← België

Arrest 161082 - - 07/07/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 juli 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.082 Rolnummer: A. 160191/XII-4395 Zaak: Arrest 161082 - - 07/07/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-07-20 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-01 00:18 Fiche Arrest nr 161.082 van 7 juli 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 161.082 van 7 juli 2006 in de zaak A. 160.191/XII-

  1. In zake : Michaël SMETS, die woonplaats kiest bij advocaat F. Judo, kantoor houdende te 1000 Brussel, Keizerslaan 3 tegen : de ERASMUSHOGESCHOOL BRUSSEL, die woonplaats kiest bij advocaat S. Van Geeteruyen, kantoor houdende te 1080 Brussel, Leopold II-laan
  2. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Michael Smets op 21 februari 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 23 december 2004 van de examencommissie van het derde jaar audiovisuele techniek: podiumtech- nieken van het departement Rits van de Erasmushogeschool, waarbij hij “wordt afgewezen na deliberatie”; Gelet op het arrest nr. 147.123 van 30 juni 2005 waarbij de debatten worden heropend en de zaak volgens de gewone procedure wordt voortgezet en waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek van de verzoekende partij tot voortzetting van de procedure; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur D. Mareen; XII-4395-1\8 Gelet op de beschikking van 20 december 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 22 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 juni 2006; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. Judo, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat S. Butenaerts, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; De gegevens van de zaak
  3. Overwegende dat verzoeker tijdens het academiejaar 2003-2004 ingeschreven is als student in het derde jaar audiovisuele technieken/assistent podiumtechnieken van het departement Rits van de Erasmushogeschool; dat de examencommissie van het desbetreffende jaar op 23 december 2004 een eerder hem betreffende beslissing intrekt en de examenresultaten van verzoeker opnieuw in overweging neemt, om finaal te besluiten dat hij -andermaal- wordt afgewezen; dat die afwijzing de thans bestreden beslissing vormt; De gegrondheid van het beroep
  4. Overwegende dat verzoeker een eerste onderdeel van zijn enig middel put uit de schending van de materiële motiveringsplicht, “doordat de motivering van de bestreden beslissing haaks staat op de vaststellingen die de stageverantwoordelijke van de receptieve stage op het moment zelf heeft gedaan, [t]erwijl een motivering intern coherent dient te zijn, en niet in tegenspraak mag zijn met andere stukken van het dossier, behoudens wanneer hiervoor een sluitende en expliciete verklaring kan worden gegeven”; dat hij toelicht dat de examencommissie XII-4395-2\8 voor het vak V113 op 23 december 2004 -overigens voor het eerst- een motivering heeft geformuleerd voor de quotering 7/20; dat volgens verzoeker die motivering vergeleken moet worden met het beoordelingsformulier van de stageverantwoordelij- ke, wat hijzelf doet als volgt : “- in de bestreden beslissing wordt verzoekende partij verweten ‘dat de stage zich in hoofdzaak beperkte tot een kijkstage’. Deze stelling vindt echter niet de minste steun in het beoordelingsformulier van de stageverantwoor- delijke, die ten aanzien van de inzet van verzoekende partij uitdrukkelijk vermeldde ‘wil en kan’ en het heeft over een ‘positieve indruk’ van de vaktechnische kennis van verzoekende partij. Het is verzoekende partij dan ook een raadsel waar de leden van de examencommissie, die niet ter plaatse zijn geweest hun ‘indruk’ vandaan halen; - vervolgens wordt verzoekende partij verweten ‘weinig of geen weekversla- gen’ te hebben ingeleverd. Nog afgezien van de vraag of het nu gaat over het volledige ontbreken van weekverslagen of over een beperkt aantal weekverslagen (en in dat geval : hoeveel ?), moet worden opgemerkt dat de website van het departement RITS van verwerende partij geen gewag maakt van wekelijkse, maar wel degelijk van maandelijkse verslagen. Het is dan ook niet ernstig om aan verzoekende partij te verwijten dat hij niet meer deed dan van hem gevraagd werd, des te meer nu (onder meer op grond van artikel 4 van het examenreglement van verwerende partij) het een verplichting van verwerende partij is om duidelijke en coherente informatie te geven over de verwachtingen die ten aanzien van haar studenten bestaan; - verwerende partij heeft verregaande kritiek op het stageverslag van verzoekende partij, dat in het beoordelingsformulier echter zonder meer als ‘opmerkelijk’ werd omschreven; - een en ander wordt volkomen onbegrijpelijk wanneer verwerende partij aan verzoekende partij verwijt onvoldoende diepgang te hebben gegeven aan zijn verslaggeving, en zich te beperken tot beschrijving van algemeen- heden, maar dit in dermate algemene termen