← België

Arrest 161223 - - 11/07/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 juli 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.223 Rolnummer: A. 104956/X-10361 Zaak: Arrest 161223 - - 11/07/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-07-17 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-01 00:26 Fiche Arrest nr 161.223 van 11 juli 2006 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 161.223 van 11 juli 2006 in de zaak A. 104.956/X-10.

  1. In zake :
  2. Jaak HUBRECHTS,
  3. Marnix LODENS, die woonplaats kiezen bij Advocaat G. MAESEELE, kantoor houdende te 8550 ZWEVEGEM, Kortrijkstraat 83 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaat V. TOLLENAERE, kantoor houdende te 9000 GENT, Koning Albertlaan
  4. tussenkomende partij : de stad OUDENAARDE, die woonplaats kiest bij Advocaat J. GUNS, kantoor houdende te 1790 AFFLIGEM, Kasteelstraat
  5. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jaak HUBRECHTS en Marnix LODENS op 20 juni 2001 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 18 april 2001 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar van de afdeling Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen Oost-Vlaanderen waarbij aan de stad Oudenaarde de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor "het regulariseren van een bestaande kantine met kleedruimtes en het herinrichten van het plaatselijk voetbalveld; (het) plaatsen (van) tijdelijke containers voor kleedruimtes en kantine; (het) plaatsen van verlichtingsmasten; (het) aanleggen van 26 bijkomende parkeerplaatsen", op percelen gelegen te Oudenaarde, kadastraal bekend 4de afdeling, sectie A, nrs. 98w en 98d; X-10.361-1/7 Gelet op het arrest nr. 95.984 van 30 mei 2001 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 12 juli 2001 ingediend door de stad Oudenaarde; Gelet op de beschikking van 19 juli 2001 die de tussenkomst van de stad Oudenaarde toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de beschikking van 1 juli 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 29 december 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 februari 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat E. PATTYN die loco Advocaat G. MAESEELE verschijnt voor de verzoekende partijen, van Advocaat J. VAN LOMMEL die loco Advocaat V. TOLLENAERE verschijnt voor de verwerende partij en van Advocaat J. GUNS die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; X-10.361-2/7
  6. Overwegende dat de tussenkomende partij een eerste aanvraag heeft ingediend, door haar college van burgemeester en schepenen ontvangen op 28 september 2000, strekkende tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning voor de herinrichting van een voetbalveld en het tijdelijk plaatsen van vijf containers op een terrein gelegen te Oudenaarde (Ename), aan de Hongerije en de Opperije, kadastraal bekend onder 4de afdeling, sectie A, nrs. 98w en 98d; dat de vijf containers, aan te bouwen aan een bestaande kantine, zouden dienst doen als kleedruimtes en als uitbreiding van de kantine; dat in de aanvraag ook sprake is van de aanleg van een parkeerplaats voor ongeveer 26 auto’s; dat een openbaar onderzoek is gehouden waarbij 14 bezwaarschriften zijn ingediend; dat in die bezwaarschriften ook het plaatsen van verlichtingsmasten en het aanbrengen van een ballenvangnet ter sprake zijn gebracht; dat het college van burgemeester en schepenen op 27 november 2000 een gunstig advies heeft uitgebracht; dat het college het dossier betreffende die eerste aanvraag aan de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar heeft overgezonden, en dat deze gemeld heeft dat hij de aanvraag op 13 december 2000 heeft ontvangen; Overwegende dat de tussenkomende partij, lastens welke op 12 januari 1999 een proces-verbaal was opgesteld waarin werd vastgesteld dat de voornoemde kantine was opgericht zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning, een tweede aanvraag heeft ingediend, door haar college van burgemeester en schepenen ontvangen op 3 oktober 2000, strekkende tot het verkrijgen van een regularisatievergunning voor die bestaande houten kantine, gelegen op hetzelfde terrein; dat het college van burgemeester en schepenen op 30 oktober 