id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 juli 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.077 Rolnummer: A. 84740/XII-2092 Zaak: Arrest 161077 - - 07/07/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-07-20 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-01 00:16 Fiche Arrest nr 161.077 van 7 juli 2006 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 161.077 van 7 juli 2006 in de zaak A. 84.740/XII-
- In zake : Renaud WEISE, die woonplaats kiest bij advocaat G. Ampe, kantoor houdende te Oostende, Kerkstraat 8, bus 1 tegen : de STAD OOSTENDE, die woonplaats kiest bij advocaten I. Larmuseau, P. De Smedt en B. Roelandts, kantoor houdende te Gent, Kasteellaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Renaud Weise op 15 juni 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 22 april 1999 van de burgemeester van de stad Oostende waarbij de ongunstige beoordeling wordt bevestigd die aan verzoeker, hoofdinspecteur van politie, was gegeven voor de periode van 1 juli 1998 tot 31 december 1998; Gelet op het arrest nr. 83.118 van 26 oktober 1999 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van 29 november 1999 ingediend door verzoeker; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur H. Colin; Gelet op de beschikking van 3 september 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; XII-2092-1/11 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 13 maart 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 april 2006; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. Soete, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat L. Proot, die loco advocaat B. Roelandts verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. Colin; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Renaud Weise is hoofdinspecteur van politie te Oostende. Op 9 februari 1999 ondertekent hij, voor kennisneming, een beoordelingsverslag dat betrekking heeft op de periode van 1 juli 1998 tot 31 december 1998, opgemaakt door twee evaluatoren. Van de acht beoordelingscriteria behaalt Renaud Weise enkel voor het criterium “communicatievaardigheid” een voldoende eindscore, namelijk
- Voor de overige zeven beoordelingscriteria variëren zijn eindscores tussen -1 en -
- De eindbeoordeling is ongunstig. Als enige opmerking in het luik “commentaar beoordelaars” wordt vermeld : “Uw totaal gebrek aan motivatie, doordringt alle aspecten van uw functioneren, dat hierdoor over de hele lijn negatief uitvalt. Een totale omschakeling van uw houding zal noodzakelijk blijken”. 1.
- Bij brief van 9 februari 1999 deelt Renaud Weise aan de burgemeester van Oostende mee dat hij in beroep wenst te gaan tegen voormeld beoordelingsverslag. XII-2092-2/11 Op 9 maart 1999 vindt er een functioneringsgesprek plaats tussen Renaud Weise en diens eerste evaluator, gesprek waarvan zich geen schriftelijke neerslag in het administratief dossier bevindt. Nadat de datum van de hoorzitting werd gewijzigd van 25 maart 1999 naar 22 april 1999, wordt Renaud Weise op die dag, bijgestaan door zijn raadsman, gehoord door de burgemeester. Uit het administratief dossier blijkt niet, hoewel het college van burgemeester en schepenen aanvankelijk besliste dat ook beide evaluatoren op de hoorzitting van 25 maart 1999 hun standpunt naar voor zouden brengen, dat die in kennis werden gesteld van de nieuwe datum van de hoorzitting. Uit het proces-verbaal van verhoor blijkt dat Renaud Weise aanvoert dat hij zich van geen kwaad bewust was, dat de beoordeling “een slag in zijn gezicht” was, dat de eerste evaluator niets heeft laten blijken gedurende de periode waarop de beoordeling betrekking had en dat de tweede evaluator heeft verklaard dat hij de beoordeling enkel heeft getekend, meer niet. Daarnaast legt Renaud Weise een omstandige verdedigingsnota met bijlagen neer waarin hij onder meer vraagt dat beide evaluatoren door de burgemeester zouden worden ondervraagd omtrent de evaluatie en waarin hij poogt de ongunstige evaluatie te weerleggen. 1.
