id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 juli 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.042 Rolnummer: A. 168742/X-12625 Zaak: Arrest 161042 - - 06/07/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-07-12 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-01 00:06 Fiche Arrest nr 161.042 van 6 juli 2006 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 161.042 van 6 juli 2006 in de zaak A. 168.742/X-12.625. In zake : 1. Arthur VAN CAMP, 2. Magda VAN DAMME, 3. Emiel JANSSENS, 4. Marcel VAN CAMP, 5. Marijke VERGAUWEN, 6. Alphons TIERENS, die woonplaats kiezen bij Advocaten I. LARMUSEAU, P. DE SMEDT en B. ROELANDTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kasteellaan 141 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaat J. CLAES, kantoor houdende te 2550 KONTICH, Mechelsesteenweg 160. tussenkomende partij : de gemeente PUURS, die woonplaats kiest bij Advocaten M. BOES en W. MERTENS, kantoor houdende te 3580 BERINGEN, Scheigoorstraat 5. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Arthur VAN CAMP, Magda VAN DAMME, Emiel JANSSENS, Marcel VAN CAMP, Marijke VERGAUWEN en Alphons TIERENS op 20 december 2005 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 7 november 2005 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar waarbij aan de gemeente Puurs de stedenbouwkundige vergunning is verleend voor het bouwen van een jeugdontmoetingscentrum te Puurs (Liezele), Brandstraat - Molenstraat, op een perceel kadastraal bekend sectie A, nr. 1r; Gezien de nota van de verwerende partij; X-12.625-1/20 Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 7 maart 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 maart 2006; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat G. JACOBS die loco Advocaten I. LARMUSEAU, P. DE SMEDT en B. ROELANDTS verschijnt voor de verzoekende partijen, van Advocaat J. CLAES die verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat A. BEELEN die loco Advocaten M. BOES en W. MERTENS verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Gelet op het bij artikel 90, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste advies van de Auditeur-generaal; Overwegende dat de gemeente Puurs met een verzoekschrift van 11 januari 2006 heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen; Overwegende dat de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar bij besluit van 21 februari 2005 aan de gemeente Puurs de stedenbouwkundige vergunning heeft verleend voor het bouwen van een jeugdontmoetingscentrum te Puurs, Brandstraat-Molenstraat, op een perceel kadastraal bekend sectie A, nr. 1r; dat het betrokken perceel volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 5 augustus 1976 vastgestelde gewestplan Mechelen is gelegen in recreatiegebied; dat het niet is gelegen binnen het beheersingsgebied van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan, noch binnen een behoorlijk vergunde niet vervallen verkaveling; dat de verzoekende partijen allen woonachtig zijn in een aan het bouwperceel palende woongebied; dat de X-12.625-2/20 eigendommen van de tweede, de derde en de vierde verzoekende partij zijn gelegen in de onmiddellijke omgeving van het bouwperceel; dat bij arrest nr. 149.198 van 21 september 2005 de schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld besluit van 21 februari 2005 is bevolen; dat, gelet op dit schorsingsarrest, de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar zijn besluit van 21 februari 2005 heeft ingetrokken en bij het bestreden besluit van 7 november 2005 aan de gemeente Puurs de gevraagde stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een jeugdontmoetingscentrum op het betrokken perceel heeft verleend; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoor- den en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat de verzoekende partijen in een eerste middel de schending aanvoeren van de bestemming "recreatiegebied" die het gewestplan Mechelen, vastgesteld bij koninklijk besluit van 5 augustus 1976, aan het betrokken perceel heeft gegeven, van artikel 2, § 1, derde lid, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, van artikel 16, 5.0, van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiële motiveringsplicht, doordat de bestreden stedenbouwkundige vergunning het bezwaar van de verzoekers in verband met de planologische onverenigbaarheid van de vergunde inrichting verwerpt en vervolgens haar beslissing terzake steunt op volgende motivering : "De aanvraag is, volgens het geldende gewestplan, gelegen in recreatiegebied. Artikel 16.5. 0 van het K.B. van 28 december 19 72 betreffende de inrichting en toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen bepaalt dat 'De recreatiegebieden zijn bestemd voor het aanbrengen van recreatieve en toeristische accommodatie, al dan niet met inbegrip van de verblijfaccommoda- tie. In deze gebieden kunnen de handelingen en werken aan beperkingen worden onderworpen teneinde het recreatief karakter van de gebieden te bewaren'. Om uit te maken of het betrokken jeugdontmoetingscentrum een recreatieve accommodatie is die thuishoort in recreatiegebied zijn de bepalende criteria de X-12.625-3/20 bestemming en aard van de activiteiten waarvoor het betrokken gebouw of project zelf zijn bestemd. Met recreatie wordt bedoeld volgens het Van Dale woordenboek: 'ontspanning in de vrije tijd, verpozing'. Vermits het geheel van bovenvernoemde activiteiten die worden voorzien in het gebouw kunnen worden ondergebracht in deze omschrijving, is het gebouw te beschouwen als recreatieve accommodatie. Tevens dient te worden opgemerkt dat uit bovenvermelde niet blijkt dat een recreatieve accommodatie geen sociaal of cultureel karakter mag hebben. Tevens heeft de Raad van State reeds geoordeeld dat een ontmoetingscentrum kan worden beschouwd als een recreatieve accommodatie in de zin van voormeld artikel 16, 5.0. De aanvraag is, rekening