2000 een gunstig advies heeft gegeven voor een voorstel tot vergelijk; dat de tussenkomende partij bij schrijven van 30 november 2000 aan de stedenbouwkundige inspecteur de "toestemming" heeft gevraagd om voor het bouwmisdrijf een vergelijk met haar te treffen; dat de gewestelijke stedelijke inspecteur op 21 maart 2001 aan de tussenkomende partij een voorstel van vergelijk heeft gedaan, met toepassing van artikel 158 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening; dat in dat voorstel wordt verwezen naar de toestemming die de stedenbouwkundige ambtenaar van en te Oost- Vlaanderen op 1 maart 2001 voor een vergelijk heeft verleend; dat de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur vervolgens op 18 april 2001 een certificaat heeft opgesteld, overeenkomstig het op dat ogenblik vigerende artikel 158, § 2, van het decreet van 18 mei 1999, waarin zij verklaart dat de tussenkomende partij ondertussen de door haar voorgestelde transactiesom heeft betaald en een X-10.361-3/7 regularisatievergunning heeft aangevraagd; dat de stedenbouw-kundige inspecteur bij schrijven van dezelfde dag het certificaat heeft bezorgd aan onder meer de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar, en hem heeft laten weten dat de regularisatievergunning, overeenkomstig het op dat ogenblik vigerende artikel 159 van het decreet van 18 mei 1999, kon worden verleend; Overwegende dat de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar bij besluit van dezelfde dag, d.i. op 18 april 2001, een stedenbouwkundige vergunning heeft verleend voor "het regulariseren van een bestaande kantine met kleedruimtes en het herinrichten van het plaatselijk voetbalveld; plaatsen tijdelijke containers voor kleedruimtes en kantine; plaatsen van verlichtingsmasten; aanleggen van 26 bijkomende parkeerplaatsen"; dat de regularisatievergunning voor de kantine en de vergunning voor het plaatsen van de vijf containers worden verleend voor maximum vijf jaar, en dat het terrein na het verstrijken van die termijn in zijn oorspronkelijke staat moet worden hersteld; dat dit besluit het voorwerp vormt van het voorliggende beroep; Overwegende dat de vordering van de verzoekers tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit is verworpen bij arrest nr. 95.984 van 30 mei 2001, op grond dat de uiterst dringende noodzakelijkheid niet naar behoren is verantwoord;
  7. Overwegende dat de verzoekers een vierde middel inroepen, afgeleid uit de schending van artikel 99 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening; dat de verzoekers aanvoeren dat de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar in de bestreden beslissing meldt dat hij op 13 december 2000 de aanvraag heeft ontvangen die betrekking heeft op het regulariseren van een bestaande kantine, het herinrichten van het plaatselijke voetbalveld, het plaatsen van tijdelijke containers voor kleedruimtes en kantine, het plaatsen van verlichtingsmasten en het aanleggen van 26 bijkomende parkeerplaatsen; dat zij voorts aanvoeren dat enkel in het administratief dossier nr. 00/319 omtrent het herinrichten van het voetbalveld een ontvangstbewijs steekt van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap van 13 december 2000 betreffende de aanvraag van het stadsbestuur van Oudenaarde aan het College van burgemeester en schepenen van de stad Oudenaarde, welke dateert van 28 september 2000; dat zij aanvoeren dat daarentegen in het administratief dossier nr. 00/344 betreffende de regularisatie van de bestaande kantine geen dergelijk ontvangstbewijs te vinden is, dat het enige X-10.361-4/7 ontvangstbewijs terzake afkomstig is van het College van burgemeester en schepenen van de stad Oudenaarde, dat dateert van 3 oktober 2000 en dat de aanvraag betreft van het stadsbestuur van Oudenaarde bij het College van burgemeester en schepenen van de stad Oudenaarde, dat het derhalve vaststaat dat de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar vanwege het stadsbestuur van Oudenaarde geen aanvraag tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning omtrent de regularisatie van de bestaande kantine ontving; dat de verzoekers concluderen dat geen regularisatievergunning werd aangevraagd conform artikel 99 van