id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 juli 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.097 Rolnummer: A. 118130/XIV-9065 Zaak: Arrest 161097 - - 07/07/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-07-28 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-01 00:19 Fiche Arrest nr 161.097 van 7 juli 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 161.097 van 7 juli 2006 in de zaak A. 118.130/XIV-
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat J. VAN KELST, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Dendermondestraat 11 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Russische nationaliteit, op 14 maart 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 12 februari 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 6 oktober 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 27 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 december 2005; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat C. GRYSOLLE, die loco advocaat J. VAN KELST verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché XIV-9065-1/6 B. DIERICKX, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 24 februari 2000 en zich op 25 februari 2000 vluchteling verklaart; dat op 6 oktober 2000 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 12 februari 2002 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “U, een Russisch staatsburger van Russische origine, verklaarde dat uw problemen begonnen zijn toen uw broer, (ov: 4.934.065), en twee anderen in juni 1998 een benzinestation openden. De stichters van het benzinestation werden benaderd door personen die beschermgeld vroegen. Deze personen, die voor een concurrerend benzinestation werkten, begonnen steeds meer beschermgeld te vragen met als doel al het geld van uw broer en zijn compagnons van het benzinestation af te nemen. De eigenaar van het concurrerend benzinestation zou de neef zijn van een hooggeplaatst persoon uit het plaatselijke bestuur. In april 1999 werd reeds een klacht ingediend tegen de afpersing. Om uw broer onder druk te zetten, werd hij in juni of juli 1999 door deze personen in uw bijzijn geslagen tot hij bewusteloos was. Er werd klacht ingediend bij de OBOP, die voorstelde deze mensen op heterdaad te betrappen. De afpersers werden op heterdaad betrapt en opgesloten. Kort nadien werden ze echter vrijgelaten, vermoedelijk omdat iemand ze vrijgekocht had. Ook in augustus 1999 werden de stichters bedreigd en de directeur van het benzinestation zou in uw bijzijn ook zijn geslagen. Omdat hij messteken had werd er automatisch een strafonderzoek opgestart toen hij in het ziekenhuis werd opgenomen. Op 1 oktober 1999 overleed hij aan zijn verwondingen. In dit onderzoek bent u enkele keren geconvoceerd als getuige, waarna u bedreigd werd door één van de personen van de bende die uw broer en de directeur afperste, omdat hij geen problemen wenste door toedoen van uw getuigenis. U diende echter geen klacht in tegen de bedreigingen. Op 10 december 1999 werd het onderzoek naar het overlijden van de directeur gesloten. Twee dagen later werd u opnieuw bedreigd, vermoedelijk omdat u ook wist dat de man die u reeds eerder bedreigd had, zich ook met drugs bezighield. Sinds die dag verbleef u niet meer thuis, maar in uw buitenverblijf of bij vrienden. In januari 2000 werd de derde compagnon aangereden, maar hij bleef in leven. In februari 2000 besloot u met uw broer Yevgeniy en uw minderjarige zoon Maksim Rusland te verlaten en naar België te komen, waar u op 25 februari 2000 asiel aanvroeg. U bent in het bezit van een intern paspoort, een geboorteakte van uw zoon, een invaliditeitskaart van uw zoon en een pensioenboekje. Uit uw verklaringen blijkt dat uw problemen niet beantwoorden aan één van de criteria van de Vluchtelingenconventie, namelijk vervolging omwille van ras, nationaliteit, godsdienst, het behoren tot een sociale groep of politieke overtuiging. U werd immers bedreigd door criminelen die uw broer en zijn vennoten van het benzinestation afpersten om financiële redenen. Het gegeven dat er een hooggeplaatste persoon uit het lokale bestuur