← België

Arrest 161070 - - 07/07/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 juli 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.070 Rolnummer: A. 158492/XII-4337 Zaak: Arrest 161070 - - 07/07/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-07-31 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-01 00:13 Fiche Arrest nr 161.070 van 7 juli 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 161.070 van 7 juli 2006 in de zaak A. 158.492/XII-

  1. In zake : Saskia VAN DER STRICHT, die woonplaats kiest bij advocaat P. Lahousse, kantoor houdende te Mechelen, Leopoldstraat 64 tegen : de GEMEENTE WETTEREN, die woonplaats kiest bij advocaten W. Van der Gucht en F. Dieu, kantoor houdende te Gent, Sint-Denijslaan
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Saskia Van der Stricht op 21 december 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 28 oktober 2004 van de gemeenteraad van Wetteren om haar van ambtswege te ontslaan; Gelet op het arrest nr. 143.158 van 15 april 2005 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van 19 mei 2005 ingediend door verzoekster; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur D. Mareen; Gelet op de beschikking van 20 december 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; XII-4337-1/6 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen, gezien het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van verzoekster en gezien de laatste memorie van verwerende partij; Gelet op de beschikking van 4 april 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 mei 2006; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. Arnouts, die loco advocaat P. Lahousse verschijnt voor verzoekster, en van advocaat F. Dieu, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoekster, milieuambtenaar bij de gemeente Wetteren, op 3 januari 2003 aan de gemeente afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden vraagt, voor een periode van zes maanden vanaf 1 maart 2003; dat het college van burgemeester en schepenen op 8 januari 2003 de afwezigheid toestaat; dat het wel preciseert dat “een eventuele aanvraag tot verlenging niet zal toegestaan worden om de interimaris een redelijk loopbaanperspectief te kunnen bieden”; dat verzoekster op 15 juli 2003 vraagt de afwezigheid met achttien maanden te verlengen; dat het college van burgemeester en schepenen de aanvraag op 18 juli 2003 afwijst; dat op 3 december 2003 de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken het besluit van 18 juli 2003 vernietigt omdat naar luid van het artikel 119 van het verlofreglement het college het personeelslid toestaat afwezig te zijn voor persoonlijke aangelegenheden, en uit de redactie van het artikel blijkt dat het college daarbij over geen enkele appreciatiebevoegdheid beschikt; Overwegende dat de gemeenteraad op 22 januari 2004 artikel 119 van het verlofreglement vervangt door: “Het college van burgemeester en schepenen kan een personeelslid machtigen afwezig te zijn voor persoonlijke aangelegenheden”; dat wordt gemotiveerd “dat het nooit de bedoeling van de gemeenteraad is geweest XII-4337-2/6 om aan het college, als verantwoordelijke van het dagelijks bestuur, terzake geen appreciatierecht toe te staan omwille van dienstnoodwendigheden; [...] dat er dienstredenen kunnen zijn om voormelde vorm van afwezigheid niet toe te staan of onder bepaalde voorwaarden of voor een beperkte periode toe te staan; [...] dat het wenselijk geacht wordt de formulering van art. 119 aan te passen zodat er geen interpretatieproblemen meer kunnen zijn”; Overwegende dat op 13 februari 2004 het college van burgemeester en schepenen opnieuw beslist verzoeksters vraag van 15 juli 2003 tot verlenging van haar afwezigheid van lange duur niet goed te keuren; dat de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen het collegebesluit op 5 mei 2004 schorst; dat evenwel de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering bij brief van 3 augustus 2004 laat weten dat het collegebesluit uitvoering mag hebben; dat verzoekster tegen de weigering van haar aanvraag tot verlenging van de afwezigheid van lange duur, bij de Raad van State het annulatieberoep gekend onder nr. A.156.361/XII-4276 instelt; Overwegende dat de gemeente met brief van 12 augustus 2004 aan verzoekster vraagt haar werk te hervatten; dat de gemeente het verzoek herhaalt in brieven van 24 augustus 2004 en 8 september 2004; dat verzoekster met brief van 12 oktober 2004 wordt uitgenodigd om door de gemeenteraad te worden gehoord met het oog op een eventueel ambtshalve ontslag; dat op 28 oktober 2004 de gemeenteraad verzoekster van ambtswege ontslag verleent omdat zij “minstens sedert 13 augustus 2004 zonder geldige reden haar functie als milieuambtenaar niet terug heeft opgenomen en meer dan 10 dagen afwezig is gebleven”; Overwegende dat verzoekster in een eerste middel de schending van het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, het onwettigheidsbeginsel, het beginsel “patere legem quam ipse fecisti” en het beginsel “nemo judex in causa sua” aanvoert; Overwegende dat zij in een eerste onderdeel doet gelden dat het college van burgemeester en schepenen steeds elk verzoek tot verlof zonder wedde wegens persoonlijke aangelegenheden heeft toegestaan, dat haar