- Bij besluit van 22 april 1999 bevestigt de burgemeester van Oostende de ongunstige beoordeling van Renaud Weise, besluit dat als volgt wordt gemotiveerd : “Overwegende dat in eerste instantie betwist wordt dat de beoordelaars de principes inzake de beoordeling hebben nageleefd. In dit verband wordt verwezen naar een evaluatiegesprek dat één van de beoordelaars, met name de heer Decoo, op 09 maart 1999 met de betrokkene zou gehad hebben en waaruit zou blijken dat deze beoordelaar de ‘negatieve houding’ van de heer Weise zou geëxtrapoleerd hebben naar zowat alle criteria. Dienaangaande is het vooreerst zo dat het enkele feit dat een personeelslid ongunstig werd beoordeeld niet ipso facto bewijst dat die ongunstige beoordeling ten onrechte werd toegekend. Voorts moet opgemerkt worden dat de heer Weise beoordeeld werd door twee beoordelaars zodat eventuele verklaringen achteraf van één beoordelaar, verklaringen waarvan overigens geen bewijs wordt voorgelegd, niet bij machte zijn om in te gaan tegen de inhoud van het beoordelingsverslag dat ondertekend werd door twee beoordelaars. Uiteindelijk, indien in hun commentaar bij het beoordelingsverslag de beoordelaars blijkbaar vooral moeite hadden met het totaal gebrek aan motivatie van de betrokkene kan dit aspect er effectief toe hebben geleid dat de heer Weise, ondanks zijn potentieel, op verscheidene criteria ondermaats was : precies een tekort aan motivatie en betrokkenheid bij de job kan inderdaad van aard zijn dat een personeelslid op de criteria vakkennis, leiding geven etcetera niet voldoet aan het functieprofiel; XII-2092-3/11 Overwegende dat in een tweede middel de persoonlijkheid van de heer Weise wordt toegelicht, inzonderheid zijn onberispelijke staat van dienst die gestaafd wordt met onder andere zijn diploma’s, zijn carrière, zijn initiatieven in de dienst, zijn gepresteerde overuren en dergelijke. Ter zake moeten wij evenwel vaststellen dat deze gegevens betrekking hebben op periodes die dateren van hetzij voor 01 juli 1998 hetzij na 31 december 1998 terwijl de beoordeling betrekking had op het gedrag en de prestaties van het betrokken personeelslid van 01 juli 1998 tot 31 december
- Hoewel de juistheid van die gegevens als zodanig niet betwist worden zijn ze, in het licht van de beoordeling die slaat op een welomschreven periode, niet relevant. Het is immers evident dat indien een personeelslid in zijn functioneren wordt beoordeeld over een overigens statutair omschreven periode, geen rekening kan noch mag gehouden worden zowel in positieve als in negatieve zin met prestaties die vallen buiten deze periode. Dit is des te meer het geval nu de beoordeling voor het stadspersoneel en dus ook de heer Weise hier voor de eerste maal werd uitgevoerd; Overwegende dat in een derde middel de beoordelaars verweten wordt dat zij vooringenomen waren tegen de heer Weise in die mate dat hun visie over een gebrek aan motivatie van betrokkene alle andere aspecten van de beoordeling zou hebben doordrongen, dat het beoordelingsverslag zelf nietig moet verklaard worden omdat het (in strijd met een interne omzendbrief) betrekking had op een periode van zes maanden, dat uiteindelijk de beoordelaars de heer Weise niet objectief hebben beoordeeld. Hoewel bij de individuele beoordeling het zogenaamde ‘halo-effect’ kan spelen, de neiging om bij het vormen van een mening over een personeelslid één bepaalde vaak globale positieve of negatieve indruk te laten overheersen over alle andere onderscheiden karakteristieken, kan uit het feit dat betrokkene op verscheidene criteria negatief werd beoordeeld niet afgeleid worden dat in casu de beoordelaars inderdaad niet objectief hebben beoordeeld. Nogmaals, indien de beoordelaars van mening zijn geweest dat de heer Weise blijk heeft gegeven van een volslagen gebrek aan motivatie, hetgeen alvast tot uiting is gekomen in de scores voor dit specifiek criterium, is het niet denkbeeldig dat de heer Weise ook voor andere criteria waarvoor uiteindelijk ook een minimum aan affiniteit en belangstelling noodzakelijk is, tekort is geschoten. Het beoordelingsverslag kan bezwaarlijk nietig verklaard worden omdat op grond van het Administratief Statuut van het Stadspersoneel inzonderheid artikel 327, de eerste beoordelingsperiode liep van 01 juli tot 31 december
