id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 juli 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.225 Rolnummer: A. 64438/X-9714 Zaak: Arrest 161225 - - 11/07/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-07-17 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-01 00:26 Fiche Arrest nr 161.225 van 11 juli 2006 - Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 161.225 van 11 juli 2006 in de zaak A. 64.438/X-
- In zake : de nv NOCASU, die woonplaats kiest bij Advocaten G. SOETE en G. AMPE, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, Kerkstraat 8, bus 1 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46, bus
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de nv NOCASU op 10 juli 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 8 maart 1995 van de Vlaamse regering tot uitbreiding van het beschermd dorpsgezicht te De Haan (koninklijk besluit van 24 juni 1981) tot het hele gebied van de voormalige concessie; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op de beschikking van 8 september 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 18 april 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 mei 2006; X-9714-1/6 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat V. TOMBEUR die loco Advocaten G. SOETE en G. AMPE verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat N. DECLERCQ die loco Advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van Eerste Auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat bij koninklijk besluit van 24 juni 1981 twee delen van het gebied van de voormalige concessie van de badplaats De Haan zijn beschermd als dorpsgezicht, met daarin telkens een aantal beeldbepalende gebouwen; dat de Vlaamse minister bevoegd inzake monumenten en landschappen de procedure heeft ingezet tot uitbreiding van de bescherming als dorpsgezicht tot het hele gebied van de voormalige concessie, en dat hij op 17 maart 1992 dat hele gebied heeft geplaatst op een voorontwerp van lijst van voor bescherming vatbare dorpsgezichten; dat een openbaar onderzoek is gehouden dat aanleiding heeft gegeven tot tal van bezwaarschriften, waaronder een van de verzoekster; dat bij ministerieel besluit van 23 juli 1993 de uitbreiding van het beschermd dorpsgezicht tot de hele vroegere concessie geplaatst is op een ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare dorpsgezichten; dat over de ontworpen bescherming een verslag is opgesteld door twee inspecteurs van het bestuur Monumenten en Landschappen, provinciale dienst West-Vlaanderen; dat de Koninklijke Commissie voor monumenten en landschappen op 9 december 1993 een gunstig advies heeft gegeven; dat de geldigheidsduur van het genoemde ministerieel besluit van 23 juli 1993 bij ministerieel besluit van 5 oktober 1994 is verlengd met zes maanden; dat bij besluit van de Vlaamse regering van 8 maart 1995 het beschermd dorpsgezicht definitief uitgebreid wordt tot de hele vroegere concessie; dat tot het dorpsgezicht een reeks met name genoemde, beeldbepalende gebouwen behoren, waaronder de woning "Notre Nid", eigendom van de verzoekster, gelegen te De Haan, Zeedijk 10; dat het genoemde besluit van de Vlaamse regering van 8 maart 1995 het voorwerp vormt van het voorliggende beroep; X-9714-2/6
- Overwegende dat de verzoekster een eerste middel inroept, afgeleid uit de miskenning van het begrip dorpsgezicht, omschreven in artikel 2, 3., van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten; dat de verzoekster aanvoert dat de woning gelegen aan de Zeedijk 10 een oude woning is die in slechte staat verkeert, dat die woning in ieder opzicht gewoon is, geen curiosum is en ook geen architectonische waarde heeft, dat zij als oude woning aan de Zeedijk langs alle zijden is ingesloten door nieuwbouw, dat zij dus niet gegroepeerd is met één of meer monumenten of andere onroerende goederen met omgevende bestanddelen; dat de verzoekster besluit als volgt: "Door de oude en vetuuste woning op de Zeedijk op te nemen in het beschermd dorpsgezicht werd de bepaling van het decreet van dorpsgezicht miskend, want een woning kan slechts opgenomen worden in groepering met andere monumenten, zodat er één geheel moet zijn waarvan het behoud noodzakelijk is voor het algemeen belang"; Overwegende dat artikel 2, 3., van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, op het ogenblik dat het bestreden besluit werd genomen, luidde als volgt: "Art.
- Dit decreet verstaat onder : (...)