houdend met voormelde, principieel in overeenstemming met de voorschriften van het geldende gewestplan, zoals hoger omschreven"; terwijl de bestreden vergunningsbeslissing moet worden beoordeeld in het licht van de gewestplanbestemming waarin het bouwproject zich situeert, namelijk een "recreatiegebied", dat verordenende kracht bezit en waarin volgens artikel 16 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 volgende werken en activiteiten kunnen worden uitgevoerd: "De recreatiegebieden zijn bestemd voor het aanbrengen van recreatieve en toeristische accommodatie, al dan niet met inbegrip van de verblijfsaccommodatie. In deze gebieden kunnen de handelingen en werken aan beperkingen worden onderworpen ten einde het recreatief karakter van de gebieden te bewaren"; en terwijl de bestemming en de aard van de activiteiten waarvoor het betrokken gebouwencomplex bestemd blijkt te zijn, bepalend is voor de beoordeling van de verenigbaarheid met de bestemming recreatiegebied van het gewestplan (...); en terwijl dient aangenomen te worden dat de betrokken stedenbouwkundige voorschriften van het in het middel genoemde koninklijk besluit van strikte toepassing zijn, waarbij géén allerhande functiecombinaties kunnen worden toegelaten; dat in tegenstelling tot de woongebieden (die een multifunctionele bestemming hebben), nu naast wonen ook andere functies mogelijk zijn, artikel 16 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 immers niet uitdrukkelijk voorziet dat in recreatiegebieden naast het aanbrengen van accommodatie met een recreatieve of toeristische functie ook andere nevenfuncties kunnen worden toegevoegd; dat, zo al dient aangenomen te worden dat artikel 16 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 niet uitsluit dat een recreatieve accommodatie ook een sociaal of cultureel karakter kan hebben, de bestemming "recreatiegebied" niet dermate ruim mag worden geïnterpreteerd dat behalve de recreatieve en toeristische accommodatie er allerhande andere bestemmingen of functies moeten kunnen worden toegelaten die X-12.625-4/20 op zich geen uitstaans hebben met het "vrijetijdsgebeuren" of "toerisme", nu dit een negatie zou zijn van de bestemming recreatiegebied die aan het perceel is gegeven, bestemming die, zoals hierboven werd aangetoond, geen multifunctioneel bestemmingsgebied is en bijgevolg nevenbestemmingen duldt, maar dat hooguit kan worden gesteld dat gebouwen met een recreatieve of toeristische bestemming niet uitsluiten dat er eveneens activiteiten plaatsvinden met een cultureel of sociaal karakter, mits zij onlosmakelijk zijn verbonden met het recreatieve of toeristische aspect nu daarop de nadruk ligt in dit bestemmingsgebied; en terwijl, enerzijds, (uit) het bestek voor het aanstellen van een ontwerper voor het bouwen van een jeugdontmoetingscentrum te Puurs, de onteigeningsbeslissing van 26 juni 2003, het stedenbouwkundig attest van 5 november 2002 en de stedenbouwkundige vergunning van 21 februari 2005 en de bouwplannen, en, anderzijds, uit de bestreden vergunningsbeslissing zelf, eenduidig blijkt dat het gebouwencomplex waarin het gemeentelijk jeugdontmoetingscentrum (JOC) zal worden ondergebracht geen (uitsluitend) recreatief karakter heeft, maar een essentieel multifunctioneel karakter bezit: • waarin een aanzienlijk aantal functies worden ondergebracht, meer specifiek lokalen voor buiten- en naschoolse kinderopvang of kinderdagverblijf (IBO) beheerd door het OCMW onder toezicht van Kind en Gezin, de gemeentelijke jeugddienst, een Jongeren Informatiepunt (JIP) of Jeugd Advies Centrum (JAC), die op zich niets te maken hebben met "recreatie" of "toerisme", maar daarentegen betrekking hebben op allerlei vormen van sociale dienstverlening, namelijk sociale voorzieningen (kinderdagverblijf; naschoolse kinderopvang), sociaal welzijnswerk of sociaal-psychologische hulpverlening JIP en JAC); • dat uit de stukken van het aanvraagdossier overigens blijkt dat een belangrijk deel van de (polyvalente) lokalen die deel uitmaken van het vergunde gebouwencomplex zullen worden ingezet voor een breed gebruik waar "allerhande activiteiten kunnen doorgaan ", zonder verdere specificatie of dit al dan niet activiteiten betreffen die verband houden met recreatie of toerisme en bijgevolg evenmin kan worden uitgemaakt of die een "recreatieve en toeristische accommodatie" zijn; en terwijl uit het geheel van de hierboven uiteengezette gegevens blijkt dat het multifunctioneel jeugdontmoetingscentrum (lokalen bestemd voor allerlei vormen van sociale dienstverlening c.q. onbestemde polyvalente functie) is geconcipieerd voor het inrichten van activiteiten die zeker niet alle gericht zijn op recreatie en toerisme, zodat aldus dient aangenomen te worden dat diverse vergunde functies binnen het multifunctioneel gebouw niet geacht kunnen worden een X-12.625-5/20 "recreatieve en toeristische accommodatie" te zijn in de zin van artikel 16 van het koninklijk besluit van 28 december 1972, opgevat zoals (
- in)de in de bestreden beslissing weerhouden spraakgebruikelijke betekenis, d.w.z. "ontspanning in de vrije tijd, verpozing"; dat inderdaad niet kan worden ingezien, noch blijkt uit de formeel uitgedrukte motieven van de bestreden beslissing wat de functies "kinderopvang" of "jongerenadviescentrum" (waar algemene info en individueel advies over drugpreventie, sexualiteit, zelfstandig wonen of werkgelegenheid kan worden bekomen en professionele begeleiding wordt aangeboden voor jongeren met b.v. sociale, psychische of pedagogische moeilijkheden) met "vrije tijd" of "verpozing" te maken hebben en in welk opzicht deze activiteiten met uitgesproken sociaal dienstverlenend karakter onlosmakelijk zijn verbonden met de recreatiefunctie; en terwijl, gelet op voorgaande, tevergeefs wordt gesteld dat de Raad van State reeds heeft geoordeeld dat een "ontmoetingscentrum" kan worden beschouwd als een recreatieve accommodatie, nu de aard