- Weliswaar was oorspronkelijk de eerste beoordelings- periode voorzien van 01 juli 1998 tot 31 augustus 1998 maar deze bepaling van het Administratief Statuut werd op 19 augustus 1998 geschorst door de toezichthoudende overheid, hier de provinciegouverneur, waarna de gemeenteraad op 25 september 1998 deze bepaling heeft ingetrokken en vervolgens heeft gewijzigd waardoor de eerste beoordelingsperiode liep van 01 juli 1998 tot 31 december 1998; het personeel werd ten andere van die wijziging in kennis gesteld door de omzendbrief nr. 98/
- Van een tegenspraak en tegenstrijdigheid in het geven van de scores, met als voorbeeld de scores behaald voor het criterium rapportering, is geen sprake : in de verschillende uitspraken heeft de heer Weise slechts de score nul behaald, wat staat voor voldoende, terwijl hij op de uitspraak over volledigheid, nauwkeurigheid en betrouwbaarheid onvoldoende scoort zodat voor hij voor dit criterium en op basis van de beginselen bepaald in artikel 118 bis van het Administratief Statuut effectief voor dit criterium negatief werd beoordeeld; Overwegende dat in een vierde middel de criteria worden besproken. In algemene zin gaat de heer Weise er ten onrechte van uit dat, telkens hij op een bepaalde uitspraak de score nul heeft behaald, hij meteen uitstekend of zeer goed gepresteerd heeft op dit element van beoordeling. Ten overvloede moet echter beklemtoond worden dat de score 2 staat voor zeer goed, de score 1 voor goed, de score 0 voor voldoende, de score min 1 voor onvoldoende en de score min XII-2092-4/11 2 voor absoluut ontoereikend. Men kan enkel vaststellen dat de heer Weise geen enkele maal de score 2 heeft behaald, amper tweemaal de score 1 heeft behaald en dat hij voor het overige hetzij 0 hetzij min 1 hetzij min 2 als resultaat heeft verkregen. De stukken waarnaar verwezen wordt om de scores in twijfel te trekken zijn zoals hiervoor gesteld in de context van de beoordeling niet relevant. Blijkt bovendien dat de betrokkene wat al te gemakkelijk de resultaten van de preventiedienst als een persoonlijke verdienste naar voren brengt : de preventiedienst waarnaar verwezen wordt in de aangehaalde nieuwsbrief bevat immers ook de dienst die opgericht is in het kader van het Veiligheidscontract en bevat niet enkel de dienst waarover betrokkene de leiding heeft. Het prijzen van de preventiedienst bewijst dus helemaal niet dat de heer Renaud Weise persoonlijk heeft bijgedragen tot de goede resultaten; Overwegende dat beoordelen een proces is waarbij mensen betrokken zijn, dat bijgevolg subjectiviteit bij het beoordelen nooit helemaal uitgesloten kan worden. Teneinde de objectiviteit bij de beoordeling te garanderen werd aan de beoordelaars een driedaagse opleidingscursus gegeven; bovendien werd de heer Weise beoordeeld door twee hiërarchische meerderen die blijkbaar in samenspraak en overleg tot de conclusie zijn gekomen dat de heer Weise ernstig tekort is geschoten in zijn functioneren. Indien de ambtenaar die ongunstig werd beoordeeld de vooringenomenheid van beoordelaars aan de kaak stelt, volstaat het niet dit louter te beweren : hij dient hiervoor concrete aanwijzingen naar voren te brengen, quod non; Overwegende dat er geen redenen voorhanden zijn om de ongunstige beoordeling van de heer Weise te hervormen”;
- De ontvankelijkheid van het beroep. Overwegende dat verwerende partij betoogt dat de stad Oostende in het verzoekschrift tot nietigverklaring onterecht als verwerende partij werd aangewezen aangezien het beroep tot nietigverklaring diende te worden gericht tegen de burgemeester van Oostende daar het tot diens exclusieve bevoegdheid behoort het beoordelingsverslag te bevestigen of te wijzigen; Overwegende dat de gemeente als rechtspersoon terecht als verwerende partij wordt aangewezen indien het beroep tot nietigverklaring is gericht tegen een bestuurshandeling die van een orgaan van die gemeente uitgaat; dat de burgemeester, wanneer hij zoals te dezen uitspraak doet over een door een personeelslid van de gemeente tegen een ongunstige beoordeling ingesteld beroep, optreedt als een orgaan van de gemeente; dat bijgevolg de exceptie niet wordt aangenomen; XII-2092-5/11
- De gegrondheid van het beroep. 3.