- stads- en dorpsgezicht : een groepering van één of meer monumenten en/of onroerende goederen met omgevende bestanddelen, zoals onder meer beplantingen, omheiningen, waterlopen, bruggen, wegen, straten en pleinen, die omwille van haar artistieke, wetenschappelijke, historische, volkskundige, industrieel-archeologische of andere sociaal-culturele waarde van algemeen belang is"; Overwegende dat volgens artikel 1, eerste lid, van het bestreden besluit het bestaande beschermde dorpsgezicht wordt uitgebreid tot de hele vroegere concessie, "omwille van het algemeen belang gevormd door de historische en andere sociaal-culturele waarde -meer bepaald de architectuur-historische en stedenbouwkundige waarde- als zijnde: - een gaaf bewaard urbanistisch model uit het einde van 19de eeuw, vaag geïnspireerd op de toen opkomende tuinwijkgedachte en rekening houdend met het duinenreliëf, - een interessant ensemble van 'vrijetijdsarchitectuur' waarvan de 'beeldbepalende' gebouwen een uitzicht hebben dat typisch is voor De Haan en er mede het karakter van bepalen"; dat artikel 1, tweede lid, voorts bepaalt dat de bedoelde beeldbepalende gebouwen, die op het bij het besluit gevoegde plan zijn aangeduid en die in dat artikel 1, tweede lid, met name opgesomd worden, "in de toekomst behouden (moeten) blijven in hun X-9714-3/6 algemeen uitzicht en voorkomen", en dat "verbouwingswerken (aan die gebouwen) dienen gedacht in termen van renovatie en herstel"; dat artikel 2 van het bestreden besluit enerzijds bepaalt dat met het oog op de bescherming van toepassing zijn de beschikkingen van het koninklijk besluit van 6 december 1976 tot bepaling van de algemene voorschriften inzake instandhouding en onderhoud van de monumenten en de stads- en dorpsgezichten, en anderzijds herhaalt dat de genoemde beeldbepalende gebouwen in de toekomst te behouden zijn in hun algemeen uitzicht en voorkomen, en dat verbouwingswerken gedacht dienen te worden in termen van renovatie en herstel; Overwegende dat uit de inhoud van het bestreden besluit blijkt dat het hele domein van de vroegere concessie is beschermd als dorpsgezicht, omwille van de historische en andere sociaal-culturele waarde van dat domein; dat die waarde wordt afgeleid uit de aanwezigheid van twee kenmerken: enerzijds een bepaald "urbanistisch model", anderzijds een ensemble van "vrijetijdsarchitectuur", waartoe met name een reeks beeldbepalende gebouwen behoren; dat de verzoekster geen kritiek uitoefent op het feit dat het bestreden besluit vaststelt dat het hele domein van de vroegere concessie gekenmerkt wordt door een bepaald urbanistisch model, en dat dit model een bepaalde historische en andere sociaal-culturele waarde vertoont; dat die vaststelling nochtans een zelfstandig motief uitmaakt, dat de beslissing tot bescherming als dorpsgezicht op zichzelf kan verantwoorden; dat het middel, dat enkel kritiek uitoefent op het motief dat verband houdt met de beeldbepalende gebouwen, aldus gericht blijkt te zijn tegen een ten overvloede gegeven motief van het bestreden besluit; Overwegende, ten overvloede, wat betreft de in het middel aangevoerde grief, dat het middel er onder meer van uitgaat dat binnen een beschermd dorpsgezicht, te dezen het hele domein van de vroegere concessie, geen gebouwen als zogenaamd "beeldbepalende" gebouwen mogen worden geïdentificeerd, en dat daarvoor geen bijzondere beschermingsmaatregelen mogen worden vastgesteld, dan als die gebouwen en hun onmiddellijke omgeving op zichzelf zouden beantwoorden aan de omschrijving van een dorpsgezicht; dat die opvatting echter geen steun vindt in artikel 2, 3., van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, noch in enige andere bepaling van dat decreet; dat het middel voor het overige kritiek uitoefent op de feitelijke beoordeling, in het bestreden besluit, van de architectuur-historische en stedenbouwkundige waarde van het gebouw "Notre Nid", op zichzelf beschouwd; X-9714-4/6 dat in het genoemde verslag van de inspecteurs van het bestuur Monumenten en Landschappen met betrekking tot dat gebouw het volgende wordt vastgesteld: "Neoclassicistisch getint enkelhuis van een smalle (en) een brede travee en drie en een halve bouwlaag, uit de jaren 1920 - begin
- Gecementeerde lijstgevel. Doorgetrokken pilasters uitstekend boven de kroonlijst (en aan) weerszijden een gebogen fronton"; dat de verzoekster niet aanvoert dat de bedoelde beoordeling uitgaat van in feite onjuiste vaststellingen, en zij evenmin aannemelijk maakt dat die beoordeling kennelijk onredelijk is; Overwegende dat het middel niet kan worden aangenomen;
- Overwegende dat het verslag opgesteld door het met het onderzoek van de zaak gelaste lid van het Auditoraat is beperkt tot het onderzoek van het eerste middel; dat er grond is om het onderzoek verder te zetten; BESLUIT: Artikel
- De debatten worden heropend. Artikel
- Het door de Auditeur-generaal aangewezen lid van het Auditoraat wordt gelast met het aanvullend onderzoek. X-9714-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf juli 2006, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, G. DEBERSAQUES, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-9714-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.225 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.276 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.