id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 juli 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.078 Rolnummer: A. 80383/XII-1623 Zaak: Arrest 161078 - - 07/07/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-07-20 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-01 00:16 Fiche Arrest nr 161.078 van 7 juli 2006 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 161.078 van 7 juli 2006 in de zaak A. 80.383/XII-
- In zake : Eric STUY, wonende te Berlaar, Daalstraat 8 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij advocaat B. Staelens, kantoor houdende te Brugge, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46, bus
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Eric Stuy op 23 september 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 24 juli 1998 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Stedelijk Beleid en Huisvesting waarbij het besluit van de gemeenteraad van Berlaar van 24 februari 1998, houdende aanpassing van het geldelijk statuut en de weddeschaal van de commissaris van politie met ingang van 1 januari 1997, wordt vernietigd; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur H. Colin; Gelet op de beschikking van 19 februari 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 16 februari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 28 maart 2006; XII-1623-1/12 Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. Martens, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat N. De Clercq, die loco advocaat B. Staelens verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. Colin; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- Verzoeker is commissaris van politie bij de gemeente Berlaar. 1.
- Met het koninklijk besluit van 20 juni 1994 tot vaststelling van de algemene bepalingen betreffende de bezoldiging van het personeel van de openbare brandweerdiensten en het personeel van de gemeentepolitie, worden het minimum en het maximum van de weddeschalen per graad vastgesteld voor onder meer het personeel van de gemeentepolitie, uitgezonderd wat betreft de commissarissen van politie, de hoofdcommissarissen van politie, de commissarissen van politie-korpschef en de brigadecommissarissen. In zijn omzendbrief BA-94/09 van 13 juli 1994 met betrekking tot het “Sectoraal akkoord van 12 juli 1994 Veiligheidspersoneel” deelt de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden mee dat er in het Belgisch Staatsblad van 12 juli 1994 vier koninklijke besluiten van 20 juni 1994 verschenen -waaronder het hiervoor vernoemd koninklijk besluit-, dat de onderhandelingen over deze koninklijke besluiten, die uitsluitend algemene bepalingen vastleggen, door de federale minister van Binnenlandse Zaken werden gevoerd in het federale comité C, dat in de respectieve onderafdelingen in de gewesten de algemene bepalingen verder werden geconcretiseerd ten einde in de gemeenten, binnen de grenzen van de koninklijke besluiten, een uniforme regeling uit te werken, dat het in de Vlaamse onderafdeling XII-1623-2/12 van Comité C gesloten protocol van 12 juli 1994 aansluit op dat van 18 juni 1993 betreffende de overige categorieën van het gemeentepersoneel en, binnen de grenzen bepaald door de federale overheid, een maximale overeenstemming nastreeft tussen het veiligheidspersoneel en het overige personeel van de gemeenten, dat in de voormelde Vlaamse onderafdeling, net zoals voor het andere personeel, onderhandeld werd over vier documenten namelijk de gemeenschappelijke krachtlijnen voor een samenhangend personeelsbeleid in de lokale besturen betreffende het veiligheidspersoneel, een technische nota, de weddeschalen en een inschakelingstabel, en dat de inhoud van deze documenten in belangrijke mate overeenkomt met hetgeen in het protocol van 18 juni 1993 werd gesteld. Vervolgens wordt in de omzendbrief toelichting gegeven bij de voormelde koninklijke besluiten van 20 juni 1994 en bij de voornoemde documenten waarover in de Vlaamse onderafdeling werd onderhandeld. Daarbij worden, voor een vlotte afhandeling van de administratieve dossiers bij de uitoefening van het administratief toezicht, de gemeenten verzocht met deze toelichtingen en aanbevelingen rekening te houden. In zijn omzendbrief BA-94/12 van 21 september 1994 “over de wet van 30 juli 1994 tot wijziging van titel I, hoofdstuk I, afdeling 7, onderafdeling 2, van de nieuwe gemeentewet, wat