id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 juli 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.080 Rolnummer: A. 105533/XII-3153 Zaak: Arrêt / Arrest 161080 - / - 07/07/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-07-24 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-07-01 01:42 Versie(s): Versie FR Versie DE in voorbereiding Fiche Arrest nr 161.080 van 7 juli 2006 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 161.080 van 7 juli 2006 in de zaak A. 105.533/XII-
- In zake : GODDERIS Wilfried, wondende te Nossegem, Stokerijstraat 15 tegen : de BRUSSELSE HOOFDSTEDELIJKE DIENST VOOR BRAND- WEER EN DRINGENDE MEDISCHE HULP, die woonplaats kiest bij advocaten C. Ronse en W. Timmermans, kantoor houdende te 1000 Brussel, Havenlaan 86C, B.
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Wilfried Godderis op 5 juni 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de besluiten van 30 november 2001 en van 14 augustus 2001 van de Brusselse hoofdstedelijke regering, houdende 72 bevorderingen tot sectiechef bij de Brusselse hoofdstedelijke dienst voor brandweer en dringende medische hulp (hierna ook : de Dienst); Gelet op het arrest nr. 157.627 van 18 april 2006 waarbij het beroep wordt verworpen voor zover het strekt tot de nietigverklaring van de besluiten van 14 augustus 2001 en van 30 november 2001 van de Brusselse hoofdstedelijke regering, waarbij 49 Franstaligen worden bevorderd tot de graad van sectiechef bij de Brusselse hoofdstedelijke dienst voor brandweer en dringende medische hulp, de debatten in de aldus beperkte zaak worden heropend, de zaak wordt verwezen naar de algemene rol om te worden toegewezen aan een Nederlandstalige kamer en de kosten van het beroep tot nietigverklaring in beraad worden gehouden; Gelet op de beschikking van 11 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 juni 2006; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; XII-3153-1/9 Gehoord de opmerkingen van verzoeker, en van advocaat W. Timmermans, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd M. Lefever; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; De gegevens van de zaak
- Overwegende dat bij dagorder nr. é9 van 15 juni 2000 de vacature voor betrekkingen van sectiechef ter kennis wordt gebracht van het personeel; dat de dagorder onder meer vermeldt dat de kandidaten moeten voldoen aan de voorwaarden van artikel 26 van het administratief statuut van het personeel van de Dienst, wat inhoudt dat zij onder meer moeten voldoen aan het profiel vastgesteld door de directieraad; Overwegende dat verzoeker op 11 juli 2000 zijn kandidatuur indient; Overwegende dat de directieraad op 23 januari 2001 de kandidaturen van de Nederlandstalige kandidaten onderzoekt en een rangschikking opstelt; dat verzoeker in deze rangschikking plaats dertien bezet; dat hem dit bij brief van 24 januari 2001 wordt meegedeeld; Overwegende dat de directieraad in de loop van de maand februari de bezwaarschriften onderzoekt die werden ingediend door andere kandidaten en een nieuwe rangschikking opstelt; dat die nieuwe rangschikking, waarin verzoeker plaats 25 bezet en dus niet meer in nuttige orde is geplaatst, niet meer aan hem wordt meegedeeld; Overwegende dat de Brusselse hoofdstedelijke regering 23 Nederlandstaligen tot de graad van sectiechef bevordert bij verscheidene besluiten van 30 november 2001 en van 14 augustus 2001; XII-3153-2/9 Overwegende dat verzoeker bij ministerieel besluit van 21 januari 2005 wordt bevorderd in de graad van sectiechef in het Nederlandstalig kader van de Dienst met ingang van 1 februari 2005; De ontvankelijkheid van het beroep 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij opwerpt dat verzoeker geen actueel belang meer heeft, nu hij zelf is bevorderd tot sectiechef; Overwegende dat verzoeker onder meer antwoordt dat hij minder anciënniteit heeft dan zijn collega’s, wat blijkens het personeelsstatuut nog een rol speelt voor latere bevorderingen; 2.1.
- Overwegende dat de ambtenaar die in de loop van het geding bevorderd wordt tot dezelfde graad als degene wiens bevordering hij bestrijdt, zijn belang bij het beroep niet automatisch verliest, inzonderheid niet wanneer hij in zijn nieuwe graad minder anciënniteit heeft; dat verzoeker te dezen aannemelijk maakt dat de anciënniteit, bij een eventuele latere bevordering, een niet te verwaarlozen, zelfs doorslaggevende, rol zou kunnen spelen; dat hij dienvolgens nog steeds belang heeft de nietigverklaring van de bestreden bevorderingen te vorderen, doch slechts in zoverre deze de benoemde collega’s meer anciënniteit toekennen dan aan hem; dat immers in de gestelde hypothese het belang van de ambtenaar niet vergt dat de door hem bestreden bevorderingen integraal worden vernietigd, dat zijn belang genoegzaam wordt gediend door een vernietiging in zoverre de bevorderde personen meer anciënniteit toegekend hebben gekregen; 2.2.