doet, dat geen zinvol verweer mogelijk is”; dat volgens verzoeker niet valt in te zien hoe de examencommissie ertoe kan komen de conclusies van de stageverantwoordelijke volkomen terzijde te schuiven, zonder te verwijzen naar concrete en samenhangende gegevens die deze vaststelling kunnen verantwoorden; Overwegende dat verwerende partij in de memorie van antwoord over dit middelonderdeel repliceert dat met betrekking tot de stages in beginsel een tweede examenperiode uitgesloten is doch dat er uitzonderlijk een werd toegestaan, enkel voor wat betreft de herwerking van het stageverslag, dat bijgevolg de bestreden beslissing enkel het door verzoeker herwerkte stageverslag kon en mocht beoordelen, dat de stage zelf door de examencommissie reeds beoordeeld was in het kader van de eerste examenperiode en bijgevolg definitief was, dat de argumentatie van verzoeker dan ook geheel naast de kwestie is omdat hij nalaat enig argument naar XII-4395-3\8 voor te brengen waaruit zou blijken dat het stageverslag wel deugdelijk was en de beoordeling bijgevolg op onzorgvuldige wijze tot stand gekomen; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord dupliceert dat de zienswijze van verwerende partij ingaat tegen de stukken van het dossier en ook juridisch fout is, nu de examencommissie in de tweede examenperiode een globaal oordeel moet kunnen uitspreken over al dan niet slagen en die beslissing dan volkomen autonoom is ten aanzien van de beslissing in de eerste examenperiode; dat hij herhaalt dat te enen male onduidelijk blijft op welke wijze de beoordeling is tot stand gekomen; Overwegende dat partijen geen gebruik maken van de mogelijkheid in een laatste memorie hun zienswijze nog nader te preciseren;
  5. Overwegende dat partijen niet betwisten dat de bestreden beslissing om verzoeker niet geslaagd te verklaren in wezen steunt op de onvoldoende voor het opleidingsonderdeel “vak 113” dat 18 studiepunten van de zestig uitmaakt; dat verzoeker voor dit vak oorspronkelijk 6/20 kreeg en, nadat hem de toestemming was gegeven om het stageverslag te herschrijven, 7/20; dat evenmin wordt betwist dat een beslissing over het al dan niet slagen van verzoeker voor het “vak 113”, een “stage receptief”, niet van aard is om louter in het gegeven cijfer zijn motivering te vinden maar een meer precies onder woorden gebrachte redengeving behoeft; dat het middelonderdeel in wezen aanvoert dat die motivering niet deugdelijk is;
  6. Overwegende dat de examencommissie zijn quotering van het vak 113 in de bestreden beslissing als volgt heeft verantwoord : “Uit het eindverslag blijkt dat de stage in Flagey in totaal slechts een vijftiental dagen duurde. De jury had hierbij de indruk dat de stage zich in hoofdzaak beperkte tot een kijkstage. De student gaf geen feedback aan de school gedurende de stage, stuurde weinig of geen weekverslagen, was te laat en slordig bij het afhandelen van de contracten en liet regelmatig verstek gaan bij de terugkomdagen. De verslaggeving (die uitzonderlijk voor deze tweede zittijd kon worden opnieuw gedaan door een beslissing van de examenjury in de eerste zittijd) was weliswaar formeel iets beter, het verslag bleef echter erg mager en zonder persoonlijke inbreng en de nodige diepgang. De technische aspecten van het verslag blijven beperkt tot de beschrijving van algemeenheden, waaruit geen inzicht in de concrete problemen of toepassingen blijkt”; XII-4395-4\8 Overwegende dat verzoeker die motivering in tegenspraak acht met het verslag van zijn stageverantwoordelijke, die over verzoeker onder meer rapporteerde met volgende algemene beoordeling : “-een opmerkelijk stageverslag - goede inschatting van de situatie - geen gemakkelijke stageplaats! - inzet en intelligentie zijn er beetje meer enthousiasme, komt allemaal goed!”; Overwegende dat verzoeker ook wijst op tegenspraak tussen de referentie aan weekverslagen -weinig of geen?- en de op de website gestelde vereiste van maandverslagen en verwerende partij aanwrijft haar kritiek op zijn stageverslag in dermate algemene termen te formuleren, dat geen zinvol verweer mogelijk is;
  7. Overwegende dat verzoeker wordt bijgevallen, althans in beginsel, dat een examencommissie niet gebonden is door een eerdere beslissing tijdens een vroegere examenperiode en volkomen autonoom oordeelt over het slagen van een student op basis van de beschikbare gegevens; Overwegende dat het niet uitgesloten is dat in welbepaalde gevallen een toegekende uitslag onwrikbaar wordt voor de volgende examenperiode; dat, zo verwerende partij dit heeft bedoeld met haar betoog, zulk voorschrift uitdrukkelijk voorhanden moet zijn in een examenreglement; dat verwerende partij evenwel nalaat het toepasselijke examenreglement in het administratief dossier neer te leggen, zelfs nadat haar in het schorsingsarrest al op dit feilen is gewezen; dat de Raad met die mogelijkheid dan ook geen rekening houdt;