het decreet van 18 mei 1999, en de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar dan ook geen geldige vergunning kon afgeven; Overwegende dat artikel 99 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening onder meer bepaalt dat niemand zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning mag bouwen; dat deze bepaling vreemd is aan de in het middel ingeroepen grief; Overwegende evenwel dat uit het middel blijkt dat de verzoekers aan het bestreden besluit verwijten dat het een stedenbouwkundige vergunning verleent voor de bestaande kantine, terwijl daarvoor geen aanvraag was ingediend bij de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar; dat deze grief betrekking heeft op de regelmatigheid van de door die ambtenaar gevolgde procedure, en meer bepaald op de naleving van het vereiste dat die ambtenaar zich slechts kan uitspreken over een aanvraag die overeenkomstig artikel 127, § 1, van het genoemde decreet bij hem is ingediend; dat het middel dan ook zo begrepen moet worden dat de verzoekers een schending van die laatste bepaling inroepen; Overwegende dat uit het administratief dossier niet blijkt dat de tussenkomende partij haar aanvraag tot het verkrijgen van de regularisatievergunning voor de bestaande kantine heeft ingediend bij de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar; dat ook de tussenkomende partij zelf niet het bewijs aanbrengt dat zij haar aanvraag bij die overheid heeft ingediend; dat uit de aan de Raad van State voorgelegde stukken integendeel enkel blijkt dat de tussenkomende partij de bedoelde aanvraag bij haar college van burgemeester en schepenen heeft ingediend, en dat het college heeft bevestigd die aanvraag op 3 oktober 2000 ontvangen te hebben; dat het college in zijn advies van 27 november 2000 over de aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning voor de herinrichting van het voetbalveld en het plaatsen van tijdelijke containers onder meer opmerkt dat voor de regularisatie van X-10.361-5/7 de bestaande kantine een afzonderlijk dossier zou worden opgemaakt, dat aan de stedenbouwkundige inspecteur zou worden overgemaakt; dat er nadien inderdaad een briefwisseling is gevoerd met de stedenbouwkundige inspecteur, in verband met het vergelijk dat deze met toepassing van artikel 158 van het decreet van 18 mei 1999 op 21 maart 2001 zou voorstellen; dat, ook al heeft de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar zijn toestemming verleend voor een vergelijk, zoals dat vereist was volgens het op dat ogenblik vigerende artikel 158, § 1, eerste lid, van het decreet van 18 mei 1999, uit het dossier niet blijkt dat de aanvraag van de tussenkomende partij bij die ambtenaar is ingediend; Overwegende dat uit het voorgaande volgt dat, in zoverre de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar de stedenbouwkundige vergunning verleent voor de regularisatie van de bestaande vergunning, hij meer vergunt dan hem regelmatig gevraagd is; dat het middel gegrond is; Overwegende dat een stedenbouwkundige vergunning ondeelbaar is; dat het bestreden besluit dan ook in zijn geheel moet worden vernietigd; BESLUIT: Artikel
  8. Vernietigd wordt het besluit van 18 april 2001 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar van de afdeling Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen Oost-Vlaanderen waarbij aan de stad Oudenaarde de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor "het regulariseren van een bestaande kantine met kleedruimtes en het herinrichten van het plaatselijk voetbalveld; (het) plaatsen (van) tijdelijke containers voor kleedruimtes en kantine; (het) plaatsen van verlichtingsmasten; (het) aanleggen van 26 bijkomende parkeerplaatsen", op percelen gelegen te Oudenaarde, kadastraal bekend 4de afdeling, sectie A, nrs. 98w en 98d. X-10.361-6/7 Artikel
  9. De kosten van het beroep, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf juli 2006, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, G. DEBERSAQUES, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-10.361-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.223 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2001:ARR.95.984 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.