id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 juli 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.084 Rolnummer: A. 157803/XII-4310 Zaak: Arrest 161084 - - 07/07/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-07-20 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-07-01 00:18 Fiche Arrest nr 161.084 van 7 juli 2006 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 161.084 van 7 juli 2006 in de zaak A. 157.803/XII-
- In zake :
- de VZW VLAAMS KOMITEE BRUSSEL, die woonplaats kiest bij advocaat I. Rogiers, kantoor houdende te Kalken, Kalkendorp 17 A
- de VZW VLAAMSE VOLKSBEWEGING,
- de VZW BRUSSELNL, die woonplaats kiezen bij advocaat F. Vandendriessche, kantoor houdende te 1060 Brussel, H. Wafelaertsstraat 47-51
- de VZW VERBOND VAN HET VLAAMS OVERHEIDS- PERSONEEL, die woonplaats kiest bij advocaat J. Huygh, kantoor houdende te 1050 Brussel, Paul Lauterstraat
- tegen :
- het BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST,
- de GEMEENSCHAPPELIJKE GEMEENSCHAPS- COMMISSIE, die woonplaats kiezen bij advocaat M. Uyttendaele, kantoor houdende te 1060 Brussel, Bronstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de VZW Vlaams Komitee Brussel, de VZW Vlaamse Volksbeweging, de VZW BrusselNL en de VZW Verbond van het Vlaams Overheidspersoneel op 24 november 2004 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de brief van 14 oktober 2004 van de Brusselse hoofdstedelijke regering en van de twee brieven van 29 oktober 2004 van de leden van het Verenigd college bevoegd voor het beleid inzake bijstand aan personen, aangaande de “Gevolgen van de schorsing door het arrest van de Raad van State van 8 april 2003 van de tenuitvoerlegging van de omzendbrieven (dd. 18 juli 2002 en 19 juli 2002) betreffende het taalhoffelijkheidsakkoord - verplichting om de bepalingen van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van talen in bestuurszaken na te leven”; XII-4310-1/6 Gelet op het arrest nr. 143.469 van 21 april 2005 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden besluiten wordt bevolen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van 22 mei 2005 ingediend door de verwerende partijen; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur H. Colin; Gelet op de beschikking van 20 december 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 28 maart 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 mei 2006; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van avocaat S. Sroka, die loco advocaat I. Rogiers, F. Vandendriessche en J. Huygh verschijnt voor verzoeksters, en van advocaat E. Jacubowitz, die verschijnt voor de verwerende partijen; Gehoord het andersluidend advies van auditeur H. Colin; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat op 14 en 27 november 1996 in de schoot van de Brusselse hoofdstedelijke regering een zogenaamd taalhoffelijkheidsakkoord wordt gesloten; dat eind 1997 de Brusselse hoofdstedelijke regering en het Verenigd college van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie daarover een omzendbrief sturen aan de Brusselse gemeenten, respectievelijk de Brusselse OCMW’s en openbare ziekenhuizen, meer bepaald om hen op de hoogte te brengen van het standpunt dat de regering, respectievelijk het college, in het kader van de XII-4310-2/6 bevoegdheid als toezichthoudende overheid heeft ingenomen met betrekking tot de aanwerving van contractuelen in de plaatselijke besturen; dat onder meer wordt uiteengezet in welke gevallen contractueel personeel kan worden aangeworven zonder taalexamen; dat de Brusselse hoofdstedelijke regering op 31 augustus 2000 besluit het taalhoffelijkheidsakkoord voor twee jaar te verlengen; Overwegende dat op 18 en 19 juli 2002 de leden van het Verenigd college bevoegd voor bijstand aan personen, respectievelijk de voorzitter van de Brusselse hoofdstedelijke regering, in een “Circulaire betreffende het taalhoffelijkheidsakkoord” “de nieuwe bepalingen betreffende de toepassing van het taalhoffelijkheidsakkoord” uitleggen; dat blijkens die nieuwe bepalingen de Brusselse OCMW’s en gemeenten vanaf 1 september 2002 aanwervingscontracten voor twee jaar kunnen sluiten met sollicitanten die niet voldoen aan de taalkennisvereisten waarin de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken voorzien, en de contracten onder voorwaarden kunnen verlengen ofschoon de ambtenaren nog altijd niet geslaagd zijn voor de betrokken taalexamens; dat de omzendbrieven tevens aangeven onder welke voorwaarden de toezichthoudende overheden ter zake geen gebruik zullen maken van hun vernietigingsbevoegdheid; dat de Raad van State een en ander, in zijn arrest nr. 118.134 van 8 april 2003, op het eerste gezicht in strijd bevindt met artikel 21, §§ 2, 4, 5 en 6, en artikel 58, eerste en tweede lid, van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken; dat de omzendbrieven op 8 april 2003 voorlopig en op 27 mei 2004, bij arrest nr. 131.811, definitief in hun tenuitvoerlegging worden geschorst; Overwegende dat, ten gevolge van de schorsing, de voorzitter van de Brusselse hoofdstedelijke regering zich tot de colleges van burgemeester en schepenen in het Brussels Hoofdstedelijke Gewest richt met een brief van 14 oktober 2004, die betreft: “Gevolgen van de schorsing door het arrest van 8 april 2003 van de tenuitvoerlegging van de omzendbrieven (dd. 18 juli 2002 en 19 juli 2002) betreffende het taalhoffelijkheidsakkoord - verplichting om de bepalingen van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van talen in bestuurszaken na te leven”; dat de leden van het Verenigd college bevoegd voor het beleid inzake bijstand aan personen op 29 oktober 2004 met betrekking tot hetzelfde onderwerp een vergelijkbare brief richten tot de voorzitters en secretarissen van de OCMW’s in het Brussels Hoofdstedelijke Gewest, evenals tot de voorzitter van IRIS, de afgevaardigd bestuurder van IRIS en de leidende ambtenaren van de ziekenhuizen van de IRIS-structuur; XII-4310-3/6 Overwegende dat de verwerende partijen na de schorsing van de tenuitvoerlegging van de omzendbrieven van 18 en 19 juli 2002 betreffende het taalhoffelijkheidsakkoord, bij arresten nrs. 118.134 en 131.811, uit verschillende mogelijkheden konden kiezen; dat zij, daartoe aangezet door de schorsingsarresten, de geschorste omzendbrieven na heroverweging konden intrekken, minstens opheffen, en eventueel vervangen door nieuwe; dat zij er ook mee konden volstaan zich zonder meer bij de schorsing neer te leggen en zich in afwachting van een uitspraak ten gronde van elk verder initiatief ter zake te onthouden; dat een derde mogelijkheid tussen de twee vorige in staat; dat zij inhoudt dat de verwerende partijen ervoor kiezen de geschorste omzendbrieven niet ongedaan te maken én desondanks in een nieuwe regeling te voorzien, zij het wel een essentieel voorlopige regeling, specifiek met het oog op de overbrugging van de periode tot aan de uitspraak ten gronde; Overwegende dat het kennelijk dat laatste is wat de verwerende partijen hebben gedaan; dat het reeds blijkt uit de hiervoor weergegeven omschrijving van het onderwerp bovenaan de bestreden brieven; dat ook de memorie van antwoord zeer expliciet en duidelijk is: “In reactie op voormelde arresten [nrs. 118.134 en 131.811], en teneinde elke rechtsonzekerheid bij de betrokken lokale overheden te vermijden in afwachting van het arrest ten gronde, hebben de verwerende partijen drie nieuwe omzendbrieven genomen om de draagwijdte van deze arresten bij voormelde overheden duidelijk te maken”; Overwegende dat wat dan het lot en de gevolgen van dergelijke precaire brieven zijn, afhangt van de uitkomst ten gronde; Overwegende dat te dezen de Raad van State de omzendbrieven van 18 en 19 juli 2002 bij arrest nr. 156.436 van 16 maart 2006 vernietigd heeft; dat het in rechte bijgevolg zo is dat gehandeld moet worden alsof ze nooit zijn uitgevaardigd; dat er dan ook, evident, geen juridische ruimte voor is om aan te nemen dat de omzendbrieven van 18 en 19 juli 2002, die immers geacht moeten worden nooit te hebben bestaan, niettemin een tijdlang geschorst zijn geweest - in welke tussentijd de brieven van 14 en 29 oktober 2004, voorwerp van het onderhavige beroep, hebben gegolden; dat met andere woorden de annulatie van de omzendbrieven van 18 en 19 juli 2002 meebrengt dat de juridische effecten van hun schorsing, bij de arresten nrs. 118.134 en 131.811, worden opgeslorpt en dat onvermijdelijk tevens de provisorische maatregelen die slechts aan de schorsing hun XII-4310-4/6 bestaansreden ontlenen, verdwijnen; dat van het verval van de bestreden brieven niets afdoet, de opwerping ter terechtzitting van de raadsman van verwerende partijen, dat “alles eigenlijk kan worden doorgetrokken” en dat de brieven ook nog na het arrest van 16 maart 2006 belang vertonen en van toepassing zijn; dat die zienswijze niet opweegt tegen de bewoordingen van de brieven en de bedoeling die de auteurs er klaarblijkelijk mee voor ogen stond; Overwegende dat, ofschoon moet worden vastgesteld dat het voorliggend beroep strikt genomen zonder voorwerp is, het niettemin past de aangevochten brieven van 14 en 29 oktober 2004 te vernietigen voor de rechtszekerheid en meer bepaald met het oog op de duidelijkheid in het rechtsverkeer; dat, louter volledigheidshalve, het voor deze conclusie volstrekt irrelevant is of het artikel 21 van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken al dan niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt; dat dan ook het antwoord op de prejudiciële vragen die verwerende partijen ter zake aan het Arbitragehof gesteld willen zien worden niet dienstig kan zijn, en de vragen niet worden gesteld, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd worden de brief van 14 oktober 2004 van de Brusselse hoofdstedelijke regering en de twee brieven van 29 oktober 2004 van de leden van het Verenigd college van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie bevoegd voor het beleid inzake bijstand aan personen, aangaande de “Gevolgen van de schorsing door het arrest van de Raad van State van 8 april 2003 van de tenuitvoerlegging van de omzendbrieven (dd. 18 juli 2002 en 19 juli 2002) betreffende het taalhoffelijkheidsakkoord - verplichting om de bepalingen van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van talen in bestuurszaken na te leven”. XII-4310-5/6 Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 1400 euro, komen ten laste van de verwerende partijen, elk voor de helft. Artikel
- Dit arrest wordt bekendgemaakt als de vernietigde omzendbrieven. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven juli 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4310-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.084 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.469 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.