de bezoldigingsregeling van de gemeentesecretaris betreft” deelt de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden mee dat de weddeschalen van de gemeentesecretarissen bij wet van 30 juli 1994 worden aangepast, dat artikel 1 van deze wet de minimum- en maximumgrenzen vastlegt waarbinnen de gemeenteraden de weddeschalen van de gemeentesecretaris vaststellen, dat hij van oordeel is dat bij het vaststellen van het verloop van de weddeschaal van de gemeentesecretaris, de gemeenteraden binnen de bij wet bepaalde grenzen dezelfde regeling dienen te volgen die eveneens geldt voor de rest van het gemeentepersoneel, dat zulks in concreto betekent dat, zoals voor alle graden van niveau A, een loopbaan van drieëntwintig jaar wordt aanbevolen met een gelijkmatige verdeling van de tweejaarlijkse verhogingen, dat deze aanbeveling des te meer verantwoord is vanuit de bekommernis om de vermelde uniformiteit inzake loopbaan aan te houden voor alle graden personeelsleden van niveau A ten einde zeker geen discrepantie te laten ontstaan tussen de graden van het gemeentelijk topmanagement, te dezen de gemeentesecretaris, de gemeenteontvanger, de politiecommissaris en eventueel de korpschef van de brandweer, en dat voor deze laatste ambtenaren de minimum- en maximumgrenzen van de weddeschaal eerlang door de Koning zullen worden vastgesteld. XII-1623-3/12 Met het koninklijk besluit van 28 november 1994 tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 juni 1994 tot vaststelling van de algemene bepalingen betreffende de bezoldiging van het personeel van de openbare brandweerdiensten en het personeel van de gemeentepolitie, worden de minimum- en maximumgrenzen van de weddeschaal van onder meer de commissarissen van politie en de politie-korpschef vastgesteld. In zijn omzendbrief BA-95/06 van 1 juni 1995 “betreffende het sectoraal akkoord van 12 juli 1994 over veiligheidspersoneel - Aanvulling” verwijst de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden naar voornoemd koninklijk besluit van 28 november 1994, en deelt hij mee dat, zoals hij reeds in zijn omzendbrief BA-94/12 van 21 september 1994 aankondigde, ook hier werd geopteerd voor een loopbaanspreiding van 23 jaar, waardoor alle schalen van graden van niveau A dezelfde loopbaanspreiding hebben. 1.
- Op 24 februari 1998 besluit de gemeenteraad van Berlaar het geldelijk statuut en de weddeschaal van commissaris van politie met ingang van 1 januari 1997 in die zin te wijzigen dat de weddeverhogingen van de politie- commissaris wordt gespreid over 15 jaar. In dat besluit wordt overwogen dat de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Stedelijk Beleid en Huisvesting in een brief van 13 augustus 1997 heeft laten weten zich niet te zullen verzetten tegen gemeente- raadsbeslissingen waarin de geldelijke loopbaan van de wettelijke graden verspreid wordt over bijvoorbeeld 15 jaar, en dat de commissaris van politie geacht wordt een wettelijke graad te bekleden. 1.
- Bij besluit van de gouverneur van de provincie Antwerpen van 14 april 1998 wordt voornoemd gemeenteraadsbesluit in zijn uitvoering geschorst op grond van de overweging dat de gemeenteraad op 24 februari 1998, naar analogie met de weddeschalen van secretaris en ontvanger, de weddeschaal van de politiecom- missaris heeft vastgesteld met een spreiding over 15 jaar, dat van de graden van commissaris-korpschef en hoofdcommissaris-korpschef weliswaar in de nieuwe gemeentewet sprake is maar deze niet als wettelijke graden in de strikte zin van het woord mogen worden aangemerkt, vermits hun geldelijk statuut, in tegenstelling tot dat van de secretaris en ontvanger, niet door de gemeentewet geregeld wordt, dat dit geldelijk statuut daarentegen geregeld is door het sectoraal akkoord voor het XII-1623-4/12 veiligheidspersoneel van 12 juli 1994, zoals dit werd bekend-gemaakt bij omzendbrie- ven van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden, BA-94/09 en BA-95/06, respectievelijk van 13 juli 1994 en 1 juni 1995, dat in dit sectoraal akkoord werd overeengekomen om de weddeschalen van de commissarissen-korpschefs en de hoofdcommissarissen- korpschefs vast te stellen met een loopbaanspreiding van 23 jaar, zonder dat hierop in enige afwijking werd voorzien, en dat het gemeenteraadsbesluit van 24 februari 1998 strijdig is met voornoemd sectoraal akkoord “en derhalve met de wet sensu lato”. 1.