  8. Overwegende dat verzoeker volgens de Raad een wat rooskleurig beeld heeft van het rapport van zijn stageverantwoordelijke; dat een “opmerkelijk” stageverslag niet hetzelfde is als een “goed” stageverslag; dat het stageverslag door de verantwoordelijke ook niet “zonder meer als ‘opmerkelijk’ werd omschreven”, zoals verzoeker het wil geloven; dat, eensdeels, de algemene beoordeling niet besluit met “goed”, maar met “komt allemaal goed”, wat er ook op kan wijzen dat het allemaal nog niet goed was, maar nog goed moest komen; dat, anderdeels, in de aan die algemene conclusie voorafgaande rubrieken over de stage van verzoeker positieve vermeldingen staan, maar er evenzeer in te lezen is, onder meer, dat zijn vaktechnische kennis “moeilijk in te schatten” is, dat insgelijks zijn artistieke aanleg “moeilijk in te schatten” is en dat de inzet “kon af en toe beter”; dat er bijgevolg niet XII-4395-5\8 evident een tegenspraak is tussen dit rapport en de beslissing van de examencommissie; Overwegende dat de examencommissie harerzijds dan weer vaststelt, onder meer, dat uit verzoekers eindverslag blijkt “dat de stage zich in hoofdzaak beperkte tot een kijkstage” en dat het herschreven verslag slechts “formeel iets beter” was geworden maar “erg mager en zonder persoonlijke inbreng en de nodige diepgang” bleef en beperkt bleef tot de beschrijving van algemeenheden “waaruit geen inzicht in de concrete problemen of toepassingen blijkt”; Overwegende dat verzoeker aldus summier, maar dan toch in méér dan vaagheden of algemeenheden werd te kennen gegeven waarin zijn eindverslag te kort schiet; dat verzoeker in het inleidend verzoekschrift op geen enkele wijze op die kritiek ingaat, laat staan dat hij die tekortkomingen poogt tegen te spreken aan de hand van concrete, op zijn eindverslag gebaseerde argumenten, bij voorbeeld door te wijzen op hetgeen in het eindverslag tegenspreekt dat zijn stage tot een kijkstage was beperkt, op hetgeen in dat verslag als zijn persoonlijke inbreng moet worden aangemerkt of op hetgeen zijn inzicht in de concrete problemen of toepassingen vermag aan te tonen; dat hij aldus voor de Raad van State er niet in slaagt met minimaal vereiste geloofwaardigheid de motivering aan het wankelen te brengen; dat het middelonderdeel ongegrond is; Overwegende dat verzoeker in een tweede middelonderdeel het zorgvuldigheidsbeginsel en de hoorplicht geschonden noemt, doordat in de gegeven omstandigheden het niet van behoorlijk bestuur getuigde, rekening houdende met de specifieke omstandigheden waarin hij zich bevond, hem niet de kans te geven zijn standpunt te kennen te geven, terwijl een normaal zorgvuldige overheid in twijfelgevallen er minstens op toeziet dat zij in voldoende mate op de hoogte is van het standpunt van alle betrokkenen; dat hij toelicht dat hij ten tijde van de stage te kampen had met een aantal ernstige familiale moeilijkheden zoals de scheiding van zijn ouders, ernstige ziekte van zijn moeder en overlijden van zijn grootvader, dat de verwerende partij hiervan perfect op de hoogte was en dat in die omstandigheden iemand als “niet rijp” en “te weinig assertief en onvoldoende gemotiveerd” omschrijven geen toonbeeld is van evenwichtige oordeelsvorming; dat zulks voor verzoeker des te meer klemt, nu verwerende partij zelfs niet de moeite heeft gedaan met hem een gesprek te hebben, wat volgens hem van een “normaal voorzichtige examencommissie” verwacht mocht worden; XII-4395-6\8 Overwegende dat geen aan de Raad bekende regel of voorschrift aan de examencommissie uitdrukkelijk oplegt om verzoeker in persoon te horen alvorens haar beslissing over zijn slagen te nemen; dat de Raad voorts bedenkt dat niets verzoeker kon beletten om alle moeilijkheden die hij tijdens de stage had ondervonden -ook op familiaal vlak voor zover die volgens hem op het verloop van die stage een weerslag hadden- ter schrift te stellen in het document dat zich daartoe bij uitstek leende, te weten zijn stageverslag; dat hij dit stageverslag voorts heeft mogen herschrijven in de tweede examenperiode, en hij dus ten tweede male de gelegenheid had om aan de examencommissie alle nuttige gegevens ter appreciatie te onderwerpen; dat daarenboven verzoeker dit middelonderdeel onbesproken laat in de memorie van wederantwoord; dat hij aldus niet meer verwerende partij tegenspreekt die in de memorie van antwoord stelt dat zij wel degelijk gesprekken heeft gehad met verzoeker over zijn bijzondere familiale omstandigheden, zelfs in het bijzijn van zijn moeder; dat ook het tweede middelonderdeel niet wordt aangenomen, BESLUIT: Artikel
  9. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  10. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van verzoeker. XII-4395-7\8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven juli 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4395-8\8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.082 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.123 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.