- Overwegende dat verwerende partij nopens de ontvankelijkheid in de laatste memorie argumenteert dat verzoeker geen belang heeft bij de nietigverklaring van de bevorderingen wat betreft de elf benoemde kandidaten die ook reeds in de voorlopige rangschikking, gunstiger geplaatst stonden en waartegen hij oorspronkelijk ook geen bezwaar liet gelden; 2.2.
- Overwegende dat verzoeker van bij aanvang op de hoogte was hoeveel betrekkingen er waren te begeven; dat, wanneer hij verneemt batig gerangschikt te zijn op de dertiende plaats, hij mocht veronderstellen samen met de anderen gelijktijdig te worden bevorderd; dat er voorts aan de Raad geen bepaling wordt voorgelegd op grond waarvan de 23 begunstigden, in de veronderstelling dat XII-3153-3/9 zij op hetzelfde ogenblik zouden worden bevorderd, nog aan hun onderlinge rangschikking aanspraken kunnen ontlenen voor hun verdere carrière; dat de rangschikking ten slotte een voorlopige rechtshandeling is; dat de Raad in die omstandigheden niet ziet waarom verzoeker zich dan tegen die dertiende plaats in de rangschikking had moeten verzetten; dat de exceptie wordt verworpen; De gegrondheid van het beroep 3.
- Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 21 van het besluit van de Brusselse hoofdstedelijke regering van 26 november 1998 tot vaststelling van het administratief statuut van het personeel van de Brusselse hoofdstedelijke dienst voor brandweer en dringende medische hulp; dat hij aanklaagt dat de tweede rangschikking die werd opgemaakt na de kennisname van de bezwaren die tegen de eerste rangschikking waren ingediend niet opnieuw aan de kandidaten werd meegedeeld en dat hij aldus geen kans heeft gehad om er zijn bezwaren tegen te doen gelden; dat hij betoogt dat nieuwe benoemingsvoorstellen die verscheidene in eerste instantie in nuttige orde gerangschikte kandidaten verdringen en die verwijzen naar nieuwe klasseringscriteria opnieuw aan de kandidaten hadden moeten worden meegedeeld, samen met het proces-verbaal van de directieraad, teneinde aan hen toe te laten hun opmerkingen te laten gelden; Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste -en enige- memorie betwist dat de directieraad zijn definitief advies opnieuw aan de kandidaten moet voorleggen, laat staan dat de mogelijkheid voor dezen zou bestaan om nogmaals bezwaren in te dienen, dat voor dergelijk voorschrift geen uitdrukkelijke tekst voorhanden is, dat een bestaande bepaling in die zin te vinden is in -toen- artikel 26bis, § 3, van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het rijkspersoneel, dat die bepaling echter slechts de benoemingen in niveau 1 geldt en geen algemeen beginsel vormt aangezien in hetzelfde besluit het voorschrift -toen- niet voor alle benoemingen werd opgelegd; dat de verwerende partij in de eis van een nieuwe bezwaarronde een aanslepen van de procedure vreest; dat zij ook vragen heeft bij het belang van verzoeker bij het middel omdat hij nergens uiteenzet wélke bezwaren hij dan wel zou hebben laten gelden; 3.
- Overwegende dat de schending van de in het middel aangevoerde procedureregels in principe tot de nietigverklaring leidt van de op die procedure gesteunde bevorderingen en de betrekkingen opnieuw vacant maakt; dat de Raad niet XII-3153-4/9 ziet waarom aan verzoeker, die kandidaat was voor de bevordering, belang bij het middel moet worden ontzegd; dat de omstandigheid dat de eventuele nietigverklaring overeenkomstig het sub 2.1.
- overwogene beperkt moet worden aan die conclusie geen afbreuk doet; dat het middel ontvankelijk is; 3.
- Overwegende dat de voorliggende bevorderingsprocedure door de artikelen 20 tot 23 van het ingeroepen besluit van de Brusselse hoofdstedelijke regering van 26 november 1998 als volgt wordt geregeld : “Art.