- Op 26 mei 1998 beslist de gemeenteraad van Berlaar zijn geschorst besluit van 24 februari 1998 te handhaven, onder meer op grond van de overweging dat de graad van commissaris van politie voorzien is in de nieuwe gemeentewet en deze graad aldus bestempeld wordt als wettelijke graad, dat het geldelijk statuut van de commissarissen van politie geregeld wordt door artikel 189 van de nieuwe gemeentewet, waarbij de gemeenteraad, binnen de perken van de door de Koning vastgestelde algemene bepalingen, onder meer de bezoldigings-regeling en de weddeschalen bepaalt, dat de koninklijke besluiten van 20 juni 1994 en 28 november 1994, waarbij de minima en de maxima van de wedde van de commissarissen van politie door de Koning werden vastgesteld, geen beperkingen opleggen in verband met de duur van de loopbaan en/of de spreiding van de weddeschaal, dat de minima en de maxima van de weddeschalen van de comissarissen van politie de facto gelijk zijn aan deze van de gemeente-ontvangers, en dat in de omzendbrief BA-94/12 van 21 september 1994 duidelijk wordt gesteld dat een uniformiteit inzake loopbaan moet worden aangehouden voor alle personeelsleden van het gemeentelijk topmanagement teneinde zeker geen discrepantie te laten ontstaan tussen de graden van dit gemeentelijk topmanagement, in casu de gemeentesecretaris, de gemeenteontvanger, de politiecommissaris en eventueel de korpschef van de brandweer. 1.
- Bij besluit van 24 juli 1998 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Stedelijk Beleid en Huisvesting wordt het besluit van de gemeenteraad van Berlaar van 24 februari 1998 vernietigd. In dat besluit, waarvan verzoeker voor de Raad van State de nietigverklaring vordert, wordt overwogen dat artikel 30, derde lid, van de nieuwe gemeentewet bepaalt dat de weddeverhogingen van de gemeentesecretaris niet mogen worden gespreid over meer dan 26, noch over minder dan 15 jaar, dat deze XII-1623-5/12 bepaling ingevolge artikel 65, § 1, van de nieuwe gemeentewet mutatis mutandis van toepassing is op de gemeenteontvangers, dat de wetgever het niet nodig geacht heeft voor de overige graden een gelijkaardige bepaling op te nemen, dat bij koninklijk besluit van 28 november 1995 [lees 1994] tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 juni 1994, de minima en maxima van de weddeschalen van de politiecommissarissen vastgesteld werden, dat de bedragen feitelijk vastgesteld werden op 97,5 % van de wedde van de gemeentesecretaris, dat er echter geen expliciete band is tussen de weddeschaal van de gemeentesecretaris en deze van de politiecommissaris, dat het geldelijk statuut van de commissarissen van politie geregeld wordt door het sectoraal akkoord van 12 juli 1994 voor het veiligheidspersoneel, dat in dit sectoraal akkoord overeengekomen werd om de weddeschalen van de commissarissen van politie vast te stellen met een loopbaanspreiding van 23 jaar, waarop in geen enkele afwijking werd voorzien, en dat het gemeenteraadsbesluit van 24 februari 1998, waarin de loopbaan van de politiecommissaris gespreid wordt over 15 jaar, naar analogie van die van de gemeentesecretaris en -ontvanger, “strijdig is met het sectoraal akkoord van 12 juli 1994”, “strijdig is met het algemeen beleid van de hogere overheid en dus met het algemeen belang”;
- De gegrondheid van het beroep. 2.1.
- Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 189 van de nieuwe gemeentewet; dat hij daartoe betoogt dat luidens deze bepaling de gemeenteraad, binnen de perken van de door de Koning vastgestelde algemene bepalingen, de formatie, de bezoldigingsregeling en het administratief statuut, de weddeschalen, de toelagen of vergoedingen, alsook de voorwaarden van werving, benoeming en bevordering van de leden van het gemeentepolitiekorps bepaalt, dat dit artikel, gelezen in combinatie met het koninklijk besluit van 28 november 1995 [lees : 1994] en artikel 145 van de nieuwe gemeentewet, dat stelt dat de gemeenteraad de bezoldigingsregeling en de weddeschalen van het gemeentepersoneel bepaalt, geen ruimte laat voor interpretatie, en dat zowel het initiële gemeenteraadsbesluit als het handhavingsbesluit van de gemeente Berlaar gestoeld zijn op een wettelijke grondslag; 2.1.