en de bestemming van de activiteiten uiteraard niet zonder meer te beoordelen zijn in het licht van de "benaming" die de initiatiefnemer aan het betrokken project heeft gegeven (in casu "jeugdontmoetingscentrum"), doch in concreto dienen beschouwd te worden in het licht van onder meer de aard van de activiteiten die er worden gepland en de bestemming van de gebouwen waarin die activiteiten worden ondergebracht, waarbij in casu, gelet op hetgeen hierboven werd uiteengezet, onafwendbaar tot het besluit moet worden gekomen dat diverse functies in het (overigens expliciet als "multifunctioneel" aangeduid) bouwcomplex niet zijn gericht op de realisatie van, c.q. onlosmakelijk zijn verbonden, met de recreatieve functiebestemming; dat het enkele feit dat die activiteiten worden georganiseerd in een gebouw waar ook nog andere activiteiten plaatsvinden die wel een recreatief karakter hebben, evident ontoereikend is om te stellen dat de functies die het voorwerp uitmaken van de bestreden vergunning thuishoren in een gebied met recreatieve en toeristische bestemming in de zin van artikel 16, 5.0; dat zulks immers een volledige uitholling zou betekenen van de bestemming "recreatiegebied" en de daarmee verbonden stedenbouwkundige voorschriften; en terwijl niet enkel dient vastgesteld te worden dat in de bestreden vergunning binnen de constructie diverse functies worden vergund die géén uitstaans hebben met recreatie, maar bovendien, ten overvloede, ook vastgesteld moet worden dat het gebouwencomplex waarin het jeugdontmoetingscentrum zal worden ondergebracht wordt beheerst door de aanwezigheid van een polyvalente zaal, die blijkt geconcipieerd te zijn om er grootschalige evenementen in te organiseren, meer specifiek dansfeesten en muziekoptredens, waarvan bezwaarlijk kan worden X-12.625-6/20 aangenomen dat deze als "hinderlijke inrichting" op te vatten activiteiten in wezen, laat staan in hoofdzaak zijn gericht op "accommodatie voor recreatie of toerisme", temeer nu het plaatsvinden van die activiteiten de maat van het occasionele te boven gaat (reden waarom een milieuvergunning werd aangevraagd voor onder andere de rubriek 32.1 van de indelingslijst van VLAREM I die immers niet is vereist wanneer de dansfeesten eerder occasioneel plaatsvinden), en mede omwille van het grootschalig karakter ervan in redelijkheid moet worden aangenomen dat deze activiteiten voornamelijk een commerciële connotatie zullen hebben; dat in weerwil van de omstandigheid dat een "fuifzaal" aan de consumentenzijde als recreatie wordt gepercipieerd (zienswijze die blijkbaar ook wordt aangehouden in de bestreden beslissing), stedenbouwkundige recreatiegebieden immers eerder zijn bedoeld voor rustige exploitaties en minder geschikt zijn om er grootschalige hinderlijke inrichtingen in onder te brengen, zoals in casu een ruimte met een capaciteit van ruim 700 bezoekers die dienst kan (zal) doen als megafuifzaal of concertzaal zodat moet worden vastgesteld dat de oprichting van het jeugdontmoetingscentrum dat niet is gericht op het aanbrengen van recreatieve en toeristische accommodatie maar waarvan de bestemming in wezen is gericht op, enerzijds, de realisatie van allerlei vormen van sociale dienstverlening, en anderzijds, het organiseren van allerlei (commerciële) mega-evenementen ter realisatie waarvoor overigens een milieuvergunning werd afgeleverd, niet bestaanbaar is met de betrokken gewestplanbestemming "recreatiegebied", en in ieder geval op basis van de formeel uitgedrukte motieven van de bestreden beslissing niet kan worden uitgemaakt of de overheid een juiste toepassing heeft gemaakt van de betrokken stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat de tussenkomende partij opwerpt dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij het middel aangezien uit het verzoekschrift blijkt dat zij hun nadeel voornamelijk situeren in de hinder die rechtstreeks en onrechtstreeks voortvloeit uit het gebruik van de vergunde constructie voor de organisatie van fuiven en concerten, terwijl zij met dit middel niet beogen een einde te brengen aan die hinder; Overwegende dat de verzoekende partijen in het middel kritiek uitoefenen op de beoordeling in de stedenbouwkundige vergunning van de overeenstemming van het beoogde project met de bestemming recreatiegebied die het gewestplan Mechelen aan het betrokken perceel heeft gegeven; dat indien het middel ernstig wordt bevonden het kan leiden tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van X-12.625-7/20 de bestreden stedenbouwkundige vergunning; dat de exceptie niet kan worden aangenomen; Overwegende dat uit de niet betwiste gegevens van de zaak blijkt dat het betrokken bouwperceel volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 5 augustus 1976 vastgestelde gewestplan Mechelen is gelegen in recreatiegebied; Overwegende dat artikel 16, 5.0, van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen (hierna : het inrichtingsbesluit) bepaalt wat volgt: "De recreatiegebieden zijn bestemd voor het aanbrengen van recreatieve en toeristische accommodatie, al dan niet met inbegrip van de verblijfsaccommodatie. In deze gebieden kunnen de handelingen en werken aan beperkingen worden onderworpen teneinde het recreatief karakter van de gebieden te bewaren"; Overwegende dat, bij gebreke van andersluidende definitie in de toepasselijke reglementering het begrip "recreatieve accommodatie" op het eerste gezicht in zijn gebruikelijke betekenis dient te worden begrepen; dat een "recreatieve accommodatie" een accommodatie is die bestemd is voor recreatie en met het oog daarop is ingericht en dat "recreatief" in zijn gebruikelijke betekenis betekent betrekking hebbend op ontspanning of vrijetijdsbesteding; dat, om uit te maken of het betrokken jeugdontmoetingscentrum een recreatieve accommodatie is die thuis hoort in recreatiegebied de bestemming en de aard van de activiteiten waarvoor het betrokken gebouw of project