rechtmatig vertrouwen is geschonden, dat het bestreden besluit gebaseerd is op de collegebeslissing van 13 februari 2004, die zelf onwettig is en aangevochten werd, dat bijgevolg het ambtshalve ontslag eveneens onwettig is; XII-4337-3/6 Overwegende dat volgens het tweede onderdeel de verwerende partij het beginsel nemo judex in causa sua heeft geschonden doordat het verlofreglement is gewijzigd en de collegebeslissing van 13 februari 2004 is genomen om de toezichthoudende overheid “schaak te zetten” en “een gelijk of gelijkwaardig effect te verwezenlijken als datgene wat de toezichthoudende overheid [...] verhinderd heeft”; Overwegende dat verzoekster in een derde onderdeel de gemeenteraad verwijt het redelijkheidsbeginsel te miskennen door niet de uitkomst van de procedure voor de Raad van State te hebben afgewacht; Overwegende dat de bestreden beslissing verzoekster ontslaat omdat zij zonder geldige reden van het werk afwezig is gebleven; dat weliswaar verzoekster verlof wegens persoonlijke aangelegenheden heeft gevraagd, maar zulks haar bij collegebeslissing van 13 februari 2004 geweigerd is geworden; dat die weigering, waarvan niet beweerd wordt dat ze zo grof onwettig is dat ze voor onbestaande gehouden mocht worden, uitvoerbaar was en dat ook blééf niettegenstaande het annulatieberoep dat verzoekster ertegen instelde; dat overigens een gebeurlijke annulatie van de collegebeslissing nog altijd niet zou beletten dat verzoekster sedert 13 augustus 2004 zonder verlof en geldige reden van het werk is weggebleven; Overwegende dat bijgevolg verzoekster voor haar afwezigheid van het werk geen deugdelijke verontschuldiging kan putten uit de beweerde onwettigheid van de collegebeslissing tot weigering van het verlof of uit het beroep ertegen; dat voor de rechtmatigheid van de bestreden ontslagbeslissing dan ook zonder belang is of verzoekster al dan niet terecht van mening is dat de collegebeslissing door onwettigheid is aangetast; dat bijgevolg het eerste en tweede onderdeel van het middel, die de onwettigheid aanvoeren van de collegebeslissing van 13 februari 2004 en van het gemeenteraadsbeslissing van 22 januari 2004 waarop de collegebeslissing steunt, niet tot vernietiging kunnen leiden; dat de onderdelen onontvankelijk zijn; Overwegende, voorts, dat niet wordt bijgevallen dat de gemeenteraad van Wetteren, louter door niet de uitkomst te hebben afgewacht van verzoeksters annulatieberoep tegen de weigering om haar verlof te verlenen, “op een evidente wijze een onjuist gebruik van zijn beleidsvrijheid [heeft] gemaakt” en de XII-4337-4/6 grenzen van de redelijkheid te buiten zou zijn gegaan; dat de collegebeslissing uitvoerbaar was, het annulatieberoep daar niets aan veranderde en verzoekster zich daarin te schikken had; dat het derde onderdeel van het middel ongegrond is; Overwegende dat het middel in zijn geheel verworpen wordt; Overwegende dat een tweede middel uit “machtsoverschrijding & machtsafwending” is afgeleid; Overwegende dat de “machtsoverschrijding” wordt gestaafd door de niet nader toegelichte schending van “het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het beginsel Nemo judex in causa sua”; Overwegende dat ter adstructie van de “machtsafwending” wordt uiteengezet dat “het enige doel” van de gemeenteraad er in bestaat schade aan verzoekster toe te brengen; dat dit uitsluitend hieruit wordt afgeleid, eensdeels, dat de bestreden beslissing is genomen zonder dat er “enige rechtsgrond” voor bestaat en, anderdeels, dat geen rekening is gehouden met de annulatieprocedure tegen de beslissing van het college tot weigering van de verlenging van verzoeksters afwezigheid; Overwegende dat verzoeksters betoog in verband met de vermeende machtsoverschrijding verwijst naar het eerste middel; dat als gezien dit middel niet wordt aangenomen; Overwegende voorts dat met haar kritiek op het gebrek aan rechtsgrond verzoekster blijkbaar bedoelt de onwettigheid van de gemeenteraadsbeslissing van 22 januari 2004 tot wijziging van artikel 119 van het verlofreglement te doen gelden; dat in die mate het middel samenvalt met het tweede onderdeel van het eerste middel; dat dan weer de beweerde onwettigheid van het verzuim om de afloop van het vernietigingsberoep tegen de collegebeslissing tot weigering van de verlenging van verzoeksters afwezigheid af te wachten, met het derde onderdeel van het eerste middel samenvalt; dat hoger is gebleken dat die onderdelen verworpen worden; dat geenszins aannemelijk wordt gemaakt dat de bestreden beslissing om verzoekster wegens ongewettigde afwezigheid ambtshalve te ontslaan niet, zoals in principe verwacht mag worden, met het oog op de goede XII-4337-5/6 werking van de dienst is opgelegd, maar met als “enige doel” om de betrokkene schade te berokkenen; Overwegende dat ook het tweede middel wordt afgewezen, BESLUIT: Artikel
  3. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  4. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van verzoekster. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven juli 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. D. VERBIEST. XII-4337-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.070 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.158 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.