- Overwegende dat verzoeker een tweede middel ontleent aan het ontbreken van een deugdelijke rechtsgrond en daarin betoogt, onder meer dat, in zoverre in het bestreden besluit wordt overwogen dat het geldelijk statuut van de XII-1623-6/12 commissarissen van politie wordt geregeld door het sectoraal akkoord van 12 juli 1994, dit sectoraal akkoord strijdig is met artikel 189 van de nieuwe gemeentewet, vermits het aan de gedecentraliseerde besturen een verplichting oplegt die stringenter is dan de wet, het akkoord de bevoegdheid van de gemeenteraad totaal miskent, en bepalingen bevat die de gemeentebesturen op ongeoorloofde wijze beknotten in hun op wettelijke bepalingen gegronde handelingsbekwaamheid en aldus een aantasting vormen van de gemeentelijke autonomie; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij tegenwerpt dat de twee aangevoerde middelen een dergelijke samenhang vertonen dat zij ze samen wenst te beantwoorden, dat zij bij het administratief toezicht niet alleen rekening diende te houden met het koninklijk besluit van 28 november 1995 [lees : 1994], dat het geldelijk statuut van de commissaris van politie immers ook “geregeld” wordt door het sectoraal akkoord van 12 juli 1994 voor het veiligheidspersoneel, dat sectorale akkoorden niet “puur aanbevelend” zijn, maar een aantal materies betreffen die tot de grondregelingen van het administratief en geldelijk statuut van het overheids- personeel behoren, en dat verzoeker uit het oog verliest dat de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, ook van toepassing is op de gemeenten; dat voorts volgens verwerende partij verzoeker haar dan ook ten onrechte het recht ontzegt om inzake deze grondregelingen van het administratief en geldelijk statuut van het overheidspersoneel, grondregelingen die aangemerkt moeten worden als aangelegenheden van algemeen belang, akkoorden te sluiten en ter zake een beleid te voeren, hetgeen zij als volgt toelicht : “II.4.1 De Wet van 19 december 1974 bepaalt in artikel 2, §1, de materies die een verplichte onderhandelingmaterie vormen in de daartoe opgerichte comités. Het betreft de grondregelingen aangaande o.m. het administratief en het geldelijk statuut van het overheids- personeel. Krachtens deze wet wijst de Koning de grondregelingen aan. Dit gebeurde op een exhaustieve wijze in het koninklijk besluit van 29 augustus 1985 tot aanwijzing van de grondregelingen in de zin van artikel 2, § 1, 1/ van de wet van 19 december
- Deze wet voorziet verder in de oprichting van het comité voor de provinciale en de plaatselijke overheidsdiensten. De werkwijze en de samen- stelling van de bevoegde comités wordt door de Koning bepaald. II.4.2 Bij koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, werd de bevoegdheid tot onderhandelen m.b.t. het personeel van de provinciale en gemeentelijke overheden, althans wat de aangelegenheden van algemeen belang betreft toegewezen aan, het comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en aan XII-1623-7/12 de onder-afdeling Vlaams Gewest en Vlaamse Gemeenschap van dit comité. Deze onderafdeling werd bij koninklijk besluit van 2 augustus 1990 tot wijziging van het KB van 28 september 1984 opgericht om recht te doen aan de nieuwe toestand ingevolge de institutionele hervormingen van
- Uit het Verslag aan de Koning bij dit wijzigingsbesluit (B.S. nr 16741 van 31/8/90) blijkt dat het bestaan van de twee onderhandelingsniveaus (het federale en het gewestelijke) rechtstreeks verband houdt met de nog bestaande federale bevoegdheid m.b.t. de algemene normen (cfr. de toenmalige artikelen 145 en 148) enerzijds, en met de uitoefening van het toezicht door de gewesten anderzijds. II.4.3 De wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur die in de nieuwe gemeentewet de bevoegdheid van de Koning in de artikelen 145 en 148 schrapt, bouwt voort op deze realiteit. Aan de bestaande wetgeving op het syndicaal statuut werd niet geraakt, noch wat de verplichte onderhandelingsmateries betreft, noch wat de bevoegde comités betreft. De schrapping van de bevoegdheid van de Koning om de algemene bepalingen inzake het administratief en geldelijk statuut van het gemeentepersoneel vast te stellen, [heeft] niet een grotere autonomie, laat staan de totale autonomie, van de lokale besturen tot gevolg, maar wel een verschuiving naar het gewestelijk onderhandelingsniveau en naar het gewestelijk