zelf zijn bestemd, bepalend zijn; Overwegende dat het bestreden besluit volgende opsomming van activiteiten geeft waarvoor het gebouw is bestemd: "De aanvraag heeft betrekking op het bouwen van een jeugdontmoetingscentrum dat verschillende functies combineert: • jeugddienst met aanverwante functies (infopunt, adviescentrum) • buitenschoolse kinderopvang (beheerd door het OCMW, onder toezicht van Kind en Gezin) voor kleuters en lagere schoolkinderen vóór en na de schooluren • speelpleinwerking voor kleuters en lagere schoolkinderen tijdens de vakantieperiodes • jeugdatelier • polyvalente zaal: overdag voor buitenschoolse kinderopvang of speelpleinwerking, X-12.625-8/20 • repetitieruimte voor musicerende jongeren", en concludeert tot de overeenstemming met de voorschriften van het geldende gewestplan op grond van volgende motieven: "(...) Om uit te maken of het betrokken jeugdontmoetingscentrum een recreatieve accommodatie is die thuishoort in recreatiegebied zijn de bepalende criteria de bestemming en aard van de activiteiten waarvoor het betrokken gebouw of project zelf zijn bestemd. Met recreatie wordt bedoeld volgens het Van Dale woordenboek: 'ontspanning in de vrije tijd, verpozing'. Vermits het geheel van bovenvernoemde activiteiten die worden voorzien in het gebouw kunnen worden ondergebracht in deze omschrijving, is het gebouw te beschouwen als recreatieve accommodatie. Tevens dient te worden opgemerkt dat uit bovenvermelde niet blijkt dat een recreatieve accommodatie geen sociaal of cultureel karakter mag hebben. Tevens heeft de Raad van State reeds geoordeeld dat een ontmoetingscentrum kan worden beschouwd als een recreatieve accommodatie in de zin van voormeld artikel 16.5.0"; Overwegende dat de vergunningverlenende overheid op grond van de aard van de activiteiten zoals opgesomd in het bestreden besluit op het eerste gezicht terecht heeft geoordeeld dat het beoogde jeugdontmoetingscentrum kan worden beschouwd als een "recreatieve accommodatie" in de zin van voormeld artikel 16, 5.0, van het inrichtingsbesluit; dat, anders dan de verzoekende partijen voorhouden, evenementen als dansfeesten en muziekoptredens niet van aard lijken te veranderen omdat ze méér dan occasioneel zouden worden georganiseerd, een grootschalig karakter zouden vertonen of een commerciële connotatie zouden hebben; dat functies als buitenschoolse kinderopvang en jeugddienst het recreatief karakter niet in het gedrang lijken te brengen, maar het eerder lijken te ondersteunen, zodat ze op het eerste gezicht toelaatbaar zijn; dat de uiteenzetting van de verzoekende partijen op het eerste gezicht niet aantoont dat de activiteiten waarvoor het betrokken gebouw is bestemd, in wezen niet recreatief van aard zijn, noch dat de motieven van het bestreden besluit niet zouden toelaten uit te maken of de vergunningverlenende overheid een juiste toepassing heeft gemaakt van de toepasselijke stedenbouwkundige voorschriften; dat het middel niet ernstig is; Overwegende dat de verzoekende partijen in een tweede middel de schending aanvoeren van artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna : DRO), van artikel 19, laatste lid, van het inrichtingsbesluit, van de beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid van het X-12.625-9/20 zorgvuldigheidbeginsel, de materiële motiveringsplicht en het redelijkheidsbeginsel, en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, doordat in het bestreden vergunningsbesluit toelating wordt verleend tot de bouw van een jeugdontmoetingscentrum, met inbegrip van een polyvalente zaal met een publiek toegankelijke oppervlakte van 545 m² en met een capaciteit van ruim 700 bezoekers die overeenkomstig dit besluit kan (zal) worden gebruikt als fuifzaal of voor muziekoptredens, na verwerping van de grieven in verband met de hinderaspecten verbonden aan het bouwproject, op grond van volgende motieven : "Inzake de verschillende vormen van hinder moet er in de eerste plaats worden op gewezen dat de verzoekende partijen er zelf hebben voor gekozen om te leven langs de rand van een recreatiegebied of dat ze tenminste toch weet hebben van het feit dat ze leven langs de rand van een recreatiegebied. De keuze of de wetenschap om op dergelijke plaats te wonen, houdt ook een aanvaarding in van de gevolgen van het leven nabij recreatie. Bijgevolg moet het onderzoek van de vermeende nadelen gebeuren binnen deze context. Wie op dergelijke locatie woont kan en mag verwachten dat hij zal moeten uitkijken op recreatieve constructies en te maken krijgt met de exploitaties en er mag van hem terzake een grotere tolerantie verwacht worden. Tevens zijn zaken zoals vandalisme, samenscholing, wildplassen en nachtlawaai (aangelegenheden) die op gemeentelijk niveau zijn gereglementeerd en die door een passend toezicht en ingrepen van de gemeentelijke overheden aan banden kunnen worden gelegd Het zou onjuist zijn om deze verantwoordelijkheden af te schuiven op de vergunningverlenende overheid. Tevens betreft het hier enkel en alleen een bewijsvoering op basis van vermoedens, terwijl de vergunningverlenende overheid ertoe gehouden is om haar beoordeling te doen op basis van concrete gegevens eigen aan de plaats. Net zo min als een stedenbouwkundige vergunning kan worden verleend op basis van een schetsontwerp met vermoedelijke afmetingen, kan een vergunning worden geweigerd op basis van niet bewijsbare beweringen. Een bewijsvoering op grond van vermoedens, moet immers gebaseerd zijn op logische en verantwoorde gevolgtrekkingen, en niet steunen op loutere veronderstellingen die geen enkele zekerheid bieden. Een overheid die rekening houdend met dergelijke veronderstellingen een vergunning weigert zou onzorgvuldig handelen. Wat het mobiliteits- en verkeershinderaspect betreft, heeft dit in het verzoekschrift meer specifiek betrekking op de woningen Kimpelberg 22 en 24, die volgens het verzoekschrift onmiddellijk aan de invalswegen