- Overwegende dat verzoeker in een tweede middel onder meer de schending van “de motiveringsplicht” aanvoert; dat hij daartoe betoogt dat de bestreden beslissing de ongunstige beoordeling bevestigt, ook al is deze beoordeling “in geen enkel opzicht, laat staan concreet, gemotiveerd” en dit ondanks het feit dat nopens hem nooit enige negatieve opmerking werd geformuleerd, dat zowel het beoordelingsverslag als het bestreden besluit dienden te worden gemotiveerd, dat het beoordelingsverslag als enige motivering vermeldt dat “[Zijn] totaal gebrek aan motivatie, [...] alle aspecten van [zijn] functioneren [doordringt], dat hierdoor over de hele lijn negatief uitvalt. Een totale omschakeling van [zijn] houding zal noodzakelijk blijken”, dat aldus aan de formele motiveringsplicht is voldaan, doch dat deze motivering vaag en onduidelijk is en hem “in geen enkel opzicht wijzer maakt”, dat zich nochtans een bijzondere motivering opdrong doordat hij nooit met een negatieve opmerking werd geconfronteerd, dat bij de beoordeling evenmin enige bijlage werd gevoegd waaruit zou kunnen worden afgeleid waarop de negatieve score steunt, dat, indien hij werkelijk zo negatief zou scoren, de beoordelaars nochtans persoonlijke nota’s zouden hebben opgesteld die de ongunstige beoordeling zouden ondersteunen, dat in het bestreden besluit wordt gepoogd één en ander te motiveren doch dat men “[blijft] steken in loutere gemeenplaatsen”, dat opnieuw het antwoord afwezig blijft waarom hij negatief scoort; 3.
- Overwegende dat verwerende partij antwoordt dat verzoeker het uitgebreide beoordelingsverslag uit de weg gaat en zich ter staving van het tweede middel enkel steunt op een eenzijdige interpretatie van het eindbeoordelingsverslag dat een loutere samenvatting is van het uitgebreide, daaraan voorafgaande beoordelingsverslag in acht categorieën, dat de bestreden beslissing de door verzoeker in zijn verdedigingsnota en tijdens het verhoor ingeroepen argumenten op adequate en juiste wijze weerlegt, dat verzoeker geen enkel bewijsstuk voorlegt betreffende de door hem aangevoerde “tekorten aan objektiviteit”, dat verzoeker evenmin aantoont dat hij slechts door één persoon zou zijn beoordeeld, dat verzoeker eveneens nalaat andere feiten uit het verleden te bewijzen zodat ook deze argumenten waardeloos zijn, dat verwerende partij verzoekers verweer grondig heeft onderzocht en becommentarieerd; XII-2092-6/11 3.
- Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord nog betoogt dat het evaluatieverslag enkel het zetten van kruisjes inhield “in een vooraf opgemaakt beoordelings‘hokje’”, dat de beoordelaars zich niet de moeite hebben getroost een welbepaalde evaluatie te motiveren, dat elke vorm van controle uitgesloten is nu geen verslag werd opgemaakt omtrent de evaluatie en er evenmin een beschrijvende evaluatie voorhanden is; 3.