beleidsniveau om t.a.v. die algemene normen die tot de grondregelingen behoren, onderhandelingen te voeren, akkoorden af te sluiten en een beleid uit te stippelen. De schrapping maakt zodoende een grotere samenhang tussen de uitoefening van het toezicht en het algemeen beleid t.a.v. het lokaal personeel mogelijk. Overigens moet de schrapping ook gezien worden in het perspectief van de regionalisering van de nieuwe gemeentewet die met de verklaring tot herziening van de grondwet van 7 april 1995 in het vooruitzicht werd gesteld. II.4.4 Sectorale akkoorden hebben de waarde van een politieke verbintenis of m.a.w. van een beleidsverbintenis (Verslag aan de Koning bij het KB van 28 september 1984 over artikel 21, §2, tweede lid). De sectorale akkoorden van 18 juni 1993 en van 12 juli 1994 die tot stand gekomen zijn in de onderafdeling Vlaamse Gewest van het comité C binden t.a.v. de inhoud van deze akkoorden de Vlaamse regering en de toezichthoudende overheid. Ze vertegenwoordigen het beleid van de Vlaamse regering inzake materies die tot de grondregelingen behoren en die binnen de sfeer van het algemeen belang te situeren zijn. Het afdwingen van het respect voor deze akkoorden is hiermee dan ook volledig consistent en allerminst een aantasting van de gemeentelijke autonomie. Bovendien kan er in deze aangelegenheden geen enkel beleid gestalte krijgen dan na onderhandelingen in de daartoe bevoegde comités. De gemeente Berlaar zou niet in een andere regelgeving te kunnen voorzien, nu zij ter zake niet is overgegaan tot de noodzakelijke onderhandeling!! Dat in het wettelijk systeem de nodige onderhandeling slechts mogelijk is binnen de bevoegde comités, impliceert de mogelijkheid het onderhandelde resultaat door middel van administratief toezicht wordt afgedwongen. Want onderhandelen over een materie waaromtrent er bij de specifieke overheden dan een volstrekte beleidsvrijheid zou bestaan, ook bij een akkoord !!!, ware zinloos. XII-1623-8/12 In de stelling van de verzoekende partij zou art. 1 par. 1,3/ Wet 19 december 1974 volstrekt zinloos zijn. Een dergelijke interpretatie ware uiteraard strijdig met de potius ut valeat regel. II.4.5 Kortom, autonomie en responsabilisering staan niet in de weg dat er via het goedkeuringstoezicht wordt toegezien op het respect voor de sectorale akkoorden, gesloten in het kader van de Wet van 19 december
- Integendeel, gemis aan adequaat toezicht ter zake zou precies de Wet van 19 december 1974 geweld aandoen.”; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie haar stelling herhaalt, dat sectorale akkoorden kunnen worden afgedwongen door middel van het administratief toezicht en voorts nog betoogt dat sprake kan zijn van ‘strijdigheid met het algemeen beleid van het Vlaamse Gewest” waarbij sectorale akkoorden “worden afgesloten als aspect van dit algemeen beleid”; 2.4.
- Overwegende dat artikel 189 van de nieuwe gemeentewet ten tijde van het nemen van de bestreden beslissing als volgt luidde : “Binnen de perken van de door de Koning vastgestelde algemene bepalingen, bepaalt de gemeenteraad de formatie, de bezoldigingsregeling en het administratief statuut, de weddeschalen de toelagen of vergoedingen alsook de voorwaarden van werving, benoeming en bevordering van de leden van het gemeentepolitiekorps”; dat ter uitvoering van dat artikel 189 het voormelde koninklijk besluit van 28 november 1994 de maxima en minima van de weddeschalen van de politie- commissarissen vaststelt; Overwegende dat het feit dat het voornoemde koninklijk besluit geen bepalingen bevat met betrekking tot de duur van de loopbaan of tot de spreiding van de weddeschaal op zich niet noodzakelijkerwijze tot de vaststelling moet leiden dat de toezichthoudende overheid niet kan optreden tegen een gemeenteraadsbesluit waarbij -zoals te dezen- de geldelijke loopbaan van de politiecommissaris wordt gespreid over 15 jaar; dat immers luidens artikel 162 van de gecoördineerde Grondwet, de toezichthoudende overheid tegen een door een gemeentelijke overheid genomen besluit kan optreden om te beletten dat de wet wordt geschonden of het algemeen belang wordt geschaad; dat aldus een dergelijk gemeenteraadsbesluit kan worden geschorst of vernietigd, hetzij indien een andere rechtskrachtige norm zich tegen een spreiding over 15 jaar verzet, hetzij indien een dergelijke spreiding het algemeen belang schaadt; XII-1623-9/12 2.4.