- Voor iedere bevordering brengt de directieraad een met redenen omkleed advies uit. De directieraad spreekt zich in zijn advies uit over iedere sollicitant die voldoet aan de vereisten om de te begeven betrekking te bekleden. Hij neemt hierbij in overweging : 1/ de beschrijving van de functie en het gewenste profiel van de kandidaat; 2/ de aanspraken en de verdiensten, waaronder de anciënniteit in de schoot van de Brandweerdienst, die de sollicitant doet gelden voor een bevordering in de vacante betrekking; 3/ het evaluatiedossier van de kandidaat; 4/ de resultaten van de tweejaarlijkse fysieke testen bedoeld in artikel 53 van dit besluit. In geval verscheidene sollicitanten dezelfde of gelijkwaardige aanspraken voor bevordering kunnen laten gelden, wordt de voorkeur gegeven aan de kandidaat met de meest positieve evaluatie. De directieraad klasseert de kandidaten. Art.
- De rangschikking wordt ter kennis gebracht van de kandidaten. De kandidaat die zich benadeeld acht, kan binnen tien dagen na de kennisgeving bezwaar indienen bij de voorzitter van de directieraad. Hij wordt op zijn verzoek door de directieraad gehoord en kan zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze. Art.
- De benoemende overheid is gebonden door een voorstel dat eenparig wordt uitgebracht. Indien zij niet kan instemmen met het voorstel van de directieraad en zij een andere kandidaat kiest, moet haar beslissing met bijzondere redenen omkleed zijn. Art.
- De bevordering wordt aan de belanghebbende rechtstreeks medegedeeld en ter kennis van de andere leden van de Brandweerdienst gebracht door de officier-dienstchef”; 3.
- Overwegende dat volgens deze bepalingen het advies van de directieraad en het daarop gesteunde voorstel in twee stadia tot stand komt: er is vooreerst een eerste vergelijking van de aanspraken en verdiensten die gebeurt op basis van de gegevens die aan de directieraad bekend zijn langs de kandidaturen en langs administratieve informatie of persoonlijke kennis van de leden, in een tweede stadium wordt dan nagegaan of de bezwaarschriften die werden ingediend nieuwe informatie aanbrengen die van aard is dat, wanneer deze nieuwe informatie in de vergelijking wordt betrokken, het resultaat ervan moet worden herzien; XII-3153-5/9 Overwegende dat de tweede fase dan ook geen volledig nieuwe vergelijking is maar wel een eventuele correctie van de eerste, op basis van door de bezwaarindieners aangebrachte elementen; Overwegende dat in de voorliggende zaak door de directieraad evenwel niet zo is gehandeld; Overwegende dat de directieraad eerst, op 23 januari 2001, na onderzoek van de kandidaturen, een vergelijking en rangschikking heeft opgesteld op grond van de volgende door hem gemaakte vaststellingen : - twee kandidaten vervullen reeds als dienstdoende de functie van dienstchef tot voldoening van hun chefs; rekening houdend met hun beroepservaring beantwoorden zij het best aan het profiel; zij worden bovenaan geklasseerd in volgorde van anciënniteit; - veertien kandidaten zijn geslaagd voor het examen van korporaal; zeven ervan werden intussen al effectief tot die graad bevorderd; van deze kandidaten stelt de directieraad vast dat zij over een niet te miskennen ervaring beschikken waardoor zij occasioneel, maar niettemin regelmatig, de functie van sectiechef hebben waargenomen; dat zij goed beantwoorden aan de voorwaarden van het profiel en aldus het bewijs geleverd hebben van hun verdiensten in die mate dat hun kandidatuur bevoordeeld moet worden in het klassement; ook deze kandidaten worden vervolgens gerangschikt naar anciënniteit; - van de zeven andere geslaagden in het examen van korporaal die nog niet effectief werden bevorderd tot die graad, waaronder verzoeker, stelt de directieraad dat zij zich kunnen beroepen op een beroepsbekwaamheid die aangetoond werd door het slagen voor het intern examen van korporaal, wat bevestigd wordt door een belangrijke ervaring “on the field” en dat zij goed beantwoorden aan de voorwaarden van het profiel maar geklasseerd moeten worden na diegenen die over een effectieve ervaring beschikken inzake de verantwoordelijkheden die normaliter aan een sectiechef toekomen; - van de overige kandidaten worden de negen met de grootste anciënniteit vergeleken op het punt van verdiensten en op die basis gerangschikt; - de overgebleven kandidaten worden zonder verder onderzoek ex aequo gerangschikt; XII-3153-6/9 Overwegende dat de directieraad na ontvangst en kennisneming van de bezwaren de rangschikking bevestigt van de eerste twee gerangschikte kandidaten met als motivatie dat zij immers tot algehele voldoening van de directie de functie van dienstdoend sectiechef vervullen sinds 1 april 1996 en dat hun jarenlange ervaring