← België

Arrest 161076 - - 07/07/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 juli 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.076 Rolnummer: A. 72643/XII-178 Zaak: Arrest 161076 - - 07/07/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-07-20 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-01 00:15 Fiche Arrest nr 161.076 van 7 juli 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 161.076 van 7 juli 2006 in de zaak A. 72.643/XII-

  1. In zake : Daniël DEFREYNE, die woonplaats kiest bij advocaat B. Van Dorpe, kantoor houdende te Kortrijk, Loofstraat 39 tegen : de STAD IZEGEM. tussenkomende partijen :
  2. Johny DEKLERK,
  3. Etienne WYDAEGHE, die woonplaats kiezen bij advocaten W. Van der Gucht en F. Dieu, kantoor houdende te Gent, Sint-Denijslaan 201 --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Daniël Defreyne op 24 december 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 10 december 1990 van de gemeenteraad van Izegem waarbij Johny Deklerk en Etienne Wydaeghe met ingang van 1 januari 1991 bevorderd worden tot hoofd- inspecteur eerste klasse bij de stedelijke politie; Gelet op het arrest nr. 66.123 van 30 april 1997 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van 13 juni 1997 ingediend door verzoeker; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 3 september 1997; Gelet op de beschikking van 1 oktober 1997 die de tussenkomst van Johny Deklerk en Etienne Wydaeghe toelaat; XII-178-1/6 Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur F. De Buel; Gelet op de beschikking van 30 november 1999 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker; Gelet op de beschikking van 13 maart 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 april 2006; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. De Puydt, die loco advocaat B. Van Dorpe verschijnt voor verzoeker, en van advocaat F. De Mil, die loco advocaat W. Van Der Gucht verschijnt voor de tussenkomende partijen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd F. De Buel; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de gemeenteraad van Izegem op 8 oktober 1990 twee betrekkingen van hoofdinspecteur eerste klasse bij de stedelijke politie vacant verklaart; dat het op die benoemingen van toepassing zijnde koninklijk besluit van 14 november 1986 houdende de algemene bepalingen betreffende de benoeming tot de graad van hoofdinspecteur eerste klasse bij de stedelijke politie, in artikel 4 een overgangsbepaling bevat luidens dewelke tot 31 december 1990 kandidaten kunnen worden benoemd die over het aldaar bepaalde bekwaamheidsbewijs beschikken; dat verzoeker Daniël Defreyne, Johny Deklerk en Etienne Wydaeghe, alle drie titularis van de graad van hoofdinspecteur van politie te Izegem, en alle drie beschikkend over een getuigschrift als bedoeld in voormeld artikel 4, voor deze betrekkingen kandideren; dat de gemeenteraad op 10 december 1990 besluit in de eerste betrekking Johny Deklerk te benoemen en in de tweede betrekking Etienne XII-178-2/6 Wydaeghe; dat die beslissing verwijst naar het advies van de korpschef over de verschillende kandidaten en naar de geheime stemming; dat de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen op 31 januari 1991 de gemeenteraadsbeslissing van 10 december 1990 schorst wegens onvoldoende vergelijking, door de gemeenteraad, van de aanspraken van de kandidaten; dat de gemeenteraad van Izegem op 25 maart 1991 het benoemingsbesluit handhaaft en dat de Gemeenschapsminister van Binnenlandse Aangelegenheden, bij wie verzoeker op 15 februari 1991 een bezwaarschrift indient, op 28 mei 1991 het gemeenteraadsbesluit van 10 december 1990 vernietigt, meer bepaald omdat uit het dossier niet blijkt dat de gemeenteraads- leden “zich voldoende hebben kunnen voorlichten om met kennis van zaken te handelen”, geen bewijs is geleverd van objectieve vergelijking van de kandidaten en omdat niet is aangetoond waarom de gemeenteraad voorbijgegaan is aan de “klaarblijkelijk hogere aanspraken” van verzoeker, die “de meeste titels en verdiensten kan voorleggen”; dat bij arrest nr. 63.297 van 27 november 1996 de Raad van State het vernietigingsbesluit van de gemeenschapsminister nietig verklaart, om reden dat de minister zijn toezichtsbevoegdheid niet regelmatig heeft uitgeoefend, namelijk doordat hij het vernietigingsbesluit niet aan de stad Izegem ter kennis heeft gebracht binnen de termijn voorgeschreven door artikel 27, tweede lid, van het decreet van 7 juni 1989 houdende vaststelling, voor het Vlaamse Gewest, van regelen betreffende de organisatie alsook de uitoefening van het administratief toezicht op de gemeenten; Overwegende dat in het auditoraatsverslag wordt vastgesteld dat verzoeker op 31 maart 1998 zijn ontslag aanbiedt met ingang van 1 oktober 1998 en vraagt om vanaf die datum een rustpensioen te mogen genieten, dat de gemeenteraad op 4 mei 1998 beslist dit verzoek gunstig te adviseren en verzoeker, met ingang van 1 oktober 1998, eervol ontslag uit zijn ambt te verlenen en voorts dat ook aan de tussenkomende partij Etienne Wydaeghe, reeds bij gemeenteraadsbesluit van 1 april 1996, eveneens op zijn verzoek, eervol ontslag uit zijn ambt werd verleend, met ingang van 1 oktober 1996; dat in het auditoraatsverslag uit die gegevens wordt afgeleid dat verzoeker niet langer over het vereiste belang bij zijn