verwant zou zijn met de criminelen doet niets af van het vreemde karakter van uw problemen. Uit niets blijkt bovendien dat u geen bescherming vanwege de autoriteiten zoals omschreven in de Vluchtelingenconventie zou kunnen krijgen. Zo bleek uit uw verklaringen dat de autoriteiten wel degelijk inspanningen leverden om bescherming te bieden. Zo werd een actie opgezet waarbij twee afpersers op heterdaad werden betrapt en werd er een onderzoek gehouden naar de aanslag op uw directeur waarbij u verschillende keren opgeroepen werd om verklaringen af te leggen. Toen u bedreigingen begon te ontvangen, hebt u echter nagelaten klacht in te dienen. Bovendien blijken er een aantal tegenstrijdigheden uit uw verklaringen op de Dienst Vreemdelingenzaken en op het Commissariaat-generaal die de geloofwaardigheid van uw XIV-9065-2/6 asielrelaas ernstig aantasten. Zo verklaarde u op het Commissariaat-generaal dat u enkel de naam van de hooggeplaatse persoon kent, namelijk Ponomarov, maar niet zijn functie (zie CGVS p.6), terwijl u op de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde dat het de gouverneur was en dat die Baschupkin heette. Voorts verklaarde u op de Dienst Vreemdelingenzaken dat het voorval waarbij uw broer in uw bijzijn geslagen werd, plaats had nadat er twee maffialeden opgepakt waren, terwijl u op het Commissariaat-generaal zei dat ze opgepakt werden ten gevolge van de klacht die u indiende nadat uw broer in uw bijzijn werd geslagen (zie CGVS p.6-7). Op de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde u ook dat de twee compagnons van uw broer, waaronder Vlad (uw directeur), zonder dat u het wist op hetzelfde ogenblik werden aangevallen als dat u en uw broer werden aangevallen, waarna Vlad enkele dagen later overleed.Op het Commissariaatgeneraal zei u echter dat u met uw broer in juni of juli 1999 werd aangevallen en dat Vlad in augustus 1999 werd aangevallen, terwijl u er ook bij was, en dat hij pas in oktober 1999 overleed (zie CGVS p.4-5). Gelet op het voorgaande kan in uw hoofde geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juli 1951, worden vastgesteld. De door u in het kader van uw asielprocedure neergelegde documenten (een intern paspoort, een geboorteakte van uw zoon, een invaliditeitskaart van uw zoon en een pensioenboekje) wijzigen hetgeen hiervoor gezegd niet, aangezien ze enkel uw identiteit en die van uw zoon aantonen.”; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending van artikel 52, § 2, 2/, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) opwerpt; dat de verzoekende partij aanvoert dat zij slechts pro forma klacht heeft kunnen indienen waaraan echter geen gevolg werd gegeven omdat de vervolgingen uitgingen van de neef van de gouverneur van Omsk, dat de verzoekende partij met klachten enkel bij de lokale politie terechtkon die echter volledig onder invloed van de lokale administratie stond, dat de verzoekende partij zich niet op hiërarchisch hogere politie- of gerechtelijke overheden kon beroepen, dat er geen intern vluchtalternatief was omdat haar belagers haar zouden blijven volgen, dat de commissaris-generaal derhalve niet kon besluiten dat de asielaanvraag van de verzoekende partij geen verband met de criteria van de internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie) houdt, dat de verzoekende partij steeds heeft verklaard dat zij door Panamarjov, de neef van de gouverneur, werd vervolgd, dat haar relaas op de dienst Vreemdelingenzaken blijkbaar verkeerd werd vertaald, dat bezwaarlijk kan worden aangenomen dat de verzoekende partij de verjaardag van haar broer niet zou kennen, dat de tegenstrijdigheden door een foutieve vertaling op de dienst Vreemdelingenzaken en niet door de bedrieglijkheid van de verklaringen van de verzoekende partij moeten zijn veroorzaakt, dat de verzoekende partij zich blijkbaar heeft vergist in de chronologie van de feiten, dat zo een kleine vergissing voor feiten uit 1998 normaal is en dat dus noch tot de afwezigheid van criteria die verband houden met de Vluchtelingenconventie noch tot de bedrieglijkheid van de asielaanvraag kon worden besloten; 2.1.