van het jeugdontmoetingscentrum gelegen zijn. Dit gegeven moet in zijn correcte context geplaatst worden. De toegang tot het jeugdontmoetingscentrum zal hoofdzakelijk gebeuren langs de Molenstraat en Brandstraat. De vrees bestaat dat ook de Kimpelberg en de buurtweg nr. 4, waaraan beide woningen grenzen, als toegangswegen zullen dienst doen, met de nodige verkeershinder tot gevolg. Buurtweg nr. 4 of de Puursheidestraat is in zijn huidige gebruik een voetgangers- en fietsverbinding die niet toegankelijk is voor doorgaand gemotoriseerd verkeer (op 2 plaatsen zijn paaltjes aangebracht). Enkel een klein stukje hiervan is via de Kimpelberg beperkt toegankelijk en dit enkel tot nut van de aanpalende woningen. Dit straatje kan dus niet gebruikt worden als toegangsweg voor het centrum. Ook de verkeersbewegingen in de Kimpelberg X-12.625-10/20 zijn ter hoogte van de woningen 22 en 24 zeer strikt gereglementeerd Het verkeersreglement en de geplaatste verkeersborden laten slechts gemotoriseerd verkeer toe vanuit één richting (vanuit Molenstraat richting Kimpelberg) en bijgevolg heeft de Kimpelberg ook geen enkele functie als toegangsweg tot het jeugdontmoetingscentrum. Er kan bijgevolg, wat dit aspect betreft, geen hinder zijn voor de bewoners ervan. Bovendien mag gelet op de aangebrachte wegmarkeringen langs beide zijden van dit stukje straat ter hoogte van beide woningen, niet geparkeerd worden. Bijgevolg is ook de vrees voor parkeerdruk als gevolg van het jeugdontmoetingscentrum ongegrond. Algemeen kan ook worden gesteld dat ook de Molenstraat niet bijkomend zal belast worden door de inplanting van het jeugdontmoetingscentrum zodat de mobiliteitshinder ook voor de onmiddellijke omgeving niet zal toenemen en bijgevolg ook niet voor perceel Kimpelberg nr. 24, die met een klein stukje paalt aan de Molenstraat. Deze straat fungeert momenteel reeds als een verbindingsweg tussen Puurs en Liezele en wordt als hoofdinfrastructuur gebruikt door verschillende verkeersgenererende functies, zoals een school, een voetbalterrein, een supermarkt, de regionale administratie, een restaurant, een bloemenwinkel, lokale politie, talloze woningen in de zuidrand van Puurs-centrum. Hieruit blijkt dat deze straat gewoonlijk (dienst) doet als hoofdontsluitingsas voor het gebied. De aanwezigheid van het jeugdontmoetingscentrum zal de functie van de Molenstraat alleen maar ondersteunen in plaats van bijkomend te belasten. Tevens zijn door de gemeente reeds voorbereidingen getroffen om naar de toekomst toe deze Molenstraat nog te verbreden, zodat ze nog bijkomende bewegingen kan opnemen", en : "Vrees wordt geuit voor mogelijke geluidsoverlast en vandalisme. Op dit bezwaar is ook reeds ingegaan bij de argumenten voortvloeiend uit het verzoekschrift. Een analoge redenering wordt hieromtrent samenvattend herhaald. Er is geen oorzakelijk verband tussen het vermoeden van vandalisme (zoals geuit in het bezwaar) en de exploitatie van het gebouw. In het kader van de stedenbouwkundige evaluatie van de aanvraag kan dergelijk bezwaar dan ook niet worden weerhouden. Op basis van veronderstellingen die geen enkele zekerheid bieden worden immers geen stedenbouwkundige vergunningen verleend of geweigerd. Inzake de geluidsoverlast die geregeld is in de VLAREM-wetgeving, kunnen, in het kader van de aanvraag tot het verkrijgen van een milieuvergunning, exploitatievoorwaarden worden opgelegd die de hinder die de inrichting kan veroorzaken binnen -voor het woongebied- aanvaardbare grenzen terugbrengt. Er dient in dit kader ook te worden verwezen naar de koppeling tussen beide vergunningen: zowel de milieuvergunning als de stedenbouwkundige vergunning worden geschorst zolang als de andere niet werd verleend of de exploitatie van de hinderlijke inrichting niet werd gemeld. (Inzake) de geluidsoverlast die niet door een milieuvergunning aan banden kan worden gelegd, wordt verwezen naar de redenering die is opgebouwd naar aanleiding van het weerleggen van de argumenten uit het verzoekschrift. Conclusie is dezelfde: dergelijke bezwaren zijn ongegrond. Het bezwaar is rekening houdend met voormelde, ongegrond en wordt niet weerhouden"; terwijl, overeenkomstig artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 de ruimtelijke ordening is gericht op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling en ruimtelijke kwaliteit, en dat daartoe de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar worden afgewogen, met X-12.625-11/20 aandacht voor de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen, wat meteen ook impliceert dat het tot de opdracht behoort van de voor ruimtelijke ordening bevoegde overheid om al deze aspecten in de beoordeling te betrekken naar aanleiding van de vergunningverlening in het kader van een bouwaanvraag en het niet volstaat om terzake te verwijzen naar de bevoegdheden van andere overheden of naar de regelgeving van andere wetgeving die in voorkomend geval door de aanvrager zal moeten worden nageleefd; en terwijl, bij gebrek aan een gedetailleerd ruimtelijk ordeningsplan of een verkavelingsvergunning de vergunningverlenende overheid overeenkomstig artikel 19, derde lid, van het koninklijk besluit van 28 december 1972 moet oordelen of de aanvraag verenigbaar is met de eisen van een goede plaatselijke ordening, wat onder meer impliceert dat wordt vermeden dat het te vergunnen bouwproject en de ingebruikneming ervan conform de vergunde bestemming(