beroep beschikt; Overwegende dat het belang, waarvan een verzoeker blijk moet geven, dient te bestaan op het ogenblik van het indienen van het annulatieberoep en dat hij dat belang moet behouden tot aan de uitspraak; dat de aard van het belang weliswaar kan evolueren maar dat verzoeker minstens aannemelijk moet maken dat de gevraagde nietigverklaring hem nog een concreet voordeel oplevert; dat ook, XII-178-3/6 wanneer er twijfel rijst omtrent verzoekers actueel belang, het hem toekomt aan de Raad van State alle nuttige gegevens ter beoordeling voor te leggen, die kunnen aantonen dat hij in de concrete omstandigheden van de zaak nog steeds een actueel en rechtstreeks belang bij de nietigverklaring behoudt; Overwegende dat te dezen alleen reeds de oppensioenstelling van verzoeker diens belang op zijn minst twijfelachtig maakt; dat hij omtrent zijn belang in zijn laatste memorie doet gelden zijn belang te hebben behouden; dat hij daartoe, onder verwijzing naar een arrest van 10 november 1999 van het Arbitragehof, betoogt dat zijn oppensioenstelling hem niet automatisch zijn belang ontneemt; dat hij voorts zijn belang ziet in een “morele genoegdoening ook na zijn oppensioen- stelling” doordat de nietigverklaring “voor gevolg zal hebben dat de miskenning van de titels en verdiensten van de verzoeker tegenover de bevorderde kandidaten, zal worden rechtgezet” en in het feit dat dergelijk arrest het hem “zal vergemakkelijken de fout van de administratie aan te tonen voor de burgerlijke rechter” en meer bepaald zijn vordering in schadevergoeding zal ondersteunen die hangt voor de gewone rechter; Overwegende dat het Arbitragehof in zijn arrest nr. 117/99 van 10 november 1999 heeft geoordeeld dat de artikelen 19 en 24 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, in die zin geïnterpreteerd dat de ambtenaar die een benoeming aanvecht, zijn belang bij het beroep tot nietigverklaring verliest wanneer hij in de loop van de procedure op pensioen wordt gesteld, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden maar dat dezelfde bepalingen, in die zin geïnterpreteerd dat de ambtenaar die een benoeming aanvecht, zijn belang bij het beroep tot nietigverklaring niet noodzakelijk verliest wanneer hij in de loop van de procedure op pensioen wordt gesteld, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schenden; dat hetgeen het Arbitragehof veroordeelt als strijdig met de artikelen 10 en 11 van Grondwet is dat de oppensioenstelling automatisch leidt tot het verlies van het belang; dat het Arbitragehof daarentegen niet uitsluit dat de Raad van State het voortbestaan van het belang onderzoekt en integendeel stelt dat “Het [...] aan de Raad van State [staat] te oordelen of de verzoekers die een zaak voor de Raad brengen, doen blijken van een belang bij hun beroep” en dat “Het [...] de Raad van State ook toe[komt] na te gaan of het belang van een verzoekende partij moet worden gehandhaafd tijdens de gehele duur van de rechtspleging”; XII-178-4/6 Overwegende te dezen, wat de verhoopte “morele genoegdoening” betreft, dat de verzoeker verwijst naar een zogenoemde “miskenning van titels en verdiensten”; dat die miskenning mogelijkerwijze een middel kan ondersteunen maar dat daaruit niet zonder meer een moreel nadeel voortvloeit, dat van aard is om daarop het belang bij een nietigverklaring te steunen want méér zou inhouden dan de eenvoudige vaststelling van de onwettigheid die zou zijn begaan door een dergelijke miskenning; dat verzoeker in zijn laatste memorie geen poging onderneemt om het tegendeel aan te tonen; dat dergelijk belang slechts een onrechtstreeks karakter heeft dat niet valt binnen de grenzen van het belang zoals bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat immers dat beoogde voordeel niet verbonden is aan het doen verdwijnen uit het rechtsverkeer van het bestreden besluit maar enkel aan het horen gegrond verklaren van een middel; Overwegende, wat de ondersteuning van de eis tot schade- vergoeding bij de gewone rechter betreft, dat ook een dergelijk belang slechts een onrechtstreeks karakter heeft en aldus niet valt binnen de grenzen van het in het voormelde artikel 19 bedoelde belang; dat immers ook het belang om een administratieve rechtshandeling onwettig te horen verklaren, om vervolgens op grond van deze met gezag van gewijsde beklede uitspraak een vordering tot schadevergoeding voor de gewone rechtbanken beter te ondersteunen, geen belang meer is verbonden aan het doen verdwijnen van de akte uit de rechtsorde -finaliteit van het vernietigingscontentieux- maar uitsluitend een belang om een middel gegrond te horen verklaren; Overwegende dat verzoeker niet aantoont dat hij op dit ogenblik nog een voldoende rechtstreeks belang heeft bij de nietigverklaring van de bestreden beslissing; dat het beroep om die reden niet meer ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
  4. Het beroep wordt verworpen. XII-178-5/6 Artikel
  5. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van verzoeker. De kosten van de tussenkomsten, bepaald op 148,74 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven juli 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-178-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.076 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1997:ARR.66.123 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.