id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 juli 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.098 Rolnummer: A. 132703/XIV-13736 Zaak: Arrest 161098 - - 07/07/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-07-28 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-01 00:19 Fiche Arrest nr 161.098 van 7 juli 2006 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 161.098 van 7 juli 2006 in de zaak A. 132.703/XIV-13.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat B. VRIJENS, kantoor houdende te 9000 GENT Kortrijksesteenweg 551 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Bulgaarse nationaliteit, op 16 januari 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 26 november 2001 houdende weigering van regularisatie, van het bevel om het grondgebied te verlaten van 14 december 2001 en van het attest van afneming van 21 december 2002; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 12 januari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 maart 2006; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HAEGEMAN, die loco advocaat B. VRIJENS verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat XIV-13.736-1/4 S. DE VRIEZE die loco advocaat E. MATTERNE, verschijnt voor de minister van Binnenlandse Zaken; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij op 28 januari 2000 een regularisatieaanvraag indient op grond van artikel 2, 3 en 2, 4/, van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet); dat op 26 juni 2001 de commissie voor Regularisatie een gunstig advies geeft voor die aanvraag tot regularisatie; dat op 26 november 2001 de minister van Binnenlandse Zaken beslist de aanvraag te verwerpen; dat dit de eerste bestreden beslissing is; Overwegende dat op 14 december 2001 de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken aan de stad Gent de opdracht geeft om de verzoekende partij een bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister af te leveren, ondanks de voornoemde weigeringsbeslissing van de regularisatie-aanvraag; dat op 3 januari 2002 de verzoekende partij wordt ingeschreven in het vreemdelingenregister; dat op 21 december 2002 de dienst Vreemdelingenzaken aan de burgemeester van de stad Gent vraagt het aan de verzoekende partij uitgereikte bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister in te trekken door middel van een attest van afneming en haar een bevel om het grondgebied te verlaten te geven; dat dit de tweede bestreden beslissing is die als volgt luidt: “(...) Reden van afneming Bij beslissing van 26 november 2001 heeft de minister van Binnenlandse Zaken de regularisatie-aanvraag van betrokkene afgewezen. Toch werden op 14 december 2001 instructies verstuurd door de dienst Vreemdelingenzaken tot afgifte van een BIVR. Deze rechtshandeling dient beschouwd te worden als manifest onregelmatig. Immers, een ambtenaar van de dienst Vreemdelingenzaken is niet bevoegd om af te wijken van een beslissing van de minister, die op basis van de wet van 22 december 1999 in casu exclusief bevoegd is. Bijgevolg dient het BIVR te worden afgenomen, aangezien de afgifte ervan volledig berust op een administratieve vergissing. (...).”; Overwegende dat op 21 december 2002 aan de verzoekende partij een bevel om het grondgebied te verlaten wordt gegeven; dat dit de derde bestreden beslissing is die als volgt luidt: “(...) Reden van beslissing XIV-13.736-2/4 Verblijft langer in het Rijk dan de vastgestelde termijn volgens artikel 6 of kan het bewijs niet leveren dat deze termijn niet overschreden werd (artikel 7, al. 1, 2/ van de wet van 15/12/1980). Motivatie in feite De regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22/12/1999 werd definitief verworpen door een beslissing van de minister op 26/11/
- De asielaanvraag ingediend door betrokkene werd definitief afgesloten. (...).”;
- Overwegende dat de eerste bestreden beslissing, zijnde de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 26 november 2001 houdende weigering van regularisatie, aan de verzoekende partij werd ter kennis gebracht op 11 december 2001; dat de verzoekende partij op 19 december 2001 tegen voornoemde weigeringsbeslissing een beroep tot nietigverklaring en een vordering tot schorsing heeft ingediend bij de Raad van State; dat bij arrest nr. 111.955 van 28 oktober 2002 het beroep werd verworpen; dat het beroep tegen de eerste bestreden beslissing niet-ontvankelijk ratione temporis is; 3.
- Overwegende dat de verzoekende partij in haar enig middel tegen de tweede en derde bestreden beslissing onder meer de schending aanvoert van het rechtszekerheidsbeginsel omdat de bestreden beslissingen in strijd zijn met haar rechtsgeldig verblijf in België; dat zij stelt sinds 3 januari 2002 over een bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister te beschikken en dat de minister van Binnenlandse Zaken daar niet zomaar op kon terugkomen; 3.
- Overwegende dat een administratieve handeling die een recht doet ontstaan enkel kan worden ingetrokken door de administratieve overheid indien zij onregelmatig is en dit slechts gedurende de termijn voorzien voor het instellen van een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State of, wanneer tegen die beslissing een annulatieberoep werd ingediend, tot aan de sluiting der debatten, tenzij een uitdrukkelijke wetsbepaling die intrekking mogelijk maakt, of het gaat om een rechtshandeling die door een zo voor de hand liggende onregelmatigheid is aangetast dat ze voor onbestaande moet worden gehouden of nog wanneer die handeling tot stand is gebracht door bedrieglijke maneuvers, uitgaande van diegene ten voordele van wie de beslissing werd genomen; Overwegende dat niet blijkt dat de verzoekende partij bedrog zou hebben gepleegd met de bedoeling om geregulariseerd te worden; dat de beslissing van 14 december 2001 van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken om het verblijf toe te staan uitging van een bevoegde overheid aangezien overeenkomstig artikel 4 van de Regularisatiewet zowel de minister als zijn gemachtigde oordelen over de aanvragen; dat de verzoekende partij er, gelet op het gunstig advies van de commissie voor Regularisatie, te dezen mocht van uitgaan dat haar inschrijving in het vreemdelingenregister wettig was; XIV-13.736-3/4 Overwegende dat de schending van het rechtszekerheidsbeginsel kan worden aangenomen; dat het enige middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd worden het bevel om het grondgebied te verlaten opgemaakt op 11 maart 2002 en het attest van afneming van het bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister opgemaakt op 11 maart 2002 door de minister van Binnenlandse Zaken, Artikel
- Er bestaat geen aanleiding over de vordering tot schorsing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, uitspraak te doen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven juli tweeduizend en zes, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Ch. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, Ch. VERHAERT. C. ADAMS. XIV-13.736-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.098 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.