- Overwegende dat de bestreden beslissing onder meer is gesteund op het verder uitgewerkte motief dat de aangehaalde problemen niet beantwoorden aan één van de criteria van de Vluchtelingenconventie; dat dit een determinerend motief vormt in de zin dat het de bestreden beslissing kan dragen; dat de verzoekende partij tegen dat determinerend motief slechts een algemene herhaling van haar asielrelaas aanbrengt en stelt XIV-9065-3/6 dat zij wel werd vervolgd; dat het niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; dat de verzoekende partij met enkel het herhalen van haar standpunt niet aannemelijk maakt dat het voornoemd determinerend motief op onjuiste feitelijke gegevens is gesteund, kennelijk onredelijk is of in strijd is met de ruime appreciatiebevoegdheid waarover de commissaris- generaal krachtens de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet beschikt; dat het eerste middel in die mate ongegrond is; Overwegende dat de verzoekende partij zich verder richt tegen de vaststelling van enkele tegenstrijdigheden tussen haar opeenvolgende verklaringen; dat, rekening houdend met het hierboven besproken determinerend motief, de verzoekende partij zich daarbij richt tegen een overtollig motief, zodat de eventuele gegrondheid van het middel op dat vlak niet kan leiden tot de onwettigheid van de bestreden beslissing; dat het eerste middel in die mate niet-ontvankelijk is; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending van de artikelen 57/6 en 62 van de Vreemdelingenwet en van artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen opwerpt; dat zij aanvoert dat de bestreden beslissing een aantal tegenstrijdigheden vermeldt die de geloofwaardigheid van het asielrelaas ernstig zouden ondermijnen, dat het zich sporadisch vergissen in de chronologie van feiten die zich vanaf 1998 herhaaldelijk hebben voorgedaan echter normaal is, dat de vertaling op de dienst Vreemdelingenzaken niet nauwkeurig en getrouw was, hetgeen de verzoekende partij reeds bij het interview op het commissariaat-generaal heeft opgeworpen, dat in de bestreden beslissing echter volledig wordt voorbijgegaan aan de positieve en bewezen elementen, dat de verzoekende partij niet kan begrijpen waarom haar asielaanvraag als vreemd aan het asiel en, ondergeschikt, als bedrieglijk wordt beschouwd en dat derhalve de motiveringsplicht is geschonden; 2.2.
- Overwegende dat artikel 62 van de Vreemdelingenwet en de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen vereisen dat de rechtsonderhorige in de hem aanbelangende beslissing kan lezen op welke gronden die beslissing is gesteund, zodat hij met kennis van zaken kan oordelen of het zinvol is gebruik te maken van de rechtsmiddelen waarover hij in rechte beschikt; dat die gronden op eenvoudige wijze in de bestreden beslissing kunnen worden gelezen en er nader in zijn uitgewerkt, met name dat de door de verzoekende partij aangehaalde feiten niet beantwoorden aan de criteria van de Vluchtelingenconventie en dat het asielrelaas een aantal tegenstrijdigheden bevat; dat uit de lezing van de twee middelen blijkt dat de XIV-9065-4/6 verzoekende partij die motieven kent en ze inhoudelijk aanvecht; dat derhalve aan de voornaamste vereiste van de formele motiveringsplicht is voldaan en dat het tweede middel in die mate ongegrond is; Overwegende, in de mate dat de verzoekende partij de motivering van de bestreden beslissing ook inhoudelijk aanvecht, dat zij in wezen haar kritiek uit het eerste middel herhaalt zodat naar de bespreking van dat middel kan worden verwezen; Overwegende dat artikel 57/6 van de Vreemdelingenwet betrekking heeft op de beslissingen tot weigering van de erkenning, tot bevestiging van de hoedanigheid van vluchteling of tot de intrekking van die hoedanigheid en derhalve op de gegrondheidsfase van de asielaanvraag; dat met de bestreden beslissing echter in de ontvankelijkheidsfase een beslissing tot weigering van verblijf is genomen op basis van de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet; dat de schending van artikel 57/6 van die wet derhalve niet op ontvankelijke wijze kan worden opgeworpen;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven juli tweeduizend en zes, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, XIV-9065-5/6 staatsraad, Ch. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, Ch. VERHAERT. C. ADAMS. XIV-9065-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.097 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.