anders de door het Arbitragehof vermelde redelijke termijn zou worden overschreden; dat de verwerende partij zelf ontoelaatbare hiaten creëerde, aangezien zij op 5 augustus 1994 -na de uitdrukkelijke inwerkingtreding- de nieuwe procedure verkoos om haar inleidend verslag op te steunen om dan op 14 februari 1995 - 6 maanden later - terug voor de oude procedure te kiezen, die evenwel reeds 20 maanden voordien aanleiding had gegeven tot een inleidend verslag terwijl geen enkele bepaling voorzag in de stuiting van de tuchtprocedure; 3.3.
- Overwegende dat artikel 6 E.V.R.M., dat de redelijke termijn waarborgt, niet van toepassing is op administratieve tuchtprocedures tegen overheidsambtenaren; dat evenwel de verplichting van de tuchtoverheid, om binnen een redelijke termijn over de tuchtvordering uitspraak te doen, een beginsel van behoorlijk bestuur is; dat de redelijkheid van de termijn beoordeeld moet worden rekening houdend met de concrete omstandigheden, zoals de aard van de zaak en de houding van de tuchtoverheid en de betrokkene; dat de lange duur van de procedure op zich de onredelijkheid van de termijn geenszins bewijst, voor zover er geen ontoelaatbare hiaten in de procedure vastgesteld worden; dat te dezen de beslechting IX-1159-21/23 van de tuchtvordering bespoedigd zou zijn indien niet beslist was op 5 augustus 1994 een nieuwe tuchtprocedure aan te vatten, maar de bestaande procedure, steunend op het inleidend verslag van 2 juni 1993, voort te zetten en indien reeds voor 8 december 1994 aan de procureur-generaal toestemming gevraagd zou zijn tot inzage in het strafdossier; dat de vertraging bij het behandelen van de zaak echter op geen enkel ogenblik zulke hiaten in de procedure heeft doen ontstaan, dat bij verzoeker de indruk kon worden gewekt dat de overheid geen belangstelling meer had of de zaak op de lange baan wou schuiven; dat, waar de verwerende partij stelt dat de feiten “voor een directe en eenvoudige constatatie vatbaar” zijn, zij bedoelt dat verzoeker intussen reeds een tuchtstraf en een mutatie bij ordemaatregel opgelegd kreeg, steunend op bepaalde feiten die hij nooit ontkend heeft maar dat daarmee niet aangetoond wordt dat de verwerende partij onredelijk lang gedraald heeft bij het afhandelen van het probleem; dat de redelijke termijn niet werd overschreden; dat het derde onderdeel van het eerste middel niet gegrond is; 3.
- Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie de schending van artikel 27, § 2, van de wet van 24 juli 1992 aanvoert en stelt dat de verwerende partij hem sinds de inwerkingtreding van de wet van 24 juli 1992 - op 1 juli 1994 - geen militaire tuchtstraf meer kon opleggen; dat verzoeker evenwel niet aantoont dat hij in de onmogelijkheid was om dit middel eerder in de procedure, op een ogenblik dat de verwerende partij zich op de gewone wijze kon verdedigen, te doen gelden; dat het middel niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf juli 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, IX-1159-22/23 A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. L. HELLIN. IX-1159-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.019 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1996:ARR.58.190 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div