- en)ervan allerlei nabuurschapnadelen veroorzaakt; en terwijl, in het kader van het onderzoek van de aanvaardbaarheid van de activiteiten die plaatsvinden in het gebouwencomplex, overeenkomstig de vergunde bestemming ervan, met de eisen van een goede ordening van de omgeving, alle relevante vormen van hinder die de betrokken activiteiten kunnen veroorzaken in aanmerking moeten worden genomen en het in het kader van de beoordeling van de stedenbouwkundige aanvaardbaarheid overigens niet volstaat om te verwijzen naar de milieuhygiënische normen en naar de veiligheidsnormen opgenomen in andere wetgeving; en terwijl de beoordeling van de verenigbaarheid van het bouwproject met de goede plaatselijke ordening van de onmiddellijke omgeving, door de vergunningverlenende overheid op grond van het in het middel genoemde beginsel van behoorlijk bestuur, met name het zorgvuldigheidsbeginsel, nauwkeurig en concreet moet worden gecontroleerd op basis van een omstandige analyse van de weerslag van het project op de levensomstandigheden van de woonomgeving, of, m.a.w., van een analyse van wat de bewoners van een wijk geacht worden te kunnen verdragen; en terwijl de vergunningverlenende overheid bij de evaluatie van de impact van het project op de goede plaatselijke aanleg op grond van de artikelen 2 en 3 van de formele motiveringswet ertoe gehouden is in de vergunningsbeslissing de met de goede plaatselijke aanleg of ruimtelijke ordening verband houdende redenen te vermelden waarop haar beslissing steunt en waaruit blijkt dat de overheid, overeenkomstig haar administratieve zorgvuldigheidsplicht, is uitgegaan van X-12.625-12/20 gegevens die in rechte en in feite juist zijn, dat zij die op correcte wijze heeft beoordeeld en dat zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; en terwijl, in het licht van de hierboven geciteerde wetsbepalingen en principes de motivering van de bestreden beslissing op grond waarvan de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar tot het besluit komt dat het bouwproject, met de erin vergunde functie(s), verenigbaar is met de goede plaatselijke ordening en het administratief beroep van verzoekers, feitelijk, rechtens noch beleidsmatig aanvaarbaar is, om volgende redenen : l/ Op de eerste plaats dient de zienswijze die in de bestreden beslissing wordt ingenomen omtrent de "verhoogde tolerantiedrempel" die zou moeten aanvaard worden ten aanzien van activiteiten in recreatiegebied door de bewoners van een belendend woongebied, te worden verworpen : • Het enkele feit dat men in de buurt woont van een recreatiegebied betekent uiteraard niet dat men zich (ipso facto) dient neer te leggen bij om het even welke stedenbouwkundige vergunning voor grootschalige bouwprojecten, met inherent daaraan verbonden hinderlijke activiteiten, zoals de ingebruikneming van een polyvalente zaal voor de organisatie van megafuiven of muziekoptredens in het weekend (waar de behoefte aan rust precies het grootst blijkt) met een capaciteit van ruim 700 bezoekers. Het komt op basis van artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999, artikel 19, derde lid, van het koninklijk besluit van 28 december 1972 en de in het middel genoemde behoorlijkheidsbeginselen daarentegen toe aan de vergunningverlenende overheid om een omstandige analyse te maken van de weerslag van het project op de levensomstandigheden (draagkracht) van de betrokken woonomgeving, iets wat in casu niet op een afdoende manier gebeurde. Integendeel wordt deze verplichting onder verwijzing naar een niet-pertinent motief, met name dat de betrokken bewoners maar een "hogere tolerantiedrempel" moeten hebben, ontweken, waardoor verzoekers meteen ook de rechtsbescherming wordt ontnomen die hen op basis van de in het middel genoemde wetsbepalingen en beginselen toekomt. • De in de bestreden beslissing verdedigde zienswijze gaat er blijkbaar al te makkelijk vanuit dat men in een recreatiegebied zonder meer ook hinderverwekkende activititeiten mag ontplooien. In dit kader rijst de vraag of stedenbouwkundige recreatiegebieden wel essentieel zijn bestemd om te worden ingericht met allerlei grootschalige en inherent hinderlijke activiteiten. Het tegendeel lijkt het geval te zijn. X-12.625-13/20 2/ De in de bestreden beslissing opgenomen overwegingen dat de ingeroepen hinderaspecten in verband met de ingebruikneming van een deel van het gebouw als fuifzaal met een capaciteit van ruim 700 bezoekers (vandalisme, geluidsoverlast door rondhangende jongeren, allerlei vandalisme, enz.) al te hypothetisch zijn en overigens in afdoende mate reeds worden gereglementeerd op gemeentelijk niveau of in de VLAREM-reglementering, zijn evenmin aanvaarbaar : • Op de eerste plaats getuigt het van een al te grote onredelijkheid om te poneren dat er geen oorzakelijk verband bestaat tussen de ingeroepen hinderaspecten en de exploitatie van het gebouw, meer specifiek de exploitatie van de polyvalente zaal met een voor het publiek toegankelijke oppervlakte van 545m² en met een capaciteit van ruim 700 bezoekers die (voornamelijk in het weekend) zal worden gebruikt als fuifzaal en concertzaal, en dat, mitsdien, deze aspecten niet in de beoordeling kunnen worden betrokken omdat de stedenbouwkundige evaluatie niet mag steunen op een bewijsvoering op basis van loutere vermoedens. De Raad van State heeft reeds bij herhaling geoordeeld dat de door verzoekers ingeroepen hinderaspecten, die dan nog vooral in het weekend en tot diep in de nacht zullen plaatsvinden, van algemene bekendheid zijn, zodat in de bestreden beslissing ten onrechte wordt aangegeven dat de door verzoekende partijen ingeroepen hinderaspecten niet aangetoond en al te hypothetisch zijn. Het hoeft geen uitvoerig betoog dat de ingebruikneming van een gebouwencomplex met een voor het publiek toegankelijke ruimte van 545m² en met een capaciteit van ruim 700 bezoekers, dat onder andere dienst zal doen als fuifzaal en concertzaal die wellicht vooral, maar niet noodzakelijk uitsluitend zal worden geëxploiteerd in het weekend tot diep in de nacht, aanleiding geeft tot allerlei (afgeleide) hindervormen die eigen zijn aan de exploitatie van dergelijke inrichtingen met die omvang : - Er is vooreerst het muziek- en stemlawaai afkomstig van het exploitatieterrein (b.v. het buitenterras, fietsbergingen) en van het straatlawaai van rondhangende, uitgelaten jongeren, lawaai dat uiteraard niet kan worden geïsoleerd. Het straatlawaai zal