- Overwegende dat verwerende partij in de laatste memorie argumenteert dat de bestreden beslissing meerdere motieven bevat “waaruit de onderbouw van de beslissing blijkt”, dat verzoeker het uitgebreide, negatieve evaluatieverslag uit de weg gaat terwijl de burgemeester zijn motieven uit dit verslag haalt aangezien hij zich de motieven van dit verslag eigen maakt, dat elke omschrijving van een subcriterium een doelstelling uitdrukt zodat de score voor een bepaald subcriterium uitdrukt of men al dan niet aan de doelstelling voldoet, hetgeen verklaart waarom de betrokken score werd behaald, dat het antwoord op de vraag of men al dan niet voldoet aan een criterium “een kwestie van een mathematische uitkomst” is, namelijk de som van de behaalde scores op de subcriteria, dat het waarom van een eindscore op een criterium bijgevolg enerzijds zijn reden vindt in een mathematische bewerking en anderzijds in het geheel van de onderliggende redenen van de scores op de subcriteria, dat elk criterium wordt geschraagd en derhalve gemotiveerd door de beoordeling van de subcriteria waaruit zij zijn samengesteld, dat een aanvullend motief wordt aangetroffen in het commentaar van de beoordelaars, dat men al dan niet aan een doelstelling voldoet en dat van het bestuur niet kan worden verwacht dat ter ondersteuning van elk criterium een bewijsstuk wordt voorgelegd, dat verzoeker perfect kon begrijpen uit welke componenten en om welke redenen zijn evaluatie als dusdanig was opgebouwd, dat hij uit het evaluatieformulier kon opmaken of hij al dan niet voldoet aan de respectieve doelstellingen, dat de bestreden beslissing dus voldoende werd geschraagd en gemotiveerd zodat verzoeker met kennis van zaken kon weten op welke punten hij tekortschoot; 3.
- Overwegende dat een evaluatie tot doel heeft het bestuur in te lichten over de waarde, de geschiktheid, de prestaties en de verdiensten van een personeelslid gedurende een welbepaalde, afgelopen periode, waarbij het personeelslid ofwel voor zijn inzet wordt gewaardeerd ofwel wordt aangespoord zijn prestaties te verbeteren; dat bijgevolg een eindoordeel over een welbepaalde afgelopen periode moet zijn gegrond op voldoende concrete gegevens die betrekking XII-2092-7/11 hebben op de betrokken periode; dat een personeelslid dat een ongunstige beoordeling krijgt alleszins een voldoende zicht moet krijgen op de concrete gegevens waarop het eindoordeel steunt aangezien betrokkene enkel dan in staat is zijn prestaties te verbeteren met het oog op een volgende beoordeling; Overwegende dat in het evaluatiesysteem van de stad Oostende rekening wordt gehouden met acht beoordelingscriteria; dat per criterium een aantal beschrijvende, kwalitatieve uitspraken worden gedaan en dat door het aankruisen van een score wordt uitgemaakt in welke mate de beoordeelde aan elk van die uitspraken voldoet; dat in principe het louter aankruisen van een negatieve score bij een beschrijvende, kwalitatieve uitspraak uit oogpunt van de materiële inschrijvingsplicht op zich onvoldoende concrete informatie bevat over de wijze waarop betrokkene tijdens de beoordelingsperiode heeft gepresteerd; dat betrokkene uit het aankruisen van een negatieve score wel formeel kan afleiden dat hij voor een bepaald aspect gedurende een welbepaalde periode onvoldoende aan de verwachtingen heeft beantwoord, doch niet noodzakelijk weet welke concrete vaststellingen aan die negatieve score ten grondslag liggen; dat een dergelijk beoordelingssysteem wel als voldoende kan worden beschouwd wanneer betrokkene op een andere wijze kennis had of kon krijgen van de concrete vaststellingen waarop de scores steunen; Overwegende dat hiertoe vooreerst de rubriek “commentaar beoordelaars” zou kunnen worden gebruikt; dat te dezen niet kan worden betwist dat het commentaar van de beoordelaars niet van aard is de concrete gegevens waarop de beoordeling steunt aan de oppervlakte te brengen en in het licht van de door verzoeker behaalde scores te algemeen is en allerminst kan worden beschouwd als een deugdelijke materiële motivering; Overwegende dat daarenboven het administratief statuut van de stad Oostende voorziet in twee geëigende instrumenten om een personeelslid voldoende inzicht te verschaffen in de motieven die aan zijn ongunstige beoordeling ten grondslag liggen; dat immers enerzijds overeenkomstig artikel 112bis van voornoemd statuut het beoordelingsdossier onder meer de persoonlijke nota’s van de beoordelaar bevat, deze nota’s alle