- Overwegende dat luidens artikel 30, §§ 1, 3 en 4, van het decreet van 28 april 1993 houdende regeling, voor het Vlaamse Gewest, van het administratief toezicht op de gemeenten, dat in het onderhavige geval van toepassing was, de toezichthoudende overheid bij gemotiveerd besluit bevoegd is om een besluit te schorsen of te vernietigen waarbij een gemeenteoverheid de wet schendt of het algemeen belang schaadt; dat luidens paragraaf 5 van voornoemd artikel 30 voor de toepassing van dat artikel als strijdig met het algemeen belang worden beschouwd, “de besluiten die strijdig zijn met de beginselen van een behoorlijk en goed bestuur of die strijdig zijn met het algemeen beleid of met de belangen van de hogere overheid”; Overwegende dat in het bestreden besluit wordt overwogen dat het geldelijk statuut van de commissarissen van politie geregeld is door het sectoraal akkoord voor het veiligheidspersoneel van 12 juli 1994 en dat het besluit van de gemeenteraad van Berlaar van 24 februari 1998 strijdig is met voornoemd sectoraal akkoord; dat er bijkomend overwogen wordt dat voornoemd gemeenteraadsbesluit strijdig is “met het algemeen beleid van de hogere overheid en dus met het algemeen belang”; 2.4.
- Overwegende, wat de vraag betreft of het geldelijk statuut van de commissarissen van politie inderdaad “geregeld wordt door het sectoraal akkoord van 12 juli 1994”, dat de conclusies van de betrokken onderhandelingen een wezenlijk politiek karakter hebben; dat ze niet uit zichzelf de rechtsverhoudingen wijzigen, noch zelfs maar van aard zijn de overheid in rechte te binden; dat aldus de overweging in het bestreden besluit, dat het geldelijk statuut van de commissarissen van politie “geregeld wordt” door het sectoraal akkoord van 12 juli 1994 voor het veiligheidspersoneel, niet opgaat; dat a fortiori de overweging, dat het gemeenteraadsbesluit van 24 februari 1998 strijdig is met het sectoraal akkoord van 12 juli 1994, op zich geen deugdelijke rechtsgrond oplevert voor de bestreden beslissing; 2.4.
- Overwegende, wat de vraag betreft of het gemeenteraadsbesluit van 24 februari 1998, door af te wijken van hetgeen in het sectoraal akkoord van 12 juli 1994 werd overeengekomen met betrekking tot de spreiding van de loopbaan van de commissarissen van politie, strijdig is “met het algemeen beleid van de hogere overheid”, dat de verwerende partij haar “algemeen beleid” in elk geval niet als vrijgeleide kan inroepen om, zoals te dezen, een gemeenteraadsbesluit te vernietigen omdat in het sectoraal akkoord van 12 juli 1994 “geen enkele afwijking werd XII-1623-10/12 voorzien” op een loopbaanspreiding van 23 jaar, vermits zij daardoor aan de resultaten van haar algemeen onderhandelingsbeleid binnen de onderafdeling “Vlaams Gewest en Vlaamse Gemeenschap” de facto een algemeen verordenend beleid koppelt; dat voorts, aangenomen tenminste dat een sectoraal akkoord, bij de uitoefening van het bestuurlijk toezicht, als richtlijn mag worden gehanteerd, dit de toezichthoudende overheid er niet van ontslaat om in elk afzonderlijk geval in concreto de toepassing ervan dat akkoord na te gaan en zich ervan te vergewissen of er geen motieven bestaan die alsnog een afwijking van dergelijk akkoord kunnen rechtvaardigen; dat te dezen van zulke afweging geen sprake is; Overwegende dat dienvolgens de door verzoeker aangevoerde middelen in de hiervoor vermelde mate gegrond zijn, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van 24 juli 1998 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Stedelijk Beleid en Huisvesting waarbij het besluit van de gemeenteraad van Berlaar van 24 februari 1998, houdende aanpassing van het geldelijk statuut en de weddeschaal van de commissaris van politie met ingang van 1 januari 1997, wordt vernietigd. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. XII-1623-11/12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven juli 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-1623-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.078 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.