nog versterkt worden door de omvangrijke verkeersstromen van en naar het jeugdontmoetingscentrum (waarbij niet enkel het autoverkeer, maar evenzeer het bromfiets-, fiets- en voetgangersverkeer wordt bedoeld). X-12.625-14/20 - Bovendien is ook de verkeershinder op zich problematisch: het enkele feit dat de Buurtweg nr. 4 of de Puursheidestraat in zijn huidig gebruik een voetgangers- en fietsverbinding is, die niet toegankelijk is voor doorgaand "gemotoriseerd" verkeer en bijgevolg niet zou kunnen worden gebruikt als toegangsweg tot het jeugdontmoetingscentrum, zoals in de bestreden beslissing wordt gesteld, is niet enkel feitelijk onjuist (de voetgangers en (brom)fietsers hebben wel degelijk toegang tot het centrum via die wegen), deze vaststelling is niet van aard om de verkeershinderproblemen op te heffen (de feitelijke inrichting van deze Buurtweg en de Puursheidestraat kan uiteraard niet verhinderen dat in de onmiddellijke omgeving van de woningen van derde en vierde verzoekers her en der fietsen en bromfietsen worden geparkeerd en het doet de grote verkeersstromen naar het centrum in de omliggende straten, met de daaraan verbonden mobiliteitshinder, niet ongedaan). - Er is ook het aspect van de lichthinder voor de buurt, afkomstig van de uitgebreide verlichting op het exploitatieterrein en in de inrichting zelf. - Tenslotte is het algemeen bekend dat door uitgelaten, in voorkomend geval onder invloed van drank of zelfs drugs verkerende fuifbezoekers, al te vaak allerlei vandalisme wordt gepleegd (wildplassen, beschadigen van afsluitingen, zwerfvuil, enz.). Bij dit alles moet er overigens op worden gewezen dat het beleid er precies op is gericht om de "grootste" evenementen naar het jeugdontmoetingscentrum te brengen. In het bestek voor het aanstellen van een ontwerper voor het bouwen van een jeugdontmoetingscentrum te Puurs, wordt inderdaad nadrukkelijk aangegeven : "Grote polyvalente zaal. (...) Deze polyvalente zaal heeft een capaciteit van ongeveer 700 (fuivende) bezoekers. (...) Kleinere fuiven en optredens tot een 200-tal bezoekers moeten in de particuliere jeugdhuizen kunnen doorgaan. Mega manifestaties moeten kunnen doorgaan in tenten of grote sport- of evenementhallen. Activiteiten met 500 à 700 bezoekers kunnen dan weer best doorgaan in deze polyvalente zaal van het JOC". Het JOC wordt trouwens beschouwd als een recreatiepool van "bovenlokaal niveau". Dit kan de ingeroepen milieuhinder alleen maar versterken. Daartegenover moet ook worden overwogen dat de inplanting van dat gebouw met die functies gebeurt in een woonomgeving die wordt gekenmerkt door zijn residentieel karakter, in een nog rustige, stille buurt, gelegen op de X-12.625-15/20 grens tussen woongebied, agrarisch gebied en natuurgebied. De omgevende wegenis is onmiskenbaar landelijk. Er kan dan ook niet worden ingezien op grond waarvan de bestreden beslissing stelt dat de door verzoekers ingeroepen hinderaspecten die gepaard gaan met de exploitatie van een dergelijk grootschalig gebouw met die specifieke, essentieel op het (nachtelijk) uitgangsleven gerichte functie, dat is gesitueerd in de onmiddellijke nabijheid van diverse woningen, waaronder deze van verzoekers, steunen op loutere veronderstellingen en niet op logische en verantwoorde gevolgtrekkingen. De door verzoekers aangevoerde hindervormen, zoals nachtlawaai van bezoekers op en buiten het exploitatieterrein of verkeershinder, hinderaspecten die naar algemeen bekende gegevens nochtans onlosmakelijk zijn verbonden met de exploitatie van een fuifzaal of een concertzaal van een dergelijke omvang, worden dan ook volkomen gemarginaliseerd door de vergunningverlenende overheid. • Bovendien wordt vastgesteld dat de vergunningverlenende overheid de opgeworpen hinderproblematiek al te makkelijk doorschuift naar de ver ant wo o r d elijk heid van d e g emeent eo v e r h e id o f d e milieuvergunningverlenende overheid. De litigieuze beslissing wimpelt de problematiek in verband met de afgeleide hinderaspecten (zoals straatlawaai, vandalisme of verkeershinder) al te eenvoudig af onder het voorwendsel dat dit aspecten zouden betreffen die moeten worden geregeld door de lokale politie en/of het gemeentebestuur en dus niet in een stedenbouwkundige vergunning moeten worden geregeld. Het in de bestreden vergunning ingeroepen motief, namelijk dat het "onjuist zou zijn om deze verantwoordelijkheden af te schuiven op de vergunningverlenende overheid", is terzake niet draagkrachtig. Blijkens artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 en in licht van de haar toekomende bevoegdheid om het bouwproject te toetsen op zijn verenigbaarheid met de eisen van een goede plaatselijke ordening, behoort het immers wel degelijk tot de verantwoordelijkheid van de voor ruimtelijke ordening bevoegde overheid om de ingeroepen hinderaspecten die zijn verbonden aan een door haar te vergunnen bouwproject in haar beoordeling van de aanvraag te betrekken, waarbij overigens dient bedacht te worden dat het enkele feit dat de exploitatie van de inrichting ook is onderworpen aan een milieureglementering of aan allerhande politionele maatregelen, op zich niet impliceert dat het project vanuit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is. X-12.625-16/20 In dit opzicht is de verwijzing naar de wederzijdse koppeling tussen de milieuvergunning en de stedenbouwkundige vergunning uiteraard ook zinledig. Eén en ander klemt des te meer nu de bestreden beslissing, enerzijds, een vergunning verleent voor het bouwproject maar, anderzijds, bij het weerleggen van de bezwaren in verband met de hinderaspecten aangeeft dat, om die hinder te voorkomen, een aantal flankerende maatregelen moeten worden vervuld onder de vorm van een "passend toezicht en ingrepen", de "herinrichting van de Molenstraat waarbij deze, enerzijds, zal worden verbreed en, anderzijds, bijkomende parkeergelegenheden zullen worden genomen" of "het in goede