ongunstige feiten weergeven die als beoordelingsgrond kunnen dienen en worden opgesteld onder meer wanneer een beoordelaar het nodig acht; dat te dezen uit het administratief dossier niet blijkt dat met betrekking tot verzoeker gedurende de periode van 1 juli 1998 tot 31 december 1998 door één van zijn beoordelaars een dergelijke persoonlijke nota werd opgesteld; XII-2092-8/11 dat verzoekers verklaring dat dergelijke nota’s niet voorhanden zijn overigens niet wordt tegengesproken door verwerende partij; dat anderzijds het administratief statuut in zijn artikel 111, § 2, voorziet in het houden van een functioneringsgesprek tussen de hiërarchische meerdere en het ondergeschikt personeelslid, gesprek dat kan plaatsvinden onder meer op initiatief van de hiërarchische meerdere en dat in elk geval onverwijld verplicht is voor elk personeelslid dat een ongunstige beoordeling heeft gekregen; dat verzoeker verklaart dat hij op 9 maart 1999 een gesprek had met zijn eerste evaluator; dat, aangezien het administratief dossier geen schriftelijke neerslag bevat van dit gesprek, uit dit dossier evenwel niet kan worden opgemaakt of de concrete onderbouw van verzoekers ongunstige scores tijdens voornoemd gesprek aan het licht kwam; dat uit het administratief dossier evenmin blijkt dat ooit op een andere manier aan verzoeker werd meegedeeld dat zijn prestaties onvoldoende of voor verbetering vatbaar waren; dat bijgevolg het administratief dossier geen enkele aanwijzing bevat dat verzoeker zich er bij de burgemeester ten onrechte over heeft beklaagd dat zijn beoordelingsverslag “gewoon onbegrijpelijk” was; Overwegende dat uit het voorgaande volgt dat de burgemeester verzoekers ongunstige beoordeling enkel mocht bevestigen indien uit zijn eigen onderzoek de concrete gegevens waarop het ongunstige beoordelingsverslag steunde wel aan de oppervlakte kwam; dat samen met verzoeker evenwel dient te worden vastgesteld dat de bestreden beslissing hierover geen duidelijkheid schept; dat ze zich immers beperkt tot nietszeggende overwegingen zoals daar zijn “dat het enkele feit dat een personeelslid ongunstig werd beoordeeld niet ipso facto bewijst dat die ongunstige beoordeling ten onrechte werd toegekend”, “[dat] indien in hun commentaar bij het beoordelingsverslag de beoordelaars blijkbaar vooral moeite hadden met het totaal gebrek aan motivatie van de betrokkene, [...] dit aspect er effectief toe [kan] hebben geleid dat de heer Weise, ondanks zijn potentieel, op verscheidene criteria ondermaats was”, “[dat] precies een tekort aan motivatie en betrokkenheid bij de job [...] inderdaad van aard [kan] zijn dat een personeelslid op de criteria vakkennis, leiding geven etcetera niet voldoet aan het functieprofiel”, “[dat] uit het feit dat betrokkene op verscheidene criteria negatief werd beoordeeld niet [kan] afgeleid worden dat in casu de beoordelaars inderdaad niet objectief hebben beoordeeld” en “[dat] indien de beoordelaars van mening zijn geweest dat de heer Weise blijk heeft gegeven van een volslagen gebrek aan motivatie, hetgeen alvast tot uiting is gekomen in de scores voor dit specifiek criterium, [...] het niet XII-2092-9/11 denkbeeldig [is] dat de heer Weise ook voor andere criteria waarvoor uiteindelijk ook een minimum aan affiniteit en belangstelling noodzakelijk is, tekort is geschoten”; Overwegende dat derhalve uit de wijze waarop de motivering van de bestreden beslissing is geredigeerd, moet worden afgeleid dat de burgemeester de ongunstige beoordeling niet zelf opnieuw heeft onderzocht zodat hij niet, op grond van een eigen redengeving die steunt op door hemzelf gedane vaststellingen, een eindbeslissing heeft genomen; dat een beroepsinstantie die aldus handelt, aan haar eigen onderzoeks- en hervormingsbevoegdheid verzaakt; dat aldus de motivering van de bestreden beslissing formeel noch materieel voldoet; dat het tweede middel in de besproken mate gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van 22 april 1999 van de burgemeester van de stad Oostende waarbij de ongunstige beoordeling van Renaud Weise wordt bevestigd. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van verwerende partij. XII-2092-10/11 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven juli 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2092-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.077 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1999:ARR.83.118 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.