maakt dat zij het beste beantwoorden aan de criteria gestipuleerd in het profiel; dat de directieraad vervolgens ook de rangschikking van de zeven kandidaten bevestigt die slaagden in het examen voor korporaal en reeds in die graad werden benoemd, stellende dat zij gelet op hun niet te miskennen ervaring, waardoor zij occasioneel maar niettemin regelmatig, de functie van sectiechef hebben waargenomen, op een evenwaardige manier als de eerste twee gerangschikten aan de criteria gestipuleerd in het profiel voldoen, zij het dat zij in mindere mate dan de eerste twee kunnen bogen op een evenwaardige beroepservaring; dat de directieraad voor de overige kandidaten zijn initiële rangschikking herziet op grond van overwegingen die als volgt in de notulen zijn weergegeven : “Voor de overige kandidaten en rekening houdend met alle ingediende bezwaarschriften gaat de Directieraad over tot een grondig en individueel onderzoek van de aanspraken en verdiensten van elke kandidaat, waarbij een bijzondere plaats wordt toegekend aan de anciënniteit. De Directieraad stelt dat de appreciatie van de inzet en van de inspanningen van de kandidaten bij hun werk in de dienst en hun voortgezette opleiding de mate waarin ze beantwoorden aan de criteria gestipuleerd in het profiel [...] weerspiegelt. Tevens stelt de Directieraad dat, door rekening te houden met de ervaring op het terrein, ook de voorwaarde naar de beroepservaring toe in meerdere of mindere mate wordt ingevuld door elke kandidaat. In het bijzonder worden geëvalueerd de behaalde brevetten die nuttig zijn enerzijds voor de DGH, anderzijds voor de brandweertechnische tussenkomsten. Tevens werd een bijzonder belang gehecht aan de inzet als instructeur en/of als lid van de gespecialiseerde groepen zoals duikers, antigaspakkenploeg (TAG) en RISC-ploeg. De geïntegreerde appreciatie van al deze in overweging genomen elementen resulteert in een klassement van de overige kandidaten: [...]”; dat op basis daarvan al de overblijvende kandidaten worden gerangschikt; Overwegende dat wat in casu is gebeurd niet te beschouwen valt als een herziening van de vergelijking die reeds een eerste maal was gebeurd; dat de directieraad na ontvangst van de bezwaren een volledig nieuwe vergelijking tussen de kandidaten heeft gemaakt, gesteund op gedeeltelijk nieuwe criteria; dat immers bij de eerste vergelijking het beantwoorden aan het profiel bijna uitsluitend werd afgeleid uit de ervaring opgedaan door het reeds effectief op min of meer regelmatige basis waarnemen van de functie van sectiechef en in tweede instantie uit de bewezen beroepsbekwaamheid door het slagen in het examen van korporaal; dat daarentegen bij de tweede vergelijking de kandidaten die niet reeds effectief op min of meer XII-3153-7/9 regelmatige wijze de functie van sectiechef uitoefenden met elkaar werden vergeleken op grond van verscheidene andere elementen die bij de eerste vergelijking in het geheel niet aan bod zijn gekomen; dat alzo rekening is gehouden met de anciënniteit, de inzet en de inspanningen bij hun werk in de dienst, hun voortgezette opleiding, meer bepaald de door hen behaalde en voor de functie nuttige brevetten, hun inzet als instructeur of als lid van gespecialiseerde groepen; dat door op die wijze te werk te gaan, de directieraad in feite de vergelijking heeft overgedaan en een nieuwe vergelijking gemaakt; dat in die omstandigheden de kandidaten ook de kans hadden moeten krijgen tegen dit nieuwe, op een nieuwe vergelijking met nieuwe criteria steunende voorstel, bezwaar aan te tekenen; dat het middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd worden de besluiten van 30 november 2001 en van 14 augustus 2001 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, houdende bevordering van Alain Verdoodt, Ghislain Luyckfasseel, Daniël Noukens, Etienne Van Parys, Yves Reunbrouck, Joseph Cordemans, Pierre Lejeune, Leopold Leroy, Roger Huygh, Albert Van Den Eynde, Maurice Grumeau, Johan De Jaegher, Eddy Vandersteen, Rudi De Pauw, Patrick Verbestel, Marc Van Hoorebeeck, Maurits De Pauw, Pierre Becque, Dirk Van Der Ougstraete, Paul Bruers, Erik Thys, Marc Vanderstukken en Willy Van Caer tot sectiechef bij de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor brandweer en dringende medische hulp, voor zover het hun een anciënniteit in die graad verleent die voorafgaat aan 1 februari
- Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. XII-3153-8/9 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven juli 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3153-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.080 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.627 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.