banen leiden van het wegverkeer", maatregelen die nota bene alle door de gemeente zèlf zullen moeten worden doorgevoerd, maar waar de realisatie op het ogenblik van de vergunningverlening onzeker blijft. Op deze wijze laat de vergunningverlenende overheid de beoordeling van wat volgens haar stedenbouwkundig aanvaardbaar is, al te zeer afhangen van nog te nemen beslissingen en beoordelingen door andere overheden die aan haar eigen beoordelingsbevoegdheid ontsnappen en waaromtrent eveneens onzekerheid bestaat dat de nodig bevonden randvoorwaarden wel zullen worden gerealiseerd. en terwijl geplaatst voor de hierboven beschreven en aannemelijk gemaakte nabuurschapnadelen die door de exploitatie van het project, gelet op de omvang, de aard en de concrete inplantingplaats ervan, kunnen worden opgelegd aan de buurpercelen, waaronder het eigendom van de verzoekende partijen, geen enkele in redelijkheid optredende overheid in de uitoefening van de discretionaire beoordelingsbevoegdheid die haar toekomt bij de beoordeling van de stedenbouwkundige aanvaardbaarheid van het project, dergelijke beslissing zou hebben genomen; Overwegende dat de tussenkomende partij het belang van de verzoekende partijen bij het middel betwist; Overwegende dat de verzoekende partijen onder meer de schending aanvoeren van artikel 4 DRO, van artikel 19, derde lid, van het inrichtingsbesluit, van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het zorgvuldigheidsbeginsel, de materiële motiveringsplicht en het redelijkheidsbeginsel, en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat het ernstig X-12.625-17/20 bevinden van het middel tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden stedenbouwkundige vergunning kan leiden; dat verzoekers derhalve belang hebben bij het middel; dat de exceptie ter zake vanwege de tussenkomende partij op het eerste gezicht niet kan worden aangenomen; Overwegende dat artikel 19, derde lid, van het inrichtingsbesluit, bepaalt dat de vergunning, ook al is de aanvraag niet in strijd met het gewestplan of ontwerpgewestplan, slechts wordt afgegeven zo de uitvoering van de handelingen en werken verenigbaar is met de goede plaatselijke ordening; dat de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen bepalen dat elke eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat deze afdoende moeten zijn; Overwegende dat de Raad van State in de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht niet vermag zijn beoordeling van de goede plaatselijke ordening in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid; dat hij wel bevoegd is na te gaan of de administratieve overheid de haar ter zake toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, met name of zij is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij deze correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de verzoekende partijen niet betwisten dat het betrokken gebied tot recreatiegebied is bestemd; dat aldus in dat gebied die werken en handelingen kunnen worden vergund die in overeenstemming zijn met de bestemmingsvoorschriften die gelden voor zodanige gebieden; dat de omstandigheid dat het recreatiegebied paalt aan een woongebied daaraan geen afbreuk doet; dat uit het onderzoek van het eerste middel is gebleken dat de door de verzoekers aangebrachte argumenten niet aantonen dat de vergunde werken en handelingen niet in overeenstemming zouden zijn met de bestemming recreatiegebied; dat de vergunningverlenende overheid aldus op het eerste gezicht terecht heeft kunnen oordelen dat degene die in de nabijheid van een recreatiegebied woonachtig is de gevolgen die zijn verbonden aan de realisatie van die bestemming dient te X-12.625-18/20 aanvaarden, op voorwaarde dat de uitvoering van de aangevraagde handelingen en werken verenigbaar is met de goede plaatselijke ordening; Overwegende, wat de verenigbaarheid met de goede plaatselijke aanleg van de betrokken handelingen en werken betreft, waarvan ingevolge het niet ernstig bevinden van het eerste middel kan worden aangenomen dat zij in overeenstemming zijn met de bestemmingsvoorschriften, dat de beoordeling ervan, zoals hiervóór reeds aangegeven, behoort tot de appreciatiebevoegdheid van de vergunningverlenende overheid, en dat de Raad van State ter zake slechts over een marginale toetsingsbevoegdheid beschikt; dat de vergunningverlenende overheid op het eerste gezicht terecht heeft kunnen oordelen dat het beheersen van de door de verzoekende partijen aangevoerde hinderaspecten die eventueel zouden kunnen voortvloeien uit de exploitatie van het betrokken jeugdontmoetingscentrum en die niet ipso facto voortvloeien uit de bouw ervan, dient te worden geregeld met toepassing van de daartoe geëigende regelgeving, die specifiek tot doel heeft ervoor te zorgen dat deze vormen van hinder de grenzen van het aanvaardbare niet overschrijden; dat voorts uit de door de verzoekende partijen geciteerde redengeving van het bestreden besluit met betrekking tot "het mobiliteits- en verkeershinderaspect" blijkt dat de vergunningverlenende overheid dit aspect concreet heeft onderzocht en beoordeeld; dat de verzoekende partijen in de uiteenzetting van het middel ter zake op het eerste gezicht geen afdoende gegevens bijbrengen waaruit zou kunnen blijken dat deze beoordeling op onjuiste feitelijke gegevens zou zijn gesteund of dat zij kennelijk onredelijk zou zijn; Overwegende dat het middel in zijn geheel genomen niet ernstig is; Overwegende dat niet is voldaan aan een van de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen; X-12.625-19/20 BESLUIT: Artikel 1. Het verzoek tot tussenkomst van de gemeente Puurs in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel 2. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes juli 2006, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-12.625-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.042 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div